toelichting BP Zwembadweg, Sint-Oedenrode
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Zwembadweg, Sint-Oedenrode
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Zwembadweg, Sint-Oedenrode
Planstatus
Vaststelling
Projectnummer
NL.IMRO.1948.BGO000BP0022023P-OW01
Datum
31 oktober 2023
Bestemmingsplan Zwembadweg Sint-Oedenrode Gemeente Meierijstad Vaststelling
Rapportnummer:
P03691
IMRO-identificatiecode:
NL.IMRO.1948.BGO000BP0022023P-OW01
Datum:
31 oktober 2023
Contactpersoon opdrachtgever:
Gemeente Meierijstad
Projectteam BRO:
JRi, MvDn, MOo, JvdA, CJa
Concept:
april 2021, september 2021, oktober 2021, januari 2022
Ontwerp:
juli 2023
Vastgesteld:
december 2023
Bron foto kaft:
Meierijstad
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde situatie 2.3 Beeldkwaliteitplan
7 7 8 14
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
16 16 22 24
4.MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1Inleiding 4.2M.e.r.-plicht 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4Flora en fauna 4.5 Waterparagraaf 4.6Bodem 4.7(Ondergrondse) infrastructuur 4.8Bedrijven en milieuzonering 4.9Geurhinder 4.10Akoestiek 4.11Luchtkwaliteit 4.12Externe veiligheid 4.13Hoogspanningslijnen 4.14Spuitzones gewasbescherming 4.15Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.16Verkeer en parkeren
27 27 27 27 30 34 43 49 49 51 52 53 55 57 57 57 58
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding
64 64
Inhoudsopgave
1
5.2 Systematiek van de regels 5.3Toelichting op de bestemmingen
64 66
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
68 68 68
6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure
69 69
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Regiekaart Bijlage 2: Beeldkwaliteitplan Bijlage 3: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 5: Nader onderzoek vleermuizen Bijlage 6: Stikstofonderzoek Bijlage 7: Infiltratieonderzoek en waterparagraaf Bijlage 8: Bodemonderzoeken Bijlage 9: Formulier Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek Bijlage 10: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 11: Rapportage verkeerstoets Bijlage 12: Parkeeronderzoek Bijlage 13: Omgevingsdialoog
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de Zwembadweg, ten noordwesten van de kern Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad, is een grotendeels braakliggend terrein gelegen. Het terrein bevindt zich binnen de bebouwde kom, tegen het buitengebied van Sint-Oedenrode. De gemeente Meierijstad is voornemens ter plaatse een herontwikkeling naar woningbouw mogelijk te maken. Ten behoeve van de gewenste herontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Beoogd wordt om 104-110 woningen te realiseren, die met zorg worden ingepast in de omgeving. Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse is Sint-Oedenrode Noord (2010). Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’, ‘Groen’ en ‘Verkeer en verblijf’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De ver- en nieuwbouwplannen passen niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan en derhalve dient het bestemmingsplan te worden herzien. Op 12 juli 2011 is door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode een omgevingsvergunning 1e fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan Sint-Oedenrode Noord (2010) voor de realisatie van een appartementencomplex met stallingsgarage aan de Zwembadweg ongenummerd en op 15 februari 2012 is door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode een omgevingsvergunning 2e fase verleend voor het bouwen van een appartementencomplex met stallingsgarage aan de Zwembadweg.
Deze appartementencomplexen zijn niet gerealiseerd. Destijds is ten behoeve van de ontsluiting van het perceel wel een bouwweg met riolering aangelegd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passende juridische en planologische regeling om de woningbouwontwikkeling met ca. 104-110 woningen op de locatie aan de Zwembadweg in Sint-Oedenrode mogelijk te maken.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Zwembadweg en Koningsvaren, ten noordwesten van de kern Sint-Oedenrode. Ten oosten van het plangebied is het Kienehoef Park gelegen en aan de westzijde grenst het plangebied aan het buitengebied van Sint-Oedenrode. Het plangebied betreft de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Sint-Oedenrode, sectie I, perceelnummers 6658, 6992, 7016 en een gedeelte van het perceel 6125. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 34.650 m2. In figuur 1.1 is een luchtfoto van de nabije omgeving en een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de globale ligging van het plangebied te zien is. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Noord’, zoals dat op 15 april 2010 door de (voormalige) gemeente Sint-Oedenrode is vastgesteld. Het plangebied is bestemd als ‘Agrarisch’, ‘Groen’, ‘Verkeer en verblijf’ en een klein gedeelte ‘Wonen’. Tevens geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Binnen de vigerende bestemmingen is het ontwikkelen van een woningbouwlocatie niet mogelijk. Op 12 juli 2011 is door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode een omgevingsvergunning 1e fase verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan Sint-Oedenrode Noord (2010) voor de realisatie van een appartementencomplex met stallingsgarage aan de Zwembadweg ongenummerd én op 15 februari 2012 is door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode een omgevingsvergunning 2e fase verleend voor het bouwen van een appartementencomplex met stallingsgarage aan de Zwembadweg. Deze appartementencomplexen zijn niet gerealiseerd.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De ver- en nieuwbouwplannen passen niet binnen de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Voor de gewenste ontwikkeling is een functiewijziging van het plangebied noodzakelijk. Het plangebied krijgt de bestemming ‘woongebied’, ‘groen’ en ‘verkeer en verblijf’. Binnen de bestemming woongebied is ruimte voor woningen, tuinen en erven. Tevens worden er voor specifieke woningtypen specifieke aanduidingen aangeduid. Om de nieuwe situatie juridisch-planologisch mogelijk te maken, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: de verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de voorschriften voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Achtereenvolgens is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de toekomstige ruimtelijk-functionele invulling van het gebied. Vervolgens is ingegaan op de beleidsinkadering, de milieu- en overige aspecten, sectorale onderzoeks- en analyseresultaten, economische uitvoerbaarheid en handhaving. Afgesloten is met het weergeven van de maatschappelijke haalbaarheid en de te doorlopen procedure.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het noordwesten van het dorp Sint-Oedenrode. Ten zuiden grenst het plangebied aan de woonwijk Kinderbos langs het Mahlerplein en de Brahmsstraat. Aan de westzijde ligt de Koningsvaren en ten oosten de Zwembadweg. Deze wegen komen in de noordpunt van het plangebied bij elkaar. Het betreft een terrein van circa 34.650 m 2 wat momenteel onder andere in gebruik is als parkeerterrein en grasland. Direct aansluitend aan het parkeerterrein was er (tot voor kort) een opslagruimte voor/van de buitendienst voor o.a. straatmateriaal en lantaarnpalen en een hoekje met beplanting en groen. In het zuidoosten van het plangebied is nog een verouderde woning met kassen aanwezig. Figuur 2.1 toont een gedeelte van het plangebied in de huidige situatie gezien vanaf de Zwembadweg. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en sluit aan op de woonwijk Kinderbos. Derhalve leent de locatie zich goed voor woningbouw.
Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied (bron: Google Streetview)
Hoofdstuk 2
7
2.2 Beoogde situatie Er is een stedenbouwkundig plan (zie figuur 2.2) en een beeldkwaliteitplan opgesteld. De basis ligt vast, maar wijzigingen in woningtypologie en woningaantallen zijn in beperkte mate mogelijk indien de marktwerking of woningbouwprogramma daarom vraagt.
Figuur 2.2 Stedenbouwkundig plan
Hoofdstuk 2
8
Voor de opzet van het stedenbouwkundig plan is aansluiting gezocht bij de ruimtelijke karakteristieken in de omgeving. De structuur van wegen Koningsvaren en Zwembadweg, aan de west- en oostzijde, met een sterke aanwezigheid van bomenrijen geeft de kapstok voor het plan. Het idee is om de verschillende natuurlijke elementen van de omgeving ook te laten infiltreren door het plangebied. In het plan wordt daardoor groen voorzien met diverse woningtypen waarvan het overgrote deel aaneenschakelde rijwoningen zullen zijn. Daarnaast voorziet het plan in rug-aan-rugwoningen, appartementen, twee-aaneengeschakelde woningen en enkele vrijstaande woningen. De karakteristieken van de omgeving die park- en bosachtig is, met de landelijke signatuur vormen de basis voor de vormgeving voor het gros van het plangebied. Traditioneel, eenvoud in vorm, verscheidenheid in bebouwing vormen hier de uitgangspunten voor de toepassing van een dorpse architectuur in een bosachtige omgeving. Langs de Zwembadweg komen steviger opgezette woningen te liggen op een breder perceel die meedoen met de schaal van de bestaande woningen aan de Zwembadweg. Meer richting het centrale gebied neemt de schaal van de individuele woningen en percelen af. In totaal omvat het richtprogramma ongeveer 104-110 nieuwe woningen (en sloop van een bestaande woning) en is er ruimte voor autoparkeerplaatsen o.a.
in parkeerkoffers in het openbare gebied en de overige parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen. De parkeerbehoefte wordt hiermee binnen het plangebied opgevangen. Het indicatieve richtprogramma met 107 woningen (zoals ook weergegeven in figuur 2.2) ziet er als volgt uit: 27 sociale huurwoningen; 15 middeldure huurwoningen; 11 goedkope koopwoningen; 31 middeldure koopwoningen; 23 dure koop / vrije sector woningen. Ten behoeve van de ontwikkelingen is een regiekaart opgesteld, deze is te zien in figuur 2.3 op de volgende pagina. De regiekaart geeft aan wat de ruimtelijke kaders zijn voor de ontwikkeling van het plangebied. Deze regiekaart is opgenomen als bijlage 1 bij deze plantoelichting.
Hoofdstuk 2
9
Figuur 2.3 Regiekaart Zwembadweg
Hoofdstuk 2
10
Ontsluiting en parkeren De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer verloopt via de Zwembadweg, de nieuwe woonwijk sluit op twee locaties aan op de Zwembadweg. Het verkeer rijdt vervolgens via de Ollandseweg of Schootsedijk naar: het centrum de Schijndelseweg richting Noordelijke Randweg of Lindendijk richting Nijnsel of Schijndel Olland / Boxtel (of misschien via Best via de Bobbenagelseweg) Schootsedijk richting Schijndel of de Noordelijke randweg Het plangebied sluit niet met een auto-ontsluiting aan op de weg Koningsvaren ook niet richting de bestaande woonwijk Kinderbos. Zodat het verkeer via de twee toegangswegen de nieuwe woonwijk binnenkomt en om te voorkomen dat het verkeer op de Koningsvaren en in de woonwijk Kinderbos toeneemt. Het plan voorziet wel in ontsluitingen voor langzaam verkeer richting de Koningsvaren en richting de woonwijk Kinderbos. Met de hoofdroute doorheen het plangebied ontstaat een belangrijke radiaal. Doorheen het plangebied liggen, voornamelijk parallel aan deze radiaal trottoirs en groenstroken. Het uitgangspunt is dat parkeren voor een gedeelte plaatsvindt op eigen terrein, langs de rijbaan en (binnen) parkeerhoven. Figuur 2.4 t/m 2.7 toont principeprofielen voor de openbare ruimte. De aanduiding os-1, os-2, os-3 en os-4 staat op de regiekaart aangegeven, dit is waar het profiel in de figuren 2.4 t/m 2.7 gelden.
Figuur 2.4 Principeprofiel ontsluiting 1 (os-1) Koningsvaren-Zwembadweg
Hoofdstuk 2
11
Figuur 2.5 Principeprofiel ontsluiting 2 (os-2) Koningsvaren-Zwembadweg
Figuur 2.6 Principeprofiel ontsluiting 3 (os-3) Koningsvaren-Zwembadweg
Hoofdstuk 2
12
Figuur 2.7 Principeprofiel ontsluiting 4 (os-4) Koningsvaren-Zwembadweg
In paragraaf 4.16 is de parkeerbehoefte berekend, de bruto parkeerbehoefte voor de woningen (bewoners en bezoekers) bedraagt 232,8 parkeerplaatsen, waarvan 200,7 voor bewoners en 32,1 voor bezoekers. In totaal worden er ten minste 42 parkeerplaatsen gerealiseerd bij de woningen op eigen terrein. Waardoor er nog een parkeerbehoefte is van 190,8 in de openbare ruimte, waarvan 158,7 voor bewoners en 32,1 voor bezoekers. Deze twee parkeerbehoeftes maken beide aanspraak op de dubbelgebruik regel. Dit omdat ze beiden in de openbare ruimte opgelost moeten worden. De parkeerbehoefte naar aanwezigheidspercentages leidt tot een parkeerbehoefte van 169 parkeerplaatsen op het meest maatgevende moment (een werkdag-avond). In het stedenbouwkundig plan (figuur 2.2) is aangetoond dat er met onderhavige ontwikkeling ruimte is om te kunnen voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen. De ontsluitingen voor de parkeerhoven zijn voorzien tussen de woningen. De interne tweerichtingsverkeer hoofdontsluitingsweg wordt ingericht als erfontsluitingsweg met parkeerplaatsen deels aan de rijbaan en deels in parkeerkoffers. Op deze manier wordt de hoeveelheid blik op straat beperkt en ontstaat er maximaal ruimte voor groen in de openbare ruimte. Het bezoekers parkeren zal in de openbare ruimte gerealiseerd worden. Dit kan zonder problemen worden opgenomen in het gekozen straatprofiel.
Het parkeren wordt zodoende geconcentreerd in de parkeerhoven en in parkeerhavens langs de woonstraten. Groenstructuur Voor plangebied is een beeldkwaliteitsplan (zie ook paragraaf 2.3) opgesteld waarin ook het groen en de openbare buitenruimte is opgenomen, met als doel het bestaande groen te handhaven en uit te breiden om zo het plangebied een groen aangezicht te geven en bestaande fiets- en wandelpaden te kunnen koppelen aan structuren binnen het plangebied. Het groene karakter past bij Sint-Oedenrode.
Hoofdstuk 2
13
De bomen en plantvakken langs de straten verbinden de wadi’s en het parkje met elkaar en dragen zodoende bij aan een groen straatbeeld. Het groen in het plan fungeert tevens als groene berging voor de opvang en infiltratie van hemelwater en kan ook recreatief gebruikt worden. De groene bergingen hebben twee gebruiksdoelen; het dient als natuurlijke afvoer voor het regenwater en het aangrenzend groen kan recreatief gebruikt worden. De interne straten worden zoveel als mogelijk begeleid door een bomenrij. De bomenrijen van het middengebied in combinatie met de groene bergingen verzachten het zicht op de bebouwing zonder deze volledig weg te nemen.
2.3 Beeldkwaliteitplan De belangrijkste en ruimtelijk relevante aspecten uit het stedenbouwkundig plan zijn overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Voor het plangebied is aanvullend een beeldkwaliteitplan opgesteld, waarin criteria zijn opgenomen voor zaken als vormgeving, kleur en materialisatie. Dit separaat bijgevoegde Beeldkwaliteitsplan wordt als welstandsnota voor het gebied vastgesteld en vormt daarmee het wettelijk kader voor de welstandstoetsing. Het biedt hiermee handvatten voor de verdere uitwerking van de (bouw)plannen voor plangebied Zwembadweg. Uitgangspunten voor beeldkwaliteit De vormgeving van het stedenbouwkundig plan zoekt aansluiting bij de traditionele woningkarakteristieken van een Brabants dorp. Om dit te realiseren wordt voorgesteld om een ingetogen, evenwichtige op klassieke architectuurprincipes gebaseerde vormgeving toe te passen. Binnen de beeldkwaliteitscriteria bestaan er vrijheidsgraden voor het ontwerp zodat de ontwerper deze kan benutten om uniciteit in het ontwerp aan te brengen. Om individuele expressie te realiseren kan er bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van hoogteverschillen, parcellering in de gevels, en toe te passen detailleringen. Leidend voor de uitstraling en sfeer van het plan is het gewenste karakter van het wonen in een bos.
De vormgeving, kleuren en materialen die gebruikt worden voor de woningen dienen de sfeer van bosrijk wonen te complementeren en moeten passen bij die van de openbare ruimte waarin ruimte is voor veel groen, een vrije strooiing van bomen, struweelhagen en waterberging. Op deze wijze ontstaat een nieuwe buurt met een geheel eigen identiteit, uniek voor Sint-Oedenrode. Deelgebieden De beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied zijn te onderscheiden in vier deelgebieden. De grenzen van de deelgebieden zijn indicatief en bewegen mee met veranderingen als gevolg van planaanpassingen. De deelgebieden zijn als volgt onderverdeeld: 1. Deelgebied 1: het woonlint, is de zone langs de Zwembadweg. 2. Deelgebied 2: het middengebied, is het gebied dat zich aan de binnenkant van het plangebied bevindt. 3. Deelgebied 3: de kop, is het gebied in de kop van het plan.
Hoofdstuk 2
14
4. Deelgebied 4: Koningsvaren, is de zone langs de Koningsvaren. In het beeldkwaliteitplan, wat is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting is de beoogde beeldkwaliteit voor de deelgebieden wordt geïllustreerd en beschreven. Per deelgebied is de gewenste ontwikkelingsrichting weergegeven en vastgelegd in criteria. Door middel van referentiebeelden worden deze criteria verduidelijkt. In het beeldkwaliteitplan wordt ook ingegaan op beeldbepalende erfafscheidingen en gevels en op de beeldkwaliteit van de openbare ruimte. De paden en straten in het plan zullen met gebakken elementenverharding worden ingericht om in combinatie met het aanwezige groen een hoogwaardige bossfeer te bewerkstelligen. De verharding van rijbanen, parkeerstroken en voetpaden wordt nagenoeg op één niveau gelegd en bestaat achtereenvolgens uit gebakken klinker (kei formaat), grasstenen en grasbetontegels in een ongelijke maat. Paden in het groen worden bij voorkeur in halfverharding aangelegd. Hierbij wordt eveneens ingezet op het hergebruik van materialen elders uit de gemeente. De elementenverharding voor de rijbanen bestaat uit een gemeleerde bonte kleurschakering. De parkeerstroken en zijn donkergrijs en de voetpaden in een rode kleur. Voor de halfverharde voetpaden is grauwacke een goede optie.
Hoofdstuk 2
15
3.
BELEIDSKADER Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een ruimtelijke ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de van belang zijnde beleidsuitgangspunten van de diverse overheidsinstanties.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld, welke per 11 september 2020 in werking is getreden. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes, welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur.
Hoofdstuk 3
16
De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Doorwerking plangebied Het onderhavig plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het beleid inzake het realiseren van nieuwe/extra wooneenheden wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen.
Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkelingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
17
binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Het indicatieve richtprogramma voorziet in de realisatie van 107 woningen, met het plan worden er maximaal 110 woningen gerealiseerd. Daarbij vindt de sloop van een bestaande woning plaats. Tevens is er binnen het plangebied, in 2011 een vergunning verleend voor de realisatie van een appartementencomplex met ca. 38 appartementen. Planologisch gezien bedraagt de netto toename derhalve maximaal 71 woningen. De beoogde ontwikkeling aan de Zwembadweg in Sint Oedenrode betreft een stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Groen’, ‘Verkeer en verblijf’ en een klein gedeelte ‘Wonen’. Op basis daarvan is wonen niet toegestaan en is een herziening van de bestemming noodzakelijk. 2.
Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het realiseren van 110 woningen / het planologisch toevoegen van 71 woningen valt onder deze definitie. 3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien het om een planologische toevoeging gaat van maximaal 71 woningen, kan het initiatief gekwantificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De herontwikkeling van het gebied tot een nieuw woongebied kan worden gezien als een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro). Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, onderstaand volgt een toelichting. Bestaand stedelijk gebied In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Sint Oedenrode. Het plangebied is op provinciale kaarten aangeduid als ‘landelijke kern’ (zie figuur 3.2).
Daarnaast is er een geldende vergunning voor een appartementencomplex, waarvoor het plangebied deels al bouwrijp is gemaakt. Tevens is er sprake van een bestaande parkeerplaats welke in gebruik is als parkeervoorziening voor het stedelijke park en is een deel van het plangebied tot voor kort in gebruik was als opslag voor de buitendienst van de gemeente. Daarmee is met het plan sprake van transformatie van bestaand stedelijk gebied in de kern Sint Oedenrode. Woonvisie Meierijstad 2018 Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad van Meierijstad de woonvisie voor Meierijstad vastgesteld. Met de visie wil de gemeente richting geven aan het woonbeleid, waarbij er voldoende flexibiliteit moet blijven bestaan om goed in te kunnen spelen op de veranderingen die de komende jaren komen. Om die
Hoofdstuk 3
18
reden worden ontwikkelingen jaarlijks gemonitord en waar nodig wordt het woonbeleid bijgesteld, hiervoor wordt de Woonagenda vastgesteld. Na de vaststelling van de Woonvisie in 2018 is een aantal zaken veranderd en daarom is er het Actieplan Woningbouw 2021 opgesteld waarin er wijzigingen worden voorgesteld voor de woonvisie. De wijzigingen die zijn aangebracht in de uitgangspunten van de woonvisie worden in het Actieplan duidelijk aangegeven. Ze vormen als het ware een addendum op de woonvisie 2018. De noodzaak voor de veranderingen vloeit o.a. voort uit de gewijzigde provinciale woningbouwprognoses, die aantonen dat de woningbouwopgave aanzienlijk is. In de woonvisie 2018 werd uitgegaan van een toename van 3.940 woningen in de periode 2018 tot 2028. Hiervan zijn er in 2018 en 2019 al ruim 1.000 gerealiseerd. In het Actieplan Woningbouw 2021 wordt uitgegaan van de provinciale prognoses die in de periode 2020-2040 5.750 benodigde extra woningen ramen. Het Actieplan Woningbouw 2021 geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met de hogere woningbouwprognoses die door de provincie zijn afgegeven voor gemeente Meierijstad en hoe de gemeente dit wil combineren met het versnellen van de woningbouwproductie. De woningbehoefte kent kwantitatieve en kwalitatieve aspecten.
Door de demografische ontwikkelingen is er tot 2030 in Meierijstad nog een behoorlijke toename van de kwantitatieve woningbehoefte (jaarlijks ongeveer 1% toevoeging aan de bestaande woningvoorraad), daarna vlakt die behoefte aan extra woningen af. Die demografische ontwikkeling heeft de volgende kenmerken: het aantal gezinnen en jongere huishoudens blijft nagenoeg gelijk; het aantal ouderen en het aantal alleenstaanden neemt behoorlijk toe; de bevolking van Meierijstad vergrijst (naar verwachting is in 2040 1 op de 4 huishoudens 75 jaar of ouder: een verdubbeling van het aantal oudere huishoudens ten opzichte van nu). Kwantitatieve woonbehoefte Meierijstad De gemeente Meierijstad monitort jaarlijks de ontwikkelingen en stelt het woonbeleid bij. In het Actieplan Woningbouw 2021 is een actuele inschatting van de woningbouwprogrammering per kern opgenomen (zie tabel 3.1). Uit dit overzicht blijkt dat er op dit moment in vrijwel alle kernen meer woningen voorzien zijn dan de aantallen die in de Woonvisie 2018 waren opgenomen. Voor de kern Sint Oedenrode geldt dat er voor 2018-2028 een behoefte is van 505 woningen, cf. Woonvisie 2018. Er zijn reeds 244 woningen gerealiseerd, daarmee komt het restant t.o.v. de woonvisie 2018 op 261 woningen. Het totaal aantal woningen in plannen (harde en zachte plancapaciteit) voor de periode 2021-2030 bedraagt 321 woningen.
Daarnaast zijn er nog 22 woningen aangeduid als potentieel (principemedewerking) en 550 woningen met versnellingsacties. In totaal kunnen er hiermee nog eens 893 woningen gerealiseerd worden in Sint-Oedenrode voor de periode 2021-2035
Hoofdstuk 3
19
Tabel 3.1 Woningprogrammering per kern, gemeente Meierijstad
In het totaal aantal geplande woningen (harde en zachte plancapaciteit) 2021-2030 is het onderhavige plan aan de Zwembadweg al meegenomen. Figuur 3.1 toont het woningbouwprogramma voor projecten groter dan 25 woningen, in deze figuur is onder nummer 19 onderhavig project (Koningsvaren/Zwembadweg) weergegeven.
Figuur 3.1: Woningbouwprogramma 2020-2029 Gemeente Meierijstad Hoofdstuk 3
20
Kwalitatieve woonbehoefte In het samenwerkingsverband met regio Noordoost Brabant is in 2019 een woonwensenonderzoek uitgevoerd. In maart 2020 is hiervan de definitieve rapportage gepubliceerd. Inwoners van Meierijstad willen veelal in Meierijstad blijven wonen. 86% van de zelfstandig wonende huishoudens is (zeer) tevreden over hun woning en woonomgeving. 67 % van de verhuisgeneigde starters en 81% van de verhuis-geneigde doorstromers. Met name in of nabij het centrum wonen is gewenst. 74% van der 65-plussers wil zo lang mogelijk in de eigen woning blijven wonen en slechts 5% van hen verwacht te moeten verhuizen als de gezondheid achteruit gaat. 26% van de 65-plussers wil verhuizen naar een woning met zorgfaciliteiten. Het aantal spoedzoekers (mensen die dringend op zoek zijn naar een andere woning) blijkt onder doorstromers (zeer) beperkt. Het aantal spoedzoekers dat een tijdelijke woning zou accepteren ligt rond de 280. 23% van de eigenaar-bewoners denkt de komende 2 jaar energiebesparende maatregelen te nemen. Er is een grote interesse in bijzondere woonvormen onder mensen met een verhuiswens. Starters en doorstromers noemen met name zelfbouw op een eigen kavel, zelfbouw in een project (CPO) en transformeren van vastgoed als gewenste woonvormen.
Doorstromers vanaf 65 jaar hebben met name interesse voor kleinschalige woonzorgprojecten, wonen met gelijkgestemden of wonen met gemeenschappelijke voorzieningen. Wanneer de vraag uit het onderzoek over het huidige aanbod van Meierijstad wordt gelegd, wordt duidelijk waar de komende jaren de aandacht naar uit zou moeten gaan. Op hoofdlijnen sluit dit beeld aan bij de huidige woonvisie en de doorvertaling daarvan in onder meer de woningbouwprogrammering en het plan van aanpak om de woningbouw te versnellen. Zo is er behoefte aan o.a.: huurappartementen, zowel voor starters als voor doorstromers; betaalbare huurwoningen, zowel voor starters als voor doorstromers; betaalbare koopwoningen, met name voor starters; middeldure huurwoningen; kleinere woningen, zowel in koop- als huursector, appartementen en grondgebonden. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in een netto toename van maximaal 109 woningen en een planologische toevoeging van 71 woningen. De ontwikkeling past zowel kwantitatief als kwalitatief in het woningbouwbeleid van Meierijstad. De woningen worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking. Met de ontwikkeling wordt ingespeeld op de kwalitatieve behoefte.
Met de beoogde ontwikkeling wordt een divers woongebied gerealiseerd, zo worden er ten minste 25% sociale huurwoningen gerealiseerd. Daarnaast worden er middeldure huurwoningen, goedkope, middeldure en dure koopwoningen gerealiseerd. Er worden woningen gebouwd in verschillende prijsklassen voor verschillende doelgroepen.
Hoofdstuk 3
21
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De herontwikkeling van het plangebied tot woningbouwlocatie heeft geen grote invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en in maart 2023 voor de laatste keer geconsolideerd.
De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.
De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt binnen gronden die op de kaarten behorende bij de Interim Omgevingsverordening als ‘Stedelijk gebied’ en ‘Landelijke kern’ zijn aangeduid. Dit is te zien in figuur 3.2.
Hoofdstuk 3
22
Figuur 3.2: Uitsnede plangebied Interim Omgevingsverordening
De volgende artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing op de voorgestane woningbouwontwikkeling binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De kwantitatieve woonbehoefte in de regio is aangetoond in de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Er is sprake van een herontwikkeling van het braakliggende plangebied binnen de bebouwde kom tot een woongebied met circa 104-110 woningen in verschillende typen en prijsklassen. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een ruimtelijke kwaliteitsimpuls voor het plangebied en de omgeving. Er is sprake van een inbreidingsplan en transformatieopgave in stedelijk gebied. In de planuit-
Hoofdstuk 3
23
werking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. De bouwplannen zullen voldoen aan de wettelijke eisen op gebied van duurzaam. De woningen worden BENG gebouwd. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Visie Meierijstad In de Visie Meierijstad wordt de toekomst van de gemeente Meierijstad beschreven. Hierin is de volgende algemene visie opgenomen: Het is 2025: een gemeente met een missie en ambities In het belang van haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen is een ambitieuze en bestuurskrachtige gemeente noodzakelijk. Elke inwoner telt mee en kan mee doen binnen sterke sociale netwerken en een rijk vrijwilligers- en verenigingsleven. Meierijstad maakt zich samen met het bedrijfsleven sterk voor een gezonde lokale en regionale economie met voldoende werkgelegenheid. Food is de verbindende factor: de productie in het buitengebied, de voedingsindustrie en nieuwe productontwikkeling. In Meierijstad is het genieten in de vele restaurants en op de terrassen. De beroepsbevolking is aan het werk. Wonen en werken in Foodcapital trekt jeugd aan. Er is een goede ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven. Meierijstad koestert de unieke waarden van natuur, landschap, cultuur en onderwijs. Daarnaast is voor het ruimtelijke aspect onderscheid gemaakt tussen verschillende onderdelen, waaronder bijvoorbeeld: landschap, wonen en bedrijvigheid. Voor het aspect wonen is het volgende beschreven: Onze inwoners verblijven in een veilige woon- en werkomgeving. Zij zijn betrokken en hebben direct invloed op de woonomgeving en de eigen woning.
Maatwerk is de norm, met flexibiliteit en ruimte voor nieuwe ideeën. Er is een duurzame leefomgeving en een divers woningaanbod: koop, huur, meer-generatie-wonen (levensloopbestendig) en zorgconcepten. Het (hoogwaardig) openbaar vervoer is verbeterd en daardoor is de bereikbaarheid tussen de kernen goed. Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een divers woningaanbod, met zowel verschillende typen koop als huurwoningen in verschillende prijsklassen. Het planvoornemen zorgt voor een afronding van de kom Sint-Oedenrode en een verbetering van de leefomgeving in dit deel van de kern. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten uit de Visie Meierijstad.
Hoofdstuk 3
24
Woonvisie Meierijstad 2018 Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie voor Meierijstad vastgesteld. Als kaders voor de nieuwe visie zijn onder andere uitgangspunten uit het Europees, rijks- en provinciaal beleid en het Coalitieakkoord 2017-2022 gehandhaafd. Enkele uitgangspunten (die van toepassing zijn op onderhavig initiatief) hieruit zijn: Wonen en werken trekt jeugd aan, er is een goede ruimtelijke balans is tussen werken, wonen en leven en iedereen kan meedoen; Er is een divers woningaanbod en met, waar nodig, ondersteuning; De behoefte van de woningzoekenden is het uitgangspunt bij het formuleren van de woonvisie; Meierijstad maakt het mogelijk dat gebouwd kan worden in alle kernen. Meierijstad wil een gemeente zijn met een gevarieerd woningaanbod met aantrekkelijke, leefbare buurten voor alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Meierijstad heeft circa 80.000 inwoners en bestaat uit 13 kernen met elk een eigen karakter en identiteit. Zowel dorps als stedelijk. Om te kunnen voorzien in de woningbehoeften en -wensen die binnen de inwoners van de gemeente leven, wordt ruimte gegeven aan de ontwikkeling van woningbouwplannen. Daarbij wordt zowel naar de korte als de lange termijn gekeken en zijn de volgende vier thema’s leidend: 1.
De dynamiek van de woningmarkt: afstemming van de vraag naar een passend aanbod en het aanbod in relatie tot de behoefte op de lange termijn; 2. Wonen, welzijn en zorg: samenhang tussen demografische ontwikkelingen, transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. Duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. Leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Kwantitatieve woonbehoefte Meierijstad Na de vaststelling van de Woonvisie in 2018 is een aantal zaken veranderd en daarom is er het Actieplan Woningbouw 2021 opgesteld. Het Actieplan Woningbouw 2021 vormt als het ware een addendum op de Woonvisie 2018. De noodzaak voor de veranderingen vloeit o.a. voort uit de gewijzigde provinciale woningbouwprognoses, die aantonen dat de woningbouwopgave aanzienlijk is. In de woonvisie 2018 werd uitgegaan van een toename van 3.940 woningen in de periode 2018 tot 2028. Hiervan zijn er in 2018 en 2019 al ruim 1.000 gerealiseerd. In het Actieplan Woningbouw 2021 wordt uitgegaan van de provinciale prognoses die in de periode 2020-2040 5.750 benodigde extra woningen ramen.
De gemeente Meierijstad monitort jaarlijks de ontwikkelingen en stelt het woonbeleid bij. In de paragraaf Ladder voor duurzame verstedelijking is reeds aangegeven dat er voor de kern Sint-Oedenrode sprake is van een behoefte van ca. 500 woningen tot 2029. Op basis van nieuwe provinciale cijfers is deze woningbehoefte zelfs nog meer.
Hoofdstuk 3
25
Kwalitatieve woonbehoefte In het samenwerkingsverband met regio Noordoost Brabant is in 2019 een woonwensenonderzoek uitgevoerd. Wanneer de vraag uit het onderzoek over het huidige aanbod van Meierijstad wordt gelegd, wordt duidelijk waar de komende jaren de aandacht naar uit zou moeten gaan. Op hoofdlijnen sluit dit beeld aan bij de huidige woonvisie en de doorvertaling daarvan in onder meer de woningbouwprogrammering en het plan van aanpak om de woningbouw te versnellen. Zo is er behoefte aan o.a.: huurappartementen, zowel voor starters als voor doorstromers; betaalbare huurwoningen zowel voor starters als voor doorstromers; betaalbare koopwoningen met name voor starters; middeldure huurwoningen; kleinere woningen, zowel in koop- als huursector, appartementen en grondgebonden. Ook wordt gezegd dat de komende 10 jaar nog veel gebouwd moet worden. Daarna neemt de behoefte aan extra woningen af door stabilisatie van de bevolkingsgroei en hoeft er beduidend minder toegevoegd/ bijgebouwd te worden. Doorwerking plangebied De herontwikkeling van het plangebied voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve (regionale) behoefte en wordt gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied, er is dus sprake van een inbreidingsplan. De ontwikkeling is reeds meegenomen in de plancapaciteit voor de periode 20212030.
Het plan voorziet in de realisatie van 104-110 woningen, welke variëren in woningtype- en grootte. Er dient te worden voorzien in ten minste 25% sociale huurwoningen. Het indicatieve richtprogramma met 107 woningen (zoals ook weergegeven in figuur 2.2) voorziet in 27 sociale huurwoningen, hiermee wordt er voldaan aan de 25% sociale huurwoningen. Daarnaast worden er middeldure huurwoningen en koopwoningen in verschillende prijscategorieën gerealiseerd. Er wordt een bandbreedte aangehouden van 104-110 woningen in het bestemmingsplan. De flexibiliteit zit met name in de dure sector. De diversiteit aan woningen, o.a. rug-aan-rugwoningen, rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen vrijstaande woningen creëert een breed draagvlak voor meerdere doelgroepen, waarmee wordt aangesloten op de demografische ontwikkelingen en er een nieuwe levendige woonwijk gerealiseerd kan worden.
Hoofdstuk 3
26
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een initiatief ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.
4.2 M.e.r.-plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht.
Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is als bijlage 3 bij deze plantoelichting toegevoegd. Hierin wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan geen milieueffectrapportage is vereist.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Hoofdstuk 4
27
Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Erfgoedverordening Meierijstad 2018 Vanwege de fusie van de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel tot de gemeente Meierijstad en de invoering van de Erfgoedwet, per 1 juli 2016 is op 20 september 2018 de Erfgoedverordening Meierijstad vastgesteld. Hiermee zijn de volgende verordeningen worden ingetrokken: 1. De Monumentenverordening Veghel, vastgesteld bij besluit van 16 december 2004; 2. De Erfgoedverordening Schijndel 2010, vastgesteld bij besluit van 27 juli 2010; 3. De Erfgoedverordening Sint-Oedenrode 2012, vastgesteld bij besluit van 29 maart 2012. Met de Erfgoedverordening wordt het gebouwde en archeologische erfgoed beschermd. Erfgoedvisie Meierijstad Meierijstad is rijk aan cultureel erfgoed. Er is breed maatschappelijk draagvlak in Meierijstad om met dit erfgoed zorgvuldig om te gaan, nu en in de toekomst.
Het erfgoed van Meierijstad vormt de basis van de identiteit van Meierijstad. Het doel is om de bestaande identiteit te versterken en voorwaarden te creëren om die identiteit uit te bouwen. In de uitstraling en presentatie van Meierijstad speelt het erfgoed een essentiële rol. Door de nieuwe kansen die het gebruiken van erfgoed in de ruimtelijke ontwikkeling biedt, geven we de historie van de dorpen een nieuw leven, waarin moderne ontwikkelingen worden ingebed in oude, waardevolle, structuren Doorwerking plangebied archeologie Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kern Sint-Oedenrode. Volgens het vigerende bestemmingsplan (2010) heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 4’. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 cm -mv. Op de archeologische verwachtingskaart (2007) is het terrein is aangewezen als ‘categorie 7: terreinen met een lage archeologische verwachting. Tussen april 2007 en januari 2011 is op grond van het in 2007 vastgestelde archeologiebeleid op een 26-tal terreinen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het grootste deel van het plangebied (met uitzondering van perceel I, 6658) is in 2010 onderzocht middels een bureauonderzoek archeologie2.
Op basis van dit onderzoek worden ter plaatse van het onderzochte gebied geen archeologische vindplaatsen verwacht. Op grond van de resultaten van dit bureauonderzoek wordt er geen vervolgonderzoek geadviseerd. Op basis van de resultaten van de onderzoeken heeft in de ‘Notitie archeologiebeleid gemeente SintOedenrode (november 2011)’ een aanpassing van de beleidsregels plaatsgevonden. Voor terreinen
2
Synthegra Archeologie. Bureauonderzoek Zwembadweg te Sint-Oedenrode, S100011, d.d. 21 april 2010
Hoofdstuk 4
28
met een lage archeologische verwachting (categorie 7) is archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk, behalve bij MER-plichtige projecten. Op pagina 10 van de ‘Notitie archeologiebeleid gemeente Sint-Oedenrode’ staan de bijstellingen van de ondergrenzen (bijgesteld november 2011). Deze bijstellingen zijn recenter dan het bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Noord (15 april 2010). Derhalve is er geen archeologisch onderzoek nodig (behalve bij MER-plichtige projecten). Onderhavig plan is geen MER-plichtig project, derhalve kan archeologisch onderzoek achterwege blijven. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Doorwerking plangebied cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De provincie heeft haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).
Het plangebied bevindt zich in ‘De Meierij’, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Tevens is het gebied gelegen in ‘Het Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. De Koningsvaren is als historisch geografische lijn van hoge waarde aangeduid. De Zwembadweg is als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde aangeduid. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van deze wegen.
De Koningsvaren is een zandweg met rijen bomen aan weerzijden, deze weg wordt in het bestemmingsplan aangeduid als cultuurhistorische waardevolle lijn waarop ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer niet is toegestaan. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen invloed op de structuren van de cultuurhistorische regio’s. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief.
Hoofdstuk 4
29
4.4 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 10 kilometer afstand ten westen van het projectgebied.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling van circa 104 tot 110 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Om negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat bij de aanlegfase en de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. De notitie stikstofonderzoek is met de door AERIUS gegenereerde rapportages opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. Provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen
Hoofdstuk 4
30
toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 670 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.