Toelichting BP Buitengebied Sint-Oedenrode herziening Ollandseweg 153-155a
Tekst van het document
- 28 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
erfgoed mogelijk. Zoals aangegeven in hoofdstuk 3.1.3 van voorliggende toelichting is het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Onderstaand is in figuur 4.1 een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgenomen, met daarop het plangebied rood omkaderd. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is het plangebied gelegen binnen de regio Meierij en meer specifiek binnen het cultuurhistorische landschap het Groene Woud. Binnen het Groene Woud is het plangebied gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak Dommeldal tussen Sint Oedenrode en Boxtel. Het Dommeldal tussen Sint-Oedenrode en Boxtel is een fraai beekdal met graslanden, broekbosjes, afgesneden meanders en mooie overgangen naar de oude akkercomplexen op de hogere gronden langs het dal. In de nabijheid van het plangebied dan wel binnen het plangebied zijn echter geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig.
plangebied
Figuur 4.1: Uitsnede CHW-kaart (bron: Provincie Noord-Brabant).
Voorliggende ontwikkeling is dermate kleinschalig van aard, dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het Groene Woud en/of het Dommeldal tussen Sint-Oedenrode en Boxtel in (de omgeving van) het plangebied. Daarnaast vindt als gevolg van voorliggend initiatief géén sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing plaats. Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie voor onderhavig initiatief.
- 29 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
4.3
Gemeente Meierijstad
Flora en fauna In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er treden verschuivingen op in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora en fauna. Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt sloop van een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw plaats. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, moet vrijstelling of ontheffing worden verkregen. Door initiatiefnemers is opdracht verleend aan Exlan B.V. voor het uitvoeren van genoemde quickscan Flora en Fauna. De conclusies van deze quickscan zijn hieronder opgenomen:
Conclusie Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De gebouwen dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de
- 30 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’. Dit gebied ligt op een afstand van ruim 11,5 kilometer van het plangebied. Daarnaast maakt het plangebied ook geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. Aanlegfase Voor wat betreft de aanlegfase is als onderdeel van het plan sprake van de sloop van een tweetal varkensstallen.
Op 1 juli 2021 is de Wet en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Stikstofwet) in werking getreden. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling. Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. Hiermee kan voor onderhavig plan voor wat betreft de aanlegfase een stikstofberekening achterwege blijven. Gebruiksfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) afkomstig van het plangebied vinden in de gebruiksfase plaats door twee type bronnen: • verkeersbewegingen van en naar het plangebied; • de stookinstallaties binnen het plangebied. Ten behoeve van het in beeld brengen van de stikstofdepositie voor de gebruiksfase dient uitgegaan te worden van de maximale planologische
- 31 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In (de regels van) het bestemmingsplan zijn echter geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de wijziging van de bestemming Wonen naar een reëel agrarisch bedrijf, een zorgvuldige veehouderij of een bedrijf in milieucategorie 1 of 2. Hiermee kunnen de huidige mogelijkheden binnen de woonbestemming beschouwd worden als de maximale planologische mogelijkheden. Verkeersbewegingen Zoals in hoofdstuk 4.13 van voorliggende toelichting nader beschreven zal de voorgenomen ontwikkeling in de nieuwe situatie leiden tot een maximum van 33 verkeersbewegingen met licht verkeer (personenauto’s/bestelbusjes) per dag. Stookinstallaties Binnen het plangebied zijn in de eindsituatie vier burgerwoningen toegestaan en aanwezig. Hoewel de twee nieuw te bouwen ruimte-voor-ruimte woningen zeer waarschijnlijk gasloos worden opgericht, wordt voor het berekenen van de toename van stikstofdepositie worst-case uitgegaan van de verwarming van alle vier de woningen middels een aardgasketel. De norm voor de emissie NOx ten gevolge van Wonen bedraagt 3,0 kg per jaar per woning. In onderhavig geval wordt, vanwege het feit dat het hier gaat om vier vrijstaande woningen, worstcase uitgegaan dat per woning jaarlijks 4,0 NOx vrijkomt.
Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2021.0.2 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan. Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief vanuit het aspect flora en fauna.
- 32 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
4.4
Gemeente Meierijstad
Water Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Waterschap de Dommel, de Keur Waterschap De Dommel 2015, het RWP (Regionaal Water- en Bodemprogramma) van de provincie Noord-Brabant, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk.
De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlakte-
- 33 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
watersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken.
Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/
- 34 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Omdat bij voorliggend initiatief het totaal verhard oppervlak in het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijk afneemt (zoals weergegeven in figuur 4.3), is het gemeentelijk beleid voor hydrologisch neutraal ontwikkelen van toepassing. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026 vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. De gemeente Meierijstad acht hierbij ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 compenserende maatregelen benodigd. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd.
Tabel 1: Uitgangspunten hemelwater bij nieuwbouw (bron: PWR Meierijstad 2022-2026).
Bij voorliggend initiatief neemt het totaal verhard oppervlak in het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijk af (zoals weergegeven in figuur 4.3). Op basis van gemeentelijk beleid, artikel 3.5 Waterwet en Keur dienen echter ten behoeve van de nieuw te bouwen woningen met bijgebouwen en verharding, waterbergingsvoorzieningen te worden gerealiseerd binnen het plangebied. Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant en de Legger van Waterschap De Dommel. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit humuspodzolgrond. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op een diepte van circa 60-80 tot 80-100 centimeter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG)
- 35 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
ligt op een diepte van 160-180 centimeter beneden maaiveld. Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap (GT) VI. Oppervlaktewater In figuur 4.3 Is een uitsnede van uitsnede van de kaart van de Legger Waterstaatswerken 2021 van Waterschap De Dommel opgenomen. Rondom het plangebied zijn een tweetal oppervlaktewateren in de vorm van watergangen aanwezig. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied loopt een A-watergang. Deze watergang heeft een beschermingszone van 2 meter voor regulier onderhoud en 5 meter voor buitengewoon onderhoud (zowel links als rechts). Aan de noordzijde van het plangebied is een B-watergang gelegen, die gedeeltelijk het plangebied in loopt. Voor deze B-watergang gelden geen beschermingszones.
Figuur 4.2: Uitsnede kaart Legger Waterstaatswerken 2021 (bron: Waterschap De Dommel).
Ten behoeve van het plan zullen 2 nieuwe uitritten aan de Ollandseweg worden gerealiseerd voor de ontsluiting van de 2 nieuwe woningen. Daarnaast komt de huidige inrit naar de stallen te vervallen. Deze ingrepen vinden plaats ter hoogte van de hierboven genoemde B-watergang. Inbegrepen aan B-watergangen zijn watervergunningsverplichting. Hierbij dient een toets aan de Keur te worden uitgevoerd. Voor deze twee uitritten zullen te zijner tijd de benodigde watervergunningen worden aangevraagd. Door waterschap De Dommel is alvast in haar (voor)overlegreactie aangegeven dat bij het ontmantelen van de huidige inrit naar de stallen, tevens de hier aanwezige dam met duiker verwijderd dienen te worden.
- 36 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Riolering In het buitengebied van Sint-Oedenrode is voor het grootste gedeelte riolering aanwezig. Vuilwater wordt afgevoerd via deze riolering. De riolering heeft een beperkte capaciteit en is daarom niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Afvloeiend hemelwater dient derhalve niet afgevoerd te worden via de riolering waardoor vuilwater en hemelwater van elkaar gescheiden zijn. Benodigde compensatie Bij voorliggend initiatief wordt ter plaatse van de bestaande woningen aan Ollandseweg 155-155a de bestemming gewijzigd van Agrarisch naar Wonen. Binnen dit gedeelte van het plangebied wijzigt hiermee het bebouwd oppervlak niet. Ter plaatse van Ollandseweg 153 worden de bestaande varkensstallen met een oppervlakte van 2.000 m2 gesloopt. Hiertegenover staat de oprichting van een tweetal ruimte-voor-ruimte woningen (twee-aaneen) met een gezamenlijke oppervlakte van 240 m2, een tweetal bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 150 m2 per stuk en een lichte toename van de erfverharding met ca. 400 m2. Per saldo neemt het verhard oppervlak als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling hiermee met ruim 1.000 m2 af. In figuur 4.3 is het verhard oppervlak aan Ollandseweg 153 in zowel de huidige als de nieuwe situatie nader in beeld gebracht. Ollandseweg 153 Sint-Oedenrode Oppervlakte Varkensstallen Erfverharding Woningen (twee-aaneen) Bijgebouwen (2 stuks) Totaal
Huidige situatie 2.000 m2 600 m2 2.600 m2
Nieuwe situatie 1.000 m2 240 m2 300 m2 1.540 m2
Figuur 4.3: Verhard oppervlak Ollandseweg 153.
Het hemelwater wordt in nieuwe situatie gescheiden van het afvalwater. Dit zorgt voor een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het hemelwater dat valt op de woningen, bijgebouwen en verharding dient echter eveneens op een goede wijze geborgen te worden, waarbij de eis van 60 mm per m2 verharding geldt. De ontwateringsdiepte is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Gelet op de GHG van 60 tot 100 centimeter beneden maaiveld ter plaatse van het plangebied, kan enkel de eerste 60 centimeter beneden maaiveld gebruikt worden voor de berging van het hemelwater. Bij onderhavig plan wordt voorgesteld om te kiezen gebruiken te maken van een laagte c.q. wadi achterop het perceel, waarnaar het hemelwater kan afvloeien en kan infiltreren in de bodem. Bij de uitvoering zal rekening worden gehouden met het bouwen van de woningen op een voldoende hoog peil en met het aanbrengen van een natuurlijk verloop c.q. talud in de tuinen vanaf deze woningen
- 37 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
richting achterkant perceel. Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen voor beide woningen worden de waterbergingsvoorzieningen per woning nader uitgewerkt en definitief gemaakt. Het afvalwater wordt afgevoerd op het aanwezige gemeentelijke rioleringsstelstel. In de huidige situatie is reeds sprake is van een bestaande aansluiting op het gemeentelijke riool. Met de toevoeging van de woningen is per saldo één nieuwe aansluiting benodigd. De ontwikkeling is kleinschalig van aard. De capaciteit van het huidige rioleringsstelsel zal deze lichte toename aan waterafvoer kunnen verwerken en behoeft dus geen aanpassing. De kosten voor aansluiting op het rioleringsstelsel zijn uiteraard voor de initiatiefnemer. Conclusie Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.5
Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht moet in planvorming rekening gehouden worden met bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In aanvulling hierop is in de Bouwverordening van de gemeente Meierijstad geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Ook bij nieuw gebruik voor gevoelige functies, zoals voorliggende bestemmingswijziging, kan bodemonderzoek nodig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied wordt de bestemming gewijzigd naar een gevoeliger gebruik (Wonen). Daarnaast wordt mogelijk gemaakt dat een tweetal nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht. Door initiatiefnemer is aan Milieupartner opdracht verstrekt voor het ter plaatse uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbest in bodemonderzoek. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek luiden als volgt:
Conclusies en aanbevelingen Door Milieupartner BV is, in opdracht van Kastelijn Ruimtelijk Advies te Sint-Oedenrode, een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op het adres Ollandseweg 153 – 155 -155a te Sint-Oedenrode, kadastraal bekend onder gemeente Sint-Oedenrode, sectie P, nummers 531, 532 en 863.
- 38 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Het bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. 6.1 Verkennend bodemonderzoek Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond maximaal licht verontreinigd is met zink en de ondergrond niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Het grondwater is licht tot matig verontreinigd met barium, cadmium en molybdeen. De hypothese 'onverdacht' dient formeel te worden verworpen. Met dit bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie vastgelegd. Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan, ons inziens, geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouwplannen. Een bodemonderzoek is een momentopname en een indicatie van de kwaliteit van grond en grondwater. Bij werkzaamheden in de bodem dient rekening te worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘werken met verontreinigde grond en grondwater’.
Bij afvoer van grond dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. 6.2 Verkennend asbestonderzoek Uit de resultaten blijkt dat de druppelzone (inclusief de fractie <0,5 mm (SEM)) een totaal gewogen asbestgehalte van 19 mg/kg d.s. bevat. Derhalve is ter plaatse, conform de NEN5707, geen sprake van een verontreiniging met asbest. PCB is eveneens niet verhoogd aangetoond. Ter plaatse van het overig terrein zijn in de bodem resten puin waargenomen. Al het ontgraven materiaal uit de inspectiegaten is gezeefd en geïnspecteerd, waarbij in inspectiegat 15 1 asbestverdachte scherf is aangetroffen (AVM A15). Analytisch blijkt deze asbesthoudend. In de fijne fractie van inspectiegat 15 is analytisch geen asbest aangetoond. Het berekende gewogen asbestgehalte is 31,1 mg/kg ds en derhalve lager dan de norm voor nader onderzoek. In de (meng)monsters A12, MMAB4 en MMAB5 is geen asbest boven de detectielimiet aangetoond.
- 39 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Doordat de gewogen asbestgehaltes in de bodem lager zijn dan de norm voor nader onderzoek is de opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’ niet bevestigd. Er is geen sprake van een verontreiniging met asbest, nader asbestonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Conclusie Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.6
Kabels en leidingen In de directe omgeving van het plangebied is volgens de provinciale risicokaart en het bestemmingsplan een buisleiding aanwezig, waarvan N.V. Nederlandse Gasunie de netbeheerder is. In hoofdstuk 4.12 van voorliggende toelichting is de ligging van deze buisleiding nader weergegeven. Vanwege de nabijheid van deze buisleiding is voor onderhavig plan een orientatieverzoek c.q. Klic-melding gedaan. De beoordeling van dit oriëntatieverzoek is toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Voor de ontwikkeling geldt een Eis-voorzorgsmaatregel (EV). Bij voorgenomen grootschalige ‘mechanische grondroeractiviteiten’ nabij betreffende buisleiding is te allen tijde vooroverleg met de Gasunie gewenst, waarbij tevens de te treffen voorzorgsmaatregelen worden besproken.
Figuur 4.4: Uitsnede kaart Klic-melding.
- 40 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Daarnaast is de aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving evident. Initiatiefnemers zijn verplicht zorg te dragen dat de door de nutsbedrijven aan te brengen gebruikelijke voorzieningen waarop de te realiseren woningen dienen te worden aangesloten (gas, water, elektra, telefoon e.d.) worden getroffen. De initiatiefnemers zullen aan de nutsbedrijven de hiertoe benodigde opdrachten verstrekken. Middels de gedane Klic-melding zijn ook de kleinere leidingen in kaart gebracht. In figuur 4.4 is een uitsnede van de kaart behorende bij de Klic-melding weergegeven. Bij de uitvoer van de werkzaamheden worden de aanwezige leidingen in acht genomen. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.7
Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende fysieke afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert daarom twee omgevingstypen, te weten ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Rustige woonwijk en rustig buitengebied “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar
- 41 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.” De Ollandseweg wordt aangemerkt als (historische) lintbebouwing. Rondom het plangebied is sprake van een verscheidenheid aan bestemmingen zoals burgerwoningen, reguliere bedrijvigheid en agrarische bedrijvigheid. Zo zijn binnen een straal van 200 meter van het plangebied onder meer een pluimveehouderij, een varkenshouderij, een glastuinbouwbedrijf, een tweetal houtzagerijen en meerdere burgerwoningen gelegen (zie figuur 4.3). Gelet op het feit dat zowel sprake is van lintbebouwing als de aanwezigheid van een verscheidenheid aan functies rondom het plangebied, is in onderhavig geval sprake van een omgevingstype ‘gemengd gebied’. Wanneer sprake is van een omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Dit is mogelijk omdat een gemengd gebied vaak al een hogere milieubelasting kent. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter. Op basis van het voor het plangebied en haar omgeving vigerende bestemmingsplan worden in onderhavig hoofdstuk de aanwezigheid van milieubelastende functies in de nabijheid van het plangebied onderzocht. Aangegeven wordt welke afstanden uit de VNG brochure van toepassing zijn en getoetst wordt of hieraan kan worden voldaan. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt of ter plaatse van de te toe te voegen woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Milieuzonering In figuur 4.5 en figuur 4.6 zijn de hindercontouren van de bedrijfsmatige functies binnen een straal van 200 meter rondom het plangebied aangegeven. De afstanden tot de reeds bestaande voormalige agrarische bedrijfswoningen aan Ollandseweg 155-155a en de afstanden tot de nieuw te bouwen woningen (tweeaaneen) aan Ollandseweg 153-153a zijn hierbij afzonderlijk in beeld gebracht. De hindercontouren komen voort uit de van toepassing zijnde richtafstanden uit de VNG handreiking. Betreffende richtafstanden zijn gemeten vanaf de grens van het perceel waarop de bestemming ‘Bedrijf’ (of andere milieubelastende
- 42 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
functie) rust tot aan de meest dichtbij gelegen gevel van de betreffende woningen. Overschrijdingen van de richtafstanden zijn vetgedrukt. bedrijf
richtafstand in meters
afstand
id
adres
bestemming – functie
geur
stof
geluid
gevaar
feitelijk
1.
Ollandseweg 159
Bedrijf - houtzagerij
0
30
50
30
45 m.
2.
Ollandseweg
Agrarisch - glastuinbouw
0
0
10
0
52 m.
3.
Ollandseweg 142
Agrarisch - iv kippen
100
10
30
0
135 m.
4.
Ollandseweg 138
Bedrijf - houtzagerij
0
30
50
30
200 m.
5.
’t Achterom 2
Agrarisch - iv varkens
100
10
30
0
230 m.
Figuur 4.5: Overzicht en toetsing richtafstanden bestaande woningen Ollandseweg 155-155a.
bedrijf
richtafstand in meters
afstand
id
adres
bestemming – functie
geur
stof
geluid
gevaar
feitelijk
1.
Ollandseweg 159
Bedrijf - houtzagerij
0
30
50
30
95 m.
2.
Ollandseweg
Agrarisch - glastuinbouw
0
0
10
0
70 m.
3.
Ollandseweg 142
Agrarisch - iv kippen
100
10
30
0
105 m.
4.
Ollandseweg 138
Bedrijf - houtzagerij
0
30
50
30
150 m.
5.
’t Achterom 2
Agrarisch - iv varkens
100
10
30
0
175 m.
Figuur 4.6: Overzicht en toetsing richtafstanden nieuwe woningen Ollandseweg 153-153a.
Uit figuur 4.5 volgt dat enkel voor wat betreft het aspect geluid niet wordt voldaan aan de genoemde richtafstand voor de houtzagerij aan Ollandseweg 159 ten opzichte van de reeds aanwezige (voormalige agrarische bedrijfs-)woning aan Ollandseweg 155a. In dit geval is echter sprake van een bestaande situatie. De afstanden tussen de woning en het bedrijf wijzigen als gevolg van voorliggend plan niet. Daarnaast is het bouwvlak van de houtzagerij aan Ollandseweg 159 gelegen op 52 meter van de gevel van de bestaande woning. Hiermee is zeker gesteld dat de bedrijfsbebouwing van het bedrijf ten alle tijden op ten minste 52 meter van de bestaande woning wordt opgericht. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.8
Geur Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. Voor een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of: ➢ Bestaande bedrijven door het plan niet worden belemmerd in huidige of toekomstige bedrijfsvoering;
- 43 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
➢ Er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het eerste punt wordt de zogenaamde toets op de ‘omgekeerde werking’ toegepast. Daarbij wordt uitgegaan van de geurnormen en de richtafstanden uit de Wet geurhinder (Wgv) of de gemeentelijke verordening. Voor het tweede punt moet worden getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of de gemeentelijke beleidsregel. Individuele geurhinder De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze wettelijke normen voor de voorgrondbelasting zoals vastgelegd in de Wgv zijn door de voormalige gemeente SintOedenrode overgenomen in haar ‘Verordening geurhinder en veehouderij’. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, zoals varkens, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object.
Deze bedraagt maximaal: ➢ 3,0 ouₑ/m³ binnen de bebouwde kom ➢ 14,0 ouₑ/m³ buiten de bebouwde kom Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden minimaal de volgende aan te houden afstanden: ➢ ten minste 100 meter binnen de bebouwde kom ➢ ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom Ollandseweg 155 en 155a Bij voorliggend initiatief worden de agrarische bedrijfswoningen aan Ollandseweg 155 en 155a omgezet naar burgerwoningen. Voor voormalige agrarische bedrijfswoningen (en andere geurgevoelige objecten) gelden vaste afstanden, ook bij dieren met geuremissiefactoren, wanneer de woning op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden onderdeel uit te maken van een veehouderij. Volgens lid 2 van artikel 3 van de Wgv dient in dit geval buiten de bebouwde kom een afstand van ten minste 50 meter te worden aangehouden. De bedrijfswoningen aan Ollandseweg 155 en 155a maakten op 19 maart 2000 nog onderdeel uit van de varkenshouderij, waarmee bij voorliggend plan een vaste afstand van 50 meter geldt van deze woningen tot omliggende veehouderijen (in plaats van een geurnorm van 14,0 ouₑ/m³). Aan deze afstand van 50 meter wordt ten opzichte van de pluimveehouderij aan Ollandseweg 142 en de varkenshouderij aan ’t Achterom 3 ruimschoots voldaan, zoals blijkt uit figuur 4.5.
- 44 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Ollandseweg 153 en 153a Bij voorliggend initiatief worden daarnaast 2 nieuwe burgerwoningen in één bouwvolume opgericht aan Ollandseweg 153 en 153a. Voor deze nieuw te bouwen woningen geldt een geurnorm van 14,0 ouₑ/m³. Voor de pluimveehouderij aan Ollandseweg 142 geldt dat de bestaande burgerwoning aan Ollandseweg 146 reeds dichter bij het bedrijf is gelegen dan de nieuw te bouwen woningen aan Ollandseweg 153 en 153a. De woning aan Ollandseweg 146 bedraagt hiermee het eerst belemmerende object voor de uitbreidingsruimte van het pluimveebedrijf in zuidwestelijke richting. Voor de varkenshouderij aan ’t Achterom 2 geldt dat de bestaande burgerwoningen aan Ollandseweg 149 (100 meter) en Ollandseweg 146 (160 meter) tevens dichterbij het bedrijf gelegen zijn dan de nieuw te bouwen woningen aan Ollandseweg 153 en 153a. De woningen aan Ollandseweg 149 en Ollandseweg 146 bedragen hiermee de eerst belemmerende objecten voor de uitbreidingsruimte van het varkensbedrijf in westelijke richting. Beide agrarische bedrijven worden hiermee niet beperkt in gebruiks- dan wel ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van voorliggend plan.
Gecumuleerde geurhinder Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarden worden aangehouden: ▪ 10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; ▪ 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied. Door middel van het programma ‘V-Stacks Gebied’ is de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie berekend. Hierbij is getoetst op de vier hoekpunten en het middelpunt van de woningen (twee-aaneen) aan Ollandseweg 153-153a en Ollandseweg 155-155a. De uitkomsten van deze berekening zijn onderstaand in figuur 4.7 weergegeven. Op alle punten overschrijdt de achtergrondbelasting de norm van 20 ouₑ/m³ niet. Voor de berekening is gebruik gemaakt van de gegevens van Web-BVB van alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied. Een overzicht van het voor de berekening gebruikte bronnenbestand en de gebruikte paramaters zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting.
- 45 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
X-coor. 157625 157652 157648 157619 157636 157672 157693 157689 157667 157680
Y-coor. 398207 398194 398185 398194 398195 398173 398162 398152 398163 398163
Geurnorm 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00
Geurbel. [OU/m3] Omschrijving 5.34 155-155a (hoekpunt NW) 6.21 155-155a (hoekpunt NO) 6.19 155-155a (hoekpunt ZO) 5.44 155-155a (hoekpunt ZW) 5.94 155-155a (middelpunt) 6.97 153-153a (hoekpunt NW) 7.99 153-153a (hoekpunt NO) 7.89 153-153a (hoekpunt ZO) 7.03 153-153a (hoekpunt ZW) 7.31 153-153a (middelpunt)
Figuur 4.7: Gecumuleerde geurbelasting plangebied Ollandseweg 153-153a-155-155a.
Uit figuur 4.7 volgt dat de (gecumuleerde) achtergrondbelasting ter plaatse van de woningen ten hoogste 7,99 ouₑ/m³ bedraagt. De wettelijke norm van 20 ouₑ/m³ wordt hiermee niet overschreden. Om het woon- en leefklimaat te beoordelen hanteert het RIVM voor de achtergrondbelasting geur de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in figuur 4.8. De achtergrondbelasting ter plaatse van de woning valt in de categorie 4 t/m 8 ouₑ/m³. Het woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondbelasting kan dan ook als goed worden beoordeeld. Achtergrondbelasting (ou /m³ ) E
Mogelijke kans op geurhinder (%)
Beoordeling leefklimaat
1-3 4-8 9-13
<5 5-10 10-15
zeer goed goed redelijk goed
14-20 21-28
15-30 20-25
matig tamelijk slecht
29-38 39-50
25-30 30-35
slecht zeer slecht
51-65
35-40
extreem slecht
Figuur 4.8: Classificatie achtergrondbelasting (RIVM).
Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.9
Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden.
- 46 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Rondom de planlocatie zijn een pluimveebedrijf aan Ollandseweg 142, een varkenshouderij ’t Achterom 2, een varkenshouderij aan Ollandseweg 118 en een varkenshouderij aan Erica 1 gelegen. De PM10 (endotoxine) emissie van deze bedrijven is weergegeven in figuur 4.9. Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande formules worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.
Richtafstand
Feitelijke
endotoxine
afstand
Vleeskuikens: 789 kg. PM10/jaar
173 m.
115 m.
’t Achterom 2
Vleesvarkens: 83 kg. PM10/jaar
34 m.
240 m.
Ollandseweg 118
Vleesvarkens: 130 kg. PM10/jaar
61 m.
600 m.
Erica 1
Vleesvarkens: 130 kg. PM10/jaar
61 m.
830 m.
Id
Adres
Type bedrijf
1.
Ollandseweg 142
2. 3 4.
Figuur 4.9: Richtafstanden Endotoxine.
Voor wat betreft de genoemde bedrijven gelden de richtafstanden en feitelijke afstanden zoals opgenomen in figuur 4.9. De afstanden gelden vanaf het emissiepunt afkomstig uit Web-BVB tot de gevel van de meest dichtbij gelegen woning in het plangebied. Zoals blijkt uit figuur 4.9 wordt enkel voor het bedrijf aan Ollandseweg 142 niet voldaan aan de richtafstand voor endotoxine tot de woningen. Dit leidt, conform het stappenplan, tot het advies om advies in te winnen bij de GGD.
- 47 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging en sanering van een varkenshouderij. Hierdoor vindt geen toename maar juist een afname in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats. 3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk wordt gesteld op respectievelijk 5,0 OU/m3 voor de voorgrond en 10,0 OU/m3 voor de achtergrond.
Zoals blijkt uit de toetsing uit hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting wordt met een achtergrondbelasting van 8,0 OU/m3 de gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrond niet overschreden. Aannemelijk is wel dat de gezondheidskundige advieswaarde van voor de voorgrand van ≤5 ouE/m3 wordt overschreden. Dit leidt, conform het stappenplan, tot het advies om advies in te winnen bij de GGD. 4. Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. 5. Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden;
- 48 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
a. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich een tweetal geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden op de locaties Pastoor Smitsstraat 55 en Schootsedijk 47. Voorliggend initiatief betreft de toevoeging van een tweetal burgerwoningen op respectievelijk 2,0 kilometer en 1,0 kilometer van deze geitenhouderijen (emissiepunten conform Web-BVB). De afstand tot beide bedrijven is aanzienlijk en het aantal blootgestelden binnen het plangebied neemt als gevolg van voorliggend initiatief hiermee slechts zeer beperkt toe. Desondanks leidt dit wel tot het advies om advies in te winnen bij de GGD. b. Pluimveehouderijen Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben.
Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer van de planlocatie bevindt zich op 175 meter een pluimveehouderij aan Ollandseweg 148. Dit heeft echter geen consequenties, daar de GGD het volgende heeft aangegeven: “Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014- 2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2km). In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0, opgesteld door het Ondersteuningsteam,
- 49 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. c. Overige veehouderijen Ook voor overige veehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen, namelijk 250 meter ten opzichte van gevoelige functies. Er bevinden binnen straal van 250 meter het plangebied geen overige veehouderijen. 6. De aanwezigheid van mestbewerking en mestverwerking; Niet van toepassing. 7. De ongerustheid bij omwonenden; Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. De voorgenomen omzetting beëindiging en sanering van de varkenshouderij betreft een ontwikkeling die in het kader van de volksgezondheid door omwonenden als wenselijk wordt ervaren. Uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er specifieke omstandigheden aan de orde zijn. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is betreft een afweging van de gemeente Meierijstad.
Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. De ontwikkeling moet getoetst worden aan dit afwegingskader. Concreet betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪
Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de uitbreiding van het aantal geiten.
- 50 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
▪
Gemeente Meierijstad
Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Voorliggend initiatief betreft de toevoeging van twee burgerwoningen. Binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied zijn twee geitenhouderijen gevestigd aan Pastoor Smitsstraat 55 en Schootsedijk 47, op respectievelijk 2,0 kilometer en 1,0 kilometer (emissiepunten conform Web-BVB) van de nieuw te bouwen ruimte-voor-ruimte woningen. De afstand van deze woningen tot de geitenhouderijen is aanzienlijk en het aantal blootgestelden binnen het plangebied neemt als gevolg van voorliggend initiatief slechts zeer beperkt toe.
▪
Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Initiatiefnemers van voorliggend plan zijn zich bewust van mogelijke risico’s in relatie tot het wonen nabij geitenhouderijen. Indien benodigd zijn zij bereid genoemde verklaring hieromtrent te ondertekenen.
Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.10
Geluid Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijven van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijven de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit). Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen
- 51 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Als gevolg van de voorgenomen toevoeging van de twee ruimte-voor-ruimte woningen aan Ollandseweg 153 en 153a worden twee nieuwe geluidgevoelige objecten in de zin van de Wgh opgericht. Door initiatiefnemer is opdracht versterkt aan Tritium Advies B.V. voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusie van het akoestische onderzoek is hieronder samengevat opgenomen:
Samenvatting en conclusie: Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Ollandseweg, Hoogeind en Bobbenagelseweg. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de weg Het Achterom. Vanwege het gedeeltelijk ontbreken van verharding op deze weg, wordt Het Achterom echter als niet akoestisch relevant beschouwd. Voor alle gezoneerde wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. De cumulatieve geluidbelasting op de gevels van de beoogde nieuwe woningen bedraagt maximaal 50 dB, exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh. Aangezien voor onderhavige woningen geen sprake is van een procedure hogere waarde wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woonen leefklimaat gewaarborgd.
De geluidbelasting op de gevels van de om te zetten bedrijfswoningen naar burgerwoningen is niet berekend in het akoestisch onderzoek. Omdat de herontwikkeling mogelijk gemaakt wordt middels een bestemmingsplanherziening moet voor de nieuwe woningen en de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning getoetst worden aan artikel 76 van de Wet Geluidhinder (vaststellen van de geluidsbelasting door middel van een akoestisch onderzoek). Het uitvoeren van een uitgebreid geluidonderzoek voor het omzetten van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen wordt echter door ODBN niet noodzakelijk geacht.
- 52 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
Een indicatieve berekening toont aan dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden als gevolg van het verkeer op de Ollandseweg. Onderstaande wordt nader gemotiveerd dat voor zowel de nieuw te bouwen woningen als de bestaande naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoningen sprake is van een goede ruimtelijke ordening ten aanzien van wegverkeerslawaai: Geluidwering gevels nieuw te bouwen woningen Voor de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening gaat ODBN, in tegenstelling tot wat het Bouwbesluit stelt, uit van de gecumuleerde geluidbelasting (excl. aftrek art. 110g Wgh) van alle omliggende wegen en een binnenniveau van 33 dB. Met een standaard geluidwering van 20 dB (Bouwbesluit art. 3.2) en een maximale cumulatieve geluidsbelasting van 50 dB zal in de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden behaald van 33 dB. Geluidwering bedrijfswoningen naar burgerwoningen Het Bouwbesluit 2012 stelt alleen eisen aan nieuw te bouwen woningen en aan verbouwsituaties. Voor de omzetting van bedrijfswoningen is er geen wet- en regelgeving dit aangeeft wanneer er voor deze situaties sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De cumulatieve geluidsbelasting zal voor de bedrijfswoningen die omgezet worden naar burgerwoningen niet veel hoger zijn dan op de nieuw te bouwen woningen.
Gezien de staat van onderhoud van de woningen zal een binnenniveau van 33 dB voor de bedrijfswoningen die omgezet worden naar burgerwoningen wel behaald worden en is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Industrielawaai Voor wat betreft het industrielawaai op de woningen afkomstig van de bedrijven die rondom het plangebied gelegen zijn, wordt zoals aangegeven in hoofdstuk figuren 4.5 en 4.6 voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden. Hiermee kan worden aangenomen dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
4.11
Luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in
- 53 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen. Het plan betreft de omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming, waarbij 2 bestaande agrarische bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen. Daarnaast worden middels voorliggend plan binnen het plangebied twee ruimte-voor-ruimte woningen toegevoegd. In de nieuwe situatie is er hiermee sprake van vier burgerwoningen. In de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is het aantal verkeersbewegingen voor een vrijstaande koopwoning vastgesteld op 8,2 bewegingen per etmaal per woning. Op basis van deze kencijfers wordt voor de vier woningen gerekend met in totaal 33 verkeersbewegingen per etmaal.
Figuur 4.10: Uitkomst berekening NIBM-tool 2020 (bron: www.infomill.nl)
Met behulp van de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling in kaart gebracht. De uitkomst van de berekening van de NIBM-tool is in figuur 4.10 weergegeven. Uit figuur 4.10 volgt dat voorliggend initiatief een bijdrage van niet in betekende mate heeft op de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het effect van onderhavig plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde. Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De bestaande bedrijfswoning blijf gehandhaafd. In de nieuwe situatie is daarmee sprake van één bestaand gevoelig object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM zoals opgenomen in figuren 4.11, 4.12 en 4.13.
- 54 -
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Figuur 4.11: GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron: geodata.rivm.nl)
Figuur 4.12: GCN-kaart RIVM fijnstof PM2,5 (bron: geodata.rivm.nl)
Figuur 4.13: GCN-kaart RIVM stikfstofdioxide (bron: geodata.rivm.nl)
- 55 -
Gemeente Meierijstad
Bestemmingsplan ´Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Ollandseweg 153-155a’
Gemeente Meierijstad
De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 15-20 μg/m3 (PM10) en onder de 10 μg/m3 (PM2,5) de norm bedraagt 40 μg/m3 en op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 31,2 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 15 en 20 μg/m3, de norm bedraagt 40 μg/m3. De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Conclusie Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit zijn er hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.