Toelichting bestemmingsplan incl bijlagen
Tekst van het document
2 Emailwisseling gemeente Meierijstad KNA-archeoloog afdeling Erfgoed
24 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
6. Groenstructuur en natuur 6.1
Groenstructuur plangebied
6.1.1
Natuur Netwerk Nederland
Natuur Netwerk Nederland (NNN) is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Op een afstand van circa 340 meter noordelijk van het plangebied is het dichtstbijzijnde gebied behorende tot Natuur Netwerk Brabant gelegen (zie volgende figuur).
Figuur 16: Natuur Netwerk Nederland (plangebied rood omkaderd)
Door onderhavige ontwikkeling worden deze gebieden niet aangetast c.q. doorkruist. 6.1.2
Landschappelijke waarden
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing3 van de locaties is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De motivatie van de landschappelijke inpassing is toegevoegd als bijlage aan onderhavige toelichting. De volgende figuur toont een impressie van de landschappelijke inpassing (zie ook bijlage).
3 Landschappelijke verantwoording stedenbouwkundig plan aan de Pastoor van Schijndelstraat te Boerdonk, Van Dooren Landschap,
7 oktober 2022
25 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Figuur 17: Landschappelijke inpassing
Binnen het bebouwde gedeelte wordt zoveel mogelijk gewerkt met boerenerf-gerelateerde beplanting en structuren. De tuinen worden groen omzoomd en binnen het straatprofiel is het groen sierlijk en herkenbaar. Het gebied naast het parkeerterrein wordt landelijk ingericht, zodat het aansluit bij de huidige houtsingel. De nieuw aan leggen straat wordt begeleid door sierbomen. In de groenvakken komt sierlijke beplanting met in de bochten blokhagen. Daar waar de tuin direct grenst aan de straat wordt regie gevoerd op de erfafscheiding. Voorkeur is een groene erfafscheiding met gebiedseigen materiaal. Bewoners mogen kiezen uit een vooraf opgestelde lijst, om de diversiteit en individualiteit in de straat te versterken. De grenzen met de huidige naastliggende buren worden groen afgepand met een 2 meter hoge haag van beuken. In overleg wordt het gezamenlijke onderhoud vastgelegd. De afscheidingen tussen de tuinen is bij voorkeur groen (zoals gaas met klimop), maar bewoners worden hiertoe niet verplicht. Het parkeerterrein wordt ingekleed als een fruitboomgaard. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt door aanplant van echte kersenbomen, maar indien vruchtval als bezwaar wordt ervaren kan men kiezen voor sierkersenboom zonder vruchten (zoals de Prunus avium ‘Plena'). De gaard wordt omzoomd door een gemengde haag van diverse inheemse soorten.
Ten oosten van de boomgaard ligt een laagte met kruiden om het regenwater van daken en verharding te infiltreren. Het streven is dit infiltratieprincipe zoveel mogelijk inzichtelijk te maken, door bijvoorbeeld oppervlakkig af te voeren. Hierdoor worden bewoners bewust van het klimaat. Rondom de laagte ligt een half verhard wandelpad. Tussen de boomgaard en de laagte ligt een open ruimte om te spelen. Deze speelruimte kan worden ingericht in samenwerking met de toekomstige bewoners. 26 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Aan de achterzijde van de bestaande tuinen aan de Pastoor van Schijndelstraat komt een nieuwe houtsingel. Deze vormt een eenheid met de bestaande singel in de noord-zuid richting. Aan de noordzijde van het plan worden twee rijen landschappelijke bomen (inheemse bomen) aangeplant als een fysieke groene scheiding.
6.2
Wet natuurbescherming
6.2.1
Gebiedsbescherming
Natura2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. De bescherming van deze gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen (Vogel- en Habitatrichtlijn). Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied betreft het gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen op een afstand van circa 15,6 kilometer. Stikstofdepositie De stikstofdepositie is de belangrijkste factor die voor verstoring in de natuurgebieden kan zorgen. De verstoring heeft betrekking op verzuring en/of vermesting van het desbetreffende gebied. Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van 19 woningen.
Om de stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling in beeld te brengen is een tweetal berekeningen gemaakt met het programma Aerius Calculator: • Realisatiefase: berekening van de stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase van de woningen; • Gebruiksfase: de stikstofdepositie als gevolg van het gebruik in de beoogde situatie. In de bijlage zijn de invoergegevens en resultaten van de berekeningen toegevoegd. Het resultaat van de berekening voor de realisatiefase laat zien dat geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van de realisatiefase. De resultaten van deze berekening laat zien dat er in de beoogde situatie geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gelet hierop zijn geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura2000-gebieden te verwachten als gevolg van de gebruiksfase.
Overige storende effecten Daarnaast heeft men te maken met de volgende mogelijke storende aspecten ten gevolge van activiteiten en plannen zoals verlies van oppervlakte, barrièrewerking en versnippering, verstoring door geluid en licht, trilling, optische verstoring, verstoring door mensen, mechanische effecten, verontreiniging, verdroging en bewuste verandering soortensamenstelling. Gelet op de geruime afstand tot de Natura2000-gebieden zijn storende effecten op deze gebieden uitgesloten.
27 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
6.2.2
Soortenbescherming
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoring tijdens de bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven: • Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest.
Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. • Internationaal beschermde soorten Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); • Overige beschermde soorten Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet.
Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Quick scan flora- en fauna Een flora- en fauna inspectie is uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De rapportage van het onderzoek is toegevoegd als bijlage 94. Doel van het onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Onderstaand wordt puntsgewijs de conclusie weergegeven van het uitgevoerde onderzoek. Voor een volledige beschrijving wordt verwezen naar de rapportage van het uitgevoerd onderzoek.
4 Quickscan flora en fauna Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk (rapportnummer 22072.QFF, BNL Advies, april 2022
28 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Resultaten onderzoek Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied (de te ontwikkelen kavels) is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten zoals die van de steenuil, sperwer, buizerd, etc. Nader onderzoek naar deze soorten binnen het plangebied wordt niet nodig geacht. Ook in de aangrenzende bomen nabij het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen waarop werkzaamheden een negatief effect zouden kunnen hebben. Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied (de beplantingen op- en nabij de te ontwikkelen kavels) is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten in nestkasten en boomholten, waaronder de spreeuw, koolmees, pimpelmees. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen, hagen en struiken welke aanwezig zijn binnen en nabij het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus).
Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient men voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op de aanwezigheid van nesten uit te voeren. Wanneer nesten aanwezig zijn, dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jonge vogels uitgevlogen zijn. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied zelf, en aangrenzend aan het plangebied zijn mogelijk beschermde soorten kleine marters aanwezig. Een nader onderzoek naar deze soorten zal uitsluitsel moeten geven of, en hoe ze het plangebied gebruiken.
29 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie NoordBrabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Er is (aangrenzend aan het plangebied) mogelijk een geschikt habitat aangetroffen voor de wezel, hermelijn en bunzing in de houtsingels ten noorden, oosten en westen van het plangebied. Wanneer houtsingels gesnoeid, gekapt, opgeschoond gaan worden, kunnen aanwezige soorten negatieve effecten ondervinden. In onderhavige situatie wordt de omliggende houtsingels niet aangetast, deze blijven behouden. Conclusie De geplande activiteiten leiden niet tot overtredingen van de Wet natuurbescherming; de ontwikkeling heeft naar verwachting geen effecten op beschermde dier- en plantensoorten.
30 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
7. Water 7.1
Watertoets
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen de projectlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt. Het waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad hebben een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer, waterbeheerder en gemeente.
7.2
Waterbeleid
Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Water Programma 2022-2027, Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 – 2027 (provincie Noord-Brabant), Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas, Keur Waterschap Aa en Maas, en het Gemeentelijk Watertakenplan (GWTP). Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap Aa en Maas In het Waterbeheerplan 2022-2027 staan de doelstellingen van waterschap Aa en Maas voor de periode 2022-2027. Hierin wordt beschreven wat gedaan moet worden om die doelen te halen. Hierdoor weten de inwoners van het werkgebied en de partners wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Met dit plan wordt ook invulling gegeven aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening Water om een waterbeheerplan op te stellen. In de nieuwe Omgevingswet staat de verplichting om een waterbeheerprogramma op te stellen. De eisen aan een dergelijk programma zijn vergelijkbaar met de huidige eisen aan een waterbeheerplan.
Het grootste verschil is dat de hoofdlijnen van het watersysteembeleid een plek krijgen in het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsvisie’ van rijk, provincie en gemeenten. Hier wordt op ingegaan, om de maatregelen in dit waterbeheerplan in de goede context te kunnen plaatsen. De samenhang tussen de omgevingsvisies en dit plan vraagt om goede afstemming. In het waterbeheerplan is een indeling gemaakt in programma’s: • Waterveiligheid; • Klimaatbestendig en gezond watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Keur Brabantse waterschappen De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur is in 2021 geactualiseerd. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van 31 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m 2. Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen 500 m2 en 10.000 m2 hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). De gevoeligheidsfactor houdt de nominale waarde in die de hydrologische gevoeligheid en infiltratiepotentie van de locatie uitdrukt. De waarde 0,06 is de waterschijf van 60 mm die overeenkomt met de vastgestelde bovengrens voor de compensatiecapaciteit van 600 m 3/ha. Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP+) 2017-2022 Op 21 september 2017 is door de gemeenteraad van Meierijstad het Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (VGRP+) 2017-2022 vastgesteld.
Naast het in stand houden en goed laten functioneren van het rioolstelsel richt het VGRP+ zich ook op het klimaatbestendig inrichten van openbaar en particulier gebied, het verhogen van het waterbewustzijn en stimuleren en waterbewust handelen, het verduurzamen van de afvalwaterketen, het behalen van de waterkwaliteitsdoelen, het doelmatig verwerken van afvalwater in het buitengebied, het verhogen van de belevingswaarde en benutten van water voor natuur en recreatie, het verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer en samenwerken met andere waterpartners. In het VGRP+ 2017-2022 zijn de te nemen maatregelen en onderzoeken op hoofdlijnen opgenomen. Vanuit het VGRP+ geldt dat elke toegevoegde m² verharding hydrologisch neutraal ontwikkeld dient te worden.
7.3
Oppervlaktewater
De volgende figuur toont de ligging van de leggerwatergangen in de omgeving van het plangebied, die in beheer zijn bij het waterschap Aa en Maas.
Figuur 18: Ligging leggerwatergangen (https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/) (plangebied rood omkaderd)
Ten oosten van het plangebied is een A-watergang gelegen. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze watergang.
7.4
Grondwater
Via het BRO-loket zijn gegevens opgevraagd over de grondwaterstand bij het plangebied. Tevens zijn door het waterschap gegevens aangeleverd. Op basis van deze informatie wordt een GHG verwacht van 37 cm32 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
mv. Volgens informatie van het Waterschap Aa en Maas bedraagt de gemiddelde hoogste grondwatrestand 12,63 m+ NAP.
7.5
Omgang met hemelwater
De volgende figuur toont de hoogteligging van het plangebied.
Plangebied
Figuur 19: Uitsnede kaart AHN (bron: ahn.nl/ahn-viewer)
De figuur laat zien dat het plangebied (gedeeltelijk) laag gelegen is ten opzichte van omliggende bebouwing. Het plangebied wordt in de beoogde situatie gedeeltelijk opgehoogd. Het hemelwater afkomstig van verharding wordt binnen het plangebied gehouden door deze te infiltreren binnen het plangebied. Een situatietekening is toegevoegd als bijlage aan deze toelichting waarin de ligging van het HWA-riool indicatief is weergegeven. Hiermee wordt inzichtelijk dat het water richting de wadi afgevoerd wordt. Waar het kan, wordt zoveel water als mogelijk bovengronds afgestroomd richting wadi. Vanuit de wadi is er de mogelijkheid om bovengronds middels een maaiveldverlaging over te storten op de A-watergang van het waterschap. Op basis van de AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland) is een voorstel gedaan voor de bouwpeilen en hoogtematen in het plan. Bij een juiste aansluiting worden geen problemen voor wat betreft wateroverlast verwacht richting direct omwonenden. Hydrologisch neutraal bouwen De gemeente en de waterschappen hanteert het uitgangspunt dat elke toegevoegde m² verharding hydrologisch neutraal ontwikkeld dient te worden. Hydrologisch neutraal betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en erfverharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is.
Verhard oppervlak In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de oppervlaktes verharding ten behoeve van de bebouwing en de erfverharding in de bestaande situatie en in de beoogde situatie. Tabel 1: Verhard oppervlak bestaande en beoogde situatie Verhard oppervlak Bestaande situatie (m2) Verharding rijbaan / trottoir Parkeevakken (groen) Dakoppervlakte -
Beoogde situatie (m2) 1.213 m² 129 m² (50%) 1.370 m²
33 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Verharding in tuin Totaal
-
978 m² 3.689 m²
In de beoogde situatie is sprake van een toename van het verhard oppervlak met 3.689 m2. Dit betekent dat op basis van de Keur en op basis van het gemeentelijk hemelwaterbeleid een compenserende maatregel noodzakelijk is voor de infiltratie van hemelwater. Dimensionering waterberging Op basis van het gemeentelijk hemelwaterbeleid dient een volume van 3.689 * 0,06 = 224,34 m³ aan hemelwater te worden geborgen. Er wordt een wadi gerealiseerd waarbij rekening wordt gehouden met een GHG van 12,63 m+NAP. De oppervlakte van de wadi bedraagt minimaal 742 m². Per m² kan 0,3 m³ hemelwater worden geborgen. Hiermee is de hemelwaterberging van voldoende omvang om het volume aan hemelwater te bergen. De berekening en tekening is toegevoegd als bijlage aan de toelichting. De volgende figuur toont de ligging van de hemelwaterberging.
Figuur 20: Ligging hemelwaterberging
7.6
Afvoer huishoudelijk afvalwater
Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater worden de nieuwe woningen aangesloten op de gemeentelijke riolering.
7.7
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan het beleid van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad inzake de watertoets.
34 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
8. Fysieke belemmeringen 8.1
Kabels en leidingen
De aanwezigheid van kabels en/of leidingen in een gebied kunnen de realisatie van eventuele bouwplannen in de weg staan. Buiten de normale huis- en bedrijfsaansluitingen liggen geen leidingen in de directe omgeving van het plangebied die een fysieke belemmering vormen.
8.2
Radarverstoringsgebied
Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ ter waarborging van de bij het radarverstoringsgebied behorende hoogtebeperking. Radarsystemen dienen ‘vrij zicht’ te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten binnen een straal van 27,8 kilometer gemeten vanaf de positie van de radar kunnen resulteren in een verstoring van het radarbeeld. Binnen dit gebied mogen dan ook geen objecten worden geplaatst (gebouwd) met een hoogte van meer dan 45 meter ten opzichte van de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de radar. In de regels en op de verbeelding is derhalve een vrijwaringszone opgenomen. De ontwikkeling ziet niet op de bouw van nieuwe bebouwing hoger dan 45 meter en vormt dan ook geen belemmering.
8.3
Hoogspanningslijnen
Op een afstand van ongeveer 2,4 kilometer van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
8.4
Spuitzones gewasbescherming
Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve en willekeurige afstand. Een verantwoorde afstand hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten en spuitfrequentie intensiever dan bijv. bespuitingen in de lage bomenteelt of aardappelteelt.
Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. De richtafstand van 50 meter is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen zoals aardappelen worden neerwaarts bespoten, wat de drift (voor zover deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor. Bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet een drift reducerende spuittechniek worden toegepast. Ook is een maximale windsnelheid (5 meter/seconde) opgenomen waarbij nog gespoten mag worden. 35 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Aan de noordzijde van het plangebied wordt voorzien in een landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste tuinen en woningen reikt. Het plangebied heeft in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones.
36 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
9. Milieu hygiënische verantwoording 9.1
Inleiding
Milieuaspecten spelen een rol in de ruimtelijke planvorming wanneer aan een gebied functies worden toegekend die een milieubelasting doen ontstaan of doen toenemen. Door middel van een goede ruimtelijke ordening kan een milieubelasting ook worden beperkt of worden voorkomen, zodat wordt bijgedragen aan de duurzame ontwikkeling van de gemeente. Milieuaspecten worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces betrokken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig afgewogen tegen andere belangen die evenzeer claims leggen op de beschikbare ruimte.
9.2
M.e.r.-beoordeling
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd, één van de aanleidingen voor de aanpassing van het Besluit m.e.r. De essentie van die uitspraak is dat altijd een m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud dient deze aan bijlage III van de Europese richtlijn (2011/ 92EU) ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ te voldoen. Hierin staan drie hoofdcriteria centraal: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten.
De realisatie van de woningen met bijbehorende ontsluiting, groen en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als ‘de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit geldt dat het bevoegd gezag op een vormvrije wijze moet beoordelen of voor deze activiteiten toch een m.e.r. beoordeling (met procedurele en inhoudelijke vereisten) dient te worden doorlopen. De uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat er wel of geen m.e.r.-beoordeling met procedurele en inhoudelijke vereisten nodig is. Voor de geplande ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld, deze is toegevoegd als bijlage aan onderhavige notitie.
9.3
Bodem
Wettelijke basis In een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet onder andere worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan.
37 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Huidige situatie en toekomstige situatie In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als landbouwgrond. In de beoogde situatie wordt de bestemming gewijzigd in onder andere een woonbestemming. In april 2022 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd 5. Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen verontreinigingen zijn aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen niet overeen met de gestelde hypotheses. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie.
De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en bouw van woningen. De rapportage van het bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage. Geconcludeerd kan worden dat er geen risico van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is en er geen verontreinigingen te verwachten zijn.
9.4
Geluid
In het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. In dit kader is onderzocht of de toekomstige ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de omgeving. 9.4.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit artikel 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient te worden verricht, indien sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een dergelijke zone. Uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De weg Boerdonksedijk betreft een 60 km/uur-weg met een geluidszone. De nieuwe woningen worden binnen deze zone gerealiseerd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk.
5 Verkennend bodemonderzoek Zand 19 Liessel, rapportnummer B3092, Bodem inzicht, 1 november 2022
38 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen6. De geluidzone van de Boerdonksedijk ligt over de nieuwe woningen, waardoor vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de Pastoor van Schijndelstraat (30 km/uur) in het onderzoek meegenomen. Uit de berekeningen blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Boerdonksedijk de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB niet wordt overschreden. Het vaststellen van hogere waarden is niet benodigd. Dit betekent ook dat een onderzoek naar de cumulatie op basis van de Wgh en een onderzoek naar de karakteristieke geluidwering gevels volgens het Bouwbesluit 2012 niet aan de orde is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting berekend vanwege het wegverkeer op de Boerdonksedijk en op de Pastoor van Schijndelstraat. Uit de beoordeling van de cumulatieve geluidbelastingen blijkt dat de MKM Lden op de grens van de bouwvlakken varieert tussen ‘goed’ en ‘redelijk’. Alleen ter plaatse van de zuidzijde van de blokken A en B is sprake van een redelijk akoestisch klimaat. Op alle overige gevels is het als akoestisch ‘goed’ aan te merken, waaraan ook de bij de woning behorende buitenruimte wordt gesitueerd.
Het aspect wegverkeerslawaai vormt in het kader van de bestemmingsplanprocedure geen belemmering voor de bouw van de woningen. Voor de rapportage van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt verwezen naar de bijlage. 9.4.2
Industrielawaai
Ten aanzien van het aspect geluid worden de richtafstanden van de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG aangehouden. In de volgende paragraaf 10.1 ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt onderbouwd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
9.5
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit; daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De wet regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Niet in betekenende mate bijdragen In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Per 1 augustus 2009 geldt als NIBM 3% van de grenswaarde.
6 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Plan Pastoor van Schijndelstraat tussen nr. 1 en 5 te Boerdonk, Stantec BV, 20210030,
19 juli 2022
39 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Toetsing initiatief Om te beoordelen of het beoogde initiatief NIBM bijdraagt, is de NIBM-tool (versie 2022) ingevuld. Hierin is de bijdrage berekend bij een toename van aantal dagelijkse voertuigbewegingen van maximaal 164 (worstcase scenario). Onderstaande figuur toont het resultaat.
Figuur 21: NIBM-tool 2022
De bijdrage van het extra verkeer door de ontwikkeling is niet in betekenende mate; het plan is te kleinschalig om in betekenende mate bij te dragen aan een verandering/ verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Woon- en leefklimaat De huidige achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) binnen het plangebied bedraagt 17,15 µg/m³ en zeer fijn stof (PM2,5) 9,37 µg/m³. De huidige achtergrondconcentratie NO2 bedraagt 13,68 µg/m³. Deze waarden voldoen aan de wettelijke normen. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
40 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Figuur 22: uitsnede kaart atlasleefomgeving
9.6
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij schept het kader voor de onderbouwing van nieuwe plannen voor het aspect geur. De Wgv heeft ook consequenties voor de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke projecten. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen geurhinder, omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. De grondslag hiervan ligt in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij besluitvorming omtrent een bestemmingsplan moet worden bepaald of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Er moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Ook voor geurhinder betekent dit dat de volgende aspecten nader onderzocht moeten worden: • Wordt overigens niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (Belang veehouderij) (voorgrondbelasting); • Is er ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (Belang geurgevoelig object) (achtergrondbelasting). Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de individuele geurbelasting op het plangebied van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang veehouderij).
Onder achtergrondbelasting wordt verstaan de cumulatieve geurbelasting op het plangebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen in de omgeving van het plangebied (belang geurgevoelig object). 9.6.1
Beoordeling belangen veehouderijen (voorgrondbelasting)
In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijbedrijven gelegen: • Akkerweg 7 (melkveehouderij): afstand circa 250 meter; • Cruijsstraat 1 (schapen- en paardenhouderij): afstand circa 285 meter. De ligging van de veehouderijbedrijven is weergegeven in de volgende figuur.
41 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Akkerweg 7
Cruijsstraat 1
Figuur 23: Ligging dichtstbijzijnde veehouderijbedrijven
Deze veehouderijbedrijven worden beschermd tegen geurgevoelige objecten. Dit betekent dat de rechten van de veehouderijbedrijven die kunnen worden ontleend aan de vigerende vergunning gerespecteerd dienen te worden. De normen, die voortvloeien uit wetgeving op het gebied van geurhinder van veehouderijen, dienen in de eerste plaats voor de vaststelling van de vraag of voor een veehouderij een milieuvergunning kon worden verleend. Deze eisen ten aanzien van de maximale geurbelasting of minimaal aan te houden afstanden zijn ook van belang bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde geurgevoelige bestemming kan worden gerealiseerd nabij een veehouderij. Deze zogenaamde ‘omgekeerde werking’ heeft dus betrekking op ruimtelijke ordeningsbesluiten, zoals bestemmingsplannen en vrijstellingen. Vaste rechtspraak bij dit soort besluiten is dat er geen sprake mag zijn van een aantasting van de bestaande rechten van de (blijvende) veehouderijen en er sprake moet zijn van aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De veehouderijen met dieren zonder geuremissiefactor bevinden zich op een afstand van meer dan 50 meter (wettelijk aan te houden vaste afstand) van het plangebied. Daarnaast zijn andere woningen dan de nieuw te realiseren woningen dichter bij de omliggende veehouderijen gelegen. De ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijbedrijven worden niet aangetast. 9.6.2
Beoordeling woon- en leefklimaat (achtergrondbelasting)
Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur in beeld te brengen voor de nieuwe woonbestemming is de cumulatieve geurbelasting in de omgeving in kaart gebracht waarbij de aanwezige andere veehouderijbedrijven in de omgeving van het initiatief meegenomen zijn. De bedrijven binnen een straal van 2 kilometer afstand rondom het plangebied zijn meegenomen. De berekening is uitgevoerd middels het programma V-Stacks gebied. Voor het berekenen van de achtergrondbelasting zijn de gegevens gebruikt van het I-GO Veehouderijen (d.d. 12-09-2022). De invoergegevens zijn opgenomen in de bijlage. In de Interim Omgevingsverordening zijn waardes opgenomen met betrekking tot cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten. In de bebouwde kom is deze niet hoger dan 12% en in het buitengebied 20%. 42 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Tabel 2: Resultaten berekening achtergrondbelasting Receptorpunt Normen [ouE/m3] Geurbelasting [ouE/m3] Hoekpunt 1 Hoekpunt 2 Hoekpunt 3 Hoekpunt 4 Hoekpunt 5 Hoekpunt 6
20% 20% 20% 20% 20% 20%
Percentage geurgehinderden
10,09 10,38 10,19 10,08 9,26 9,23
12% 13% 13% 12% 12% 12%
Voldaan wordt aan de norm zoals opgenomen in de omgevingsverordening. Beoordeling milieukwaliteit Naast een kwantitatieve weergave van de geurbelasting is er bij deze berekening voor gekozen om de geurbeleving inzichtelijk te maken. Hierbij is bijlage 6 en 7 van de handreiking Wet geurhinder en veehouderij als leidraad gebruikt. In bijlage 7 van de Handreiking is een tabel opgenomen waarin de kans op geurgehinderden vertaald is naar het woon- en leefklimaat, zie de volgende tabel7. Tabel 3: Beoordeling milieukwaliteit Achtergrondbelasting (ouE/m³) Percentage geurgehinderden (%) 1-3 <5 4-8 5-10 9-13 10-15 14-20 15-20 21-28 20-25 29-38 25-30 39-50 30-35 51-65 35-40
Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
De volgende tabel geeft per receptorpunt het percentage geurgehinderden en de milieukwaliteit. Tabel 4: Milieukwaliteit Geurgevoelig object
Hoekpunt 1 Hoekpunt 2 Hoekpunt 3 Hoekpunt 4 Hoekpunt 5 Hoekpunt 6
Achtergrond Percentage Milieukwaliteit geurbelasting geurgehinderden [%] [ouE/m³] 10,09 12% Redelijk goed 10,38 13% Redelijk goed 10,19 13% Redelijk goed 10,08 12% Redelijk goed 9,26 12% Redelijk goed 9,23 12% Redelijk goed
Uit bovenstaande resultaten volgt de conclusie dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een redelijk goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief.
9.7
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico’s moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven.
7 SenterNovem, 2007
43 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Bij ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met dit aspect. Daartoe moeten de risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten, in beeld worden gebracht. Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de wet- en regelgeving in het kader van externe veiligheid, die van toepassing is op onderhavige ontwikkeling. Besluit externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) Voor de normstelling van risicovolle bedrijven moet worden aangesloten bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het toetsingskader is meer gedetailleerd uitgewerkt in de Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). Voor het aspect externe veiligheid worden twee risicomaten onderscheiden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) wordt uitgedrukt in de kans op overlijden van een denkbeeldig aanwezige persoon op een bepaalde plaats als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is vastgelegd in een grenswaarde of een richtwaarde. Deze normen zijn vastgesteld op een kans van 10-6 (kans van 1 op de één miljoen) per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt. Het groepsrisico (GR) wordt uitgedrukt in de kans op overlijden ineens van een groep personen als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico wordt gepresenteerd in een curve waarbij de omvang van de groep dodelijke slachtoffers wordt uitgezet tegen de kans dat die groep komt te overlijden. De normstelling voor het groepsrisico heeft een status van oriëntatiewaarde. Daarbij wordt ingezoomd op het gebied waarbinnen nog 1% van de aanwezige personen kan komen te overlijden. Dit wordt ook wel het invloedsgebied van het groepsrisico genoemd. Op grond van het Bevi en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten, het GR in het invloedsgebied van de buisleiding of de risicovolle inrichting worden verantwoord. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het vervoer van gevaarlijke stoffen brengt risico's met zich mee. Bij een ongeval tijdens het transport kunnen gevaarlijke stoffen vrijkomen met schadelijke of zelfs dodelijke gevolgen voor mens en milieu. Om dit te voorkomen moet het vervoer van gevaarlijke stoffen aan eisen voldoen. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Hierin zijn de veiligheidsnormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, weg of water wettelijk verankerd.
De afspraken die zijn gemaakt in het besluit zijn vastgelegd in wetgeving over het Basisnet en wordt ook wel ‘Wet Basisnet’ genoemd. De ‘Wet Basisnet’ is een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben liggen in verschillende gebieden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur zoals hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Conform de Bevt hoeven er in principe geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 m1 van een route of tracé ligt. In het kader van het Basisnet zijn de externe veiligheidsrisico’s bij vervoer van gevaarlijke stoffen geïnventariseerd voor diverse wegen. In de regeling Basisnet is aangegeven voor welke wegen welk risico bestaat. In de Handleiding risicoanalyse Transport (17 juni 2014) wordt uiteengezet hoe de risico's voor omwonenden als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen in beeld gebracht kunnen worden. Het middel hiervoor is een kwantitatieve risicoanalyse.
Eenvoudig gezegd is het resultaat van een risicoanalyse de kans op overlijden op een bepaalde locatie als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen en 44 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
de kans op overlijden van een groep personen met een bepaalde omvang. Het risico wordt bepaald door de transportroute, de vervoerde stoffen en de aard van de omgeving. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), in werking getreden op 1 januari 2011, regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten en geeft de eisen en veiligheidsafstanden voor buisleidingen die worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen ten opzichte van kwetsbare objecten. Ook hier gelden de normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (zoals in het Bevi). Er is onderzocht of in en in de omgeving van het plangebied zich situaties bevinden welke van invloed kunnen zijn op de externe veiligheid. Hierbij is gekeken naar de invloed van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, over het spoor en door buisleidingen. Tevens is onderzocht of er risicorelevant bedrijvigheid in de nabijheid van het plangebied plaatsvindt. Activiteitenbesluit Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. In het besluit en de bijbehorende regeling staan de regels waar de bedrijven waarop het besluit van toepassing is, aan moeten voldoen. In het besluit staan ook de aan te houden afstanden tot externe objecten.
Deze externe veiligheidsafstanden gelden voor een beperkt aantal bedrijven. Het gaat onder meer om: • bedrijven met opslag van meer dan 2.500 kg (of liter) gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening en; • locaties waar een bovengrondse propaantank in gebruik is (het besluit geldt ook voor het gebruik van een propaantank door particulieren). Barro In het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) zijn externe veiligheidsafstanden vastgelegd voor munitiecomplexen en civiele inrichtingen voor explosieven. Hierin is onder andere aangegeven welke veiligheidszones van toepassing zijn rond munitieopslagen en is geregeld dat de veiligheidssituatie rond munitieopslagen bevorderd wordt door opname van de veiligheidszones met hun beperkingen in bestemmingsplannen. Toetsing plangebied Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken, welke risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Een uitsnede van de risicokaart met het plangebied is onderstaand weergegeven.
Plangebied
Figuur 24: Uitsnede Risicokaart (plangebied rood omkaderd) 45 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
LPG tankstation Het plangebied ligt volgens de signaleringskaart binnen het invloedsgebied van LPG tankstation ’Tank Stop’. Echter, uit gegevens van de Omgevingsdienst Brabant Noord, blijkt dat de inrichting al gedurende drie jaar geen gebruik maakt van de vergunde activiteiten. De Omgevingsdienst Brabant Noord is daarom voornemens de omgevingsvergunning milieu, die is verleend aan het tankstation voor de activiteiten opslag en afleveren van LPG, in te trekken. In deze beoordeling wordt daarom het (invloedsgebied van) LPG tankstation buiten beschouwing gelaten. De activiteit is verwijderd uit het Register Externe Veiligheid (REV), wat de vervanger is van het RRGS. Op termijn zullen de locatie en de risicocontouren van het LPG-tankstation niet meer zichtbaar zijn op de Atlas Leefomgeving. Transportroutes Ten westen van het plangebied loopt op 94 meter afstand de transportweg ‘Boerdonksedijk’. Over deze weg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de stofcategorie GF3 vervoerd 8. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter9. Aangezien het plangebied binnen de risicocontouren van deze weg ligt, is een nadere beschouwing van de externe veiligheidsrisico’s conform artikel 8 van het Bevt noodzakelijk. Deze is als bijlage 1 bijgevoegd. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico minder dan 0,1 × de oriëntatiewaarde zal bedragen.
Conform het Bevt, artikel 8, lid 2 is een nadere berekening niet nodig en kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario Bleve. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient alleen aandacht besteed te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de Pastoor van Schijndelstraat ong. te Boerdonk (artikel 7, Bevt). Ten zuiden van het plangebied Pastoor van Schijndelstraat ong. te Boerdonk loopt op 295 meter afstand de transportweg ‘Veerstraat’. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen uit de stofcategorie GF3 vervoerd. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario Bleve. De beperkte verantwoording Bleve die is opgenomen voor de transportweg ‘Boerdonksedijk’ volstaat ook voor deze transportweg. Ten westen van het plangebied Pastoor van Schijndelstraat ong. te Boerdonk loopt op 665 meter afstand de provinciale weg N279 ‘Bosscheweg’. Over deze weg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de stofcategorie LT2 vervoerd10. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter 11. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch.
Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant-Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Verantwoordening groeprisico Een onderzoek externe veiligheid12 is uitgevoerd vanwege de ligging van de transportroutes. Een verantwoordening van de groepsrisico’s is opgesteld. De rapportage van het onderzoek is toegevoegd als bijlage aan onderhavige rapportage. Het plan ligt allen binnen 200 meter van de Boerdonksedijk, waardoor een verantwoording groepsrisico is opgesteld conform artikel 8 van het Bevt. Voor de Boerdonksedijk blijkt dat op basis van de vuistregels in 8 ODBN (2019), Rapportage gemeentelijk vervoerd gevaarlijke stoffen Meierijstad, bijlage III. 9 RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport, p. 19 tabel 4-2. 10 Provincie Noord-Brabant (2010), Rapport Externe Veiligheid Provinciale Wegen, bijlage II, tabel B2.1. 11 RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport, p. 19 tabel 4-2. 12 Onderzoek externe veiligheid, Plan Pastoor van Schijndelstraat tussen nr. 1 en 5 te Boerdonk, Stantec BV, 20210030, d.d. 18-07-
2022
46 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
het HART (Handleiding Risico-analyse Transport) het plaatsgebonden risico geen belemmeringen oplevert. Daarnaast blijkt ook dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de Veerstraat en de N279 is dit niet het geval, maar omdat er wel gevaarlijke stoffen worden vervoerd waarvan het invloedsgebied tot over het plan reikt is een beperkte verantwoording groepsrisico opgesteld (artikel 7 Bevt).
9.8
Duurzaam en slim bouwen
Onderhavige ontwikkeling ziet op de bouw van een 19-tal nieuwe woningen. Bij de bouw zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen en energiebesparende maatregelen worden toegepast. Hierbij kan men denken aan het gebruik van warmtepompen.
9.9
Gezondheid
Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Gezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. Handreiking veehouderij en volksgezondheid Er is getoetst aan de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018). Deze handreiking bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Deze handreiking is niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling omdat onderhavige situatie niet ziet op de ontwikkeling van een veehouderij.
Stap 1: endotoxine Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De projectlocatie ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2: emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (zowel voor wat betreft geurnormen als vaste afstanden); er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond en/of achtergrond). Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Stap 3b: geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt binnen een deel van het plangebied niet voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde; de meest nabijgelegen veehouderijen liggen op ruime afstand van de ontwikkeling. Een melkveehouderij aan de Akkerweg is op een afstand van circa 250 meter gelegen. Op een afstand van circa 285 meter is aan de Cruijsstraat 1 een veehouderij gelegen waar 18 paarden en 19 schapen worden gehuisvest.
47 Toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, Pastoor van Schijndelstraat ong. Boerdonk’
Stap 4a: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij Niet van toepassing. Stap 5: Afstand tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Binnen 2 kilometer van de projectlocatie zijn geen geitenhouderijen gelegen en binnen een afstand van 1 kilomter zijn geen pluimveebedrijven gelegen. Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Conclusie: er wordt voldaan aan het stappenplan uit de Handreiking voldaan met uitzondering van de gezondheidskundige advieswaarde voor de achtgergrondbelasting. Binnen een klein deel van het plangebied ligt deze hoger dan 10 ou/m³, namelijk 10,4 ou/m³.