Schrijvershoef 11-11a - Ruimtelijke onderbouwing + Bijlagen
Tekst van het document
Nee
Nee
-
-
Ja
Te voorko-
Vliegroute langs straatzijde be-
-
men
houden
Te voorko-
Zorgplicht afdoende; Indien er
Heeft betrekking op een
men
grote aanpassingen in de noord-
soort als de egel
habitat Vliegroutes
Grondgebonden zoog-
Ja
dieren
oosthoek van het plangebied plaats gaan vinden, zal vervolgonderzoek ten behoeve van marterachtigen noodzakelijk zijn Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorko-
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een
men
soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Tabel 4.1: Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Vervolgonderzoek vleermuis en huismus Uit vervolgonderzoek (zie bijlage) blijkt dat er geen verblijfplaatsen van huismussen noch van vleermuizen zijn aangetroffen in of in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens vrijwel ieder veldbezoek zijn enkele (3-4) foeragerende gewone dwergvleermuizen rondom het groen in de tuinen waargenomen, met name rond de notenbomen. Later in de avond trokken deze weg en vloog er slechts incidenteel een individu over. Gezien de vleermuizen hier niet de hele avond aanwezig waren en regelmatig een kwartier of langer verdwenen is het niet de verwachting dat het plangebied essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis betreft. Daarnaast is er in de directe omgeving genoeg groen aanwezig dat kan dienen als foerageermogelijkheid. De voorgenomen plannen zullen niet leiden tot een afname in essentieel foerageergebied. Wel maken Gewone dwergvleermuizen regelmatig gebruik van het groen langs de Schrijvershoef om te foerageren en als vliegroute. Dit kan ook na realisatie van de plannen doorgang vinden.
Hoofdstuk 4
26
Omdat de omgeving potentie heeft voor verblijfsplaatsen van vleermuizen, zal bij renovatie of herbouw van woning of bijgebouw natuurinclusief worden gebouwd waarmee delen van deze bebouwing geschikt gemaakt zullen worden voor het verblijf van vleermuizen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Er is nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en huismussen. Er zijn geen verblijfsplaatsen aangetroffen en op fourageren en vliegroutes heeft het plan geen onevenredig negatieve invloed. Gesteld kan worden dat er vanuit ecologie geen bezwaren bestaan tegen het plan.
4.4 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De wetgeving en het beleidskader spelen een belangrijke rol in het doorlopen van de watertoetsprocedure. Uit de beleidsstukken van de overheden blijkt welke eisen en wensen ze hebben en welk belang ze hebben bij een goed beheersbaar watersysteem. Beleidskader Nationaal Waterplan 2016-2021 In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn: Eerst vasthouden, dan bergen en dan pas afvoeren; Hemelwater zo veel mogelijk afkoppelen, mits schoon (anders eerst zuiveren); Uitbreiding van verhard oppervlak zo veel mogelijk compenseren met hectares oppervlaktewater. Met deze punten zal rekening gehouden worden bij de uitvoering van de plannen.
Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering. Het NBW is een uitwerking van de uitvoering van waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.
Hoofdstuk 4
27
Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2020 (PMWP) is de strategische basis voor het Brabantse milieu- en waterbeleid en -beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 integreert de milieu- en wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het is een breed gedragen, integraal beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met talloze belanghebbende (water)partijen in Brabant. Het PMWP staat voor: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Waterbeheerplan 2022-2027 Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1.
Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem: Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon water: In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.
Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Hoofdstuk 4
28
Keur Waterschap Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel 2015 De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 Maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. De beleidsterm ‘hydrologisch neutraal’ heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen in ruimte en tijd.
De ontwikkeling mag geen hydrologische achteruitgang aan de randen van het plangebied ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg hebben: Er is geen (onvertraagd) toename van de waterafvoer op de rand van het plangebied; Er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van o het plangebied en daarbuiten (tenzij veranderingen gewenst zijn); Er mag geen overlast optreden door extreme neerslag gebeurtenissen. De voorkeursvolgorde bij het nemen van maatregelen tegen wateroverlast gaan uit van het principe water vasthouden dan wel hergebruiken, water bergen en als laatste pas water afvoeren. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De grenswaarde in de algemene regels voor het compenseren van nieuw verhard oppervlak is aangepast van 2.000 m2 naar 500 m2.
Waardevol water in Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft haar speerpunten m.b.t. de waterhuishouding beschreven in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan “Waardevol water in Meierijstad” (2017 t/m 2022). Deze speerpunten worden hieronder kort toegelicht: Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied, onder andere door het lokaal afkoppelen van verharde oppervlak. Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen, onder andere door de kennis over waterbeheer te integreren in het onderwijssysteem. Verduurzamen afvalwaterketen, door gesloten watercirculatiesystemen aan te leggen, het energieverbruik te minimaliseren en energie uit stromend water en afvalwater te halen.
Hoofdstuk 4
29
Behalen KRW-doelen, door verbetermaatregelen zo efficiënt mogelijk uit te voeren zonder dat de kwaliteit verloren gaat. Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied, bijvoorbeeld door waar haalbaar dubbele riolen aan te leggen Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie, bijvoorbeeld door de vuilbelasting op oppervlaktewateren te reduceren. Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer, bijvoorbeeld door het integreren van meetnetten en het uitvoeren van stresstesten. Samenwerken bijvoorbeeld door samenwerktingsactiviteiten te organiseren en continue te streven naar verbetering in de communicatie naar burgers.
Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen voorziet in een nieuwe woning. Ook wordt de bestaande schuur gesloopt en vervangen voor een nieuwe kleinere schuur. Voor het overige worden diverse graslanden aangelegd en bomen en hagen aangeplant om de beoogde plannen landschappelijk in te passen. Ten behoeve van de ontwikkelingen is een waterparagraaf opgesteld, deze is opgenomen in de bijlagen. In deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De hemelwatervoorziening dient dan ook aangepast te worden aan de nieuwe inrichting. In de hemelwatervoorziening wordt het hemelwater afkomstig van het terrein geborgen.
Tabel 4.2: verhardingssituatie huidige en toekomstige verharding
De ontwikkeling op de onderzoekslocatie heeft, zoals blijkt uit tabel 4.2, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met 160 m 2. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Op basis van de toename van verhard oppervlak van 160 m2 geldt een bergingseis van 160 x 0,06 mm = 10 m3. Aan de zuidzijde van het perceel wordt een wadi gegraven waar hemelwater wordt geborgen en kan infiltreren. Bij het aanplanten van de knotwilgen aan de zuidkant van het perceel dient rekening te worden gehouden met de beschermingszone van 5 meter van de watergangen. Deze beschermingszone dient ervoor het plegen van onderhoud voor het waterschap te waarborgen. Dit is tevens opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan. De vuilwaterafvoer van de nieuwe woning kan plaatvinden via de bestaande huisaansluiting van de huidige woning. Omdat hier sprake is van een drukrioolsysteem mag enkel huishoudelijk afvalwater worden afgevoerd.
Hoofdstuk 4
30
4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Doorwerking plangebied Ten behoeve van de ontwikkelingen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht volgens de onderzoeksprotocollen NEN 5725 en NEN 5740. In deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies uit het bodemonderzoek, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Vooronderzoek De onderzoekslocatie betreft twee percelen aan de Schrijvershoef 11 te Schijndel. Op de locatie zijn een woonhuis en twee loodsen aanwezig. De bebouwing is in de periode 1970-1986 gerealiseerd. Hiervoor was de locatie sinds begin 1900 bebouwd en hoogstwaarschijnlijk in gebruik voor agrarische doeleinden.
Op de onderzoekslocatie is een machine- en apparatenreparatiebedrijf aanwezig. Op basis van de bekende gegevens wordt verwacht dat geen verontreinigingen zijn veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten op het perceel. Op basis van het vooronderzoek wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging verwacht. Derhalve is conform NEN 5740 de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond structureel bijmengingen aan baksteen waargenomen. Deze bijmengingen zijn aanleiding geweest voor het uitvoeren van een aanvullend asbestonderzoek. Voor het overige zijn geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Tijdens het asbestonderzoek is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse is een licht verhoogde concentratie molybdeen in het grondwater aangetoond. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Asbest is zowel zintuiglijk als analytisch niet aangetroffen. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht.
Algemeen wordt opgemerkt dat dit verkennend bodemonderzoek geen bewijsmiddel is zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.
Hoofdstuk 4
31
4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. De ontwikkelingen vinden volledig plaats op eigen terrein, waar geen kabels en leidingen van derden zijn gelegen. Ook vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het anderzijds bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Dit wordt milieuzonering genoemd. Ruimtelijke scheiding kan tot stand komen door uitwaartse of inwaartse milieuzonering. Bij uitwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieubelastende functies. In een zone rondom de milieubelastende functies worden woningen geweerd. Bij inwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieugevoelige functies. In een zone rondom de milieugevoelige functies zijn bepaalde milieubelastende functies niet toelaatbaar. Omgevingstype In de handreiking Bedrijven en milieuzonering worden twee omgevingstypen beschreven: Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook een lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
32
Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied is sprake van enige bedrijvigheid, maar niet dusdanig dat kan worden gesproken van een gemengd gebied. Daarom is uitgegaan van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Het koeltechnisch installatiebedrijf vormt een milieubelastende functie. Hiertoe wordt de inwaartse milieuzonering beoordeeld. In een zone rondom de milieugevoelige functies in de omgeving zijn milieubelastende functies niet toelaatbaar. Binnen het koeltechnisch installatiebedrijf in de noordelijke loods vindt opslag en reparatie plaats van nog te installeren airco’s, koelcellen en vriescellen. Deze activiteiten komen het beste overeen met ‘aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m²’ volgens de handreiking Bedrijven en milieuzonering. De grootste richtafstand behorende bij het koeltechnisch installatiebedrijf is 30 meter. Figuur 4.1 toont de richtafstand rondom het plangebied. Woningen in de omgeving liggen buiten de richtafstanden van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar van het koeltechnisch installatiebedrijf. Hierbij is er van uitgegaan van de richtafstand rondom het gehele plangebied. In de praktijk is niet het gehele plangebied aan het koeltechnisch installatiebedrijf toe te schrijven, maar alleen de loods, het buitenterrein en de inrit.
De aspecten geur, stof, geluid en gevaar vormen geen belemmering voor de realisatie van het koeltechnisch installatiebedrijf. Figuur 4.1: Richtafstand rondom plangebied
De woning vormt een milieugevoelige functie. Hiertoe wordt de uitwaartse milieuzonering beoordeeld. In een zone rondom de milieubelastende functies in de omgeving worden milieugevoelige functies (de te bestemmen woning) geweerd. Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. De richtafstanden behorende bij de milieubelastende functies in de omgeving zijn toegelicht in tabel 4.3 en weergegeven in figuur 4.2.
Tabel 4.3: Richtafstanden milieubelastende functies omgeving plangebied
Hoofdstuk 4
33
De te realiseren woning ligt binnen de richtafstand voor het aspect geur van de veehouderij aan Schrijvershoef 13. Het aspect geur wordt nader beschreven in paragraaf 4.8 Geurhinder.
Figuur 4.2: Richtafstanden milieubelastende functies omgeving
De te realiseren woning ligt buiten de richtafstanden behorende bij de aspecten stof, geluid en gevaar van inrichtingen in de omgeving. De aspecten stof, geluid en gevaar vormen geen belemmering voor de realisatie van de woning.
4.8 Geurhinder In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. Doorwerking plangebied De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven in figuur 4.3.
Hoofdstuk 4
34
Figuur 4.3: Veehouderijen en geuremissies in omgeving plangebied
De dichtstbijzijnde veehouderij met enige geuremissie ligt op een afstand van meer dan 300 meter van het plangebied. Op voorhand kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied als het gaat om voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. Omdat bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen het plangebied en deze veehouderijen worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad. Voor de nabij gelegen veehouderij aan Schrijvershoef 13 moet de afstand van 50 meter tussen emissiepunten van dierenverblijven en de gevel van de te realiseren geurgevoelige objecten in acht worden genomen. In figuur 4.4 is (vanwege de maximale planologische mogelijkheden van de veehouderij) de afstand van 50 meter rondom het bouwvlak ingetekend.
Hoofdstuk 4
35
Figuur 4.4: Afstand 50 meter vanaf bouwvlak Schrijvershoef 13
De te realiseren woning ligt buiten de afstandscontour van 50 meter rondom het bouwvlak van de veehouderij. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de veehouderij wordt niet in haar belangen geschaad door de woning. De loods ten behoeve van het koeltechnisch installatiebedrijf ligt wel binnen de afstandscontour van 50 meter rondom het bouwvlak van de veehouderij. Wanneer sprake is van een geurgevoelig object, is niet per definitie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en wordt de veehouderij in haar belangen geschaad. De vraag is of sprake is van een geurgevoelig object. Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen.
Hoofdstuk 4
36
Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf. Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een geschikte planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf. Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn. Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt. Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal uit de jurisprudentie moeten blijken. Gelet op de definitie wordt er van uitgegaan dat gebouwen, waarin zich gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven (in dit geval werken) aangemerkt worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012). De loods wordt met name gebruikt voor opslag.
Een opslagfunctie is niet geurgevoelig. Maar er kunnen ook reparatiewerkzaamheden plaatsvinden. Een werkplaats is (afhankelijk van het gebruik) wel geurgevoelig. De werkplaatsactiviteiten zijn bij onderhavige ontwikkeling zeer kleinschalig. Er worden dagelijks bussen geladen en gelost, daarnaast vindt er wekelijks werkvoorbereiding plaats, zoals voormontage, onderdelen vast schroeven, in elkaar klikken/zetten. Er vindt kleinschalige reparatie aan bijvoorbeeld ijsblokmachines en kleine koelkasten plaats: het vervangen van onderdelen, het los en vast schroeven, elektrisch aansluiten of de reiniging van apparaten. De tijd dat er in de werkplaats reparatiewerkzaamheden worden verricht is, de ene week 4 uur en de andere week 0 uur, dit is afhankelijk van het soort werk wat er wordt verricht. Gemiddeld wordt er 2 uur per week in de werkplaats gewerkt. De reparatiewerkzaamheden hebben in dit geval niet de orde en grootte van een werkplaats waardoor geen sprake is van permanent en daarmee vergelijkbare wijze van gebruik. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan wanneer er geen sprake is van een geurgevoelig object binnen de loods.
4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Hoofdstuk 4
37
Doorwerking plangebied Door De Roever Omgevingsadvies is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de te realiseren woning op het perceel van Schrijvershoef 11a te Schijndel. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen, in deze ruimtelijke onderbouwing volgen de belangrijkste conclusies. Uit het onderzoek volgt dat: de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden en er daarom geen hogere waarden nodig zijn; de vereiste karakteristieke geluidwering van gevels 16 dB is (en een gevel van normale bouwkundige opzet hier altijd aan zal voldoen); sprake is van een ‘goed’ of ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Het aspect akoestiek wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.10 Luchtkwaliteit In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 de Wm. Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie; voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie; voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 μg/m3 als jaargemiddelde concentratie. Besluit niet in betekenende mate bijdragen Op basis van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) kan worden beoordeeld of een project niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze projecten hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Projecten met een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde worden als NIBM beschouwd. Voor de stoffen NO2 en PM10 is dit het geval bij een toename van maximaal 1,2 μg/m 3.
Met berekeningen moet worden aangetoond dat deze maximale toename niet wordt bereikt. Daarnaast zijn in de Regeling NIBM projecten (met een maximale omvang) opgenomen die zonder meer als NIBM kunnen worden beschouwd. Projecten die de vastgestelde maximale omvang niet overschrijden dragen per definitie niet in betekenende mate bij. Dit hoeft niet te worden aangetoond met berekeningen en er hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Doorwerking plangebied De luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 4.5. Er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
38
Figuur 4.5: Luchtkwaliteit ter plaatse van plangebied
De invloed van het project op de luchtkwaliteit is berekend met de NIBM-tool, met als uitgangspunt het gebruik zoals beschreven in het ‘Stikstofdepositie onderzoek Schrijvershoef 11A Schijndel’3. Hierbij is (worst-case) uitgegaan van 6 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan 2 met zwaar verkeer, zie tabel 4.4.
Tabel 4.4 NIBM-tool
Het project is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
3
‘Stikstofdepositie onderzoek Schrijvershoef 11A Schijndel’ kenmerk 20200863.v01 d.d. 15 juli 2020
Hoofdstuk 4
39
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Doorwerking plangebied Op basis van gegevens van de Signaleringskaart EV zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen zijn weergegeven in figuur 4.6.
Hoofdstuk 4
40
Figuur 4.6: Uitsnede Signaleringskaart EV
Inrichtingen Op minstens 1,9 kilometer ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een bovengrondse propaantank. Vanwege de afstand tot het plangebied zal dit geen negatieve invloed hebben op de veiligheid ter plaatse van het plangebied. Buisleidingen Ten zuidoosten van het plangebied ligt op een afstand van circa 690 meter een gasleiding. Hiervoor gelden een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 50 en 100 meter. Het besluitgebied ligt binnen de 100%- en de 1%-letaliteitsgrenscontour. Er dient geen beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Transport van gevaarlijke stoffen Op ruim 5 kilometer ten westen van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd over de Rijksweg A2. Het grootste invloedsgebied van deze weg is 880 meter en het plangebied valt hier dus niet binnen. Er dient geen beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Conclusie Zoals figuur 4.6 weergeeft ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van risicobronnen in de omgeving. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.
Hoofdstuk 4
41
4.12 Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 3,5 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.13 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaande situatie juridisch planologisch vastgelegd er is dus feitelijk geen sprake van extra verkeergeneratie of extra parkeervraag. Onderhavig planvoornemen heeft geen negatieve invloed heeft op de verkeersgeneratie, parkeersituatie en verkeersveiligheid.
Het perceel is bovendien groot genoeg om voldoende parkeerplaatsen te voorzien. Dit aspect vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
42
5.
JURIDISCHE PLANOPZET De ontwikkeling wordt meegenomen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ van de gemeente Meierijstad. Het perceel blijft bestemd als ‘Wonen’ met de aanduiding bedrijf. In de bouwregels binnen de bestemming ‘Wonen’, en eventueel op de verbeelding, worden de maximale goot- en bouwhoogte van de woning en bijbehorende bouwwerken vastgelegd. De gronden die landschappelijk worden ingericht krijgen een bij dit gebruik passende bestemming. Middels een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat de landschappelijke inpassingsmaatregelen zoals beschreven in paragraaf 2.2 ook daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden. Daarnaast blijven de in paragraaf 1.3 genoemde dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 4’ en de gebiedsaanduidingen van toepassing.
Hoofdstuk 5
43
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de economische uitvoerbaarheid. De ontwikkelingskosten zullen geheel door initiatiefnemer worden gedragen. De kosten welke door de gemeente gemaakt worden voor het opnemen van deze ontwikkeling in de herziening van de bestemmingplannen voor de bebouwde kommen zullen worden verhaald bij de initiatiefnemer middels een anterieure overeenkomst. In deze anterieure overeenkomst wordt ook verzekerd dat eventuele uit te betalen tegemoetkomingen in planschade niet voor rekening van het gemeentebestuur komen.
Hoofdstuk 6
44
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. De ontwikkeling aan de Schrijvershoef 11/11A in Schijndel wordt opgenomen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’, de herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Meierijstad. Voor deze bestemmingsplanherziening is de procedure op basis van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. Het plan doorloopt op deze manier de formele juridische procedure. Omgevingsdialoog Met de ontwikkeling veranderd er weinig aan de feitelijke situatie, desalniettemin heeft er toch een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage. Er is gesproken met de bewoners van Schrijvershoef 8, 9, 10 en 13. Allen waren positief en hebben geen bezwaar tegen de verandering. Vooroverleg Er vindt vooroverleg plaats met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
De reacties die uit dit vooroverleg naar voren zijn gekomen, zijn verwerkt in de onderbouwing voor dit deelplan. Met name is het onderdeel ‘kwaliteitsverbetering landschap’ nader toegelicht en onderbouwd en zijn de planregels verduidelijkt met betrekking tot het toerekenen van m² bijgebouwen voor privédoeleinden versus nevenfuncties bij de woning. Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van de procedure heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad. Tijdens deze termijn is er een zienswijze ingediend door de Provincie Noord-Brabant. De zienswijze van de provincie had betrekking o.a. op de kwaliteitsverbetering, landschappelijke inpassing en het vestigen van een niet-agrarische functie in het Landelijk gebied, de opmerkingen zijn waar mogelijk verwerkt. De Nota beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan. Voor een overzicht van de zienswijzen, de reactie van de gemeente daarop en de wijzigingen die voortvloeiden uit de zienswijzen, wordt kortheidshalve verwezen naar deze bijlage.
Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 7
45
8.
CONCLUSIE Aan de voorwaarden, die zowel het rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid stelt, wordt met de ontwikkeling voldaan. Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door aanwezige omliggende functies en treedt andersom geen onevenredige overlast voor omliggende functies op. Met het initiatief zal geen schade wordt toegebracht aan omringende natuur- of landschapselementen en -structuren. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten of doordat hinder veroorzaakt wordt op de omgeving. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit ruimtelijk oogpunt niet bezwaarlijk is past in het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.
Hoofdstuk 8
46
BIJLAGEN
Hoofdstuk 8
47
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing
Hoofdstuk 8
48
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Dolmans landscaping group in opdracht van MILON bv 8 augustus 2022, Eindhoven
I N H O U D S O P G AV E
INHOUDSOPGAVE 1
Inleiding 7
2
Plangebied en omgeving 8 2.1 Ligging van het plangebied 9 2.2 Historische kaarten 10 2.3 Vigerend beleid 11
3
Gewenste ontwikkeling 13
4
Landschappelijk inpassingsplan 14
Bijlage tekening op schaal
LEESWIJZER Deze rapportage bestaat uit vier delen. Het eerste deel geeft een overzicht van de omgeving en de huidige situatie van het plangebied. In het tweede deel wordt de gewenste ontwikkeling/uitbreiding beschreven. Deel 3 vormt de tekening met een toelichting van het landschappelijk inpassingsplan en als laatste zal de financiële boring van de kwaliteitsverbetering inzichtelijk gemaakt worden.
De ruimtelijke kwaliteit van het landschap en met name het buitengebied is één van de provinciale belangen. De uitwerking hiervan heeft de provincie vastgelegd in artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onder kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verstaan dat ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied een bijdrage dienen te leveren aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Op basis van artikel 3.9 dient voor de ontwikkeling aan de Schrijvereshoef een bijdrage geleverd te worden aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. De beoordeling of aan de kwaliteitsverbetering wordt voldaan, wordt per individuele case bepaald. In onderhavige rapportage is een invulling gegeven aan de landschappelijke inpassing/ akwaliteitsverbetering en de landschapsinvesteringsregeling
DOEL De doelstelling van de kwaliteitsverbetering van het landschap is het verhogen van de natuur en de landschapswaarde en het vergroten van de cultuurbeleving. De investering die wordt gedaan dient in verhouding te staan met de omvang van de ontwikkeling. Deze rapportage geeft inzicht in de analyse van het landschap waarin de ontwikkeling geprojecteerd wordt. De landschappelijke inpassing van het complex wordt hier omschreven en er wordt aangegeven op welke wijze deze vormgegeven is.
7
Voor u ligt de landschappelijke inpassing van het landschap voor de gewenste ontwikkeling aan de Schrijvershoef 11-11a te Schijndel. Deze rapportage is opgesteld na de uitspraak voor principemedewerking van de gemeente Meierijstad en in samenwerking met MILON bv.
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
1 Inleiding
2 Plangebied en omgeving SCHIJNDEL
an
erg
t wa
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het plangebied in haar omgeving. Hierbij wordt aandacht besteedt aan de ontstaansgeschiedenis, het vigerend beleid en de huidige situatie van het plangebied.
t
g
Box
618
gN
we else
8
< BOXTEL
het plangebied en zijn omgeving (Dolmans L+P, google maps, augustus 2021).
schrijvershoef
SCHRIJVERSHOEF 11-11A
Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Schijndel in een open agrarisch gebied. In deze zone is sprake van een functiemenging van wonen en (agrarische) bedrijven. De Schrijvershoef is een oude plattelandsweg die aansluit op de Boxtelseweg / N618. De N681 vormt een verbindingsweg tussen Boxtel en Schijndel. Ten zuiden van het plangebied loopt een a-watergang van het waterschap.
2.1 Ligging van het plangebied Ten noorden van het plangebied aan de Schrijvershoef 13 bevindt zich een melkveebedrijf. In onderstaande figuur is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven.
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Het plangebied omvat een woonhuis met aangrenzende tuin, twee opstallen in het noordwesten, en een agrarisch perceel tegen de oost- en zuidelijke grens. De noordwesthoek van het plangebied wordt gebruikt als buitenopslag en wordt uit het zicht vanaf de weg onttrokken door opgaand groen. De zuidelijke erfgrens wordt gevormt door een a-watergang van het waterschap.
agrarisch grondgebruik
Sch
rijve rsho ef
melkveebedrijf schrijvershoef 13
perceel Schrijvershoef 11-11a ( circa 1,5 ha) inrit
9
watergang
overzichtstekening perceel Schrijvershoef 11-11a (Dolmans L+P, augustus 2021).
2.2 Historische kaarten
HEDEN
Met historische kaarten wordt de ontwikkeling van een gebied inzichtelijk. De invloed van de mens op het landschap is hier duidelijk zichtbaar. In onderstaande afbeeldingen wordt aandacht besteed aan het plangebied en zijn omgeving in de tijdsperiode van 1850 tot het heden. Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
1850
1900
1975
10
Het gebied kenmerkt zich door een aantal veehouderijen en agrarische gronden. Verder is er ruimte voor recreatieve doeleinden in het vrij open landschap. Ook liggen er een aantal boomkwekerijen in dit gebied.
In 1850 is een groot deel van de huidige wegenstructuur al aanwezig. Destijds waren dit landwegen met aangrenzende boerderijen. Het buitengebied kenmerkte zich door smalle, langgerekte kavels. Ter hoogte van de Schrijversweg 11 nu, was destijds ook een woning/ boederij aanwezig.
De Boxtelseweg wordt een steeds belangrijkere verbindingsweg. Verder is goed zichtbaar dat de kavels langzaam toenemen in oppervlakte. De zuidelijke perceelsgrens van de huidige kavel is reeds aanwezig in 1900.
De oppervlakte van de kavels neemt toe door de ruilverkaveling. Ook neemt het aantal bouwwerken toe. Verder is de watergang ten zuiden van het perceel goed waarneembaar door zijn blauwe kleur.
‘ VAN SMAL L E VERKAVEL INGSSTRO K E N NAAR BRED E RUILVERKAVEL ING ’
Historische kaarten 1850-heden (topotijdreis, januari 2021)
2.3 Vigerend beleid
plangebied
’O U D E Z AND O NT G INNING NABIJ E E N BE E KDAL- BR O E KO NT G INNING ’ kaart landschapstypen (bron: provincie noord-brabant)
Landschapstypen Op de kaart ‘landschapstypen’ van de provincie Noord-Brabant ligt het plangebied op een oude zandontginning en wordt deze omringd door een beekdal en broekontginning. De oude zandontginningen is het landschap van de kampontginningen. De kampen zijn de eerste bewoningsplekken op de hoger gelegen zandgronden naast de beken, waar ook nu nog de meeste bewoning plaatsvindt. De dorpen van de Kempen liggen in dit landschapstype. De kampen zijn kleinschalig, hebben een onregelmatige verkavelingsstructuur en een besloten karakter (coulissen). Karakteristiek zijn de bolle akkers met houthakbosjes en houtwallen met Eik en struikgewas. Uitbreiding van bebouwing bij de dorpen en ruilverkaveling in de landbouw hebben geleid tot het verlies aan kleinschaligheid in dit landschap.
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Landschapstypen Noord-Brabant
Landschappelijke en cultuurhistorische waarden: • Kleinschalig • Onregelmatige kavelstructuur • Gesloten landschap met coulissen • Akkercomplexen met ‘open’ bolle akkers
11
In dit hoofdstuk wordt het vigerend beleid uitgelicht. Hierbij wordt gekeken naar de vigerende beleidsplannen zoals de handrijking kwaliteitsverbetering ‘samen voor een vitaal buitengebied’ van de gemeente Meierijstad en de landschappelijke basis landschapstypen.
Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ het vigerende beleidskader. In dit plan heeft het plangebied gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’. Daarnaast geldt gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 4’. De volgende gebiedsaanduidingen liggen op het perceel: ‘gebiedsaanduiding – reconstructiezone verwevingsgebied’; ‘gebiedsaanduiding – wrozone omgevingsvergunning historische verkavelingsstructuren’; gebiedsaanduiding – wro-zone wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie; ‘gebiedsaanduiding – wro-zone esdek.
‘AG R AR IS C H E M E T WAAR D E N E N WO O NBE ST E M M ING ’
12
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Vigerend bestemmingsplan
vigerend bestemmingsplan (ruimtelijke plannen)
plangebied
Initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsactiviteiten op het perceel te legaliseren, een gedeelte van de bestaande loodsen te slopen om de huidige woning te slopen en een nieuwe woning te realiseren. De bedrijfsloods (groene loods) gelegen achter de woning zal worden gesloopt en hiervoor wordt een nieuwe loods van circa 200 m2 teruggebouwd. Deze loods zal in de nieuwe situatie worden gebruikt voor privé gebruik en opslag ten behoeve van de woning en incidenteel als opslag voor het bedrijf. De bedrijfsloods ten noorden van het perceel dient vanwege bedrijfseconomische redenen behouden te blijven. De huidige bedrijfsloods heeft op dit moment een omvang van circa 480 m2. Binnen een bebouwingsconcentratie (waar het perceel in is gelegen) is beleidsmatig maximaal 400 m2 aan bedrijfsbebouwing voor koelingsinstallatiebedrijven afweegbaar en toegestaan. Gelet op de huidige omvang van deze loods wordt hieraan niet voldaan. Om de huidige bedrijfsvoering voort te kunnen zetten, dient echter de loods behouden te blijven. Merendeel van de loods zal in de nieuwe situatie worden gebruikt voor statische opslag. Voor niet agrarische bedrijvigheid in de vorm van statische opslag, gelden ruimere maatvoeringen (1.000 m2). In de nieuwe situatie zal een groot deel van de loods worden benut om apparaten en onderdelen te stallen. Dit is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. 11.300 m2 3.848 m2
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
gewenste situatie bestemmingsplan (gemeente Meierijstad)
13
3 Gewenste ontwikkeling
4 Landschappelijk inpassingsplan
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Onder landschappelijke inpassing verstaan wij het “inkleden” dan wel aankleden of omzomen van de locatie met groen, opdat ondanks de voorgenomen ruimtelijke ingreep en of activiteit, het gehele erf als harmonieuze ruimtelijke eenheid herkenbaar blijft en op een logische en passende wijze opgaat in haar omgeving. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. In algemene zin is voor een ontwikkeling van grotere omvang ook een grotere ofwel robuustere landschappelijke inpassing vereist. Dat kan tot uitdrukking komen in de landschapselementen, maar bijvoorbeeld ook in een aanpassing van de ontsluiting en/of in nadere eisen voor vorm, omvang en situering van gebouwen. Ook compensatieverplichtingen die volgen uit specifieke wetgeving (bijvoorbeeld van effecten op de waterhuishouding of het milieu), behoren tot de basisinspanning. Aan de basisinspanning worden de volgende kwalitatieve eisen gesteld: • •
• 1. 2. 3. 4.
14
5.
De landschappelijke inpassing moet op en/of aansluitend aan het bouwvlak ofbestemmingsvlak worden gerealiseerd en moet positief bijdragen aan en passen binnen het landschapstype zoals aangegeven in de landschapstypenkaart. Het gehele erf, waarop het initiatief plaatsvindt, moet voor minimaal 10% van de omvang van het bestemmingsvlak wonen/bedrijvigheid, ingericht zijn met passende landschappelijke elementen (solitaire bomen) en /of structuren (haag). Daarnaast moet het geheel voldoen aan het vigerende beeldkwaliteitsplan. De landschappelijke inpassing van het bestemmings- c.q. bouwvlak wordt gerealiseerd op basis van een erfinrichtingsplan. Dit plan bestaat uit een inrichtingstekening met daarop, naast de landschappelijke inpassing, aangegeven: De situering van gebouwen Voorzieningen Verhardingen (waaronder de wijze van ontsluiten); Een specificatie van de aan te planten groenstructuren en overige landschappelijke inpassingsmaatregelen en/of een lijst met beplanting. Daardoor is het duidelijk op welke wijze aan de landschappelijke inpassing invulling wordt gegeven; In het erfinrichtingsplan moet eveneens het onderhoud en beheer zijn opgenomen van de landschappelijke inpassing, met gebruik making van de in de Stila aangegeven landschapselementen, inclusief aanplantafstanden, plantgaten en wijzen van beheer.
LANDSCHAPPELIJKE INPASSINGSPLAN EN KWALITEITSPRESTATIE Schrijvershoef 11, Schijndel
4.1 Toelichting landschappelijk inpassingsplan
Referentie aaeeldingen
5
bestaande loods
1. 2. 3.
SCH RIJV E
RSH O
EF
nieuwe schuur
4. 5. 6. 7. 8. 9.
Aanplant van Wilgen (5 m afstand van watergang i.v.m. obstakelvrije zone). 2 Bloemrijk grasland aanleggen voor een natuurlijke overgang naar de tuin. Aanleg van een wadi (minimale bergingscapaciteit 10 m³) voor infiltratie van hemelwater (eis vanuit de watertoets) Aanplanten van hoogstamboomgaard en dierenweide. Aanleggen van natuurlijke flauwe oever (talud 1/5) Aanplanten van lage landschappelijke beukenhaag. Aanplanten van inheems struweel met soorten als Hazelaar, Meidoorn, Gelderse 3 roos, Sleedoorn, Lijsterbes en Veldesdoorn. Aanplanten van Populierenlaan (plantafstand circa 8 meter). Handhaven/creëren van zichtlijn naar achterliggend agrarisch gebied.
6
7
8 4 1 2 3 4 5
Aanplant van Wilgen (5 m afstand van watergang i.v.m. obstakelvrije zone) Bloemrijk grasland aanleggen voor een natuurlijke overgang naar de tuin Aanleg van een wadi (minimale bergingscapaciteit 10 m³) voor infiltratie van hemelwater (eis vanuit de watertoets) Aanplanten van hoogstamboomgaard en dierenweide Aanleggen van natuurlijke flauwe oever (talud 1/5)
15
1
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Op naastgelegen afbeelding is het landschappelijke inpassingsplan weergegeven. In bijlage 1 in het inpassingsplan op schaal toegevoegd.
1. Aanplant van wilgen nabij watergang
Landschappelijk inpassingplan Schrijvershoef 11-11a, Schijndel
Wilgen werden van oudsher nabij watergangen aangeplant en werden gebruikt voor productiehout. Het aanplanten van de Wilgen vormt een knipoog naar het vroegere gebruik van deze boom. Daarnaast zijn ze ook ecologisch waardevol en bieden ze vaak een nestplaats aan holenbroeders, zoals steenuil en gekraagde roodstaart. De wilgen worden nabij de perceelgrens/watergang aangeplant en vormt een ‘knipoog’ naar de oospronkelijke kavelgrens welke voor 1900 al aanwezig was.
2. Kruidenlijke rand Bloemrijk grasland biedt nestgelegenheid en voldoende voedselaanbod aan de honingbij en aan wilde bijen. De rand draagt bij aan de doelstellingen van de Nationale Bijenstrategie. Door een rand in te zaaien met een speciaal voor bijen geselecteerd zaadmengsel vinden de bijen voedsel. Om ervoor te zorgen dat er altijd voedsel is voor de bijen wordt er gefaseerd gemaaid. Er is dus altijd een deel dat niet gemaaid wordt. Onder de wilgen en onder de boomgaard is volop ruimte voor het inzaaien van een kruidenrijk bloemenmengsel. Deze zone vormt bij uitstek een geschikt habitat voor diverse flora en fauna. Daarnaast zorgt het voor een geleidelijke overgang naar het ‘tuin’ gedeelte.
16
Beheer • Gedurende de contractperiode worden de bomen minimaal éénmaal gesnoeid. Na het snoeien beslaat de kroon minimaal 50% van de lengte van de boom. • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element. • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid. • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden. • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.
Beheer • Het gewas wordt jaarlijks 1 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd. • De eerste maaibeurt is tussen 1 juli en 1 augustus en bij deze maaibeurt wordt 50% van de beheereenheid niet gemaaid en blijft overstaan. • De tweede maaibeurt is tussen 15 september en 15 november en dan wordt het deel dat nog niet gemaaid is gemaaid. Het overige deel blijft staan. • De rand wordt niet bemest. • De rand wordt niet beweid. • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot. • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht. • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.
3. Aanleg van wadi voor infiltratie van hemelwater
Een wadi is een bufferings- en infiltratievoorziening die tijdelijk gevuld kan zijn met hemelwater. De hoogste grondwaterstand in het plangebied bevindt zicht tussen de 0.60-1.20 meter beneden maaiveld (bron: bodematlas provincie Noord-Brabant). Om de werking van de wadi optimaal te benutten kan er een overstort worden voorzien naar naastgelegen sloot. Daarnaast kan de wadi ook nog een ecologische functies krijgen door de aanplant van water minnende vegetatie.
4. Boomgaard Aan de voorzijde van de woning en aan de noordzijde van de bestaande loods worden een tweetal fruitboomgaarden aangeplant. Hoogstamboomgaarden staan vaak op en nabij erven, bij landgoederen en op buitenplaatsen. Ze hebben een belangrijke ecologische en landschappelijke betekenis. Daarom worden boomgaarden weer aangeplant, vaak met oude fruitrassen. De bomen vormen een kenmerkend landschapselement voor de zandgronden. Aan de noordzijde van de loods zal de boomgaard onderdeel zijn van de dierenweide
Beheer • Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste eenmaal in de contractperiode gesnoeid in de periode 1 juli tot 15 maart. Voor andere soorten is enkel vorm- of onderhoudsnoei nodig. • De stam van de hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Het raster mag niet aan de boom bevestigd worden. Jonge bomen in een weiland met vee zijn voorzien van een boomkorf. • De onderbegroeiing wordt jaarlijks beweid, of de boomgaard wordt jaarlijks gemaaid waarbij het maaisel wordt afgevoerd. • Bemesting met ruige mest van rundvee en bekalking is toegestaan. • Bij bemesten van de boomgaard, grondbewerking en maaiwerkzaamheden worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.