Schrijvershoef 11-11a - Ruimtelijke onderbouwing + Bijlagen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Schrijvershoef 11 / 11A Schijndel Gemeente Meierijstad Definitief
Ruimtelijke onderbouwing Schrijvershoef 11 / 11A Schijndel Gemeente Meierijstad Definitief
Rapportnummer:
P03283
Datum:
8 augustus 2022
Opdrachtgever:
particulier
Projectteam BRO:
JR, MvDn
Concept:
juli 2020, oktober 2020, september 2021
Definitief:
8 augustus 2022
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan
3 3 3 5
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling
7 7 8
3. BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
11 11 13 18
4. MILIEUHYGIENSCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en Fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Hoogspanningslijnen 4.13 Verkeer en parkeren
21 21 21 23 27 31 32 32 34 37 38 40 42 42
5. JURIDISCHE PLANOPZET
43
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
44
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
45
Inhoudsopgave
1
8. CONCLUSIE
46
BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Archeologisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 5: Watertoets Bijlage 6: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 7: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 8: Quickscan Milieuaspecten Bijlage 9: Verslag Omgevingsdialoog
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Schrijvershoef 11 / 11 A in Schijndel, gemeente Meierijstad. Op deze locatie is een bedrijf gevestigd en initiatiefnemers willen dit graag op duurzame wijze doorzetten en ook de mogelijkheid behouden om bij het bedrijf te kunnen wonen. Op basis van het huidige bestemmingsplan zijn er geen mogelijkheden voor bedrijfsvoering opgenomen, om de bedrijfsvoering met het gewenste en noodzakelijke aantal vierkante meters bebouwing planologisch vast te leggen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Initiatiefnemer heeft de gemeente Meierijstad om principemedewerking gevraagd. Hierop heeft het college van burgemeester en wethouders besloten onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het verzoek. De gemeente Meierijstad, heeft besloten om voor initiatieven in het buitengebied te werken met een zogenaamd ‘veegplan’. In een ‘veegplan’ worden diverse ontwikkelingen samengenomen in een gezamenlijk bestemmingsplan. Initiatiefnemer is aangeboden ‘mee te liften met het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’. Het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ is een bestemmingsplan waarin meerdere initiatieven in één plan worden gebundeld. De gemeente stelt het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ zelf op. Er zal een strakke planning worden gehanteerd en de gemeente Meierijstad draagt zelf zorg voor de regels en de verbeelding van het plan.
Initiatiefnemer hoeft dan geen wijzigingsplan met regels en verbeelding op te stellen, maar dient een complete ruimtelijke onderbouwing met relevante onderzoeken aan te leveren. Om onderhavige ontwikkeling mee te laten lopen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ en juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hiermee wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden.
1.2 Plangebied Het plangebied betreft de locatie Schrijvershoef 11 / 11A en bestaat uit de percelen SDL00 - L - 362, SDL00 - L - 363 en SDL00 - L – 364. De totale oppervlakte van het plangebied is 15.170 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven in de figuur 1.1.
Hoofdstuk 1
3
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Maps)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Schijndel op 27 juni 2013. In dit plan heeft het plangebied gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’. Daarnaast geldt gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 4’. De volgende gebiedsaanduidingen liggen op het perceel: ‘gebiedsaanduiding – reconstructiezone verwevingsgebied’; ‘gebiedsaanduiding – wro-zone omgevingsvergunning historische verkavelingsstructuren’; gebiedsaanduiding – wro-zone wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie; ‘gebiedsaanduiding – wro-zone esdek.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Naast bovengenoemd zijn ook de bestemmingsplannen ‘Landelijk gebied, Herijking’, vastgesteld op 24 september 2015 door de voormalige gemeente Schijndel en ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ geeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorische waardevolle elementen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad. Op 27 januari 2021 is tevens het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ vastgesteld door de gemeente Meierijstad. Dit bestemmingsplan is ook vigerend voor onderhavig plangebied.
Hoofdstuk 1
5
Het bedrijf is op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ niet mogelijk. Om de bedrijfsactiviteiten te legaliseren en de woningbouw mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente Meierijstad wil in beginsel medewerking verlenen aan het initiatief en neemt het initiatief mee in een zogenaamd ‘Ontwikkelplan/Veegplan’, waarin diverse ontwikkelingen worden samengenomen in één gezamenlijk bestemmingsplan. Om dit initiatief mee te laten lopen met het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuidwesten van de kern Schijndel in een open agrarisch gebied. In deze zone is sprake van een functiemenging van wonen en (agrarische) bedrijven. De Schrijvershoef is een oude plattelandsweg die aansluit op de Boxtelseweg / N618. Ten zuiden van het plangebied loopt een waterloop. Het plangebied omvat een woonhuis met aangrenzende tuin, twee opstallen in het noordwesten, en een agrarisch perceel tegen de oost- en zuidelijke grens. De noordwesthoek van het plangebied wordt gebruikt als buitenopslag en wordt uit het zicht vanaf de weg onttrokken door opgaand groen. De zuidelijke erfgrens wordt gevormd door een a-watergang van het waterschap.
Figuur 2.1 Het plangebied in de huidige situatie (Google Streetview)
Figuur 2.2 Het plangebied in de huidige situatie
Hoofdstuk 2
7
De gronden worden momenteel in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. Op het perceel is koelinstallatiebedrijf gevestigd, wat in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Om deze strijdigheid op te heffen is een herziening van bestemmingsplan noodzakelijk. De huidige bedrijfsloods ten noorden van het perceel heeft een oppervlakte van circa 480 m 2. Daarnaast staat er achter de woning nog een bedrijfsloods (groene loods) van circa 450 m2. De gronden worden momenteel in strijd met het bestemmingsplan gebruikt.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsactiviteiten op het perceel te legaliseren, een gedeelte van de bestaande loodsen te slopen om de huidige woning te slopen en een nieuwe woning (maximaal 900 m³) te realiseren. De bedrijfsloods (groene loods) gelegen achter de woning zal worden gesloopt en hiervoor wordt een nieuwe loods van circa 200 m2 teruggebouwd. Deze loods zal in de nieuwe situatie worden gebruikt voor privé gebruik en opslag ten behoeve van de woning en incidenteel als opslag voor het bedrijf. De bedrijfsloods ten noorden van het perceel dient vanwege bedrijfseconomische redenen behouden te blijven. De huidige bedrijfsloods heeft op dit moment een omvang van circa 480 m 2. Binnen een bebouwingsconcentratie (waar het perceel in is gelegen) is beleidsmatig maximaal 400 m 2 aan bedrijfsbebouwing voor koelingsinstallatiebedrijven afweegbaar en toegestaan. Gelet op de huidige omvang van deze loods wordt hieraan niet voldaan. Om de huidige bedrijfsvoering voort te kunnen zetten, dient echter de loods behouden te blijven. Merendeel van de loods zal in de nieuwe situatie worden gebruikt voor statische opslag. Voor niet agrarische bedrijvigheid in de vorm van statische opslag, gelden ruimere maatvoeringen (1.000 m 2). In de nieuwe situatie zal een groot deel van de loods worden benut om apparaten en onderdelen te stallen.
Dit is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. In de loods zal opslag plaatsvinden van de nog te installeren: Airco’s installaties; Koelcellen; Vriescellen. Het opslaan van dergelijke apparaten is noodzakelijk ten behoeve van een goede en efficiënte bedrijfsvoering. De verschillende onderdelen van deze installaties dienen op voorraad te blijven vanuit financieel-economische afwegingen. Klanten verwachten dat op korte termijn hulp kan worden geboden, met name voor koelcellen waar kostbare spullen gekoeld moeten blijven. In het weekend zijn veel leveranciers gesloten waardoor het ontbreken van onderdelen een te groot risico kan opleveren. Om die reden dienen verschillende onderdelen en installaties op voorraad te worden gehouden om daarmee de bedrijfsvoering voort te kunnen zetten. Naast de installaties en reparaties op locatie worden er ook reparaties verricht in de loods. Dit in verband met de technische complexiteit van de te verrichte werkzaamheden en de tijdspanne van deze werkzaamheden. Veelal dient na de reparatie nog minimaal 24 uur te worden getest en daar is op locatie geen ruimte en tijd voor. Het tijdelijk stallen van deze apparaten is dan ook noodzakelijk. Verder zal in de loods een aantal aanhangers worden gestald en twee busjes waarmee klanten kunnen worden bezocht en goederen worden vervoerd.
Daarnaast worden ook apparatuur ten behoeve van het graven van leidingen gestald. Al deze goederen en apparaten vormen een essentieel onderdeel van het bedrijf. Deze spullen dienen binnen de loods te worden gestald. Het afbreken van de bedrijfsloods zal ertoe leiden dat de normale bedrijfsvoering niet meer kan worden voortgezet.
Hoofdstuk 2
8
Naast het behouden van de bedrijfsbebouwing wordt er een forse investering gedaan in het landschap en de natuur. Ten zuiden van de woning en (groene) schuur is er de mogelijkheid om het gebied landschappelijk in te passen. Met de planontwikkeling wordt de bestaande kwaliteit van het gebied benut en verder versterkt. De kwaliteitsverbetering is middels een landschappelijk inpassingsplan gevisualiseerd. Het doel van de landschappelijke inpassing is om de woning en bedrijfsgebouwen op een logische wijze deel te laten uitmaken van het omliggend agrarisch cultuurlandschap. Figuur 2.3 toont het landschappelijk inpassingsplan en deze is tevens toegevoegd als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing.
Figuur 2.3 Landschappelijk inpassingsplan (bron: Dolmans landscaping group)
Hoofdstuk 2
9
In het landschappelijk inpassingsplan zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Aanplant van Wilgen (5 m afstand van watergang i.v.m. obstakelvrije zone) 2. Bloemrijk grasland aanleggen voor een natuurlijke overgang naar de tuin 3. Aanleg van een wadi (minimale bergingscapaciteit 10 m³) voor infiltratie van hemelwater (eis vanuit de watertoets) 4. Aanplanten van hoogstamboomgaard en dierenweide 5. Aanleggen van natuurlijke flauwe oever (talud 1/5) 6. Aanplanten van lage landschappelijke beukenhaag aan de straatzijde 7. Aanplanten van inheems struweel met soorten als Hazelaar, Meidoorn, Gelderse roos, Sleedoorn, Lijsterbes en Veldesdoorn 8. Aanplanten van Populierenlaan (plantafstand circa 8 meter). 9. Handhaven/creëren van zichtlijn naar achterliggend agrarisch gebied Daarnaast worden een aantal bestaande bomen gehandhaafd. In bijlage 1 is tevens een cijfermatige verantwoording van de landschappelijke inpassing aan Schrijvershoef opgenomen. De gewenste ontwikkeling behoort tot categorie 3 binnen de kwaliteitsverbetering van het landschap (gebaseerd op het gemeentelijke beleid: ruimtelijk kwaliteitskader). Dit betekent dat naast een landschappelijke basisinpassing ook een aanvullende kwaliteitsprestatie aan het landschap geleverd dient te worden. Naast de basisinspanning gelden er voor de categorie 3 initiatieven ook aanvullende kwaliteitsprestaties.
De hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestatie is bepaald en komt neer op een bedrag van € 40.800,- vanwege de vergroting van de bedrijfswoning groter dan 750 m³ (namelijk tot 900 m³) en de vergroting van de bijgebouwen bij de woning groter dan 150 m2. Met een berekening is financieel aangetoond dat middels de aanleg van het landschappelijk inpassingsplan en de kwaliteitsverbetering van de Schrijvershoef 11-11a er € 36.894,- wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsprestatie. Om tot de verplichte investering van € 40.800,- te komen blijft er nog een bedrag van € 3.906,- over wat in het gemeentelijke groenfonds wordt gestort.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSTOETS In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Van 20 augustus 2019 tot en met 30 september 2019 heeft de ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ter inzage gelegen. De ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 in werking treedt. Belangrijk uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zodat er in gebieden betere en meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
Hoofdstuk 3
11
een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren gelegen. Doorwerking plangebied De SVIR heeft, gezien de aard en de beperkte omvang van het project, geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Het project speelt zich af op lokaal niveau en er zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.
Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
Hoofdstuk 3
12
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met deze ontwikkeling is sprake van het legaliseren van bestaande bedrijfsactiviteiten bij een bestaande woning. Er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De ontwikkeling heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant.
De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevings-
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
13
verordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim Omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘Landelijk gebied’, ‘Gemengd Landelijk gebied’, ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ en ‘Stalderingsgebied’. De regels met betrekking tot het ‘Stalderingsgebied’ hebben geen invloed op onderhavige ontwikkeling omdat er geen sprake is van (de ontwikkeling van) een veehouderij. De voorgestane ontwikkeling ziet op de herbouw van een bestaande woning en het toevoegen van bedrijfsactiviteiten bij een woning. Een deel van de ontwikkeling ziet op het legaliseren van de bestaande situatie, maar daarnaast wordt er ook bedrijfsbebouwing toegevoegd.
Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied geeft aan dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaande woning gehandhaafd. Volgens Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel. De regeling maakt een gedifferentieerd beleid met maatwerk mogelijk waarbij afhankelijk van de functie, het gebied, ligging ten opzichte van het stedelijk gebied of juist natuurgebied een invulling wordt gegeven. Twee basisprincipes staan centraal: 1. De ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied; 2. De ontwikkeling heeft een bij de omgeving passende omvang. Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Dat voorkomt gelegenheidsplanologie en biedt duidelijkheid naar zowel initiatiefnemers als omwonenden.
De gemeente Meierijstad heeft de ontwikkelrichtingen voor gebieden nog niet specifiek uitgeschreven maar wel een kaart met gebiedstypologieën in het buitengebied van de gemeente opgesteld. Het plangebied is gelegen binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, verwerving van functies en nog eens specifiek binnen een bebouwingsconcentratie, zie figuur 3.1. Het gebied binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, verweving van functies betreft een gebied waarbinnen bedrijfsfuncties, agrarische functies en wonen zich afwisselen. Een kleinschalig koeltechnisch installatiebedrijf is een passende ontwikkeling binnen de beleidsnotitie Kansen voor Kwaliteit en de gebiedstypologie Landelijk gebied, verweving van functies.
Hoofdstuk 3
14
Figuur 3.1 Kaart bebouwingsconcentraties en gebiedstypologieën (bron: gemeente Meierijstad)
Het buitengebied in gemeente Meierijstad en de provincie Noord-Brabant heeft door de beëindiging van veehouderijen, de komende jaren te maken met toenemende leegstand, verrommeling, botsende belangen en oprukkende verstedelijking. De gemeente Meierijstad heeft het rapport ‘Kansen voor Kwaliteit’ opgesteld, wat dient als afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Het doel van deze rapportage is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende(agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. In de notitie wordt onderscheid gemaakt in 3 verschillende functies, namelijk gebiedsgebonden, gebiedspassende en gebiedsstrijdige functies. Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een gebiedspassende functie. Gebiedspassende functies zijn namelijk functies die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in (delen van) het buitengebied. Het buitengebied is niet bedoeld voor bedrijven die vanwege hun uitstraling en milieuhinder op een bedrijventerrein horen.
Niet-agrarische bedrijven die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken (geen bedrijven met een baliefunctie, geen bedrijven met grote of verlichte buitenreclame) kunnen wel eventueel in het buitengebied gevestigd worden. Vestiging op een voormalige agrarische locatie is toelaatbaar voor zover de aard en schaal van die bedrijven niet voorschrijven dat deze op een bedrijventerrein of in het centrum thuishoren. Als bedrijvigheid die de gemeente passend acht in het buitengebied wordt o.a. genoemd: statische opslag, dienstverlening en ambachtelijke werkplaatsen (bewerking en vervaardiging van producten en materialen), mits niet te grootschalig en passend in de omgeving. Op het moment dat bedrijven niet meer in het buitengebied passen als gevolg van aard en omvang en/of milieueisen, moeten ze alsnog verhuizen naar een bedrijventerrein. Als gebiedsstrijdige functies zijn
Hoofdstuk 3
15
niet toegestaan, hieronder wordt verstaan o.a. detailhandel, showrooms, kantoren met baliefunctie, bedrijven met een industriële uitstraling c.q. bedrijven die qua aard en omvang thuishoren op een bedrijventerrein; bedrijven die veel verkeer genereren, Op zichzelf staande mestbewerking en/of –verwerking en structurele buitenopslag en grootschalige (licht) reclame. Daarmee is er een afbakening opgenomen in de notitie, van niet-agrarische bedrijvigheid, die de gemeente niet gewenst acht in het buitengebied. Binnen het gebiedstype ‘verweving van functies’ speelt de landbouw een belangrijke rol. Maar in deze gebieden zijn de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers. Door de tijd hebben agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In het gebied ‘verweving van functies’ zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. Er wordt geen beperking opgelegd in maatvoering, milieucategorie en ligging binnen een bebouwingsconcentratie. De impact op de (directe) omgeving is bepalend. De aanvaardbaarheid van een initiatief is dus afhankelijk van de impact van de nieuwe activiteit.
Voor het bepalen van deze impact wordt gekeken naar de effecten van de beoogde activiteit op de ondergrond (bodem, grondwater en archeologische waarden), de netwerken (alle vormen van zichtbare en onzichtbare infrastructuur) en de occupatie (ruimtelijke patronen ten gevolge van menselijk gebruik). Voor de beoordeling van de effecten is het van belang om in ieder geval te weten: a. Wat is de omvang van de beoogde functie; b. Wat is de aard van de beoogde functie; c. Wat is de aard van de (directe) omgeving; d. Wat is de uitstraling van de beoogde functie Met onderhavige ontwikkeling worden de bedrijfsactiviteiten op het perceel gelegaliseerd. Een bestaande bedrijfsloods wordt gesloopt en hiervoor wordt en nieuwe loods van circa 200 m 2 teruggebouwd. Deze loods zal in de nieuwe situatie worden gebruikt voor privégebruik en opslag ten behoeve van de woning en incidenteel als opslag voor het bedrijf. De bedrijfsloods ten noorden van het perceel dient vanwege bedrijfseconomische redenen behouden te blijven. De huidige bedrijfsloods heeft op dit moment een omvang van circa 480 m 2. Het bedrijf voorziet in het opslaan van (nog te installeren) airco’s installaties; koelcellen en vriescellen. Het overdekt opslaan van dergelijke apparaten is noodzakelijk ten behoeve van een goede en efficiente bedrijfsvoering.
De verschillende onderdelen van deze installaties dienen op voorraad te blijven vanuit financieel-economische afwegingen (zie ook paragraaf 2.2). Naast de installaties worden er ook reparaties verricht in de loods, dit in verband met de technische complexiteit van de te verrichte werkzaamheden. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats in bedrijfsbebouwing. Het bedrijf van initiatiefnemer is kleinschalig van aard en omvang, zo is er structureel slechts 1 werknemer op kantoor aanwezig, bestaan de bedrijfsactiviteiten voornamelijk uit administratieve, opslag- en kleinere reparatie activiteiten, komen de overige werknemers vooral op het terrein om de bedrijfsbussen (3 stuks) te laden en om testen en reparaties uit te voeren. Er is geen behoefte aan verdere groei dan is aangevraagd. Het bedrijf is ontstaan vanuit een bedrijf aan huis en initiatiefnemers wil deze laagdrempelige uitstraling en het daarbij passende ‘huiskamergevoel’ ook handhaven naar de toekomst toe. Dat is onderdeel van de bedrijfsstrategie en is de grote kracht van het bedrijf. Er is een directe toezichtsbehoefte met name vanwege het on-demand moeten testen van aangeleverde producten. Deze leveringen vinden dagrond plaats, daardoor is het efficiënter om dicht bij het bedrijf te wonen om snel te kunnen handelen. Gronden op bedrijventerreinen in Meierijstad zijn zeer schaars, met name bedoeld voor bedrijven
Hoofdstuk 3
16
in de hogere milieucategorieën en in behoorlijk mindere mate voor kleinschalige bedrijven met het accent op opslag. Daarbij wegen de kosten van verplaatsing niet op tegen het kunnen benutten en verbeteren van bestaand vastgoed. De vestiging op een bedrijventerrein is, gezien de gegeven situatie waarbij ruimte in bestaande bedrijfsloodsen benut wordt, de toekomstige bedrijfsvoering en -filosofie niet ziet op substantiële groei, de bedrijfsvoering die vraagt om directe nabijheid en toezicht alsmede het beperkt beschikbare aanbod op bedrijventerreinen in de omgeving, minder opportuun. In de omgeving van het plangebied is sprake van enige bedrijvigheid, maar niet dusdanig dat kan worden gesproken van een gemengd gebied. In paragraaf 4.7 is aangetoond dat de ontwikkeling van het koeltechnisch installatiebedrijf geen belemmeringen veroorzaakt voor omliggende milieugevoelige functies. Woningen in de omgeving liggen buiten de richtafstanden van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar van het koeltechnisch installatiebedrijf. Hierbij is er van uitgegaan van de richtafstand rondom het gehele plangebied. In de praktijk is niet het gehele plangebied aan het koeltechnisch installatiebedrijf toe te schrijven, maar alleen de loods, het buitenterrein en de inrit. De aspecten geur, stof, geluid en gevaar vormen geen belemmering voor de realisatie van het koeltechnisch installatiebedrijf.
Er wordt tevens een forse investering gedaan in het landschap en de natuur. Naast een landschappelijke basisinpassing wordt aanvullend ook een kwaliteitsprestatie aan het landschap gedaan. Ten zuiden van de woning en (groene) schuur is er de mogelijkheid om het gebied landschappelijk in te passen. Met de planontwikkeling wordt de bestaande kwaliteit van het gebied benut en verder versterkt. De kwaliteitsverbetering is middels een landschappelijk inpassingsplan gevisualiseerd (zie figuur 2.3). Het doel van de landschappelijke inpassing is om de woning en bedrijfsgebouwen op een logische wijze deel te laten uitmaken van het omliggend agrarisch cultuurlandschap. Waarmee de fysieke uitstraling naar de omgeving beperkt blijft. De beoogde woonfunctie in combinatie met een kleinschalig koeltechnisch installatiebedrijf is passend gelet op de omgeving, waarbij tevens een bijdrage wordt geleverd om verdere leegstand binnen het landelijk gebied te voorkomen. Hierbij wordt overtollige bebouwing gesloopt en tevens wordt er geen vestiging mogelijk gemaakt voor kantoren, lawaaisport en/of mestbewerking. De opslag zal enkel binnen de bedrijfsgebouwen plaatsvinden. Daarbij is het voor een dergelijk kleinschalig koeltechnisch installatiebedrijf het niet rendabel om zich te vestigen op een bedrijventerrein.
Kwaliteitsverbetering Voor elke ontwikkeling geldt deze gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Ongeacht de ontwikkeling, dient in ieder geval zorgvuldig ruimtegebruik als uitgangspunt te worden gehanteerd én het bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering verplicht dat een ruimtelijke ontwikkeling in het Landelijk Gebied gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. In dit artikel is opgenomen dat de verbetering van landschappelijke kwaliteit de volgende aspecten kan omvatten: De op grond van de verordening verplichte landschappelijke inpassing (basisinspanning); Het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; Het herstel of behoud van cultuurhistorische waardevolle bebouwing of terreinen; Het wegnemen van verharding;
Hoofdstuk 3
17
Het slopen van bebouwing; De realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; Het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
De mate van kwaliteitsverbetering is afhankelijk van het ruimtelijke effect van de ontwikkeling op de omgeving. Hiertoe worden dezelfde drie categorieën gehanteerd die de regio Noordoost Brabants in het afsprakenkader hanteert: Bij geen effect op het landschap wordt er van u niets extra’s verwacht: Categorie 1 Bij een beperkt effect, dan wordt er van u een basisinspanning, door middel van een erfinrichtingsplan verwacht: Categorie 2 Bij een groot effect, dan worden er van u naast een basisinspanning, ook aanvullende kwaliteitsprestaties verwacht: Categorie 3 Het plan valt in categorie 3. Derhalve is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij naast de basisinspanning van een landschappelijke inpassing ook een aanvullende kwaliteitsprestatie is voorgesteld ter verbetering van de landschappelijke kwaliteit (zie figuur 2.3). Met de ontwikkeling en de landschappelijke inpassing vindt een landschappelijke kwaliteitsimpuls plaats waarbij de bestaande waardevolle landschappelijke kwaliteiten en structuren zoveel mogelijk behouden blijven, zie paragraaf 2.2. De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud en versterking van de omgevingskwaliteit en bebouwingsconcentratie.
Tot slot is de voorgenomen ontwikkeling gelegen binnen cultuurhistorisch waardevol gebied (artikel 3.29 IOV). Derhalve is onderzocht of de landschappelijke inpassing een versterking van de erfgoedwaarden in het gebied kan betekenen, deze zijn verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan, zie hiervoor paragraaf 2.2, figuur 2.3 en het landschappelijk inpassingsplan in de bijlage 1. Zou wordt de kenmerken bomenstructuur in het gebied versterkt door het aanbrengen van Populieren en Knotwilgen langs de waterloop.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Ruimte Schijndel De voormalige gemeente Schijndel (nu onderdeel van de gemeente Meierijstad) heeft in 2012 haar ruimtelijke beleid opgesteld in de structuurvisie ‘Ruimte Schijndel’ (vastgesteld op 31-05-2012). Met deze visie wordt sturing gegeven aan het natuurlijke groeiproces en de inrichting van de fysieke omgeving. Hierbij wordt gefocust op verschillende ambities, te weten een evenwichtige (volks)huisvestiging, een stabiele en sterke sociaaleconomische positie, behoud van cultuurhistorie, een gezonde en robuuste natuur, adequate waterhuishouding en een acceptabele en aantrekkelijke woon- en leefomgeving met voldoende ruimte voor recreatie.
Hoofdstuk 3
18
Figuur 3.2: Plangebied (blauwe cirkel) in de Structuurvisie Ruimte Schijndel
Onderhavige ontwikkeling is gelegen in het buitengebied. Leidend voor Schijndel is de keuze om binnen de aangewezen bebouwingsconcentraties ruimte te bieden voor toevoeging van nieuwe bebouwing en nieuwe functies. Daaraan gekoppeld is een compensatiemaatregel om in het omliggende landschap te investeren in natuur en landschap. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied binnen een bebouwingsconcentratie. Het planvoornemen voorziet in het legaliseren van een reeds bestaand bedrijf en de sloop en nieuwbouw van een bestaande schuur en woning. Gezien het plangebied is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie is hier ruimte voor ‘nieuwe’ functies. Met de ontwikkeling wordt aandacht besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Met de planontwikkeling wordt de bestaande kwaliteit van het gebied benut en verder versterkt. De kwaliteitsverbetering is middels een landschappelijk inpassingsplan gevisualiseerd, dit is reeds besproken in hoofdstuk 2.
Het planvoornemen is in lijn met de structuurvisie ‘Ruimte Schijndel’. Nota Kwaliteitsverbetering – Kwaliteitsverbetering in het Landelijk Gebied Schijndel heeft een levendig en bedrijvig buitengebied. Het aantal agrarische bedrijven zal naar verwachting echter steeds verder afnemen. Hierdoor ontstaan nieuwe kansen voor recreatie, toerisme en wonen in het buitengebied. Uiteraard met oog voor het behoud en de versterking van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het buitengebied.
Hoofdstuk 3
19
Op basis van De Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant moet elke ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gepaard gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële waarden. Deze regeling is in de provinciale verordening opgenomen vanuit het idee dat meer ontwikkelingsruimte kan worden geboden onder de voorwaarde dat ruimtelijke ontwikkelingen gepaard gaan met maatregelen die het landschap in brede zin versterken. In de provinciale ‘Handreiking Kwaliteitsverbetering van het Landschap’ is dit beleid nader uitgewerkt. De zorg voor de kwaliteit van het landschap bestaat ook in Schijndel. De voormalige gemeente Schijndel heeft daarom in samenspraak met de regiogemeenten uit Noordoost-Brabant (Bernheze, Mill en Sint Hubert, Oss) het provinciale beleid uitgewerkt in een notitie ‘Toepassingsbereik artikel 2.2 Verordening Ruimte’. Hierin is de reikwijdte van de provinciale bepaling omtrent ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ ingekaderd. De regionale afspraken zijn voor de gemeente Schijndel in de Nota Kwaliteitsverbetering uitgewerkt. Hierbij zijn een drietal doelstellingen gehanteerd: 1. invulling geven aan de provinciale verordening en de bijbehorende handreiking; 2. regelgeving omzetten in ontwikkelingsperspectief voor het buitengebied; 3.
een goede verhouding van de eisen tot kwaliteitsverbetering van het landschap en de impact van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.
Doorwerking plangebied Zoals in paragraaf 2.2 reeds aangegeven is er in de bijlagen een cijfermatige verantwoording van de landschappelijke inpassing aan Schrijvershoef opgenomen. Op basis van de regionale afspraken uit het beleidsdocument ‘Nota kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’ wordt 20% van de grondwaardevermeerdering gevraagd voor de kwaliteitsverbetering van ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. Hierbij wordt uitgegaan van een vastgestelde set van grondprijzen, gekoppeld aan een functielijst. Deze systematiek ligt er aan ten grondslag dat de prijzen van relatief goedkope gronden aan de hoge kant zijn ingeschat en duurdere gronden conservatief. Uit de waarde berekening blijkt dat de te investeren bijdrage in het landschap neerkomt op een bedrag van € 9.000,-. Met een berekening is financieel aangetoond dat middels de aanleg van het landschappelijk inpassingsplan en de kwaliteitsverbetering van de Schrijvershoef 11-11a ruimschoots wordt voldaan aan de te investeren bijdrage (20% van de waardevermeerdering). De totale investering kwaliteitsverbetering komt namelijk op € 12.841. Voor een uitgebreide schematische weergave van de totale kosten van de kwaliteitsverbetering wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 3
20
4.
MILIEUHYGIENSCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). De vraag is of het legaliseren van de bestaande bedrijfsactiviteiten gezien moet worden als stedelijk ontwikkelingsproject.
Volgens de Raad van State (zie uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het legaliseren van de bestaande bedrijfsactiviteiten kan dus wel degelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien de aard van de plannen zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland redelijkerwijs uitgesloten. De locatie is niet in of nabij een beschermd natuurgebied en er is geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Dit maakt dat het legaliseren van de bestaande bedrijfsactiviteiten niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Hoofdstuk 4
21
Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied zijn in het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde - Archeologie 4’. opgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Een archeologisch onderzoek is binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ noodzakelijk voor de bouw van bouwwerken groter dan 250 m 2 en waarbij grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Een archeologisch onderzoek is binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ noodzakelijk voor de bouw van bouwwerken groter dan 300 m2 en waarbij grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld.
Met onderhavige ontwikkeling wordt een gedeelte van een bestaande loods gesloopt en blijft een andere bestaande loods gehandhaafd ten dienste van het bedrijf. Daarnaast wordt een bestaande woning gesloopt en nieuw teruggebouwd. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door het Bureau voor Archeologie. Het rapport is opgenomen in de bijlagen, in deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies. Door de aanleg van de funderingen, de kelder en het zwembad kunnen archeologische resten gerelateerd aan het 18e-eeuwse erf en resten van eventuele (laatmiddeleeuwse) voorgangers worden verstoord. Aanbevolen wordt om het zuidelijke deel van de akker (boorprofiel 7, perceel 1720 op het kadastraal minuutplan) en de vlakken van de bestaande bebouwing, septictank en stapelput vrij te geven. Aanbevolen wordt om in de rest van het plangebied graafwerkzaamheden tot in de C-horizont te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de civiele graafwerkzaamheden voor de aanleg van de funderingen, de kelder en het zwembad een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren op de plekken waar deze bodemingrepen voorzien zijn. Het doel van dit onderzoek is het nader bepalen of behoudenswaardige resten in het plangebied aanwezig zijn. - De resultaten uit het onderzoek en het advies vormen een selectieadvies.
De gemeente Meierijstad is - als bevoegde overheid - gevraagd het rapport te beoordelen en een selectieadvies op te stellen. Het rapport is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het selectieadvies archeologische monumentenzorg van de gemeente Meierijstad is opgenomen als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing. De gemeente neemt het advies over om proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren in de gebieden aangegeven op de advieskaart in het rapport. Het Z. deel van de akker en de vlakken van de bestaande bebouwing, septictank en stapelput kunnen worden vrijge-
Hoofdstuk 4
22
geven. Mogelijk dat wel nog gekeken moet worden naar de wenselijkheid van een archeologisch begeleiding van de sloopwerkzaamheden van de ondergrondse delen van de bestaande woning, omdat daar mogelijk nog oudere resten aanwezig zijn, die dan beschadigd zullen worden. Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld (zie bijlage) en goedgekeurd door het bevoegd gezag. De besluitvorming over het Programma van Eisen zal separaat plaatsvinden en het onderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. De dubbelbestemmingen blijven gehandhaafd ter bescherming van het archeologische bodemarchief. Ook voor de vrijgegeven delen van het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente Meierijstad. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied.
In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Doorwerking plangebied De Schrijvershoef is aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarde. Daarnaast ligt het plangebied in de regio ‘De Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzand-vlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dezandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschap-pen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Het plangebied heeft een woonbestemming maar is al geruime tijd in gebruik als woon en bedrijfsperceel. Er wordt bestaande bebouwing gesloopt en er wordt een bestaande woning gesloopt en teruggebouwd.
Deze ingrepen hebben geen negatieve invloed op de Schrijvershoef, het planvoornemen heeft derhalve geen negatieve invloed op de lijn van redelijk hoge waarde. Om deze reden zal het initiatief de cultuurhistorische waarden van de regio ook niet belemmeren.
4.3 Flora en Fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
Hoofdstuk 4
23
Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 9 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storings-factoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Een toename aan stikstofuitstoot te wel te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is op basis van deze gegevens niet uit te sluiten.
Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen is het stikstofonderzoek opgenomen inclusief de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 700 meter ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Hoofdstuk 4
24
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Middels een quickscan flora en fauna en een soortspecifiek vervolgonderzoek naar huismus en vleermuizen is in tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Conclusie quickscan Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Middels protocollair vervolgonderzoek is uitgesloten dat nesten van huismus of verblijfplaatsen van een vleermuissoort aanwezig zijn binnen het plangebied.
Door de hoge potentie voor vleermuizen wordt wel aanbevolen om verblijfplaatsen voor vleermuizen te realiseren in de nieuwbouw of renovatie; Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein en het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de sloot tegen de zuidelijk grens van het plangebied te worden vermeden; Indien er grote aanpassingen in de noordoosthoek van het plangebied plaats gaan vinden, zal vervolgonderzoek ten behoeve van marterachtigen noodzakelijk zijn; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Hoofdstuk 4
25
Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
aanwezig
overtreding
Ja
Te voorko-
Plangebied buiten broedseizoen
Globale broedseizoen loopt
men
bouwrijp maken of controle vooraf
van maart tot half augustus
Nee
Nee
Geen nestlocaties aangetroffen
-
Nee
Nee
Geen verblijfplaatsen aangetroffen
Vanwege hoge potentie de
Broedvogels
Jaarrond
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
beschermd VerbliVleer-
jfplaatsen
aanbeveling om verblijfplaat-
muizen
sen toe te passen Foerageer-