CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

PWR 2022-2026

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling Programma Water en Riolering 2022-202639.205 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

8.4

Samenwerking

We nemen deel aan de projecten binnen de samenwerkingen As50+ en De Meierij. We richten ons hierbij op het delen van kennis en kunde. Waar mogelijk realiseren we hierbij besparingsvoordelen door maatregelen gezamenlijk op te pakken. Daarnaast blijven wij de samenwerking met de beide waterschappen opzoeken. Toetsing huidige situatie Wij nemen actief deel aan de samenwerkingsverbanden zowel bestuurlijk als ambtelijk. De samenwerking met de waterschappen verloopt voorspoedig, de afgelopen planperiode heeft dit geleid tot een groot aantal gezamenlijk opgepakte projecten. Aandachtspunt hierbij is te beschikken over voldoende personele middelen om invulling te blijven geven aan de samenwerking. Strategie / maatregelen De concrete inspanningen binnen de werkregio’s zijn vooral gericht op meeliften op reguliere onderhoudszaken. Bijvoorbeeld het opstellen van een gezamenlijk bestek kolken reinigen of reiniging en inspectie. In het KDP is in totaal EUR 21.000 opgenomen voor deelname aan de beide samenwerkingen. Daarnaast is circa 0,5 fte personele capaciteit beschikbaar voor de deelname aan de diversen overleggen en het oppakken van acties uit de samenwerkingen van zowel werkregio's als RNOB en RBOM.

Pagina 46

Middelen Dit hoofdstuk beschrijft de middelen die nodig zijn om onze rioleringszorg vorm te geven. Middelen bestaan zowel uit personele middelen als financiële middelen. Hierbij is ingegaan op de kostendekking, waarbij het verloop van de voorzieningen en de benodigde rioolheffing is berekend. Wij streven hierbij naar een solide beleid ten aanzien van de financiering van onze strategie. Het financieel beleid is gericht op een goede instandhouding van de bestaande voorzieningen en de vervanging hiervan op de lange termijn, rekening houdend met nieuwe inzichten en klimaatveranderingen. Uitgangspunt is om dit tegen een kostendekkend tarief aan te bieden.

Middelen Dit hoofdstuk beschrijft de middelen die nodig zijn om onze rioleringszorg vorm te geven. Middelen bestaan zowel uit personele middelen als financiële middelen. Hierbij is ingegaan op de kostendekking, waarbij het verloop van de voorzieningen en de benodigde rioolheffing is berekend. Wij streven hierbij naar een solide beleid ten aanzien van de financiering van onze strategie. Het financieel beleid is gericht op een goede instandhouding van de bestaande voorzieningen en de vervanging hiervan op de lange termijn, rekening houdend met nieuwe inzichten en klimaatveranderingen. Uitgangspunt is om dit tegen een kostendekkend tarief aan te bieden.

Pagina 47

9

Middelen

9.1

Personele middelen

Om indicatief inzicht te krijgen in de benodigde personele middelen heeft stichting RIONED een rekentool ontwikkeld. Met behulp van deze rekentool is een analyse gemaakt voor de benodigde personele inzet voor de gemeente Meierijstad. Het is bekend dat de rekentool niet volledig dekkend is op het gebied van klimaat en andere zaken hiervoor is een correctie doorgevoerd. Ook is gekeken naar de Evaluatie van het vorige VGRP en het percentage haalbaarheid van de geplande zaken, projecten en ambities. De rekentool en evaluatie tonen beide dat er een tekort is aan capaciteit om de gewenste ambities en service waar de gemeente voor wil staan te behalen. De personele ontwikkelingen van afgelopen 3 jaar binnen het team geven dit ook aan. Het team heeft de ambitie om door te ontwikkelen, een goede service te leveren aan bewoners en te voldoen aan de ambities gesteld door het College en de Raad. De benodigde capaciteit hebben wij vergeleken met de beschikbare personele inzet, zoals deze is opgenomen in de begroting 2022. In bijlage 7 is de volledige analyse opgenomen. Onderstaand is een samenvatting weergegeven. De kosten voor voorbereiding en directievoering maken als VAT-kosten onderdeel uit van de investeringskosten en maken geen onderdeel uit van de benodigde capaciteit in de onderstaande tabellen. Dit betreft 2,6 fte.

Tabel 9.1 Benodigde theoretische capaciteit voor verschillende taken (zie bijlage 7)

Taak Oorsprong Planvorming, onderzoek en facilitair Rekentool Onderhoud Rekentool Samenwerking (zowel beleid als operationeel) Overig (organisatie) Innovatie en duurzaamheid Overig (organisatie) Klimaatadaptatie Overig (klimaatadaptatie) Programmakamer en zelfsturende organisatie Overig (organisatie) Omgevingsvisie Overig (organisatie) Kosten voor heffen / invorderen Begroting Totaal Hiermee zijn de totale benodigde personele capaciteit circa 12,35 fte.

Benodigd [fte] 4,7 4,5 0,5 0,2 0,5 0,2 0,1 1,65 12,35

Tabel 9.2 Benodigde en beschikbare capaciteit per functie

Functie Beleidsmedewerker A Beleidsmedewerker C Beleidsmedewerker D (beheer) Medewerker Ontwerp en Voorbereiding B Administratief Gegevensbeheerder Allround medewerker grijs Onderhoudsmedewerker Riolering Klussenbus Medewerker heffen en invorderen Totaal

Pagina 48

Benodigd [fte] 0,50 2,00 1,00 2,00 0,70 0,50 3,00 1,00 1,65 12,35

Beschikbaar [fte] 0,50 2,00 1,00 1,00 0,70 0,50 3,00 1,00 1,65 11,35

Uit de analyse blijkt dat op het vlak van gegevensbeheer en klachtenafhandeling nu onvoldoende personele capaciteit beschikbaar is. In 2021 is dit gedeeltelijk ingevuld door een externe ondersteuning (jaarlijks budget EUR 45.000). In de kostendekkingsberekening is rekening gehouden met 1 extra fte Medewerker Ontwerp en Voorbereiding B inclusief overhead en is het budget van EUR 45.000 vervallen. De extra ondersteuning is nodig voor het uitvoeren van de volgende taken: • Beoordelen inspecties en opstellen maatregelplannen • Afhandelen meldingen en klachten en beoordeling huisaansluitingen • Toezicht en directie op uitvoering rioolrenovatiewerkzaamheden • Zorgdragen vectorisatie huisaansluitingen • Informatiebeheer KA maatregelen zoals afkoppelen, waterinfiltratie en buffersystemen De personele inzet voor het realiseren van (particulier) afkoppelen maakt onderdeel uit van de budgetten zoals opgenomen in paragraaf 8.1. Vooralsnog is in het KDP uitgegaan van externe invulling van deze personele inzet en maakt dan ook geen onderdeel uit van onze benodigde formatie. In totaal is met de volgende personele middelen gerekend: • Doorbelaste direct loonkosten begroting 2022: EUR 797.602 • Doorbelaste overhead begroting 2022 (extracomptabel): EUR 638.082 • Extra fte: EUR 67.500 • Overhead 9 extra fte (extracomptabel): EUR 54.000

9.2

Financiële middelen

Wij streven naar een solide beleid ten aanzien van de financiering van de strategie uit het voorliggende PWR. Het financieel beleid is gericht op een goede instandhouding van de bestaande voorzieningen en vervanging hiervan op de lange termijn, rekening houden met nieuwe inzichten en klimaatveranderingen. Met als uitgangspunt dit tegen een kostendekkend tarief aan te bieden. In deze paragraaf zijn de benodigde financiële middelen die gemoeid zijn met de activiteiten uit de strategie samengevat. De in dit hoofdstuk benoemde bedragen zijn op prijspeil 2021 en zijn exclusief BTW en moeten voor de toekomst met de optredende inflatie worden geïndexeerd. De in dit hoofdstuk genoemde investeringen, zowel vervangingsinvesteringen als verbetermaatregelen zijn inclusief kosten voor voorbereiding en directievoering. De benodigde financiële middelen zijn in beeld gebracht met behulp van een kostendekkingsberekening. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen investeringsuitgaven en exploitatiekosten. De investeringsuitgaven bestaan uit vervangingsinvesteringen en verbetermaatregelen (zoals afkoppelen). Exploitatiekosten zijn de jaarlijkse uitgaven nodig voor beheer- en onderhoudsactiviteiten.

9.2.1 Voorzieningen Conform het huidige GRP maken wij gebruik van twee voorzieningen te weten een voorziening BBV 44.1 lid d (spaarvoorziening voor de investeringen), voorziening BBV 44.2 (voorziening beklemde middelen derden voor de egalisatie van de tarieven). Per 1 januari 2021 hebben deze voorzieningen het volgende saldo: • Voorziening BBV 44.2: EUR 9.002.600 • Voorziening BBV 44.1 lid d: EUR 33.171.700

9.2.2 Rioolheffing Om alle uitgaven die met de rioleringszorg gepaard gaan te dekken, heffen wij rioolheffing. De rioolheffing bestaat uit twee delen: • Eigenarendeel: voor de eigenaar van een woning of niet-woning die direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De hoogte van dit deel van de heffing wordt bepaald op basis van een percentage van de WOZ-waarde

9

De overhead is berekend op basis van een percentage van 80% van de directe loonkosten Pagina 49

•

Gebruikersdeel: voor de gebruiker van een woning of niet-woning, die direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor de hoogte van dit deel van de heffing is onderscheid gemaakt tussen woningen en niet-woningen Woningen: onderscheid tussen éénpersoons- of twee- en meerpersoonshuishouden Niet-woningen: staffel op basis van de afgevoerde hoeveelheid water

Het aantal (equivalente) heffingseenheden (belastingplichtigen eigenaren) bedroeg per 1 januari 2021: 37.807. Daarnaast is in de berekening rekening gehouden met de volgende stijging in het aantal heffingseenheden: • 2023: 390 • 2024: 300 • 2025: 300 • 2026: 300 • Totaal: 1.290 De gemiddelde rioolheffing per (equivalente) heffingseenheid bedraagt in 2021 (startjaar berekening) EUR 185,00 conform het huidige GRP.

9.2.3 Vervangingsinvesteringen en investeringen projectenplan In tabel 9.3 zijn alle investeringsbedragen opgenomen die in de planperiode nodig zijn om de investeringen uit het projectenplan en de benodigde vervangingen uit te voeren. Een totaal overzicht van alle investeringen is opgenomen in bijlage 6. In de bijlage zijn ook de investeringen die in 2021 zijn uitgevoerd opgenomen, zodat deze onderdeel uit maken van de kostendekkingsberekening. • De investeringen uit het projectenplan betreffen alle projecten die opgenomen zijn in de integrale projectenplanning van de gemeente. Deze investeringen komen ten laste van onze spaarvoorziening (voorziening BBV 44.1 lid d), met uitzondering van de investeringen tot en met 2017 deze investeringen zijn gekapitaliseerd en maken onderdeel uit van de kapitaallasten uit het verleden in de exploitatie • De vervangingsmaatregelen zijn de maatregelen zoals deze uit de berekeningen (aanlegjaar + technische levensduur naar voren komen). Deze maatregelen maken wij de komende jaren concreet in onze nieuwe integrale projectenplanning, hierbij vindt een integrale afweging plaat op basis van kwaliteit en passend binnen de gebiedsgerichte aanpak. De vervangingsinvesteringen komen eveneens ten laste van onze spaarvoorziening, voor zover deze toereikend is In totaal is in de planperiode een investering van circa EUR 25,6 miljoen benodigd.

Tabel 2.3 Benodigde investeringen planperiode 2022 – 2026 (excl. BTW en inflatie, bedragen × EUR 1.000)

Vrijvervalriolering Gemalen E Gemalen M Pompunits ME IBA's BK IBA's ME Randvoorz. ME Projectenplan t/m 2017* Projectenplan na 2017* Nieuwe projecten* Totaal

2022

2023

2024

2025

2026

66 116 3.913 4.638 1.855 10.588

79 125 188 2.166 1.855 4.412

2.549 75 165 4 24 16 20 1.806 4.660

2.549 75 165 8 24 16 2.837

2.549 75 165 4 24 38 201 3.056

Planperiode 7.646 225 495 16 218 311 221 4.101 8.609 3.710 25.552

*voor de investeringen uit het projectenplan zijn reeds kredieten aangemaakt, voor de nieuwe investeringen uit het MJOP moeten nog kredieten worden aangemaakt

Pagina 50

9.2.4 Totale lasten voorziening BBV 44.2 De totale lasten betreffen alle lasten niet zijnde investeringen. Deze zijn opgebouwd uit de exploitatiekosten, de onderzoekskosten, de kapitaallasten uit het verleden, eventuele nieuwe kapitaallasten (wanneer de spaarvoorziening niet toereikend is) en de dotatie aan de voorziening 44.1 lid d. Daarnaast is de BTW hier extracomptabel aan toegevoegd over zowel de exploitatie- en onderzoekskosten als de investeringen. Conform BBV worden deze lasten niet geactiveerd. In bijlage 8 is een overzicht opgenomen van alle financiële gegevens die als basis dienen voor het kostendekkingsplan. De totale lasten in de planperiode bedragen circa EUR 41,3 miljoen (zie tabel 9.4). In figuur 9.1 zijn de lasten op de lange termijn weergegeven. De totale lasten over de beschouwde periode van 60 jaar (2021 - 2080) bedragen circa EUR 646,3 miljoen. Tabel 9.4 Totale lasten rioleringszorg voorz. BBV 44.2 planperiode 2022–2026 (excl. inflatie, bedragen × EUR 1.000)

2022 Dotatie (voorz. BBV 44.1d) Nieuwe kapitaallasten Kapitaallasten verleden* Exploitatie Onderzoek BTW** Totaal

2023

1.000 1.386 3.868 668 2.797 9.718

2024

1.000 1.373 3.868 528 1.471 8.240

2025

1.000 1.373 3.798 368 1.459 7.997

2026

1.000 1.362 3.798 468 1.097 7.725

1.000 1.337 3.798 368 1.122 7.625

Planperiode 5.000 6.831 19.129 2.398 7.946 41.304

*inclusief investeringen uit projectenplan t/m 2017 ** de uitschieter in de BTW in 2022 wordt veroorzaakt door het hogere investeringsvolume in 2022. De BTW over deze investeringen nemen we ook mee in de kostendekkendheid

16.000.000

14.000.000

12.000.000

10.000.000

8.000.000

6.000.000

4.000.000

2.000.000

Exploitatie

Onderzoek

BTW

dotatie (voorz. BBV 44.1d)

Kapitaallasten verleden

Figuur 9.1 Totale lasten rioleringszorg voorz. BBV 44.2 periode 60 jaar (excl. inflatie) Pagina 51

Nieuwe kapitaallasten

2079

2077

2075

2073

2071

2069

2067

2065

2063

2061

2059

2057

2055

2053

2051

2049

2047

2045

2043

2041

2039

2037

2035

2033

2031

2029

2027

2025

2023

2021

-

9.2.5 Totale investeringen ten laste van voorziening BBV 44.1 lid d Zoals in paragraaf 9.2.3 beschreven worden de investeringen uit het projectenplan tot en met 2017 niet ten laste van de voorziening BBV 44.1 lid d gebracht in tabel 9.5 zijn de onttrekkingen en dotaties voorziening BBV 44.1 lid d gedurende de planperiode weergegeven. In figuur 9.2 is het verloop van de voorziening BBV 44.1 lid d weergegeven. Tabel 9.5 Onttrekkingen en dotaties voorziening BBV 44.1 lid d (excl. BTW en inflatie, bedragen × EUR 1.000)

2022 Stand voorziening 01-01 Vervangingen Projectenplan na 2017 Nieuwe projecten Dotatie Stand voorziening 31-12 Totaal*

2023

30.037 182 4.638 1.855 -1.000 24.362

24.362 203 2.166 1.855 -1.000 21.138

2024 21.138 2.854 1.806 -1.000 17.479

2025 17.479 2.837 -1.000 15.641

2026 15.641 3.056 -1.000 13.586

Planperiode 9.132 8.609 3.710 -5.000 16.451

* Positief getal is een onttrekking, negatief getal is een dotatie

Figuur 9.2 Verloop voorziening BBV 44.1 lid 1 (excl. inflatie)

9.3

Kostendekking

Het doel van de kostendekkingsberekening is een onderbouwde prognose te maken van het verloop van de rioolheffing in de toekomst, gebaseerd op de lasten, zoals deze in de vorige paragraaf zijn benoemd. Hoewel we een zo goed mogelijke benadering nastreven van het toekomstige verloop van uitgaven en inkomsten, blijft dit vooral het bepalen van de trend naar de toekomst. Het verloop van de rioolheffing is afhankelijk van onder meer veranderende wetgeving, nieuw beleid of het gemeentelijke uitgavenpatroon, waardoor een regelmatige actualisatie van de kostendekking wenselijk is.

9.3.1 Uitgangspunten kostendekking In de berekening van de rioolheffing is met de volgende gemeentelijke financiële uitgangspunten rekening gehouden: • Bij de berekening van de rioolheffing is geen rekening gehouden met inflatie • Alle genoemde bedragen zijn prijspeil 2021 • Zolang de voorziening BBV 44.1 lid d toereikend is worden nieuwe investeringen direct afgeboekt Pagina 52

•

•

•

Wanneer de voorziening BBV 44.1 lid d niet meer toereikend is worden nieuwe investeringen geactiveerd en gekapitaliseerd. Hierbij gaan wij uit van het volgende Rentepercentage over investeringen: 1 % Annuïtaire afschrijving Start afschrijving in jaar na investering Theoretische levensduur en afschrijvingstermijn (wanneer van toepassing): Vrijvervalriolering 70 jaar 60 jaar Elektromechanische installatie gemalen en pompunits 15 jaar 15 jaar Bouwkundige onderdelen gemalen en pompunits 60 jaar 60 jaar Pers- en drukleiding 80 jaar 60 jaar Elektromechanische installatie randvoorzieningen 15 jaar 15 jaar Bouwkundige onderdelen randvoorzieningen 60 jaar 60 jaar IBA’s 20 jaar 15 jaar Rente over de voorzieningen: 0 %

9.3.2 Uitgangspunten Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) De Gemeentewet en de Provinciewet schrijven voor dat elke gemeente en elke provincie jaarlijks begrotingsen verantwoordingsstukken moet opstellen. Het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) bevat de regelgeving daarvoor. In het BBV zijn ook regels en randvoorwaarden opgenomen voor gemeenten met betrekking tot het bepalen van de kostendekking van de rioolheffing en financiering van investeringen in de riolering. Onderstaand zijn de belangrijkste voorwaarden opgenomen: • Investeringen ten behoeve van riolering worden gezien als investeringen met meerjarig economisch nut en dienen te worden geactiveerd (artikel 59, lid 1) • Jaarlijkse exploitatiekosten worden niet geactiveerd (ontbreken voorwaarde meerjarig economisch nut) • Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd (artikel 62, lid 1) • Een specifieke bijdrage van derden die in directe relatie staat tot de investering mag in mindering worden gebracht (direct afboeken) (artikel 62, lid 2) • Er wordt gebruik gemaakt van een voorziening (BBV artikel 44, lid 2) met als doel ongewenste schommelingen te egaliseren. De rioolheffing mag alleen worden uitgegeven aan het doel waarvoor het is ingesteld (zogenaamd gebonden besteding)

9.3.3 Bepaling rioolheffing Op basis van de uitgangspunten, totale lasten, inkomsten en stand van de voorziening BBV 44.2 zoals in de voorgaande paragrafen beschreven, is het effect op de rioolheffing bepaald voor de periode 2021 – 2080. Uitgangspunt hierbij is dat rioolheffing kostendekkend is. Het uitgaven patroon in voorliggend PWR is veel hoger is dan waarmee in het vorige GRP is gerekend. Dit heeft de volgende oorzaken • Afkoppelen: in het vorige GRP was slechts beperkt afkoppelen meegenomen in de berekening, nu is gerekend met de volledige vervanging van het gemengde stelsel door een gescheiden stelsel • Klimaatadaptatie: naast budget voor het afkoppelen in het openbaar gebied is ook budget opgenomen voor het stimuleren en realiseren van afkoppelen op particulier terrein • Areaal: de afgelopen periode is meer inzicht verkregen in het totale areaal zowel qua kwaliteit als kwantiteit. Dit heeft geleid tot een bijstelling van de vervangingsplanningen • Onderhoudsbudgetten: de afgelopen periode zijn de onderhoudsactiviteiten voor de gehele gemeente gelijkgetrokken en zijn de onderhoudsbudgetten bijgesteld op basis van ervaringscijfers en de nieuwe areaal gegevens

Pagina 53

•

•

•

Kosten onderzoek en planvorming: deze zijn ten opzichte van het vorige GRP naar beneden bijgesteld, met name omdat deze onvoldoende concreet waren. Alleen die onderzoeken waarvoor nu concrete invulling bekend is zijn opgenomen Personele middelen: zoals in paragraaf 9.2 beschreven is een reële inschatting gemaakt voor de benodigde personele middelen, waarbij rekening is gehouden met het in uitvoering brengen van een gebiedsgerichte aanpak in de programmakamer Inlopen op projectenplan: de afgelopen planperiode zijn relatief weinig projecten concreet in uitvoering gebracht. Voor deze projecten zijn in de programmakamer nieuwe integrale planningen opgesteld

Dit hoger uitgavenpatroon zorgt ervoor dat het niet meer mogelijk is om alle investeringen in de toekomst direct af te blijven boeken. Deze investeringen moeten dan worden geactiveerd en gekapitaliseerd. Echter omdat de voorzieningen op dit moment toereikend genoeg zijn, is er geen stijging in de planperiode noodzakelijk en kunnen we doorgaan met het direct afboeken in de planperiode. Wij adviseren dan ook op dit moment geen stijging door te voeren, maar eerst de gebiedsgerichte aanpak nader uit te werken. Om de rioleringszorg ook in de toekomst betaalbaar te houden vraagt de gebiedsgerichte aanpak om een innovatieve invulling van de maatregelen die leiden tot slimmere en goedkopere oplossingen dan waarmee nu is gerekend (volledig gescheiden rioolstelsel). De resultaten van de gebiedsgerichte aanpak nemen we mee in de financiële actualisatie van het kostendekkingsplan in 2023 en bepalen we het effect hiervan op de kostendekkendheid van het tarief. Daarnaast beschouwen we ons tariefstelsel op nieuw op basis van de nieuwe modelverordening riool en waterzorgheffing en bepalen wij of aanpassing wenselijk is. In figuur 9.3 is het verloop van de inkomsten, lasten, saldo voorziening BBV 44.2 (linker as) en de rioolheffing (rechter as) over een periode van 60 jaar weergegeven. Hierbij is zoals reeds vermeld nog geen rekening gehouden met een indexering.

De rioolheffing moet naast de voorgestelde stijging voor de toekomst nog worden geïndexeerd. In bijlage 9 zijn de totale resultaten van de heffingsberekening opgenomen. 375,00

14.000.000

350,00

12.000.000

325,00

10.000.000

300,00

8.000.000

275,00

6.000.000

250,00

4.000.000

225,00

2.000.000

200,00

-

175,00

2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040 2041 2042 2043 2044 2045 2046 2047 2048 2049 2050 2051 2052 2053 2054 2055 2056 2057 2058 2059 2060 2061 2062 2063 2064 2065 2066 2067 2068 2069 2070 2071 2072 2073 2074 2075 2076 2077 2078 2079 2080

16.000.000

Totale lasten

Totale inkomsten

stand voorziening

rioolheffing - gemiddeld (rechter as)

Figuur 9.3 Verloop inkomsten, lasten saldo voorziening BBV 44.2 (linker as) en rioolheffing (rechter as

Pagina 54

Bijlage 1

Het nieuwe rioleringsplan onder de Omgevingswet

Het huidige Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) loopt eind 2021 af. Met de komst van de Omgevingswet komt de fysieke leefomgeving, waar water en riolering een onderdeel van is, vanaf volgend jaar veel meer centraal te staan samen met andere disciplines die de leefomgeving bepalen zoals wegen, groen en inrichting van de bovengrondse openbare ruimte. In de Omgevingswet die naar verwachting 1 juli 2022 van kracht wordt, staat deze gedachte centraal. Vooruitlopend op deze ontwikkeling plaatsen we het Rioleringsplan daarom in deze bredere ontwikkeling en in aanpalende dialogen over de energietransitie (duurzaamheid) en klimaatadaptatie. In de toekomst blijven de wettelijk verplichte watertaken bestaan, de planverplichting voor het opstellen van een vGRP zal bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen. Voorliggend PWR zal te zijner tijd worden geïntegreerd in: • De omgevingsvisie • Het omgevingsplan • Het omgevingsprogramma In dit Rioleringsplan hebben we daarop geanticipeerd door de indeling van de hoofdstukken op de toekomstige planstructuur in te richten. In figuur B1 is dit gevisualiseerd.

Figuur B0.1 Toelichting toekomstige vorm waterbeleid in Omgevingswet

Met het nieuwe Rioleringsplan is het grootste verschil met het huidige vGRP dat het (strategisch) rioleringsbeleid een plek heeft in het Omgevingswet-instrument ‘omgevingsvisie’ van onze gemeente. Dit hoeft strikt genomen niet in dit Rioleringsplan terug te komen. We gaan hier echter wel op in omdat voor de afstemming van het nieuwe Rioleringsplan nog geen ruimtelijk en milieubeleidskader van Meierijstad beschikbaar is. Om de maatregelen in de goede context te kunnen plaatsen, is toch een hoofdstuk over beleid opgenomen, waarmee direct de samenhang tussen de nog vast te stellen omgevingsvisie en de maatregelen van voorliggend Rioleringsplan om een goede afstemming vragen. Alvorens tot dit hoofdstuk te komen wordt eerst een overzicht gegeven van de huidige beleidsstukken van onze gemeente die een relatie hebben met het nieuwe Rioleringsplan.

1. Huidig beleidskader Dit hoofdstuk behandelt beknopt de belangrijkste beleidsstukken van onze gemeente die een relatie hebben met het nieuwe Rioleringsplan. Naast beleidsstukken van Meierijstad worden vanuit andere overheden beleidskaders en wettelijke kaders gesteld die richtinggevend zijn, zie tabel B1. Tabel B1 Huidig wettelijk en beleidskader water

Wettelijk kader Gemeente

Regels watertoets

Beleidskader water Gemeente

Aansluitverordening

Waterschap Provinciaal

Aanwijsbesluit Hemelwaterverordening (onderdeel Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad) Keur Omgevingsverordening

Waterschap Provincie

Nationaal

Wet milieubeheer

Nationaal

Waterwet Omgevingswet Activiteitenbesluit

Europees

Lozingenbesluit Bouwbesluit Kaderrichtlijn Water

Europees

Visie en Programma Duurzaamheid Collegewerkprogramma Mijlpalen voor Meierijstad

Waterbeheerplan Provinciaal Milieu en Waterplan Nationaal Bestuursakkoord Water Deltaplan Ruimtelijke adaptatie Deltaplan Zoet Water Stroomgebiedsbeheersplan Maas

Sustainable Development Goals

Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s Grondwaterrichtlijn

Collegewerkprogramma In het Collegewerkprogramma ´Mijlpalen voor Meierijstad´ wordt invulling gegeven aan de bestuurlijke hoofdlijnen voor de periode tot 2022. Het schetst de ambities van Meierijstad vanuit voor water en riolering relevante programma´s te weten: • Verkeer, vervoer en openbare ruimte (programma 2) • Volksgezondheid en Milieu (programma 7) Verder kent de gemeente een vijftal leidende thema’s voor alle beleidsterreinen: participatie, leefbaarheid, innovatie, duurzaamheid en gezondheid. Visie Duurzaamheid In de Duurzaamheidsvisie van de gemeente Meierijstad worden om de ‘Global Goals’ voor 2050 te bereiken een drietal thema’s onderscheiden: • Energiek en Verantwoord • Klimaatbestendig en Biodivers • Circulair en Schoon

Vanuit de watertaken bieden alle drie de thema’s aanknopingspunten voor het nieuwe Rioleringsplan. Hierna zijn deze aanknopingspunten verder uitgewerkt. Het duurzaamheidsbeleid van Meierijstad heeft een relatie met de 17 ontwikkelingsdoelen die zijn opgesteld door de landen die bij de Verenigde Naties zijn aangesloten. Sustainable Development Goals De SDG’s (Sustainable Development Goals of Duurzame Ontwikkelingsdoelen) zijn zeventien doelen om van de wereld een betere plek te maken in 2030. De SDG’s zijn afgesproken door de landen die zijn aangesloten bij de Verenigde Naties (VN), waaronder Nederland. De doelen kwamen er op basis van wereldwijde inbreng van organisaties en individuen. Ze zijn een mondiaal kompas voor uitdagingen als armoede, onderwijs en de klimaatcrisis. De gemeente Meierijstad heeft voor 6 doelen gekozen. Met het nieuwe Rioleringsplan willen we een bijdrage leveren aan het behalen van deze doelen. • 7: Duurzame en betaalbare energie • 9: Innovatie en duurzame infrastructuur • 12: Duurzame consumptie en productie • 13: Klimaatverandering aanpakken • 15: Herstel ecosystemen en behoud biodiversiteit • 17: Partnerschappen voor de doelen

Klimaatbestendig Meierijstad Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Om deze risico’s aan te pakken is in 2017 op rijksniveau het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) vastgesteld. Het Deltaplan is opgebouwd volgens zeven ambities, zie figuur 2. Hoe kwetsbaar zijn onze steden, dorpen en buitengebieden voor extreme neerslag, hitte, droogte en overstromingen? Inzicht hierin is de basis van ruimtelijke adaptatie. Om die kwetsbaarheden in beeld te krijgen heeft de gemeente (toen nog gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel) onder de vlag van de Regio Noordoost-Brabant al in 2016 een stresstest (figuur B2, ambitie 1) uitgevoerd voor de vier klimaatthema’s: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. Inmiddels heeft de werkregio As50+ een eigen klimaatatlas uitgebracht waarin, ten opzichte van de landelijke atlas (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/), gedetailleerder en themagewijs de kwetsbaarheden op kaarten zijn uitgewerkt, zie https://as50.klimaatatlas.net/ en die een onmisbaar onderdeel is bij elke ruimtelijke ingreep. Inmiddels is een opzet voor risicodialogen met belanghebbenden beschikbaar. Figuur B3 geeft een beeld van de processen die de gemeente in het kader van klimaatadaptatie doorloopt en (periodiek) zal blijven doorlopen.

Figuur B2 Overzicht 7 ambities Ruimtelijke adaptatie

Figuur B3 Proces van klimaatadaptatie conform het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (links). De afbeelding rechts licht het voeren van de risicodialogen toe (Bron: Wielinga, A.: Klimaatadaptatie, gedeeld eigenaarschap, 2020)

Voorbereidingen op de Omgevingswet Meierijstad bereidt zich momenteel voor op de nieuwe Omgevingswet. In de toekomstige omgevingsvisie leggen we onze ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast: een integrale visie die betrekking heeft op alle terreinen van de fysieke leefomgeving waarbij ruimte is voor gebiedsgericht maatwerk. Naast de omgevingsvisie zijn omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan belangrijke instrumenten. Omgevingsprogramma’s gaan in op de uitwerking van het te voeren beleid en maatregelen om omgevingswaarden of doelstellingen te halen. Het omgevingsplan vervangt onder andere het oude bestemmingsplan en wordt aangevuld met lokale regelgeving voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is recent uitgesteld tot 1 juli 2022.

2. Uitwerking visie Dit hoofdstuk gaat in op de visie voor de water- en rioleringstaken van onze gemeente. Daarmee vormt het de basis voor de visie op water in de toekomstige omgevingsvisie van onze gemeente Meierijstad. Niet alleen de komst van de Omgevingswet stelt de gemeente Meierijstad voor grote uitdagingen. Er zijn een aantal transities die de gemeente dient te integreren: de energietransitie, de woonopgave, de transitie landbouw en natuurlijk klimaatverandering. Genoemde transities hebben niet alleen allemaal een ruimtelijke component, maar nodigen ook uit de afzonderlijke sporen te komen. Deze verander- en meekoppelopgaven in Meierijstad vragen om slim combineren op ‘de vierkante meter’. Er zullen keuzes gemaakt dienen te worden, gegeven de beperkte beschikbaarheid van ruimte waar alle veranderopgaven in terecht gaan komen. Om tot keuzes voor een toekomstbeeld kunnen een aantal criteria of leidende principes worden gehanteerd die elkaar versterken: 1. Natuurlijk systeem aan de basis Het bodemtype, de hoogteverschillen en de watersystemen in Meierijstad zijn bepalend voor de toekomstige ruimtelijke inrichting. ‘We gaan weer in gesprek met het landschap’ omdat het natuurlijke systeem uitgangspunt is voor de oplossingen die aangedragen worden voor een klimaatbestendig en biologisch divers Meierijstad 2.

Optimaal benutten van water Om de biodiversiteit en kwaliteit van de natuurlijke omgeving te vergroten en elke druppel water optimaal in te zetten, moet ons watermanagement gericht zijn op het maximaal vasthouden, benutten, bergen en dan pas afvoeren van water 3. Natuurinclusieve samenleving Bij alle keuzes op het gebied van energie, landbouw, circulaire economie, leefbaarheid, verstedelijking en watermanagement, houden we rekening met de natuur. We kijken naar de gevolgen van menselijk handelen voor natuur, het beschermen ‘oude natuur’ strikt(er) en zetten in op natuurlijke processen, mogelijk in combinatie met technische oplossingen. We zien ruimte voor het ontstaan van nieuwe natuur, benutten optimaal benut de baten voor de mens (ecosysteemdiensten) en werken aan ecologische verbindingen die flora en fauna helpen hun verspreiding te verschuiven 4. Circulaire economie Een natuurlijkere toekomst voor Meierijstad is gebaseerd op het principe dat het land over 100 jaar niet alleen klimaatneutraal is, maar zelfs klimaatpositief waarmee we meer broeikasgassen willen vastleggen dan uitstoten. Dat vraagt om een transitie richting een circulaire economie gericht op duurzaamheid, met een focus op de dienstensector en een sterk ontwikkelde kringlooplandbouw 5.

Meebewegende (adaptieve) ruimtelijke inrichting De noodzakelijke aanpassingen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energietransitie, verdere verstedelijking en toenemende mobiliteit, leiden tot sterke veranderingen in de (natuurlijke) omgeving en biodiversiteit. Om een veilige, leefbare, welvarende en duurzame toekomst te garanderen, moet Meierijstad slim met de natuur meebewegen en natuurlijke processen optimaal benutten in de ruimtelijke inrichting Vertaald voor het nieuwe Rioleringsplan betekent dat dat we als gemeente onze verantwoordelijkheid nemen voor het uitvoeren van onze afval-, hemel-, grond- en oppervlaktewatertaken. Verantwoordelijkheid nemen doen wij met betrokken en kundige mensen, inwoners, ondernemers, andere overheden en belanghebbenden en altijd redenerend vanuit het algemeen belang. De zorg voor het rioolstelsel en het watersysteem vindt plaats op basis van maatschappelijke aanvaardbare kosten. Thema’s die hierbij een rol spelen, zijn: afweging van risico’s, doelmatigheid, urgentie, (politieke) actualiteit, meekoppelkansen, beheerbaarheid, bedrijfszekerheid en goed assetmanagement. De visie en doelen voor de drie wettelijke zorgplichten, het veranderend klimaat en oppervlaktewater zijn navolgend uitgewerkt.

De visie en doelen voor het veranderend klimaat en oppervlaktewater hebben een duidelijke relatie met de wettelijke zorgplichten maar zijn anders geaccentueerd in de navolgende paragrafen omdat deze een andere wettelijke basis hebben dan de drie zorgplichten.

In tegenstelling tot eerdere rioleringsplannen gaan wij bij het uitvoeren van onze water- en rioleringstaken uit van het natuurlijk systeem, het eerste leidend principe. Dat betekent dat deze taken worden beschouwd als onderdeel van een ruimtelijke opgave, waarvoor de klimaatonderlegger de basis gaat vormen, zie intermezzo. In lijn met de lagenbenadering uit de Omgevingswet worden met de klimaatonderlegger landschapskwaliteit en landschapscondities weer onderdeel van het besluitvormingsproces ruimtelijke ordening (straks: omgeving). Deze klimaatonderlegger vormt daarmee de basis voor de gebiedstypologieën en gebiedsindelingen die de komende jaren verder worden uitgewerkt als onderdeel van zowel omgevingsvisie als de omgevingsprogramma. Klimaatonderlegger Hoe breng je de lagen bodem, water, groen, infrastructuur en bebouwing in beeld in relatie tot het klimaat? Dat doe je met de Klimaatonderlegger. Met deze kaart, zie figuur 4, worden de medewerkers maar ook inwoners van de gemeente Meierijstad uitgedaagd om zelf bezig te gaan met de klimaatverandering. Als het gaat om de klimaatverandering, biedt de gemeente Meierijstad veel kansen om daar op een slimme wijze op te anticiperen. De Klimaatonderlegger is één van de instrumenten is die kan worden ingezet om te komen tot oplossingen in het kader van de klimaatverandering gefocust op energie, water, groen en hittestress.

Op de kaart wordt zichtbaar op welke plekken in de gemeente de gevolgen van de klimaatverandering het duidelijkst merkbaar zijn en op wat de juiste plaats om de goede maatregelen te nemen. Het doorgronden van het klimaat op lokaal niveau is namelijk complex. Een bijbehorende laagdrempelige taal voor zowel gemeente als inwoners helpt dan om uitdagingen om te buigen naar kansen. Tevens vergroot dat de bewustwording over de effecten van de klimaatverandering en de maatregelen die lokaal moeten worden genomen. Klimaatverandering en het gezamenlijk zoeken naar oplossingen is daarmee een sociaal maatschappelijke opgave.

Figuur B4 De Klimaatonderlegger, structuurkaart, gemeente Meierijstad, zie voor uitleg: bijlage

3. Visie De navolgende kaders geven de lange termijn visie van onze gemeente op afvalwater, hemelwater, grondwater het veranderend klimaat en oppervlaktewater. Visie op afvalwater Het inzamelen en afvoeren van afvalwater levert een enorme bijdrage aan de volksgezondheid en leidt wereldwijd tot een langere levensverwachting. De gemeente werkt aan een gezonde leefomgeving door in te zetten op een goed functionerend en robuust rioolstelsel dat kan meebewegen met de ontwikkelingen van de toekomst. Daar waar mogelijk worden stromen van vuil en schoon water gescheiden (gehouden) en worden water en grondstoffen hergebruikt. Samen met het waterschap streeft de gemeente naar het verminderen van de hoeveelheid te zuiveren afvalwater en het optimaal gebruik van afvalwater vanuit het perspectief van circulariteit: hergebruik van water, nutriënten en warmte. De gemeente streeft er samen met de waterschap naar om het afvalwater op een doelmatige wijze in te zamelen, te transporteren en te zuiveren voordat het geloosd wordt op het oppervlaktewater. Visie op hemelwater De gemeente werkt aan een veilige en klimaatbestendige leefomgeving door op een zorgvuldige manier om te gaan met het hemelwater dat valt op de verharde en onverharde oppervlakken. Waar mogelijk worden stenen weggehaald en vergroend.

Afstromend schoon hemelwater van verhardingen wordt zoveel mogelijk direct of anders via voorzieningen naar de bodem geleid, zodat het vertraagd kan afstromen en in perioden van droogte een buffer vormt. In z’n algemeenheid wordt nagestreefd om het hemelwater zoveel mogelijk vast te houden, daar waar het valt. Inwoners, ondernemers en overige belanghebbenden worden gestimuleerd om hemelwater zoveel mogelijk op het eigen terrein vast te houden. Visie op grondwater De gemeente streeft, ook bij een veranderend klimaat, naar het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van afwijkende grondwaterstanden voor de aan de grond gegeven bestemming van een gebied. De gemeente streeft naar een grondwaterpeil dat voldoende diep is om structurele nadelige gevolgen door een te hoge grondwaterstand te voorkomen en voldoende hoog om droogteproblemen tegen te gaan. De provincie Noord-Brabant, waterschappen De Dommel en Aa en Maas, de gemeente Meierijstad en particulieren nemen daarbij de eigen verantwoordelijkheid. Visie op oppervlaktewater Naast afvalwater, hemelwater en grondwater is het oppervlaktewater een belangrijke schakel voor het veilig en droog houden van de leefomgeving. Schoon oppervlaktewater verhoogd ook de kansen voor biodiversiteit en is een van de dragers voor de toekomstige klimaatbestendige inrichting van Meierijstad.

Ook rioolstelsels dragen hier in belangrijke mate aan bij. Verstandige keuzes voor beide systemen zorgen ervoor dat de dorpen klimaatbestendig, schoon en gezond blijven voor de mensen, maar natuurlijk ook voor planten en dieren! Wij willen water meer zichtbaar maken en, met het waterschap, werken aan een goede waterkwaliteit. Door water meer zichtbaar te maken wordt de waterbewustwording en de belevingswaarde vergroot. Visie op een veranderend klimaat De gemeente streeft naar een klimaat robuuste inrichting van de openbare (en niet openbare) ruimte in 2050. Thema’s hierin zijn extreme neerslag, hitte en droogte, maar ook hieraan gekoppelde thema’s als vergroening en biodiversiteit. Voor het thema extreme neerslag staan het zoveel mogelijk voorkomen van negatieve economische gevolgen zoals schade aan gebouwen en vitale infrastructuur en de toegankelijkheid van hulpdiensten centraal. Voor het thema hitte staat verkleining van de gezondheidsimpact op kwetsbare groepen en het hittebestendiger maken van de openbare ruimte centraal. Voor het thema droogte streeft de gemeente naar sponswerking van de openbare ruimte via groene en bodembuffers en het voorkomen van onomkeerbare schade aan kwetsbare gebouwen, infrastructuur en natuurwaarden.

Bijlage: Wat is een klimaatonderlegger? Een klimaatonderlegger is een kaart die gebiedstyperende klimaateigenschappen middels de relaties tussen de zojuist genoemde lagen in beeld brengt. De basis wordt gevormd door de grondslag water, hoogteligging bodemsoorten. En de daarop rustende lagen als groen, bebouwing, infrastructuur zijn in grote mate afhankelijk van de grondslag. Veranderende weersomstandigheden hebben een grote invloed op het lokale klimaat. De onderlegger brengt de klimaatbestendigheid (wateroverlast, overstromingen, droogte en hitte) aan de hand van de relaties tussen de verschillende laageigenschappen in beeld. Dit vertaalt zich in een aantal klimaatruimtelijke eenheden die verwantschap hebben met de indeling van gebiedstyperingen zoals in de omgevingsvisie beschreven staat. Logisch, een bepaalde gebiedstypologie is uiteindelijk ook opgebouwd uit een integrale samenhang tussen de genoemde lagen. De onderlegger bestaat uit een klimaatfeitenkaart, een feitelijke weergave van de klimaatruimtelijke context. De belangrijkste conclusies uit deze feitenkaart zijn met klimaatstructuren en ruimtelijke relaties samengevat in de klimaatstructuurkaart. De structuurkaart maakt op hoofdlijnen de klimaatruimtelijke variaties inzichtelijk. De eigenschappen per klimaateenheid worden in de legenda toegelicht.

De kansen en uitdagingen van de verschillende klimaateenheden zijn samengevat in een relatietabel klimaat en functie. In beginsel is klimaatadaptatie een sociale en maatschappelijke opgave. Immers, vanuit verlangen ontstaat beweging. Niet alles kan op gemeentelijke schaal worden opgelost, maar vergt ook een regionale aanpak. Inmiddels hanteert waterschap Aa en Maas als onderdeel van het Waterbeheerprogramma ook haar eigen klimaatonderlegger voor het gehele beheergebied en heeft zij aangekondigd dit als ‘praatplaat’ te gaan gebruiken voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen in haar beheergebied. Waterschap De Dommel is momenteel ook bezig met de klimaatonderlegger. De feitenkaart en structuurkaart met kansrijke voorbeelden zijn ingezet bij de klimaatsafari. Deze klimaatsafari is een interne dialoog, waar men met collega’s met een verschillende achtergronden in gesprek gingen om hen enerzijds te informeren en inspireren met als doel om de onderlegger te spiegelen en feedback te krijgen. Deelnemers kregen inzicht en bewustzijn voor de diversiteit aan microklimaat en de effecten daarvan binnen de regio. Vandaaruit worden gezamenlijke uitgangspunten en bouwstenen voor het nieuwe Rioleringsplan, klimaatadaptatiestrategie en omgevingsvisie geformuleerd.

Waarom een klimaatonderlegger? Door inzicht te verschaffen in de basis, ook wel de grondslag genoemd, en de integrale effecten van de diverse invloedsferen, kan het lokale klimaatsysteem beter worden begrepen en doorgrond. Dit is van wezenlijk belang voor de gemeente om gebiedsgerichte maatregelen te treffen. Anders verwoord: in staat zijn om generieke maatregelen gericht en gebiedspecifiek in te zetten. Aansluiten en inspelen op het landschappelijke gegeven vergroot de efficiëntie van klimaatmaatregelen en draagt bij aan gewortelde lokale identiteit. Bij de kansen wordt dan ook altijd vanuit cultuurhistorische waarden en achterliggende ruimtelijke principes gewerkt. Voortbouwen en soms herontdekken van oude waarden in een nieuwe vertaling zorgt immers voor aansluiting en samenhang. Daarnaast voorziet de klimaatonderlegger klimaatstresstesten van een ruimtelijke systeemcontext. Waar stresstesten de feitelijke huidige situatie in beeld brengen, geeft de klimaatonderlegger aanvullende systeeminformatie. Zo worden de toekomstverwachtingen beter en in samenhang tot de omgeving inzichtelijk gemaakt.

Wat laat de onderlegger zien? De kaart toont de opbouw van het landschap en de daarbij behorende klimaatvariaties en de relatie tussen de ondergrond, het menselijk handelen en het veranderende klimaat. Daarmee ontsluit deze kaart informatie die kan worden gebruikt om met elkaar beslissingen ambtelijk voor te bereiden die klimaat-ruimtelijk aansluiten bij wat het (klimaat)landschap biedt. De kaart is een gelaagd conditionele benadering waarbij we breed, diep en rond uitdagingen en kansen vertalen naar integraal afgewogen opgaven. Dat is waar de Omgevingswet ons toe uitdaagt. Het landschap binnen de Meierijstad kenmerkt zich door enerzijds het droge raamwerk. Drie hoge, droge zandstructuren. Dit zijn de Midden Brabantwal, De Peelrandbreuk en langgerekte zandvingers oftewel langsduinen. Anderzijds heeft Meierijstad het natte raamwerk bestaande uit de beekdalen de Leygraaf, de Aa en de Dommel. De Zuid-Willemsvaart snijdt als een gebiedsvreemde structuur dwars door het Aa-dal en andere landschapsstructuren heen. Tussen dit droge en natte raamwerk liggen in het oosten stagnatiekommen, in het midden vlakke heideontginningen en in het westen leem- en kwelbossen. De bebouwing binnen Meierijstad volgt grotendeels het hoge raamwerk, zeg de hoger gelegen langsduinen. Pas recentelijk zijn sommige kernen, zoals Veghel, in de lager gelegen delen gaan uitbreiden.

Hier zijn dan ook de meeste risico’s voor wateroverlast te verwachten, mede omdat er door een run-off vanuit de hogere vaak verharde delen grote hoeveelheden water naar de lagere delen stroomt en omdat in de uitbreidingswijken doorgaans de bergende ruimte zich tot de randen van de wijk beperken. De lagere delen bestaan veelal door een beperkt doorlatende zwak-lemige fijne zandgrond. Daar waar rijke humeuze eerdgronden aanwezig zijn, kan de sponswerking van de bodem veel water absorberen. Deze zogenoemde ‘gouden randjes’ zijn van wezenlijk belang voor een robuust bodem-gereguleerd klimaat. Op de hogere zandgronden zakt het water in een natuurlijke situatie snel weg en daalt de grondwaterspiegel. Verdroging met alle gevolgen van dien is dan ook een steeds grotere zorg. Opbouw in eenheden Zandruggen, roodbruin Dit is het gebied van de Midden Brabantwal. Het zijn de hoogste, droogste en meest hittestress gevoelige gebieden. In de toekomst zijn deze gebieden het meest gevoelig voor klimaatveranderingen. Dit uit zich in verstuiving en oxidatie van organische stof met verlies van watervasthoudend vermogen. Dit veroorzaakt een kettingreactie, waarbij de conditie van groen achteruitgaat en oogsten steeds vaker zullen mislukken. De kansen in dit gebied liggen vooral in het omschakelen naar warme teelten en natuur die goed tegen droogte kunnen.

Uitdaging in dit gebied is het op peil houden van het grondwater en verdere omzetting en uitspoeling van humus tegen te gaan. Dorpskernen en bedrijventerreinen, rood Dit zijn de kernen, berdrijventerreinen, boerenerven en kleinschalige bebouwing in het buitengebied. Dorpskernen De dorpse structuur van de kernen is compact, stenig en bezit met name in de kernen Schijndel, Veghel en Erp weinig groen. De natuurlijke ondergrond bestaat doorgaans uit een zandige, tot op beperkte diepte goed doorlatende ondergrond met een leemhoudende onderlaag. In potentie zijn het geschikte gebieden om water te infiltreren. Echter door sterk versteende oppervlakten is daar in het verleden weinig ruimte voor vrij gemaakt, met alle gevolgen van dien. De hoge, sterk afhellende delen hebben geen last van wateroverlast maar wentelen dit af op lager gelegen delen. Ophoping van water in de lagere delen kan bij piekbuien tot aanzienlijke wateroverlast leiden. Ventilerend binnen de compacte kernen is lastig. De warmte blijft er langer hangen waardoor, ondanks de verkoelende werking van de omgeving, alsnog hittestress wordt ervaren. De genoemde eigenschappen in relatie tot toenemende droogte en hitte zorgt dat de conditie van het klimaatregulerend groen achteruitloopt en de hittestress en droogte toeneemt.

Een ander aandachtspunt is de opbouw van de bodem. Vooral de langsduinen, waar de kernen St-Oedenrode, Schijndel en Veghel op liggen, rusten op een leemhoudende ondergrond. Wanneer bij graafwerkzaamheden deze wordt beschadigd, leidt dit tot wegstromen van grondwater, inklink van de bodem met alle gevolgen voor fundering, leidingen, riolering en verharding. Bedrijventerreinen De categorie bedrijventerreinen vraagt bijzondere aandacht. Deze terreinen kenmerken zich, ten opzichte van de woongebieden, door de grote rode oppervlakten. De bedrijventerreinen liggen vaak in de wat lager gelegen randen en dragen aanzienlijk bij aan wateroverlast en hittestress. Door de grote bebouwde oppervlakten is het hitteproducerend areaal daken aanzienlijk en dienen er zeer grote hoeveelheden neerslag te worden afgevoerd. Dit kan oplopen tot een verdubbeling en in sommige gevallen zelfs tot verdrievoudiging van het af te voeren water. In de randen zijn bergingsbasins aangelegd maar of deze, gezien de geringe infiltratiecapaciteit van de bodem, toereikend zijn is maar de vraag. De grote dakoppervlakten en stenige delen (met name parkeerplaatsen) zorgen ook voor veel hittestress. Het areaal wonen van Veghel ligt benedenwinds van deze bedrijventerreinen en ontvangt zo warme lucht vanuit het bedrijventerrein. Door relatief kleine maatregelen kan het tij worden gekeerd.

Te denken valt aan bijvoorbeeld het toepassen van waterdoorlatende verharding en ruimte voor het creëren van water absorberende groenzones en groene gevels en daken. Zo ontstaat er ruimte om water te bergen, te infiltreren en goede groeicondities voor groen te creëren met alle voordelen voor de biodiversiteit en leefbaarheid. Boerenerven, bedekte (tuinbouw)bodems en kleinschalige bebouwing buitengebied De ontwikkelingen in het buitengebied vragen om nieuwe inzichten voor een vitaal en klimaatadaptief platteland. Er zijn relatief veel bedrijfsbeëindigingen aangekondigd en nieuwe ontwikkelingen, als de energietransitie, vragen veel ruimte. Het is zaak om een gezonde mix te creëren waarbij verschillende vormen van grondgebruik elkaar en het klimaat versterken. Kleinschalige (recreatie)woningen op de hoge zandgronden zouden bijvoorbeeld samen kunnen gaan met autarkische woonvormen, terwijl in de lage natte delen er meer combinaties met de energietransitie, teelt van biomassa, voedselbossen en waterberging gezocht kan worden. Stagnatiekommen, paars Stagnatiekommen zijn komvormige laagten op een beperkt doorlatende fijnzandige bodem. Hierdoor zal water, dat niet snel genoeg weg kan, hier sneller tot wateroverlast leiden. Dit zijn overigens ook de plekken waar de lucht blijft hangen en mede daardoor tot een slechtere luchtkwaliteit kan leiden.

Dit is extreem in de komvormige laagte tussen de snelweg A50 en Veghel. Zoals hierboven beschreven stoppen er veel boeren en is het vraagstuk van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) levensgroot. Is het denkbaar om de bedrijven een herbestemming te geven die past bij het grondgebruik van de toekomt? Is het mogelijk dat functies, zoals landbouw, wonen en natuur, die nu nog onverenigbaar zijn, onder de Omgevingswet toch zijn te integreren? Heidevlakten, groen Dit zijn de vlakke, licht hellende gebieden op de overgang van hoog naar laag. Deze gebieden vormen het meest stabiele en gunstige klimaat binnen de regio. Een goede waterhuishouding, een vlakke, licht hellende ligging met voldoende groen zorgen er voor dat gunstige klimaat. Wel zal in de toekomst een herverkaveling nodig zijn, waarbij men van een afvoerend naar een water circulerend systeem toewerkt om de waterneutraliteit van de gemeente te vergroten en het grondwater robuust te voeden. Zo kunnen de lager gelegen kwelbossen geleidelijk aan worden gevoed. Kwel en leembossen, blauwgroen Dit zijn de laagst gelegen delen in de gemeente en liggen aan de westelijke zijde van de gemeente. De minst lage delen worden gevormd door kwelbossen en zijn, door een terugtrekkende grondwaterstand, geleidelijk aan het verdrogen. Kwelgebieden zijn en worden steeds meer gebieden waar het water in de bodem trekt.

Dit gaat ten koste van de bijzondere kwelwater gerelateerde natuur. De laagst gelegen leembossen worden eveneens getroffen door een toenemende droogte. Deze wordt echter gecompenseerd door de aanvoer van gebiedsvreemd water met een andere kwaliteit en in sommige vallen met exoten. Dit vormt een bedreiging voor veel inheemse aquatische natuur waaronder een unieke kreeftensoort die in kwelwater milieus gedijt. Zandvingers, geel Dit zijn hogere zandige en doorlatende delen in het landschap. Deze liggen op de overgang van hoog naar laag of worden gevormd door zandige oeverwallen die als zandvingers in het landschap liggen. Deze zandvingers vormen een steeds droger wordende klimaatzone die goed water infiltreert maar wel gevoelig is voor langdurige droogte en wateroverlast in sterk verharde delen. In de hellende delen zal sprake zijn van run-off waardoor lager gelegen delen extra water te verwerken krijgen. De kansen in dit gebied liggen vooral in het benutten van de hogere ligging in het landschap, een goed infiltrerend vermogen. De gouden randen, bruin De ‘gouden randen’ zijn de humeuze randen rond de zandvingers. Door de uitstekende sponswerking absorbeert en houdt dit gebied veel water vast. Deze ‘gouden randen’, met veel gezond klimaatgroen water, dragen bij aan een gunstig klimaat en hebben tegelijkertijd een verkoelend, infiltrerend en grondwatervoedend effect.

Vooral de lange lintdorpen als Sint-Oedenrode en Schijndel hebben hier veel profijt van. Het is een uitdaging om de condities te behouden en liefst te versterken. Dommeldal, donkerblauw Dit gebied is een diep ingesleten rivierdal en ingekaderd door steilranden. Dit gebied bestaat uit kleinschalige natte hooilanden met een hoge natuurwaarde en, ondanks dat het regelmatig overstroomt, een klimaat robuust systeem. De hoge grondwaterstanden zorgen voor een beperking in het grondgebruik en meer kansen voor natuur en recreatie. Als robuuste snelstromende rivier met van oudsher watermolenbiotopen is het geschikt om in beperkte mate energie uit stromend water te winnen. De aangrenzende lagere delen tussen Liempde en Sint-Oedenrode zijn onderdeel van een vloeivelden en raatakkersystemen, zeer geschikt voor waterberging. Het systeem heeft hiermee misschien zelfs een verdedigende werking gehad en is vermoedelijk een voorloper van de later aangelegde waterlinies in Noord-Brabant. Aa-dal, blauw He Aa-dal bestaat uit een opeenvolging van cascades die het water getrapt doen afstromen. Net als de Dommel zijn de plekken, waar het water in hoogte verspringt, oude watermolenbiotopen. De Aa treedt regelmatig buiten zijn oevers en vult dan de laaggelegen kommen langs de Aa. Het Aa-dal vraagt om een bebouwingsarme zone waar het fluctuerende oppervlaktewater ruimte voor een robuust rivierdal houdt.

Dat geldt ook voor de kernen Erp en Veghel waar heuse dorpsmoerassen zijn ontstaan. Zoals eerder vermeld ondervinden de woonwijken in het Aa-dal toenemende wateroverlast bij fluctuerende waterstanden. Ook bestaat de ondergrond uit een ondoorlatende leemlaag waardoor het water niet in de bodem kan zakken en afvloeit naar lagere delen. De eerder beschreven run-off is in deze delen het grootst. Anders gezegd: hier is de urgentie om wateroverlast tegen te gaan het hoogst. De onbebouwde kommen langs de Aa zijn bij uitstek geschikt om water vertraagd af te voeren en te bergen. Immers het gecascadeerde kommensysteem leent zich daar bij uitstek voor. Zo kan op hoger schaalniveau problemen op wijkniveau worden voorkomen; één van de voorbeelden waarbij de samenwerking tussen waterschap en gemeente letterlijk meerwaarde en kostenbesparing oplevert. Bovendien bieden deze groenblauwe zones kansen om kernen als Veghel en Erp van een verademend frisgroen uitloopgebied te voorzien zoals dit in Sint-Oedenrode langs de Dommel gebeurt. Zuid-Willemsvaart, blauw Zoals eerder beschreven is de Zuid-Willemsvaart dwars door het Aa-dal getrokken, kruist deze meermaals de Aa en komt het waterbeheer van inlaat en aflaat tussen Aa en Zuid-Willemsvaart nauw kijken.

Zijstromen van de Aa, zoals de Biezenloop kent een aflaat van de Zuid-Willemsvaart op de grens met Beek en Donk en stroomt via een duiker ter hoogte van Wijboschbroek onder het kanaal door. Bij hoge neerslag in het achtergebied kan bij de duiker water stagneren en bovenstrooms aanzwellen. Dit is ook in de bebouwde kom van Veghel een risico. Dit is in beginsel een probleem maar kan worden omgebogen tot kans, wanneer er bergingsruimte voor oppervlaktewater wordt gevonden. Het dal inrichten als vloedbos, waarbinnen de Aa zijn eigen weg zoekt, zou een richting kunnen zijn om tot herstel van het natuurlijke systeem te komen binnen de ruimte van de lagergelegen kommen en cascades. Leijgraaf, lichtblauw De Leijgraaf is het beekdal ten noorden van Erp en Veghel. Dit beeksysteem wordt deels gevoed door wateraanvoer vanuit de Aa (gemaal Veluwe) en deels door zijstromen en wijstwater vanaf de Peelhorst. Voedselarm (meststoffen zijn gebonden aan ijzeroer) mineraalrijk wijstwater vormt de basis voor een lithoclien (mineraalwater gebonden) ecosysteem. De Leijgraaf kent weinig fluctuaties van het oppervlaktewaterpeil en een continue aanvoer van wijstwater. De tektonische breuklijnen (Peelrandbreuk) hebben vanwege het continue grondwateraanvoerende karakter in potentie een klimaatregulerende werking. Nooit te droog, te warm of te koud.

In de lijn Sint-Oedenrode en Wijbosch ligt ook een breuklijn die de zone voorziet van diep kwel- c.q. wijstwater. De Leijgraaf en andere breukzones zijn bij uitstek geschikt voor natuurontwikkeling en koelte minnende functies als recreaties etc. Wat levert de klimaatonderlegger op? Wij denken dat de klimaatonderlegger de gemeente Meierijstad een basis biedt om, bij het voorbereiden en nemen van beslissingen in de fysieke leefomgeving, aansluiting te houden met het landschap. Vanuit de verschillende vakdisciplines ontstaat daardoor een nieuwe gemeenschappelijke taal, naast de al langer bestaande sectorale taal. Bij het beheersen van deze nieuwe taal, kan iedereen beter, samen met anderen, zijn/haar bijdrage leveren aan de veilige en gezonde leefomgeving. Ons succes gaat over: • Feitelijke informatie over de klimaat-ruimtelijke variaties in relatie tot de onderliggende systemen. Waarom is een plek zo hoe hij nu is? Dat is een oersterk vertrekpunt om gezamenlijk de grondslag te ontdekken en te ontwikkelen • Het gezamenlijke gesprek en van daaruit het begrijpen van elkaar en de omgeving • Een gezamenlijk verlangen om een taal te hebben en deze vanuit de klimaatonderlegger te ontwikkelen • Samen de vraag beantwoorden ‘Wat vinden we belangrijk en in welke volgorde’?

Bijlage 2

Uitwerking interne dialoog

Tijdens de interne dialoog hebben we verschillende situaties aan de deelnemers voorgelegd. De deelnemers is vervolgens gevraagd, de verschillende situaties te prioriteren. Daarbij is onderscheid gemaakt in vier categorieën: • Onacceptabel: situaties die we dusdanig ernstig vinden dat er op korte termijn iets aan gedaan moet worden om het op te lossen. Dit kan ook zijn dat we op korte termijn een onderzoek starten of gaan communiceren / een tijdelijke maatregel treffen (hekken bij wateroverlast) in plaats van direct de schop in de grond te zetten • Onwenselijk: situaties die bij voorkeur voorkomen moeten worden, maar de kans is klein en de gevolgen beperkt. Mocht de situaties zich voordoen dan zal dit niet direct tot onoverkomelijke problemen leiden • Acceptabel: situaties waarbij de kans en het gevolg zo klein zijn dat we het acceptabel vinden. Via bedrijven, corporaties, voorlichting en communicatie vertellen we onze inwoners wat ze eventueel zelf kunnen doen • Geen gemeentelijke verantwoordelijkheid: situaties waarvoor de gemeente geen wettelijke verantwoordelijkheid heeft voor de gevolgen Door het indelen van de situaties in deze categorieën, hebben we de opgave inzichtelijk gemaakt. Onderstaand zijn de uitkomsten van de interne dialoog weergegeven. Let op dit betreft een weergave van de eerste verkenning vanuit het vertrekpunt de gemeentelijke zorgplichten.

Deze dialogen moeten we nog verder intern en extern voeren. Cursief is aangegeven waar we in ieder geval nog verdere invulling aan moeten geven.

1. Wateroverlast (in relatie tot extreme neerslag) Toelichting gebruikte buien: • T = 2 een bui die eens in de 2 jaar voorkomt en waarbij 20 mm in één uur valt • T = 10 een bui die eens in de 10 jaar voorkomt en waarbij 40 mm in één uur valt • T = 100 een bui die eens in de 100 jaar voorkomt en waarbij 70 mm in één uur valt Op basis van de resultaten van het BRP komen wellicht andere buien en/of ander volume naar voren. Afvalwater op straat of in oppervlaktewater • Bij bui T =2 vinden we afvalwater uit de riolering op straat onacceptabel • Bij bui T = 10 vinden we afvalwater uit de riolering op straat onwenselijk • Bij bui T = 100 vinden we afvalwater uit de riolering op straat acceptabel • We streven naar een volledig gescheiden systeem en beperken emissies via overstorten door het verder ontvlechten van hemelwater en afvalwater • Geur- en stankoverlast als gevolg van werking overstorten vinden we acceptabel zolang dit niet leidt tot gezondheidsrisico’s Dit is vooralsnog de ambitie. De rekenresultaten uit het BRP moeten inzicht geven tot welke opgave dit leidt. Dit kan zorgen voor een bijstelling van de ambitie in de nadere uitwerking. Onacceptabel wil niet zeggen dat de situaties binnen 5 jaar zijn opgelost, maar dat we op korte termijn maatregelen treffen. Korte termijnmaatregelen kan bijvoorbeeld communiceren en/f het afzetten van wegen zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=28458c77-0149-46e1-9090-7f1b750cbf35