Plantoelichting Vossenbergsesteeg 5 en ong. Schijndel 260224
Tekst van het document
4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. Het vigerende bestemmingsplan is reeds behandeld in paragraaf 1.3. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Omgevingsvisie Meierijstad, de Woonvisie Meierijstad, de Structuurvisie Ruimte, de Structuurvisie Buitengebied, de Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’, het Groenbeleidsplan, Paraplubestemmingsplan parkeren, de Welstandsnota Meierijstad 2018 en het VGRP+ 217-2022.
30
Omgevingsvisie Meierijstad Toetsingskader In de Omgevingsvisie Meierijstad uit 2020 wordt onderscheid gemaakt tussen landelijk en stedelijk gebied. Per activiteit zijn uitgangspunten en voorwaarden opgesteld. Voor onderhavig planvoornemen is nader gekeken naar het landelijk gebied. Als motto geldt ‘Geen rood zonder groen en blauw’. De voornemens en hoofdzaken van het omgevingsbeleid zijn uitgewerkt in acht verschillende gebiedstypologieën: i. landelijk gebied, hoofdfunctie natuur (LGHN); ii. ii. landelijk gebied, agrarisch (LGA); iii. landelijk gebied, verweving van functies (LGVF); iv. centrumdorps gebied (CDG); v. centrumstedelijk gebied (CSG); vi. verstedelijkt (woon)gebied (VG); vii. lichte bedrijvigheid (LB); viii. zware bedrijvigheid (ZB). Bij activiteiten in het landelijk gebied vragen de gemeente dat die de waarden van bodem, water, landschap, natuur, milieu en gezondheid versterken (LGHN) of ten minste respecteren (LGVF, LGA). Voorts wordt voor onderhavig planvoornemen gekeken naar de visie op bedrijvigheid in het landelijk gebied en wonen in het landelijk gebied. Landelijk wonen De boodschap van de gemeente over wonen in het landelijk gebied is genuanceerd. In beginsel niet in LGHN, liever niet in LGA en wel in LGVF.
Hoewel na agrarische bedrijfsbeëindiging wonen een vervangend ruimtelijk programma kan bieden, zijn er ook binnenstedelijke transformatielocaties die aanspraak maken op het woningbouwprogramma. Het woningbouwprogramma heeft ook een inhoudelijke focus: op sociale woningen, en op woningen voor ouderen dan wel starters. Die focus is anders dan wat initiatiefnemers van woningbouw in het landelijk gebied meestal voorstellen. Als tegenhanger van de remmende factoren is te noemen dat Meierijstad haar (potentiële) inwoners een schakering van woonmilieus wil bieden. En wonen in een groene omgeving, landelijk wonen, een grote tuin, ruimte voor enkele dieren of een zwembad, dat zijn wel reële woonwensen waarin het landelijk gebied kan voorzien. Wie ervoor kiest te wonen in het landelijk gebied, past geen stedelijk verwachtingspatroon met betrekking tot de omgeving. In een woonwijk of dorpscentrum worden inwoners meer ontzien en beschikken ze over betere voorzieningen. Met ons omgevingsbeleid willen we de milieukwaliteit in het landelijk gebied wel verbeteren, maar woongenot zal het toch soms afleggen tegen de externe effecten van bedrijfsmatige activiteiten. Doorwerking plan(gebied) Onderhavige planontwikkeling doet geen afbreuk aan de uitgangspunten, ambities en doelstellingen, zoals opgenomen in de nieuwe Omgevingsvisie Meierijstad.
Met respect voor de omgevingskwaliteiten wordt onderhavig planvoornemen geïntegreerd in de bestaande situatie.
31
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Omgevingsvisie Meierijstad. Woonvisie Meierijstad (2018) Toetsingskader Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Gestreefd wordt, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Om te voorzien in de diversiteit van woningbehoeften en wensen van eigen inwoners en van hen die zich in Meierijstad al dan niet tijdelijk willen vestigen, geeft de gemeente ruimte aan woningbouwplannen. Voor de woningbehoefte wordt niet alleen gekeken naar de korte maar ook naar de lange termijn. Waar het goede van het landelijk wonen wordt behouden en de meer stedelijke kern aantrekkelijker wordt gemaakt en wordt versterkt. En waar de gemeente samenwerkt met plaatselijke partners en inwoners, maar ook met de regio. De gemeente richt de aandacht op vier thema’s en de realisatiekracht van deze visie: 1. de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; 2.
wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3. duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. De gemeente Meierijstad geeft prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. De gemeente werkt aanvullend op deze woonvisie aan een transformatievisie. Daarin worden potentiële inbreidings- en transformatielocaties in kaart gebracht en wordt een afwegingskader opgenomen. Doorwerking plan(gebied) De Ruimte-voor-Ruimte woningen kennen een andere grondslag. Hiermee neemt het onderliggend bouwplan in zekere zin een uitzonderingspositie in. Zo zijn de reguliere gemeentelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen op het gebied van wonen en volkshuisvesting niet direct van toepassing op het bouwplan.
32
Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Woonvisie Meierijstad. Structuurvisie Ruimte (2011) Toetsingskader De Structuurvisie Ruimte heeft een duidelijke relatie met de Wet ruimtelijke ordening. Deze wet schrijft namelijk voor dat gemeenten een structuurvisie moeten opstellen voor hun grondgebied. De structuurvisie speelt een cruciale rol bij de integrale onderbouwing van ruimtelijke plannen. Daarnaast legt de structuurvisie een relatie tussen lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Via de structuurvisie heeft de (voormalige) gemeente Schijndel, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, haar lange termijndoelen vast. Bij de totstandkoming van de Structuurvisie Ruimte vormden de volgende vier kernwaarden het uitgangspunt: 1. verdieping van de Strategische Visie ‘Op weg naar ’t skonste plekske in 2020’; 2. behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; 3. regierol voor de gemeente Schijndel; 4. transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes. De Structuurvisie Ruimte is een vertaling van een in 2010 uitgevoerde uitgebreide analyse van zeven thema’s aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die per thema beleidsmatig vertaald zijn. De zeven thema’s zijn: 1. natuur, water en cultuurhistorie; 2. recreatie en toerisme; 3.
landbouw en buitengebied; 4. voorzieningen; 5. verkeer en vervoer; 6. werken; 7. Wonen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst in hoofdzaak de actualisatie van bestemming en functie voor wat betreft de plangronden aan de Vossenbergsesteeg 5, maar ook de oprichting van twee woningen in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd. Voor onderhavig plan is slechts relevant dat op beperkte schaal en volgens strenge voorwaarden woningbouw mogelijk is in het buitengebied en dat speciale provinciale regelingen, zoals Ruimte-voor-Ruimte, hierbij van toepassing zijn. In de gemeentelijke visie op de bebouwingsconcentraties (Structuurvisie Buitengebied) zijn de omstandigheden verder uitgewerkt.
33
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitenstedelijk gebied zal specifiek aandacht moeten worden besteed aan de verbetering van het landschap. Het verdient de voorkeur om daarbij niet alleen landschappelijke inpassing van de nieuwe ontwikkelingen na te streven, maar ook te kijken naar kwaliteitsverbetering in het omliggende landschap. Het is de initiatiefnemer van onderhavig plan er alles aan gelegen om aan te sluiten op de gemeentelijke ambitie. De initiatienemer streeft er dan ook naar om tijdens de planvorming in contact te blijven met de gemeente om tot een definitief plan te komen, waarin wensen, belangen en ambities van alle partijen een plek krijgen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Ruimte. Structuurvisie Buitengebied (2011) Toetsingskader De gemeente Schijndel wil met name in gebieden die al enigszins versteend zijn nieuwe activiteiten toestaan, indien dit bijdraagt aan de leidende principes van het provinciale en gemeentelijke beleid en leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Deze versteende gebieden met veelal verschillende functies worden bebouwingsconcentraties genoemd. Het plangebied is gelegen in de bebouwingsconcentratie ‘Vossenstraat - Vossenbergsesteeg’.
Onderstaande afbeelding bevestigt dit en is ontleend aan de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied, waarin deze bebouwingsconcentraties een plek hebben gekregen.
34
De bebouwingsconcentratie rond de Vossenstraat / Vossenbergsesteeg wordt gevormd door een aantal bebouwingslinten ten noorden van de kern Schijndel. Het gebied valt binnen het besloten kampen-broeklandschap (Landschapsontwikkelingsplan gemeente Schijndel). Het gebied maakte vroeger deel uit van een nat heidegebied; de oude Molenheide. Na de ontginning van het heidegebied ontstond er een kleinschalige verkavelingopzet, waarbij de afzonderlijke kavels werden afgebakend door hagen. De beide straten bevinden zich in een landschap dat gekenmerkt wordt door veel overgangen in bodem, waterhuishouding, agrarisch gebruik en verkavelingsituatie. Aan de Vossenstraat en de Vossenbergsesteeg is hoofdzakelijk woningbouw gelegen. De linten zijn hoofdzakelijk aan één zijde van de weg bebouwd. Er zijn geen monumenten in het gebied aanwezig, wel is er een aantal waardevolle cultuurhistorische gebouwde objecten uit de periode 1850-1940. Het betreft hier voornamelijk karakteristieke lang- of kortgevel boerderijen. De woningen bestaan uit 1 laag (baksteen) met kap (gebakken dakpan of rietendakbedekking). Over het algemeen staan de woningen in een rechte rooilijn aan het lint opgesteld. De open ruimte tussen de panden varieert in grootte, en biedt op diverse plaatsen een doorzicht naar landelijk gebied. De kleinschalige verkavelingsopzet is nog merkbaar in het gebied.
De structuur in het gebied doet echter wel rommelig aan. De linten zijn niet voorzien van een duidelijke laanbeplanting, waardoor het de bebouwingsconcentratie aan een duidelijke hoofdstructuur ontbreekt. Daarnaast wordt dit veroorzaakt doordat er vanuit de doorzichten tussen de bebouwing zicht is op de bijgebouwen van de woningen, die een rommelig uiterlijk en configuratie hebben. De belangrijkste doelstelling voor de Structuurvisie Buitengebied is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de veranderingen op het platteland is het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt. Het vormt de identiteit en aantrekkingskracht van Schijndel en is voor diverse economische functies belangrijk, zoals recreatie, dienstverlenende functies en wonen. De structuurvisie erkent de behoefte aan nieuwe economische dragers. Echter mogen deze activiteiten niet tot een verslechtering van de specifieke ecologische, landschappelijke en ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied leiden. In de visie transformeert het cluster van de twee open linten naar een kernrandzone, die een sterke overgangszone tussen stad en platteland vormt. Verdichting tegen de kern en een opener buitenschil met verspreid liggende bebouwing hoort hierbij. Ruimtelijk is het gebied gebaat bij het versterken van structurerende elementen.
Het gebied tussen de Vossenbergsesteeg en de Structuurweg kan worden verdicht met woningbouw. Van belang is dat de nieuwbouw zich voegt naar typologie van bestaande woningbouw uit de directe omgeving. Daarnaast moet er voldoende ruimte tussen de afzonderlijke woningen blijven om de doorzichten op het kleinschalige landschap te bewaren. Door de laanbeplanting te versterken waar dit zwak is of aan te planten waar het ontbreekt wordt het groene karakter van het lint versterkt. De paardenhouderij (Vossenbergsesteeg 5) bevindt zich nog in het kleinschalige landschap. Een uitbreiding van deze paardenhouderij is mogelijk mits deze ingepast wordt met een forse groenstructuur
35
rondom de opstallen. Door het inzetten van de ruimte voor ruimteregeling wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Tegelijkertijd wordt daarmee geïnvesteerd in het landschap door de af braak van stallen. Daarnaast zijn er redelijke mogelijkheden voor nieuwe economische functies. Ook hiervoor geldt dat investering in het landschap de basis vormt voor nieuwe ontwikkelingen. Eisen aan ruimtelijke kwaliteit Voor de nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden gedaan. Negatieve effecten voor waarden moeten worden voorkomen en gecompenseerd. Een vereiste vanuit het bestemmingsplan is het opstellen van een erfbeplantingsplan. Dit geldt voor ieder initiatief in het buitengebied. Hierin, maar ook indien sprake is van compensatie, moet worden gemotiveerd hoe het initiatief de omgevingskwaliteit ter plaatse respecteert of mogelijk verbetert. Algemene randvoorwaarden Een aantal voorwaarden wordt aan alle activiteiten in de bebouwingsconcentraties gesteld: • Er mag door de nieuwe activiteit geen overlast of hinder worden veroorzaakt. Bestaande (agrarische) bedrijven mogen niet in de bedrijfsvoering of bedrijfsontwikkeling worden belemmerd. Nieuwe activiteiten mogen geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben, buitenopslag is niet toegestaan en het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden.
• Voor nieuwe initiatieven dienen diverse onderzoeken verricht te worden, waarin diverse waarden en milieuaspecten worden getoetst. Door het inzetten van de ruimte voor ruimteregeling wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Tegelijkertijd wordt daarmee geïnvesteerd in het landschap door de afbraak van stallen. Daarnaast zijn er redelijke mogelijkheden voor nieuwe economische functies. Ook hiervoor geldt dat investering in het landschap de basis vormt voor nieuwe ontwikkelingen Mogelijke functies: • Ambachtelijke bedrijven in de categorie 1 en 2 en 3a tot maximaal 400 m². • Opslagactiviteiten • Recreatieve activiteiten (dag- en verblijfsrecreatie) • Beroep aan huis • Ruimte voor ruimte woningen Doelstellingen voor het cluster: • Laanbeplanting • Structuurverbetering door creëren overgangszone stad – platteland • Terugbrengen bebouwingsoppervlakte van de stallen Randvoorwaarden: • Algemene voorwaarden • Behoud van de doorzichten • Samenhang van kleuren en materialen in het straatbeeld
36
Inzet van strategieën; • Contracten voor sloop van stallen + investeren in landschap Doorwerking plan(gebied) De voorgestane oprichting van de Ruimte-voor-Ruimte woningen vindt plaats binnen de gemeente vastgestelde bebouwingsconcentraties. Wat volume, maat, schaal en situering betreft wordt aangesloten bij de eisen en voorwaarden, zoals opgenomen in de Structuurvisie Buitengebied. De ontwikkeling betreft verder voor een groot deel een kwaliteitsverbetering van de situatie ter plaatse. Te meer er wordt ingezet op de sloop van stallen. Een landschappelijk inpassingsplan ligt hieraan ten grondslag. Zoals eerder vermeld komen er landschappelijk in te passen nieuwbouwwoningen binnen de bestaande lintbebouwing. Er wordt hierbij expliciet aandacht besteed aan het versterken van de gewenste groene structuur middels het aanplanten van karakteristieke laanbeplanting. Ook wordt de voorziene woonbebouwing wordt aan de voorzijde van het perceel gesitueerd waardoor het achterland zoveel als mogelijk het open karakter behoudt en de zichtlijnen in stand blijven. Deze aspecten leveren een duidelijke ruimtelijke kwaliteitswinst op. In deze plantoelichting wordt kwalitatief gemotiveerd dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan.
Met het bestemmingsplan is ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van het onderliggende bouwplan aangetoond. Verder is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Buitengebied. Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied Toetsingskader De provincie Noord-Brabant vereist als compensatie voor bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied, naast een gedegen landschappelijke inpassing, (extra) maatregelen om de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. De gemeente Schijndel heeft dit provinciale beleid nader uitgewerkt in de ‘Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied’. De nota legt onder meer vast hoe de omvang van de benodigde bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden berekend en welke maatregelen ingezet mogen worden. De gekozen systematiek sluit aan bij de werkwijze van de regiogemeenten uit Noordoost-Brabant. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van onderhavige Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling is enkel een landschappelijk inpassingsplan opgesteld.
Conform de Interim omgevingsverordening NoordBrabant is er geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap van toepassing op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling en daarmee is ook de Nota Kwaliteitsverbetering niet van toepassing op onderhavig plan.
37
Naast een goede landschappelijke inpassing is voor het planvoornemen aan de Vossenbergsesteeg 5 wel (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. De tabel, zoals opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan (bijlage 1.2), geeft invulling aan deze verplichting. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nota Kwaliteitsverbetering, kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied. Groenbeleidsplan Toetsingskader In maart 2012 heeft de Gemeenteraad van de voormalige gemeente Schijndel het Groenbeleidsplan Schijndel vastgesteld. Met dit beleidsplan wil de gemeente de visie op het groen herzien en moderniseren. De visie op het groen van de gemeente Schijndel bestaat uit vier hoofdpijlers: duurzaamheid, met minimale inzet een maximaal resultaat bereiken, burgers en landschap en identiteit en oriëntatie. Het Groenbeleidsplan Schijndel dient als basisdocument voor ontwerpen, aanleggen en beheren van de openbare ruimte. Op de bij het Groenbeleidsplan Schijndel behorende kaarten wordt onderscheid gemaakt tussen: • hoofdgroenstructuur; • wijkgroenstructuur; • woongroenstructuur/overige elementen. Voor deze categorieën geldt ingevolge de Bomenverordening Schijndel (zie hierna) het volgende ontheffingen c.q.
vergunningenstelsel: • bomen binnen de op de kaart aangegeven lijnstructuren in de groene hoofdstructuur mogen slechts met een ontheffing worden geveld dan wel verwijderd; • bomen of houtopstanden in gemeentelijk eigendom binnen de wijkgroenstructuur en de hoofdgroenstructuur (tenzij dit beschermde bomen zijn, zie hierna) met een omtrek ≥ 10 centimeter mogen met een vergunning worden geveld dan wel verwijderd; • voor groen in parken en op pleinen, groene wiggen, entrees sportvelden en begraafplaatsen in gemeentelijk eigendom geldt dezelfde vergunningvereiste; • voor groen in de woongroenstructuur (en overige elementen) of bomen en houtopstanden in particulier eigendom geldt een vergunningplicht bij een omtrek ≥ 30 centimeter tenzij het beschermde bomen betreffen. Naast het Groenbeleidsplan kende de voormalige gemeente Schijndel ook de Bomenverordening (vastgesteld januari 2012). Met deze verordening wilde de gemeente de administratieve lasten van het oude kapvergunningenstelsel verminderen en zich effectiever richten op de bescherming van de waardevolle bomen in Schijndel. De bomen op deze lijst staan zowel op publiek als privaat terrein en mogen alleen bij hoge uitzondering (en dus alleen met ontheffing) gekapt worden. Voor de overige houtopstanden geldt een vergunningenstelsel zoals hierboven genoemd.
38
Doorwerking plan(gebied) Er vinden met onderhavig plan geen ontwikkelingen plaats die een belemmering vormen voor de hoofdbomenstructuur ter plaatse. Binnen het plangebied staan geen bomen die op de Lijst Beschermde Bomen staan. Met de realisatie van onderhavige ontwikkeling blijft de bestaande structuur en het historische karakter gehandhaafd. De nieuwbouw wordt zo opgericht dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het karakter en dat er waar mogelijk een versterking van de bestaande structuur optreedt. Zodoende wordt geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen en uitgangspunten van het Groenbeleidsplan. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Groenbeleidsplan. Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018 Toetsingskader Vanaf 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening komen te vervallen. Eén van de consequenties van het vervallen van de stedenbouwkundige voorschriften is dat vanaf dat moment bij het verlenen van een omgevingsvergunning niet meer op basis van de Bouwverordening getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om via het bestemmingsplan regels te stellen over parkeernormen.
Het Paraplubestemmingsplan Parkeren is op 31 januari 2019 vastgesteld, waarmee aan Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Dit betekent dat de parkeernormen bij (bouw)plantoetsing nu aan de bestemmingsplannen gekoppeld gaan worden. Het plan bevat daarnaast een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de normen, mits aangetoond wordt dat dit niet zal leiden tot onvoldoende parkeergelegenheid. Het niet in stand houden van parkeerplaatsen wordt bovendien aangemerkt als zijnde strijdig met het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Met onderhavig plan wordt geen afbreuk gedaan aan de maatregelen en doelstellingen die gemeente voor ogen heeft. In hoofdstuk 10 wordt nader ingegaan op de aspecten mobiliteit (verkeer en parkeren) en infrastructuur in relatie tot de onderhavige ontwikkeling. Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het Paraplubestemmingsplan parkeren / Nota Parkeren 2018. Welstandsnota Meierijstad 2018 Toetsingskader De Welstandsnota Meierijstad 2018 is vastgesteld op 5 juli 2018. De welstandsnota heeft de ambitie om bij te dragen aan een hoogwaardige woon- en leefomgeving voor ieder-
39
een in Meierijstad en geeft daarom nuttige aanwijzingen bij nieuw- en verbouwplannen. De nota is gebaseerd op bestaand welstandsbeleid uit de nota’s van Schijndel, Veghel en Sint-Oedenrode, aangevuld met het actuele thema duurzaamheid. De verschillen in de nota’s zijn genivelleerd door nog meer delen van het grondgebied welstandsvrij te verklaren. In die gebieden is voor nieuwe bouwinitiatieven wel een welstandsbeoordeling van toepassing. Met het nieuwe voorstel wordt de gebiedsgerichte welstandsbeoordeling beperkt tot de gebieden met een beeldkwaliteitsplan. In de overige gebieden blijft de welstandsbeoordeling beperkt tot de ‘objectbeoordeling’ (onder andere monumenten) of ‘themabeoordeling’(reclames). De welstandsbeoordeling wordt niet volledig afgeschaft, maar wel overal waar het verantwoord is. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3. beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden. Zodoende is er geen welstandsbeoordeling meer nodig voor de volgende initiatieven: • Veel voorkomende (kleinere) vergunningplichtige bouwwerken. Deze werden voorheen beoordeeld aan de zogenaamde sneltoetscriteria.
De initiatiefnemers krijgen nu dus meer vrijheden, maar tegelijkertijd ook een grotere verantwoordelijkheid voor behoud van de ruimtelijke kwaliteit. • Vergunningplichtige verbouwingen in alle kerkdorpen en de historische linten in de drie kernen. Nieuwe bouwinitiatieven op deze plaatsen worden wel beoordeeld aan de criteria nieuwbouw of de beoordelingscriteria in het op te stellen beeldkwaliteitsplan. Samen met de regels in het bestemmingsplan stimuleren we het behoud van identiteit en karakter van deze gebieden. • Vergunningplichtige bouwinitiatieven anders dan nieuwbouw in de overige gebieden. • Vergunningvrije bouwactiviteiten in gebieden met een beeldkwaliteitsplan. Doorwerking plan(gebied) Het plangebied ligt in het buitengebied van Schijndel en dient derhalve te worden voorgelegd aan de gemeentelijke Welstandscommissie. Bij het ontwerpen en vormgeven van de woningen en bijgebouwen dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor Ruimte-voor-Ruimte ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3). Conclusie Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in het welstandsbeleid. Geconcludeerd kan worden dat het bouwplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functione-
40
le invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke, stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Waardevol water in Meierijstad’ VGRP+ 2017-2022 d.d. 26 juli 2017 Toetsingskader Het VGRP+ Meierijstad geldt voor de planperiode 2017-2022. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP+) is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. In het VGRP+ wordt de opgave voor Meierijstad in beeld gebracht en wordt inzichtelijk gemaakt op welke strategische wijze hier invulling aan wordt gegeven. Doorwerking plan(gebied) Voor de waterparagraaf die ten behoeve van onderhavig bouwplan is opgesteld, wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze plantoelichting. Conclusie Op eigen gronden zal initiatiefnemer een bergingsvoorziening realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van een zaksloot of -vijver (wadi). Hiermee zal sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Klimaat en duurzaam De gemeente Meierijstad wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. De gemeente verlangt daarom van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord bouwen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. ‘Stedenbouwkundig duurzaam’ komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van het project. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Voor wat betreft ‘bouwkundig duurzaam’ gaat het bijvoorbeeld om materiaalgebruik, afval, drinkwater en energie. Met het realiseren van het bouwplan wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het uitgangspunt om te komen tot ‘bouwkundig duurzaam’. Dit komt onder meer tot uitdrukking door het gebruik van duurzame (bouw)materialen.
41
5. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader Doel van het archeologische onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologische onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologische onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: • •
•
archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren; bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.
Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Bro gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. In de plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.
42
Doorwerking plan(gebied) Archeologie Vossenbergsesteeg 5 Ter plaatse van Vossenbergsesteeg 5 geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ dat er bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 0,3 cm-mv een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. De Vlaamse schuur heeft een oppervlakte van maximaal 465 m2 en overschrijdt daarmee de vrijstellingsgrens van 250 m2. Deze overschrijding is echter minimaal en verder geldt dat het eventueel aanwezige archeologische bodemarchief reeds is verstoord door (bodem)graafwerkzaamheden in het verleden. Nader archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Echter, zekerheidshalve geldt de dubbelbestemming, waardoor archeologische bescherming – voor zover – planologisch-juridisch geborgd is. In algemene zin geldt bovendien ook nog de meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Vossenbergsesteeg ong. Ter plaatse van Vossenbergsesteeg ong. gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Slechts een zeer klein gedeelte van de beoogde bebouwing vindt plaats in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De onderzoeksgrens van 250 m2 wordt dan ook niet overschreden. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ geldt een onderzoeksgrens van 2.500 m2 en 30 cm-mv.
Met de beoogde woningen wordt het verstoringsoppervlakte van 2.500 m2 niet overschreden. Nader archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Echter, zekerheidshalve gelden de verschillende dubbelbestemmingen, waardoor archeologische bescherming – voor zover – planologisch-juridisch geborgd is. In algemene zin geldt bovendien ook nog de meldingsplicht, indien er tijdens de bouwgraafwerkzaamheden alsnog archeologische indicatoren aangetroffen worden. Cultuurhistorie Op navolgende uitsneden van de gemeentelijke cultuurhistorische waarderingskaarten is de globale ligging van het plangebied rood omlijnd.
43
44
Conform het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Herijking’ geldt ter plaatse van het plangebied tevens de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. De voor ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorisch waardevolle elementen. De cultuurhistorische elementen betreffen de elementen die zijn opgenomen op de cultuurhistorische waarderingskaart, zoals deze is opgenomen in bijlage 3 van de planregels, en zijn aangeduid als landschapselement zeer hoog en/of hoog. De waardering van deze elementen is gebaseerd op het rapport Tussen Aa-dal en Rooise heide welk rapport als bijlage 4 bij de regels is opgenomen. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder artikel 7.2.4 van de regels van onderhavig bestemmingsplan opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren. Op de gemeentelijke cultuurhistorische waarderingskaart is het plangebied als ‘middelmatig cultuurlandschap’ aangeduid. Dit betekent dat er geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
De Vossenbergsesteeg is tevens aangemerkt als ‘middelmatig cultuurhistorisch landschapselement’. Aan weinig elementen is een middelmatige score toegekend. Het betreft enkel wegen die sterkt zijn gewijzigd door verbreding en asfaltering en/of omdat ze relatief jong zijn. Er is derhalve geen sprake van relevante landschapselementen en historische bouwkunst. Met de planontwikkeling wordt derhalve geen inbreuk gepleegd op cultuurhistorische waarden en/of kwaliteiten. De planontwikkeling steunt daarmee de waarborging van de land(schapp)elijke en cultuurhistorische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Tot slot kan worden vermeld dat het plangebied geen monumentale status of een anderszins vastgelegde beeldbepalende kwaliteit bezit. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie niet aan de realisatie van het planvoornemen in de weg staat. Conclusie Uit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
45
6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet), inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet). Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.
Hierbij moet voor de gewenste situatie worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Voor plannen die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van dit aspect uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, kan de PAS niet meer worden gehanteerd als toetsingskader op grond van de Wet natuurbescherming. Inmiddels is een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe tool is de depositie op natuurgebieden berekend. Doorwerking plan(gebied) Flora en fauna Vossenbergsesteeg ongenummerd Ten behoeve van het planvoornemen om twee nieuwe woningen te realiseren is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat de ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht).
Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De ingreep leidt verder ook niet tot aantas-
46
ting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. De integrale rapportage is als bijlage 2.1 opgenomen. Vossenbergsesteeg 5 Vanuit oogpunt van flora en fauna heeft de bouw van de beoogde opslagschuur geen nadelige gevolgen. De overige planonderdelen – met name het verwijderen van buitenopslag en overtollige verharding en bebouwing – zijn hoofdzakelijk feitelijk van aard en hebben geen planologisch-juridische c.q. ecologische gevolgen. Meer concreet betreft de beoogde ontwikkeling het verwijderen van twee overkappingen, een hobbyhok en buitenhuis. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Een en ander is nader toegelicht in een notitie welke is opgesteld door Blom Ecologie en als bijlage 2.2 bij deze plantoelichting is opgenomen. Ter plaatse van de voorziene opslagschuur is geen bebouwing en zijn ook geen hoog opgaande beplanting en/of bomen aanwezig.
Hier zijn derhalve geen beschermde soorten (vogels, vleermuizen, vaatplanten, grondgebonden zoogdieren of amfibieën) te verwachten. Met inachtneming van de algemene zorgplicht vormt de ontwikkeling geen belemmering voor het leefgebied van soorten. Verder geldt dat de aanwezige beplanting aan de randen van de locatie geschikt zijn voor diverse algemene vogels om te broeden. Wanneer beplanting wordt verwijderd in het voorjaar of de zomer, dan is het noodzakelijk deze te controleren op in gebruik zijnde nesten. Als nesten zijn verlaten, is verwijdering zonder meer mogelijk. Binnen (de (minimale uitbreiding van) het nieuwe bouwvlak ontbreken echter potenties voor vogels, mede doordat de aanwezige sparren jong zijn en ongeschikt om te broeden. De aanwezigheid van vogels is voor de ingrepen op deze locaties niet relevant. Verder is met het landschappelijke inpassingsplan getracht een fysieke inrichting te creeren welke passend is bij de omgeving, waardoor de land(schapp)elijke en natuurwaarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan in stand blijven of zelfs worden versterkt. Stikstof(depositie) Ten behoeve van het planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd.
In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanleg- en gebruiksfase van het gewenste plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er – zowel voor het planonderdeel aan de Vossenbergsesteeg 5 als het planonderdeel aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd – geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar zijn. De integrale rapportage voor de Vossenbergsesteeg 5 is als bijlage 3.1 opgenomen en de integrale rapportage voor de Vossenbergsesteeg ong. is als bijlage 3.2 opgenomen.
47
Conclusie Vanuit het oogpunt van flora en fauna en stikstof(depositie) zijn er geen belemmeringen voor het (bestemmings)plan.
48
7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Het uiteindelijke doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de watertoets.
Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie. Het belangrijkste gegeven is het geohydrologisch compenseren van een eventuele toename van verharde oppervlakte, waardoor hemelwater versneld kan worden afgevoerd. Het Waterschap Aa en Maas maakt gebruik van recent waterrelevant beleid en regelgeving. De huidige en toekomstige situatie van het plangebied en gebiedsspecifieke waterbelangen zijn van belang voor de waterparagraaf. Doorwerking plan(gebied) Vossenbergsesteeg ongenummerd Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. In de hierna opgenomen tabel is door MILON weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet.
49
Tabel: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie De ontwikkeling op de locatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 1.368 m 2. Gezien er nieuwbouw gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toekomstige verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 82 m3 (1.368 m2 x 0,06 x 1). Gezien de ruimtelijke indeling van de percelen zal er in de toekomstige situatie voldoende ruimte beschikbaar zijn om invulling te geven aan de bergingseis. Gedacht kan worden aan het graven van bijvoorbeeld een wadi, vijver of greppel. Door het aanleggen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde voorzieningen wordt invulling gegeven aan de bergingseis van het waterschap en hydrologisch neutraal ontwikkelt. De integrale rapportage is als bijlage 4.1 opgenomen. Vossenbergsesteeg 5 Voor wat betreft het planonderdeel aan de Vossenbergsesteeg 5 is in feite enkel de bouw van een opslagschuur relevant.
Hiervoor is namelijk ook een vergroting van het bouwvlak en daarmee een planherziening noodzakelijk. De overige planonderdelen aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn hoofdzakelijk feitelijk van aard en hebben geen planologischjuridische gevolgen. Ten behoeve van het planvoornemen heeft MILON een watertoets uitgevoerd. In de hierna opgenomen tabel is door MILON weergegeven hoe de verhardingssituatie er in de huidige en toekomstige situatie uitziet.
Tabel: verhardingssituatie huidige en toekomstige situatie
50
Gezien er nieuwbouw in de vorm van een schuur van maximaal 465 m 2 gerealiseerd gaat worden stelt het bevoegd gezag dat dit op hydrologisch neutrale manier ontwikkeld dient te worden en er eveneens compenserende voorzieningen dienen te worden gerealiseerd. Ondanks dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie niet toeneemt is initiatiefnemer toch voornemens maatregelen te nemen om de bergingscapaciteit te verbeteren op het bedrijfsterrein. Via een nieuw aan te leggen hemelwaterafvoer zal het hemelwater dat op de bebouwing valt vertraagd worden afgevoerd naar de bergingsvoorziening. Ter plaatse van de percelen is afdoende ruimte beschikbaar om het hemelwater in de vijvers op het terrein te laten infiltreren. De integrale rapportage is als bijlage 4.2 opgenomen. Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen op voor de verdere planontwikkeling. Gezien de ruimtelijke indeling van de percelen zal er in de toekomstige situatie voldoende ruimte beschikbaar zijn om invulling te geven aan de bergingseis. Gedacht kan worden aan het graven van bijvoorbeeld een wadi, vijver of greppel. Door het aanleggen van bijvoorbeeld een van de bovengenoemde voorzieningen wordt invulling gegeven aan de bergingseis van het waterschap en hydrologisch neutraal ontwikkelt. Er is daarmee sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
51
8. Fysieke belemmeringen 8.1 Kabels en (buis)leidingen Toetsingskader Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting.
52
Verder ligt er geen 150 kV hoogspanningslijn in de nabijheid van het plangebied. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Overige zonering Er zijn in en nabij het plangebied geen ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels of molenbiotopen aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het (bestemmings)plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.
53
9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de Vossenbergsesteeg. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. Tot slot wordt inhoudelijk ingegaan op de ruimtelijke inpassing en de beeldkwaliteit van het plan. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. Ten behoeve van de planontwikkelingen is door De Roever Omgevingsadvies uitgebreide milieuscan uitgevoerd naar mogelijke milieu-hygiënische gevolgen van het plan op haar omgeving, of andersom.
Daar waar expliciete verdieping in de materie heeft plaatsgevonden, is dat vermeld. In de milieuscans voor de Vossenbergsesteeg 5 en de Vossenbergsesteeg ongenummerd die respectievelijk als bijlage 5.1 en bijlage 5.2 aan deze plantoelichting zijn toegevoegd, wordt aandacht besteed aan de aspecten bedrijven en milieuzonering, geur, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, stikstof en volksgezondheid. Hierbij dient te worden aangetekend dat de milieuscans en de onderzoeken in de hoofdstukken 5 tot en met 9 met name zijn gericht op de beoogde ontwikkeling van de twee woningen aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd, aangezien de ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 – vanuit planologisch-juridische optiek – in feite enkel is gericht op het planologisch-juridisch regelen van de buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2.
9.2 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader Het Besluit Mer is per 1 juli 2017 gewijzigd. De nieuwe beoordelingssystematiek moet worden toegepast en worden omschreven. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden van kolom 2 vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
54
Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: 1. het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r.; 2. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten en plannen over activiteiten die niet op de D-lijst staan, is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst).
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts twee woningen, wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r.beoordeling) niet noodzakelijk. 2.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, wa-
55
terwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. 3. In dit hoofdstuk worden de milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Conclusie Gelet op kleinschalige karakter van het plan in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r., de ligging van het plangebied en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de milieutoets van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de overige paragrafen zijn opgenomen. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om de oprichting van 2 woningen wordt dit niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. Voor wat betreft het planonderdeel aan de Vossenbergsesteeg 5 is in feite enkel de bouw van een opslagschuur relevant. Hiervoor is namelijk ook een vergroting van het bouwvlak en daarmee een planherziening noodzakelijk. De overige planonderdelen aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn hoofdzakelijk feitelijk van aard en hebben geen planologischjuridische gevolgen.
De gewenste ontwikkeling in het plangebied valt niet onder een van de categorieën zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. is hierdoor niet van toepassing.
9.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of er sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Vossenbergsesteeg 5 In 2018 heeft MILON ter plaatse van de Vossenbergsesteeg 5 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Er is toen onder meer onderzoek gedaan ter hoogte van de beoogde opslagschuur. Ook is toen de bodem onderzocht waar een rijhal zou worden gebouwd. Deze rijhal wordt echter niet meer gebouwd. Enkel de onderzoeksbevindingen ten aanzien van de locatie van de voorziene opslagschuur zijn derhalve relevant. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Er is ten hoogste een licht verhoogde bariumconcentratie aangetroffen in het grondwater welke naar alle waarschijnlijkheid van nature verhoogd is. Wat
56
betreft de milieu-hygiënische bodemkwaliteit bestond er naar de mening van MILON geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Vervolgonderzoek naar de licht verhoogde concentratie werd niet zinvol geacht. Na oplevering van het bodemonderzoek hebben ter plaatse van de onderzoekslocatie geen veranderingen en/of potentieel bodembedreigende handelingen meer plaatsgevonden. De milieu-hygiënische bodemkwaliteit is daarmee ongewijzigd gebleven. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 6.1 bij de plantoelichting opgenomen. Vossenbergsesteeg ongenummerd In 2022 heeft MILON ter plaatse van de Vossenbergsesteeg ongenummerd een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging. Analytisch zijn in de grond geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarde. In het grondwater zijn nikkel, barium en tetrachlooretheen in een concentratie boven de streefwaarde aangetroffen. De aangetoonde concentraties zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Uit de resultaten van de indicatieve toetsing aan de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de grondmonsters voldoen aan bodemklasse Altijd toepasbaar. De bodemkwaliteit geeft geen belemmeringen voor het huidige en toekomstige gebruik en de voorgenomen bouwplannen.