Plantoelichting Vossenbergsesteeg 5 en ong. Schijndel 260224
Tekst van het document
Gemeente Meierijstad
Bestemmingsplan : toelichting
Landelijk gebied, herziening Vossenbergsesteeg ong. en 5
NL.IMRO.1948.BGS000BP0032023P-VG01
1
Titel:
Bestemmingsplan Landelijk gebied, herziening Vossenbergsesteeg ong. en 5
Datum: Projectnummer:
26 februari 2024 2022.133
Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres:
Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Telefoon: E-mail: Website:
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1 Achtergrond en doel van het plan ................................................................... 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ................................................................... 6 1.3 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................ 7 1.4 Leeswijzer .................................................................................................... 8 2. Beschrijving bestaande situatie ........................................................................... 9 2.1 Huidige situatie omgeving .............................................................................. 9 2.2 Huidige situatie plangebied ............................................................................ 9 3. Visie op het plan(gebied) .................................................................................. 11 3.1 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering – deelgebied Vossenbergsesteeg 5 ........................................................................................ 11 3.2 Doel en hoofdlijnen – Ruimte-voor-Ruimte aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd .................................................................................................
13 3.3 Planbeschrijving .......................................................................................... 14 3.4 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering – Ruimte-voor-Ruimte aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd ........................................................... 15 3.5 Conclusie ................................................................................................... 17 4. Beleidskader ................................................................................................... 19 4.1 Inleiding .................................................................................................... 19 4.2 Rijksbeleid ................................................................................................. 19 4.3 Provinciaal beleid ........................................................................................ 21 4.4 Gemeentelijk beleid..................................................................................... 30 5. Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................... 42 6. Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) ............................ 46 7. Water ............................................................................................................ 49 8.
Fysieke belemmeringen .................................................................................... 52 8.1 Kabels en (buis)leidingen ............................................................................. 52 9. Milieu-hygiënische verantwoording .................................................................... 54 9.1 Inleiding .................................................................................................... 54 9.2 M.e.r.-beoordeling ...................................................................................... 54 9.3 Bodem ....................................................................................................... 56 9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) ......................................................................... 57 9.5 Milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid ..................................................... 59 9.6 Geurhinder ................................................................................................. 63
3
9.7 Luchtkwaliteit ............................................................................................. 68 9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en spuitzones .............................. 73 9.9 Externe veiligheid ....................................................................................... 74 10. Mobiliteit; verkeer en parkeren ........................................................................ 81 11. Juridische opzet ............................................................................................. 82 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument .............................................. 82 11.2 Systematiek van de regels ......................................................................... 82 12. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................... 83 12.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 83 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................ 83 13. Slotconclusie ................................................................................................. 85
Bijlagen Bijlage 1.1 - Landschappelijke inpassing Vossenbergsesteeg RvR woning (kadastraal perceel 3822), GV Advies, versie 1.1, 18 augustus 2022 Bijlage 1.2 - Landschappelijke inpassing Vossenbergsesteeg 5 Schijndel (kadastraal perceel 685, 178, 174, 684 (gedeeltelijk)), GV Advies, versie 1.6, 20 november 2023 Bijlage 2.1 - Quickscan Wet natuurbescherming Vossenbergsesteeg ong. Schijndel, Blom Ecologie, project: 2022-0698, 22 augustus 2022 Bijlage 2.2 - Notitie Wet natuurbescherming Vossenbergsesteeg 5 te Schijndel, Blom Ecologie, project: 2023-0792, 9 augustus 2023 Bijlage 3.1 - Onderzoek stikstofdepositie Vossenbergsesteeg 5 Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20230311.v02, 26 juli 2023 Bijlage 3.2 - Stikstofdepositieonderzoek Vossenbergsesteeg ong. te Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220991.v02, 28 februari 2023 Bijlage 4.1 - Watertoets ter plaatse van de Vossenbergsesteeg ong.
te Schijndel, MILON, projectnummer: 20221837, 15 september 2023 Bijlage 4.2 - Watertoets ter plaatse van de Vossenbergsesteeg 5 te Schijndel, MILON, projectnummer: 20171882AC, 3 maart 2023 Bijlage 5.1 - Quickscan milieuaspecten Vossenbergsesteeg 5 Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220993.v02.1p, 7 november 2023 Bijlage 5.1A - Akoestisch onderzoek industrielawaai, paardenhouderij Vossenbergsesteeg 5 Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, documentnummer: 20180758/C01/RK, 19 juli 2018 Bijlage 5.2 - Quickscan milieuaspecten Vossenbergsesteeg ong. Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220993.v01, 2 september 2022 Bijlage 6.1 - Verkennend bodemonderzoek Vossenbergsesteeg 5 te Schijndel, MILON, projectnummer: 20171882AB, 9 augustus 2018 Bijlage 6.2 - Verkennend bodemonderzoek Vossenbergsesteeg ong. te Schijndel, MILON, projectnummer: 20221674, 23 augustus 2022 Bijlage 7 - Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Vossenbergsesteeg Schijndel, De Roever Omgevingsadvies, referentie: 20220992.v02, 26 jul1 2023 Bijlage 8 – Advies Veiligheidsregio/Brandweer Brabant-Noord, zaaknummer 2023-001869, 1 juni 2023 Bijlage 9 – Certificaat bouwtitels Bijlage 10 - Verslag omgevingsdialoog
4
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op gronden gelegen aan de Vossenbergsesteeg 5 en de Vossenbergsesteeg ongenummerd te Schijndel. De Vossenbergsesteeg 5 omvat de kadastrale percelen 174, 178, 685, 684 (gedeeltelijk). De Vossenbergsesteeg ongenummerd omvat het kadastraal perceel 3822. De planontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 te Schijndel bestaat uit: • Het verplaatsen van alle wegenbouwactiviteiten met voorzieningen naar een door de exploitant nader te bepalen locatie zodat enkel en alleen de activiteiten en voorzieningen ten behoeve van een paardenhouderij aanwezig blijven. • Ten behoeve van de paardenhouderij: o De bouw van een (Vlaamse) schuur van maximaal 465 m2 ten behoeve van opslag gerelateerd aan de paardenhouderij; o Het inpassen van de aanwezige oppervlakteverhardingen aan de zuidoostzijde (ontsluiting en parkeerplaatsen tegenover het woonhuis). • Het verwijderen van overtollige oppervlakteverhardingen waaronder in ieder geval het verwijderen van de stelconplatenverharding wordt verstaan. • Het verwijderen van overtollige bebouwing waaronder in ieder geval het verwijderen van het tuinhuis, de fietsenstalling en de overkappingen aan de vijver wordt verstaan. • Het verwijderen van de buitenopslag. • Het realiseren van landschappelijke inpassing.
Aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd, even ten noordwesten van de Vossenbergsesteeg 5, is de oprichting van twee Ruimte-voor-Ruimte woningen voorzien, op een perceel welke thans voor agrarische doeleinden, zonder bouwmogelijkheden, is bestemd en ook als zodanig wordt gebruikt. De gemeente Meierijstad heeft besloten in principe en onder de hiervoor gestelde voorwaarden medewerking te verlenen aan de planontwikkelingen. Onder andere om reden dat het deel van het plangebied waar de Ruimte-voor-Ruimte woningen zijn voorzien in de bebouwingsconcentratie ‘Vossenstraat - Vossenbergsesteeg’ is gelegen, heeft de gemeente Meierijstad verklaard in principe bereid te zijn om – met gebruikmaking van de Ruimte-voor-Ruimte regeling – medewerking te verlenen aan deze ruimtelijke ontwikkeling. De bebouwingsconcentratie ‘Vossenstraat - Vossenbergsesteeg’, en meer concreet, het gebied tussen de Vossenbergsesteeg en de Structuurweg, komt in beginsel, conform de Structuurvisie Buitengebied Schijndel, in aanmerking voor verdichting met woningbouw. Van belang hierbij is met name dat de nieuwbouw zich voegt naar typologie van bestaande woningbouw in de directe omgeving van het plangebied. De ontwikkeling van de twee woningen in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte mag niet los worden gezien van de omschreven ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg
5
5. De ontwikkeling op dit deel van het plangebied omvat onder meer de het verplaatsen van alle wegenbouwactiviteiten met voorzieningen naar een door de exploitant nader te bepalen locatie. Hier wordt een ruimtelijk en milieukundig knelpunt opgelost hetgeen voor de gemeente ook als basis heeft gediend om medewerking te kunnen verlenen aan de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd. Doelstelling van deze partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ is om de realisatie van het onderliggende planvoornemen, verdeeld over de adressen Vossenbergsesteeg 5 en Vossenbergsesteeg ongenummerd, planologisch en juridisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan besteedt aandacht aan de ruimtelijke en milieu-hygiënische effecten van de voorgenomen ontwikkelingen. Onderzocht is hoe de plannen zich verhouden tot de aanwezige functies en waarden van het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn, behalve het ruimtelijk-planologische beleid, alle ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten alsmede de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit nader beschouwd.
Hierbij dient te worden aangetekend dat de onderzoeken en milieuscans in de hoofdstukken 5 tot en met 9 met name zijn gericht op de ontwikkeling van de twee woningen aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd, aangezien de ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 in feite – vanuit planologisch-juridisch oogpunt – hoofdzakelijk is gericht op het planologisch-juridisch regelen van de buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2. Aan de volgende deels juridische voorwaarden dient te worden voldaan: • het motiveren van het wijzigen van de geldende bestemming middels het opstellen van een bestemmingsplan; • het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid; • het in procedure brengen van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan legt derhalve een planologische en juridische basis om de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling te kunnen realiseren.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Vossenbergsesteeg te Schijndel. Op navolgende luchtfoto (bron: Google Maps) zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied aangegeven.
6
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen de grenzen van de bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ en heeft daarin de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ (met bouwvlak en functieaanduiding ‘Paardenhouderij’) en ‘Wonen’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 3’, ‘Waarde - Archeologie 4’ en ‘Waarde - Archeologie 5’ van kracht. Tot slot zijn de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing op onderhavig plangebied: ‘Reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’, ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘Wro-zone - wijzigingsgebied bebouwingsconcentratie’. Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herijking’ betreft een aanvulling op het bestaande bestemmingsplan. Hierdoor heeft onderhavig plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ en de functieaanduiding ‘Overige zone - beperkingen veehouderij’ toegekend gekregen. Op hierna opgenomen uitsnede van de verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) van het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ zijn de ligging en begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.
7
Strijdigheid planontwikkeling met vigerend bestemmingsplan De strijdigheid van de planontwikkelingen met het vigerende bestemmingsplan is in hoofdzaak gelegen in het feit dat er aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd woningen worden opgericht op agrarisch bestemde gronden zonder bouwvlak en dat ter plaatse van de Vossenbergsesteeg 5 een opslagschuur wordt opgericht op gronden waar thans geen agrarisch bouwvlak ligt. Verder wordt verwezen naar paragraaf 1.1 van deze plantoelichting.
1.4 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. De hoofdstukken 5 tot en met 10 gaan in op de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aspecten. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11 en de onderdelen economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 12. Hoofdstuk 13 tenslotte bevat de slotconclusie.
8
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied ligt aan de Vossenbergsesteeg, in het buitengebied van Schijndel. De bebouwingsconcentratie ‘Vossenstraat - Vossenbergsesteeg’, waartoe het plangebied behoort, kan getypeerd worden als ‘Nevelkernrand’. Het ligt dichtbij de kern (zuidwestzijde), maar wordt ervan gescheiden door de Structuurweg. Aan de Vossenbergsesteeg zijn overwegend agrarische percelen en burgerwoningen gelegen. De open ruimte tussen de ruim bemeten percelen varieert in grootte en biedt op diverse plaatsen een doorzicht naar het landelijke gebied. De kleinschalige verkavelingsopzet is nog merkbaar in het gebied, al doet de structuur in het gebied enigszins rommelig aan. De Structuurweg scheidt het buitengebied, waartoe onderhavig plangebied behoort, van de dorpskern Schijndel.
2.2 Huidige situatie plangebied Op het planperceel aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd zijn thans geen bouwwerken aanwezig. De gronden zijn nagenoeg jaarrond agrarisch in gebruik. Op navolgende afbeeldingen is een bovenaanzicht en een weergave vanaf de straat te zien van dit deel van het plangebied (maps en streetview: maps.google.nl).
9
Op het planperceel aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn thans een wegenbouwbedrijf, een paardenhouderij en een mantelzorgwoning gesitueerd.
10
3. Visie op het plan(gebied) 3.1 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering – deelgebied Vossenbergsesteeg 5 Ten aanzien van het planvoornemen aan de Vossenbergsesteeg 5 is er sprake van een min of meer conserverend karakter. De plangronden aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn reeds als ‘paardenhouderij’ aangeduid en tevens is een bouwvlak aanwezig. Bestemmingen en functies worden geactualiseerd om planologisch-juridisch meer aansluiting te vinden bij de feitelijke situatie. De beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2 heeft een ontwikkelgericht karakter. Enkel ten behoeve van de opslagschuur dient het bestaande bouwvlak te worden vergroot. Voor een verdere beschouwing over de aanleiding en doelstelling van het bestemmingsplan wordt verwezen naar paragraaf 1.1. Dit gedeelte van het plangebied is reeds in het verleden landschappelijk ingepast. Zodoende heeft het landschappelijke inpassingsplan – zie bijlage 1.2 – hoofdzakelijk tot doel om de het aanwezige groen te behouden en op onderdelen te versterken. Het kaartbeeld uit het landschappelijke inpassingsplan is navolgend ingevoegd.
11
Landschappelijke kwaliteitsverbetering Artikel 3.9 lid 1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bepaalt dat ‘een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving’. Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en nietagrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel derhalve wel (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Navolgende tabel, zoals opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan (bijlage 1.2), geeft invulling aan deze verplichting.
12
3.2 Doel en hoofdlijnen – Ruimte-voor-Ruimte aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd Randvoorwaarden Bij het ontwerpen van woningen en bijgebouwen dienen de randvoorwaarden in acht genomen te worden die gelden voor ontwikkelingen, waaronder op basis van Ruimtevoor-Ruimte. Zo moeten de inhoud, typologie, architectuur van de woningen en de tuinen passend zijn in de omgeving en moeten de nieuwe woningen door landschappelijke (erf)beplanting worden ingepast in het omringende landschap. Per woning betekent dit concreet dat: • het vrijstaande en grondgebonden woningen betreft op vrije kavels; • de nieuwe woningen direct ontsluiten op bestaande wegen; • de nieuwe woningen er niet voor zorgen dat de kernrandzone dichtslibt; • de eventueel aanwezige doorzichten c.q. zichtlijnen zo goed als redelijkerwijs mogelijk behouden moeten blijven; • de nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woningen op een vrij gelegen kavel worden gerealiseerd; • de nieuwe woningen geen seriematige bouw kennen, maar zich kenmerken door individuele bouw. Uitgangspunten integraal ontwerp Op basis van de hiervoor genoemde randvoorwaarden is een integraal ontwerp gewenst voor zowel de nieuwe woningen als voor de kavels en de tuinen. Per woning zijn de volgende aspecten daarbij van belang: • Passend in het landschap Het belangrijkste criterium is dat de woningen passen in het landschap.
Er zijn twee aspecten waarin dit tot uitdrukking dient te komen: 1. de situering en de vormgeving van de nieuwe woningen, de kavels en de tuinen dienen het landschap, de directe omgeving, maar ook elkaar te versterken; 2. de keuze van de architectuur en het materiaalgebruik van de nieuwe woningen, maar ook de vormgeving en beplanting van de tuinen, dienen aan te sluiten op het betreffende landschap. • Typologie van de woning Het gebied tussen de Vossenbergsesteeg en de Structuurweg kan worden verdicht met woningbouw. Van belang is dat de nieuwbouw zich voegt naar typologie van bestaande woningbouw uit de directe omgeving. Daarnaast moet er voldoende ruimte tussen de afzonderlijke woningen blijven om de doorzichten op het kleinschalige landschap te bewaren. Door de laanbeplanting te versterken waar dit zwak is of aan te planten waar het ontbreekt wordt het groene karakter van het lint versterkt. Aansluiten bij de typologie van de directe omgeving kan hierbij wenselijk en logisch zijn, maar is erg traditioneel en voorspelbaar en laat onvoldoende zien wat tegenwoordig allemaal mogelijk is binnen het architectonische spectrum. Het afwijken van de bebouwing uit de directe omgeving kan juist een bijzonder spanningsveld opleveren waardoor je echt iets toevoegt van deze tijd.
13
•
Het is aan de architect om een keuze te maken om direct aan te sluiten bij de traditionele aanwezige bebouwing of juist de randen op te zoeken met een bijzondere, en eigentijdse, niet traditionele invulling naar de maatstaven van deze tijd, waarbij de uiterste grenzen van de regels in het bestemmingsplan zeker kunnen worden opgezocht. Typologie en architectuur tuin ‘Vertuining’ van het platteland dient te worden voorkomen. Daarom is het opstellen van een tuinontwerp verplicht. In het tuinontwerp wordt duidelijk dat tuin/kavel en nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting dienen te zijn ingepast in het omringende landschap. Te denken valt aan bosschages, houtwallen, kavelrandbeplantingen, lanen, boomgaarden, poelen, sloten met oevervegetaties, bloemenweiden etc. Een landschappelijke beplanting bestaat uit inheemse soorten die geschikt zijn op de aanwezige bodemsoort. Binnen deze landschappelijke structuren is uiteraard ondergeschikt een verdere invulling met tuin- en sierelementen mogelijk. De landschappelijke inpassing dient zo te zijn dat op de ruime kavel doorzichten naar het landschap blijven bestaan.
3.3 Planbeschrijving De in paragraaf 3.2 genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten voor de oprichting van woningen in het Schijndelse buitengebied worden voor onderhavige ontwikkeling in acht genomen. De beoogde Ruimte-voor-Ruimte woningen betreffen vrijstaande en grondgebonden woningen op ruime, vrij gelegen kavels welke ontsluiten op een bestaand weg (de Vossebergsesteeg). De woningen zorgen niet voor dichtslibbing van de kernrandzone. Het behoud van eventuele doorzichten / zichtlijnen is hiermee gewaarborgd. Verder kennen de woningen geen seriematige bouw, maar kenmerken zich door individuele bouw. De inrichting van de openbare weg wordt gehandhaafd. Ook de houtopstanden gelegen rondom het plangebied worden voor de toekomst behouden. De woningen worden mogelijk gemaakt door de aankoop van twee Ruimte-voor-Ruimte bouwtitels. Met de aankoop van deze titels is de vereiste landschappelijke kwaliteitsverbetering van de omgeving in de vorm van sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gewaarborgd. In de basis wordt tevens ruimtelijke kwaliteitswinst behaald door het realiseren van een landschappelijk inpassingsplan. Ten behoeve van onderhavig woningbouwplan is een landschappelijk inpassingsplan, opgesteld. Dit plan is als bijlage 1 bij het bestemmingsplan gevoegd.
Voor een nadere beschrijving van de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt tevens verwezen naar paragraaf 3.4. De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd in de vorm van het toevoegen van nieuwe woningen voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur ter hoogte van het plangebied. Er ontstaat, wat betreft beeldkwaliteit, een samenhangende ruimtelijke structuur met de bestaande omgeving. Met deze woningen vindt in zekere zin een koppeling plaats.
14
Verder worden de voorziene hoofdmassa’s en hoofdvormen van de bebouwing afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving, maar zullen wel een eigen architectonische eenheid vormen. Door de voorgestelde situering blijft de afstand tot de in naaste omgeving gelegen percelen voldoende groot. Het plan is verder niet of nauwelijks van invloed op de parkeerinrichting en infrastructuur. Zo wordt op eigen terrein voorzien in (ruim) voldoende parkeergelegenheid en zal het plangebied direct ontsloten worden op de Vossenbergsesteeg. De plangronden aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn reeds als ‘paardenhouderij’ aangeduid en tevens is een bouwvlak aanwezig. Met onderhavig bestemmingsplan wijzigen de agrarische bestemming en aanduiding ‘paardenhouderij’ met bouwvlak niet. Ten behoeve van de opslagschuur dient het bouwvlak wel iets te worden vergroot. Vanuit planologischjuridisch oogpunt betreft de ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 derhalve enkel het regelen van de buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2. Feitelijk omvat de ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 tevens het verplaatsen van alle wegenbouwactiviteiten met voorzieningen naar een door de exploitant nader te bepalen locatie. Hierdoor wordt een ruimtelijk en milieukundig knelpunt opgelost hetgeen als ook als extra ruimtelijke kwaliteitswinst kan worden aangemerkt.
In dit kader worden de volgende activiteiten uitgevoerd: • het verwijderen van overtollige oppervlakteverhardingen waaronder in ieder geval het verwijderen van de stelconplatenverharding wordt verstaan; • het verwijderen van overtollige bebouwing waaronder in ieder geval het verwijderen van het tuinhuis, de fietsenstalling en de overkappingen aan de vijver wordt verstaan. • het verwijderen van de buitenopslag.
3.4 Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering – Ruimte-voor-Ruimte aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd Landschappelijke inpassing De (voormalige) gemeente Schijndel heeft in 2005 het landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het landschapsontwikkelingsplan heeft een sturende rol in het bestemmen, aanleggen, inrichten en beheren van gebieden. Het behouden, versterken en ontwikkelen van bestaande kwaliteiten en met name kleinschalige landschapselementen alsmede de relatie hiervan met ruimtelijke ordening (onder andere beeldkwaliteit en landinrichting) zijn belangrijke doelen van het LOP. De landschappelijke inpassing van gebouwen is een concretisering van het landschapsontwikkelingsplan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is de initiatiefnemer verplicht om zorg te dragen voor een goede landschappelijke inpassing. Ter facilitering van initiatiefnemer heeft de (voormalige) gemeente Schijndel de ‘Handleiding landschappelijke inpassing’ opgesteld. Uit een landschappelijk inpassingsplan dient te blijken dat de voorgestane ruimtelijke ontwikkeling de natuur- en landschappelijke waarden ter plaatse niet schaden. Een land-
15
schappelijk inpassingsplan voorziet in een ontwikkeling in natura, waarmee aan de voorwaarden wordt voldaan die de provincie en gemeente stellen aan ontwikkelingen in het buitengebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt aangesloten op de bestaande situatie en de potentiële waarden en kwaliteiten in en rond het plangebied. Deze zijn door middel van een bureaustudie en een veldbezoek geïnventariseerd. Verantwoord is hoe de gewenste ontwikkeling op een duurzame manier in de bestaande situatie kan worden geïntegreerd. Om zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij het karakter van de omgeving is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 1.1). Dit inpassingsplan is vooraf gegaan door een inventarisatie van de historische ontwikkeling, landschapsanalyses lint en kavel en door referenties uit de omgeving. Een en ander heeft uiteindelijk geresulteerd in een landschaps-/inrichtingsschets. Er vindt inpassing van de tuin en de nieuwe woning in het omringende landschap plaats door een combinatie van erfbeplanting en landschapsbeplanting. De rapportage van GV Advies heeft geleid tot een plan, waarmee behoud van natuur- en land(schapp)elijke waarden en kwaliteiten is gegarandeerd en er bovendien sprake is van een verbetering wat betreft deze aspecten.
Er is zodoende een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij de fysieke inrichting passend is bij de omgeving en natuur en groen de landschappelijke waarden en kwaliteiten ter plaatse zullen doen toenemen.
Het landschappelijk inpassingsplan moet binnen één jaar na ingebruikname van de woningen gerealiseerd zijn en de initiatiefnemer moet de landschappelijke inpassing in stand houden. Dit is planologisch-juridisch geborgd in de planregels.
16
Landschappelijke kwaliteitsverbetering Artikel 3.9 lid 1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant bepaalt dat ‘een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving’. Bij (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen inclusief archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Bij hergebruik van voormalige agrarische en nietagrarische bedrijfslocaties is sloop van overtollige bebouwing uitgangspunt. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel echter géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Dit is geregeld in artikel 3.79 lid 3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. Bij zowel het ontwerpen van het bouwplan als bij het opstellen van het landschappelijke inpassingsplan, inclusief de landschaps-/inrichtingsschets, is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten. Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden.
3.5 Conclusie Met onderliggende ontwikkelingen aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd en 5 ontstaan representatieve locaties die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied onvoorwaardelijk in stand houden en door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing – in de vorm van twee woningen en een opslagschuur – en – specifiek voor de Vossenbergsesteeg 5 – het verwijderen van overtollige oppervlakteverhardingen, bebouwingen en buitenopslag zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het plan een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de landschappelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat het totaalplan bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de land(schapp)elijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse.
17
De juridische vertaling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden is verankerd in de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding en regels. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plankeuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en 10.
18
4. Beleidskader 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht.
4.2 Rijksbeleid Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid. Geconcludeerd kan verder worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt navolgend getoetst. Vanaf 2024 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook 1 Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De vier prioriteiten waar de NOVI zich op richt in de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
19
Onderhavige planontwikkeling heeft met name een gunstige uitwerking voor een ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. Onderhavig plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.
Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen.
Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige
20
functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt. De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Gelet op de onderliggende ontwikkeling voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (AbRS 18 december 2013, nummer 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Conclusie Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.
4.3 Provinciaal beleid Toetsingskader Omgevingsvisie Noord-Brabant In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak
21
kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen. De Omgevingsvisie kent één basisopgave: ‘werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit’. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang – hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: 1. werken aan de Brabantse energietransitie; 2. werken aan een klimaatproof Brabant; 3. werken aan een slimme netwerkstad; 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van NoordBrabant.
De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Ja Ja Ja
Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
22
De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. De andere aanduiding betreft ‘Verbod uitbreiding veehouderij’. Deze heeft enkel invloed op bestaande veehouderijbedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woning in het buitengebied van de kern Eersel. Buiten de primair agrarische gebieden ontwikkelen functies zich in evenwicht met elkaar en de omgeving. In de kernrandzones is een toenemende menging van wonen, voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid mogelijk. Rondom natuurgebieden vinden ontwikkelingen plaats op vrijkomende locaties die passen in een groene omgeving. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van in het gebied voorkomende functies worden gerespecteerd. Ontwikkelingen houden rekening met hun omgeving en dragen bij aan een versterking van de gebiedskwaliteiten.
Binnen de primair agrarische gebieden is de provincie terughoudend met de (verdere) ontwikkeling van niet-agrarische functies. De land- en tuinbouw heeft in deze gebieden het primaat. Artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geeft de voorwaarden waaronder binnen de planlocatie het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte woning mogelijk is. Met artikel 3.79 is aansluiting gezocht bij de regels uit de ‘Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006’ van de provincie Noord-Brabant. Het beleidsartikel omvat het volgende.
23
Lid 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling: a. door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit ; b. op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit , derde Lid ; en c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77. Lid 2 Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing. Lid 3 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , onder a; b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap ; en c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied , eerste Lid , onder a. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2.
er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Tevens dient bij stedelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied worden voorzien in een kwaliteitsverbetering. Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ zegt hierover het volgende: Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.
24
Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Doorwerking plan(gebied) Ten aanzien van het planvoornemen aan de Vossenbergsesteeg 5 is derhakve sprake van een min of meer conserverend karakter. De plangronden aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn reeds als ‘paardenhouderij’ aangeduid en tevens is een bouwvlak aanwezig. Bestemmingen en functies worden geactualiseerd om planologisch-juridisch meer aansluiting te vinden bij de feitelijke situatie.
De aangelegde buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2 hebben een ontwikkelgericht karakter. Enkel ten behoeve van de opslagschuur dient het bestaande bouwvlak te worden vergroot. Vanuit provinciaal beleidsmatig oogpunt is de voorgenomen planontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 van minimale invloed. Onderhavig planvoornemen behelst daarnaast de oprichting van twee woningen in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte. Binnen de kaders van de provinciale regelgeving is de oprichting van nieuwe woningen mogelijk, mits voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals opgesteld in de artikelen 3.6, 3.9 en 3.79 van de Interim omgevingsverordening. Artikel 3.79 van de Interim omgevingsverordening geeft de voorwaarden waaronder binnen de planlocatie het toevoegen van een Ruimte-voor-Ruimte worden mogelijk is. Met dit artikel is aansluiting kan gezocht bij de regels uit de ‘Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006’ van de provincie Noord-Brabant. Uit de verantwoording dient te blijken dat: • het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning te verzekeren; • is verzekerd dat is voldaan aan de nader gestelde regels; • er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.
Er is sprake van verkregen bouwtitels ter plaatse van onderhavig plangebied om twee Ruimte-voor-Ruimte woningen te bouwen. De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving, de aansluiting op het geldende planologische beleid en de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van de voormelde plan-
25
keuzes worden gemotiveerd in de hoofdstukken 3 en 5 tot en met 10 van deze plantoelichting alsmede in het landschappelijke inpassingsplan dat als bijlage 1.1 is bijgevoegd. De oprichting van twee woningen gaat gepaard met landschappelijke inpassing. Naast een goede landschappelijke inpassing is voor onderhavig planvoornemen in beginsel géén (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk. Achterliggende gedachte hierbij is dat deelname aan de Ruimte-voor-Ruimte regeling namelijk reeds bijdraagt aan een investering in het landschap. Bij het opstellen van het landschappelijke inpassingsplan is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de aanwezige waarden en kwaliteiten en huidige landschappelijke omgevingskarakteristiek en uitgangspunten (zie hiervoor hoofdstuk 3 van deze onderbouwing). Zodoende kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit van het gebied in stand gehouden worden en door de inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing kan de ruimtelijke (beeld)kwaliteit zelfs verbeterd worden. Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied (ter plaatse van de nieuwbouwwoningen) aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Een bestemmingsplan van toepassing op ‘verstedelijking afweegbaar’ kan voorzien in de nieuwvestiging van één of meerdere woningen als uit een ontwikkelingsvisie blijkt dat de woningen worden opgericht binnen een bebouwingsconcentratie en er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling. De nieuwe ontwikkeling dient daarnaast bij te dragen aan het behoud en de ontwikkeling van de omgevingskwaliteit van de bebouwingsconcentratie. Een en ander dient gepaard te gaan met een fysieke tegenprestatie die in evenredige verhouding staat tot de ontwikkeling van de woningen. Binnen de gebieden aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’ is de oprichting van woningen (bijvoorbeeld) in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte voorstelbaar, en kan deze bijdragen aan de kwaliteitsverbetering ter plaatse.
26
Doorwerking plan(gebied) Met het oprichten van de nieuwe woningen vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het landelijke gebied. De aanduiding ‘verstedelijking afweegbaar’ biedt in beginsel de mogelijkheid om de oprichting van woningen mogelijk te maken. Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied’ is het plangebied aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘Landelijk gebied’ heeft ook zijn plek binnen het eerder behandelde thema ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’. Het ‘Landelijk gebied’ is een veelzijdige gebruiksruimte met functies zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme. De functies zijn zo ontwikkeld dat er ten alle tijden rekening wordt gehouden met omliggende functies en aanwezige omgevingskwaliteiten. Ten aanzien van gronden aangeduid als zijn ‘Gemengd landelijk gebied’ geldt dat een gemengde plattelandseconomie of een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd met daarbij passende bestemmingen. Een planvoornemen dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. De zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.
In afwijking hiervan kan planvoornemen dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere Ruimte-voor-Ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst, de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt, er een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd en er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.
27
Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen behelst in hoofdzaak de actualisatie van bestemming en functie voor wat betreft de plangronden aan de Vossenbergsesteeg 5, maar ook de oprichting van twee woningen in het kader van de regeling Ruimte-voor-Ruimte aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd. Ten aanzien van de ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 kent het planvoornemen geen belemmeringen. Met de oprichting van een tweetal woningen vindt er een vorm van verstedelijking plaats in het ‘Landelijk gebied’ en het ‘Gemengd landelijk gebied’. Ontwikkelingen als deze zijn op voorhand niet uitgesloten. Eerder in de beschrijving van de provinciale beleidskaders is al beschreven dat ontwikkelingen in het landelijke gebied mogelijk zijn, mits er een gedegen belangenafweging is gemaakt en er aantoonbaar rekening wordt gehouden met de aanwezige kwaliteiten. In onderhavig geval is ten aanzien van de nieuwbouw getoetst aan de kaders waarbinnen het oprichten van woningen binnen de regeling Ruimte-voor-Ruimte is toegestaan. Aan de randvoorwaarden wordt voldaan. Dit is onder meer gebeurd door vooraf te onderzoeken welke kwaliteiten er aanwezig zijn, en deze kwaliteiten vervolgens in te passen, en waar mogelijk te versterken door middel van het opstellen en uitvoeren van een landschappelijk inpassingsplan.
Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van woningen in een van de bebouwingsconcentraties in het buitengebied van Schijndel. Doorwerking plan(gebied) De aanduiding ‘Stalderingsgebied’ is niet van toepassing op onderhavige ontwikkelingen.
28
Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van Schijndel. De norm ten aanzien van wateroverlast buiten stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: • 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; • 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; • 1/25 per jaar voor akkerbouw; • 1/10 per jaar voor grasland. Voor bebouwing die is gelegen buiten stedelijk gebied geldt de norm van het omringende landgebruik. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting. Doorwerking plan(gebied) De genoemde inspanningsverplichting zal worden geleverd door initiatiefnemer. Hiertoe is een watertoets uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn terug te lezen in hoofdstuk 7. De integrale rapportages van de watertoetsen zijn opgenomen als bijlagen 4.1 en 4.2. Conclusie Zoals hiervoor opgemerkt, is ten aanzien van het planvoornemen aan de Vossenbergsesteeg 5 sprake van een min of meer conserverend karakter. De plangronden aan de Vossenbergsesteeg 5 zijn reeds als ‘paardenhouderij’ aangeduid en tevens is een bouwvlak aanwezig.
Bestemmingen en functies worden geactualiseerd om planologisch-juridisch
29
meer aansluiting te vinden bij de feitelijke situatie. De aangelegde buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2 hebben een ontwikkelgericht karakter. Enkel ten behoeve van de opslagschuur dient het bestaande bouwvlak te worden vergroot. Vanuit provinciaal beleidsmatig oogpunt is de voorgenomen planontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5 van minimale invloed. De ontwikkelingen voldoen aan de voorwaarden, zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, en is passend binnen de omgeving en de opgenomen aanduidingen. Met oprichting van de woningen wordt geen afbreuk gedaan aan de ambities die de provincie heeft binnen deze structuren. In dit hoofdstuk zijn de belangen en regels van de provincie Noord-Brabant behandeld. Er is verantwoord op welke wijze er met dit plan wordt voldaan of wordt tegemoet gekomen aan de randvoorwaarden die de provincie in haar beleid heeft opgenomen. Het belangrijkste onderdeel van de verantwoording zit in de kwaliteitsverbetering die tezamen dient te gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Derhalve is de verantwoording voor voorliggend plan met name daarop gericht. Tevens biedt het aan dit plan toegevoegde inpassingsplan inzicht in de ontwikkeling op het gebied van natuur en landschap.
Met dit bestemmingsplan zijn de ecologische, land(schapp)elijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kwaliteiten van de plangronden in ogenschouw genomen. De landschappelijke inpassingsplannen van GV Advies (zie bijlagen 1.1 en 1.2) geven een eindbeeld voor land(schapp)elijke inpassing. Een en ander heeft geleid tot een plan, waarmee behoud van natuur- en landschapswaarden is gegarandeerd en er voor de nabije toekomst een duidelijke verbetering van de kwaliteiten op het gebied van flora en fauna kan worden verwacht. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderhavig (bestemmings)plan sluit aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de omgevingsvisie en verordening. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstukken 5 tot en met 10.