CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Plantoelichting Vossenbergsesteeg 5 en ong. Schijndel 260224

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening Vossenbergsesteeg ong. en 5, Schijndel'22.539 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 6.2 bij de plantoelichting opgenomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn voor het (bestemmings)plan.

9.4 Geluid (wegverkeerslawaai) Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige schei-

57

dingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie. Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan c.q. onderliggend bouwplan is door De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek naar de invloed van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek heeft betrekking op de voorgenomen ontwikkeling van de twee woningen aan de Vossenbergsesteeg ongenummerd. Hierna zijn de conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 7 opgenomen. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor het wegverkeersgeluid afkomstig van de Structuurweg voor de nieuwe woning. De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 56 dB. De zuidwestelijke gevel van de zuidelijke woning dient “doof” te worden uitgevoerd op de 1e en 2 e etage. De maximale aan te vragen hogere waarde van deze weg bedraagt 53 dB. Andere maatregelen worden niet doelmatig geacht, zie paragraaf 3.5. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB aan de zuidwestzijde van de meest zuidelijke woning . De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 58 – 33 = 25 dB.

Het bevoegd gezag zal bepalen of een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels nodig is. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij de woning geclassificeerd als ‘Goed’ tot ‘Matig’. Het woonen verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.6.1 en 3.6.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Spoorweglawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen actieve spoorlijn gelegen. Nader onderzoek naar de gevolgen van spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Vliegtuiglawaai Het plangebied is niet gelegen nabij een (militair) vliegveld. Nader onderzoek naar de gevolgen van vliegtuiglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied.

58

Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het bouwplan – na het volgen van een hogere waardenprocedure – geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.

9.5 Milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(gebied) Vossenbergsesteeg 5 Verwezen wordt op de eerste plaats naar de uitgevoerde milieuscan (bijlage 5.1). Aan de Vossenbergsesteeg 5 wijzigt de agrarische bestemming niet en ook de aanduiding ‘paardenhouderij’ blijft gehandhaafd. Hier is de beoogde ontwikkeling in feite enkel is gericht op het planologisch-juridisch regelen van de buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2 waarvoor een minimale vergroting van het bouwvlak nodig is.

59

Omgevingstype In de directe omgeving van het plangebied liggen alleen enkele woonbestemmingen. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype rustig buitengebied. Milieuzonering De richtafstanden behorende bij de beoogde paardenhouderij zijn weergegeven in navolgende tabel.

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

De woningen aan de Vossenbergsesteeg 7, 9 en 11 liggen binnen de richtafstanden voor de aspecten geur, stof en geluid van de beoogde paardenhouderij. Deze aspecten worden nader beschouwd: Geur Mogelijke geurbronnen bij een paardenhouderij zijn de dierenverblijven (stallen) en de mestopslag. Voor de paardenhouderij is op 11 februari 2010 een melding in het kader van het Besluit landbouw milieubeheer gedaan voor het houden van 32 volwassen paar-

60

den (K1.100) en 13 paarden in opfok (K2.100). De paardenhouderij valt nu onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Geur vanuit dierenverblijven Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de afstand tussen de emissiepunten van dierenverblijven (stallen) en woningen buiten een bebouwde kom op zijn minst 50 meter bedragen. Daarnaast moet de afstand tussen de gevel van de dierenverblijven en de gevels van woningen buiten een bebouwde kom op zijn minst 25 meter bedragen. De bestaande paardenstallen (gebouwen F en G) liggen op een afstand van op zijn minst 53 meter van de dichtstbijzijnde woningen. Er is geen verandering in de locatie van dierenverblijven. Geurhinder vanuit dierenverblijven vormt geen knelpunt. Geur vanuit mestopslag Op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet de afstand tussen de mestopslag en woningen buiten een bebouwde kom op zijn minst 50 meter bedragen. De mestopslag ligt op een afstand van ongeveer 40 meter van de dichtstbijzijnde woning. Echter betreft het een mestopslag die reeds voor 1 januari 2013 aanwezig was. Op grond van artikel 3.46, lid 2 van het Activiteitenbesluit is daarom sprake van een aanvaardbare situatie. Stof Een mogelijk bron van stofhinder vormt de buitenrijbak. De paardenhouderij valt onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het betreft een type B inrichting.

Voor (onder andere) type B inrichtingen geldt op grond van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit onder meer ‘het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder’. Bij paardenhouderijen komt dit bijvoorbeeld neer op het (indien nodig) besproeien van de buitenrijbak. De buitenrijbak is een bestaande bron, waaraan niets wordt gewijzigd. De te realiseren Vlaamse schuur zullen geen invloed hebben op stofhinder in de omgeving. Met het verplaatsen van het grond-, water- en wegenbouwbedrijf naar elders is sprake van een verbetering van de situatie als het gaat om stof. Geluid Mogelijke bronnen van geluid zijn met name voertuigbewegingen en het gebruik van mobiele machines. De paardenhouderij valt onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met betrekking tot geluid moet worden voldaan aan de grenswaarden voor geluid uit artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit. Hiertoe is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie het ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai, paardenhouderij Vossenbergsesteeg 5 Schijndel’ d.d. 19 juli 2018 met het kenmerk 20180758. In het akoestisch onderzoek is ook rekening gehouden met het toetsingskader voor geluid m.b.t. ruimtelijke ordening uit de handreiking Bedrijven en milieuzonering.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ruimschoots aan de richten grenswaarden voor geluid wordt voldaan. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. Omdat

61

richtafstanden voor het aspect geur van agrarische bedrijven niet altijd volstaan, wordt in de volgende paragraaf (9.6) nader op dit aspect ingegaan. Vossenbergsesteeg ongenummerd Verwezen wordt op de eerste plaats naar de uitgevoerde milieuscan (bijlage 5.2). Uitwaartse milieuzonering De beoogde woonbestemming vormt geen milieubelastende functie. Een analyse van uitwaartse milieuzonering is niet nodig. Inwaartse milieuzonering Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald; zie navolgende tabel. De richtafstanden zijn gebaseerd op een rustig buitengebied.

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

62

Het plangebied ligt niet binnen de richtafstanden van milieubelastende functies in de omgeving. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. Omdat richtafstanden voor het aspect geur van agrarische bedrijven niet altijd volstaan, wordt in de volgende paragraaf (9.6) nader op dit aspect ingegaan. Conclusie Dit betekent dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het (bestemmings)plan.

9.6 Geurhinder Toetsingskader Er wordt onderscheid gemaakt in agrarische geur en industriële (overige) geur. In de vorige paragraaf is beoordeeld dat het plangebied niet binnen de richtafstand voor het aspect geur van industriële of agrarische bedrijven ligt. De richtafstanden voor het aspect geur van agrarische bedrijven volstaan niet in alle gevallen. Daarom wordt hieronder het aspect agrarische geur nader toegelicht. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze

63

geurgevoelige objecten. De standaardnormen uit de Wgv zijn in onderstaande tabel opgenomen.

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen en afstanden aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor in de Verordening geurhinder en veehouderij een aangepaste geurnorm of is vastgesteld. Daarom geldt de wettelijke afstand van 50 met en geurnorm van 14 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in het buitengebied. Doorwerking plan(gebied) Vossenbergsesteeg 5 Verwezen wordt op de eerste plaats naar de uitgevoerde milieuscan (bijlage 5.1). De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

64

Voor geurgevoelige objecten bij veehouderijen geldt een afstandseis van 50 meter (buitengebied) tot emissiepunten van dierenverblijven van andere veehouderijen. De dichtstbijzijnde andere veehouderij ligt aan Vossenstraat 8 op ongeveer 280 meter van het plangebied. Aan de afstandseis wordt voldaan. Met oog op het woon- en leefklimaat is ook de voorgrondbelasting beoordeeld. De dichtstbijzijnde veehouderijen met een relevante geuremissie liggen aan Vossenstraat 8 en Houterdsedijk 7 op een afstand van respectievelijk 280 en 480 meter van het plangebied. Aan de afstandseis wordt voldaan. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting); zie navolgende afbeelding. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten (waarvoor dezelfde geurnorm geldt als voor de beoogde woningen) zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

65

Het woon- en leefklimaat is ‘goed’ of ‘zeer goed’. De achtergrondbelasting bedraagt 0 tot (ca.) 4 ouE/m3. Vossenbergsesteeg ongenummerd Verwezen wordt op de eerste plaats naar de uitgevoerde milieuscan (bijlage 5.2). De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

66

De dichtstbijzijnde veehouderijen met een relevante geuremissie liggen aan Vossenstraat 8 en Vossenbergsesteeg 19a op een afstand van respectievelijk 175 en 225 meter van het plangebied. Aan de afstandseis wordt voldaan. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting), zie navolgende afbeelding. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten (waarvoor dezelfde geurnorm geldt als voor de beoogde woningen) zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

67

Het woon- en leefklimaat is ‘zeer goed’. De achtergrondbelasting bedraagt 0 tot 3 ouE/m3. Op basis van deze achtergrondbelasting kan worden geconcludeerd dat de norm voor de voorgrondbelasting van 14 ouE/m3 ook niet overschreden zal worden. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het (bestemmings)plan.

9.7 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een

68

afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is.

Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 1% op 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 1.000 woningen worden gehanteerd.

Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden.

69

Doorwerking plan(gebied) Verwezen wordt op de eerste plaats naar de uitgevoerde milieuscans (bijlage 5.1 en 5.2). Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig (bestemmings)plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Gesteld kan worden dat de luchtkwaliteit zal voldoen aan de grenswaarden en dat de luchtkwaliteit verder geen belemmeringen vormt voor de te volgen procedure. Het plan voldoet aan de uitvoeringsregels uit het Besluit Nibm en de Regeling Nibm. Aanvullende berekeningen zijn in het kader van het aspect luchtkwaliteit niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Uit de uitsneden van de kaart bij de NSL-monitoringstool op onderstaande afbeeldingen blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocaties aanvaardbaar is. Er wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden.

70

Vossenbergsesteeg 5

71

Vossenbergsesteeg ongenummerd

72

Het bestemmingsplan heeft derhalve geen negatieve invloed op de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving van het plangebied. Andersom hebben de heersende achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen in Schijndel ook geen negatieve invloed op het plangebied. Ter toelichting kan worden vermeld dat de huidige luchtkwaliteit nabij het plangebied globaal afgeleid kan worden uit beschikbare informatie aan de hand van: • het aantal dagen met een daggemiddelde concentratie fijnstof (PM10) boven 50 µg/m3; • de grenswaarde voor jaargemiddelde fijnstofconcentratie van 40 µg/m3 • de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (40 µg NO2/m3). De normen voor luchtkwaliteit worden in de huidige situatie niet overschreden. Conclusie Het bestemmingsplan zelf biedt daarmee geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het plan het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. De realisatie van het bestemmingsplan houdt geen juridisch relevante verslechtering in voor de luchtkwaliteit.

9.8 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en spuitzones Uit de hierna navolgende toelichting welke is overgenomen uit de milieuscans (bijlagen 5.1 en 5.2) blijkt dat het aspect volksgezondheid geen belemmering vormt voor het (bestemmings)plan. Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht d.d. 30 april 2018. Die handreiking bevat een stappenplan waarmee beoordeeld kan worden of volksgezondheid in relatie tot veehouderijen een dusdanig knelpunt vormt. In stap 7 van het stappenplan wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Mocht er in de toekomst sprake zijn van ongerustheid bij omwonenden (of toekomstige bewoners) dan kan dat uiteindelijk een aanleiding zijn om advies in te winnen bij de GGD. Voor zover bekend is er nu geen sprake van. Er zal tot heden dan ook geen opvraag voor advies nodig zijn. Of er sprake is van ongerustheid is door het bevoegd gezag (de gemeente Meierijstad) te beoordelen op basis van meldingen of klachten uit die omgeving. Spuitzones Ter plaatse van de Vossenbergsesteeg 5 is sprake van de uitbreiding van het bouwvlak.

Op basis hiervan is er geen sprake van een gevoelige bestemming in het kader van spuitzones omdat het geen bestemming betreft waar personen (langdurig) verblijven. Het aspect spuitzones is daarom niet relevant voor het planvoornemen.

73

9.9 Externe veiligheid Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en de productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichten (Bevi); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Risiconormering Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.

Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

74

Figuur: wanneer groepsrisico verantwoorden? De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is niet leidend bij de bepaling van de toelaatbaarheid van een (ruimtelijke) ontwikkeling. In de verantwoording van het groepsrisico ligt de nadruk op een integrale weging van wat is / kan worden bereikt en de omvang van de restrisico’s. De gemeente Meierijstad sluit aan bij de principes van het ‘Beleidskader groepsrisico’ en past de verantwoordingsplicht groepsrisico toe bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen binnen invloedsgebieden van inrichtingen en transportmodaliteiten. Daarnaast wordt de verantwoordingsplicht toegepast bij de verlening bij de verlening van milieubeheervergunningen. Externe veiligheid vervoer Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het Bevt vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand

75

van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Uit de uitgevoerde milieuscans (bijlagen 5.1 en 5.2) blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het (bestemmings)plan. Op basis van gegevens van de Risicokaart zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen en invloedsgebieden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

76

Inrichtingen In de omgeving van het plangebied liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De op de afbeelding aangegeven inrichtingen betreffen LPG-tankstations. Voor LPG-tankstations bedraagt het invloedsgebied 150 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 400 meter van het dichtstbijzijnde LPG-tankstation.

77

Wegen plangebied ligt op ongeveer 400 meter van het dichtstbijzijnde LPG-tankstation. Wegen Ten zuiden van het plangebied Vossenbergsesteeg 5 loopt op 130 meter afstand de transportweg ‘Structuurweg- Floralaan’. Ten behoeve van het LPG tankstation aan de Hopstraat16 in Schijndel vindt over deze weg het transport van gevaarlijke stoffen plaats. Aangezien het plangebied binnen de risicocontouren van deze weg ligt, is een nadere beschouwing van de externe veiligheidsrisico’s conform artikel 8 van het Bevt noodzakelijk. Deze is als bijlage II bijgevoegd. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico minder dan 0,1 × de oriëntatiewaarde zal bedragen. Conform het Bevt, artikel 8, lid 2 is een nadere berekening niet nodig en kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario van een BLEVE (‘boiling liquid expanding vapour explosion’ (kokendevloeistofgasexpansie-explosie)). Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient alleen aandacht besteed te worden aan de (beperkte) zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op (artikel 7, Bevt). Spoorwegen In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Waterwegen In de omgeving van het plangebied liggen geen waterwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied liggen geen buisleidingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De Brandweer Brabant-Noord/Veiligheidsregio is om advies gevraagd conform artikel 9 Bevt; zie bijlage 8: Scenario Het relevante scenario i.r.t het plangebied is een BLEVE. Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen of door een hoge mechanische impact op een tank Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank.. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Het slachtoffer- en schadebeeld is afhankelijk van de afstand tussen de risico ontvangers en de incident locatie. (zie tabel 1) Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario Bleve is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Via de Vossenbergsesteeg kan men aftand van de Structuurweg nemen. Als gevolg van de relatief bperkete afstand tot de weg zal een incident snel opgemerkt worden. Gezien de aard van de ontwikkeling kan worden aangenomen dat de nieuwe bewoners in staat zijn om zelfstandig op een dreiging te reageren en te vluchten.

De zelfredzaamheid wordt om deze redenen als voldoende / goed beoordeeld. Beoordeling bestrijdbaarheid

78

LPG-tanks en de tankwagens die LPG aanleveren zijn voorzien van een isolerende bekleding. Dit betekent dat afhankelijk van de vulgraad van de tank een explosie na 75 minuten kan plaats vinden. De brandweer zal om deze reden een redelijke tijd hebben om de tank te kunnen koelen en het gebied te ontruimen. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als goed beoordeeld. Onze referentie: Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. reden sterk defensief optreden. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld. Advies Uit de beoordeling blijkt dat het beste ingezet kan worden in het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid • Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.

Conclusie Uit inventarisatie blijkt dat het plangebied niet binnen risicocontouren (invloedsgebieden, plasbrandaandachtsgebieden, effectaandachtsgebieden en/of PR 10-6 contouren) van

79

inrichtingen, transportroutes (weg, spoor of water) en buisleidingen ligt. Nader onderzoek naar het aspect externe veiligheid is niet noodzakelijk. Gesteld kan worden dat het voorgenomen bouwplan zelf geen extern veiligheidsrisico vormt. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er naar de omgeving toe geen belemmeringen te verwachten. Uitgebreid onderzoek naar externe veiligheid is na deze quickscan dan ook niet nodig.

80

10. Mobiliteit; verkeer en parkeren Mobiliteit speelt geen relevante planologische rol van betekenis voor de ontwikkeling aan de Vossenbergsesteeg 5. Op dit deel van het plangebied wijzigen de bestemming en aanduiding ‘paardenhouderij’ namelijk niet. Hier is de beoogde ontwikkeling in feite enkel is gericht op het planologisch-juridisch regelen van de buitenrijbak en de beoogde oprichting van een opslagschuur van 465 m2. Verkeer De ontsluitingen van de nieuwe woningen in het plangebied plangebied vinden plaats op de Vossenbergsesteeg en worden aangelegd conform de Beleidsregel Uitwegen 2023. Na realisatie van het bouwplan zal het aantal verkeersbewegingen niet of nauwelijks c.q. niet significant toenemen ten opzichte het huidige niveau. De voorgestane ontwikkeling leidt in ieder geval niet tot een onaanvaardbare toename van de verkeersintensiteit/druk op de Vossenbergsesteeg. De voorziene opslagschuur zal niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen, aangezien deze schuur voor eigen gebruik zal worden aangewend en, meer concreet, zal worden gebruikt ten behoeve van de opslag van materiaal en materieel (landbouwwerktuigen e.d.). Parkeren Naast een goede ontsluiting streeft de gemeente Meierijstad naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen.

Het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ bepaalt dat aan de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 getoetst dient te worden. Voor het plangebied betekent dit dat er voldoende parkeergelegenheid – minimaal 3,0 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning – op eigen terrein gerealiseerd moet en kan worden. De parkeerbehoefte moet namelijk volledig op eigen terrein worden ingevuld.

81

11. Juridische opzet 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen in het plan voorkomen en waarop deze betrekking hebben. De regels geven aan wat de doeleinden zijn van elke bestemming. In aansluiting hierop bevatten de regels bepalingen met betrekking tot de toegelaten bebouwing. Dit alles gerelateerd aan de desbetreffende bestemming. De regels en de verbeelding vormen samen het deel van het bestemmingsplan dat voor een ieder bindend is. De toelichting is niet bindend, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het bestemmingsplan en voor de uitleg van bestemmingen en regels. Het bestemmingsplan dient verder te voldoen aan de Wro , het Bro en de ROStandaarden 2012: • IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening 2012); • SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012); • STRI2012 (Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten 2012). Het onderhavige bestemmingsplan is uitgevoerd conform de Wabo en deze standaarden.

11.2 Systematiek van de regels De Wet ruimtelijke ordening bepaalt een drietal zaken met betrekking tot de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten: • de digitale raadpleegbaarheid; • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen2012; De regels zijn volgens de SVPB2012 in vier hoofdstukken als volgt opgesteld: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. Op de verbeelding zijn de volgende zaken aangegeven: • de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; • de grens van het plangebied; • de aanduiding.

82

12. Uitvoeringsaspecten 12.1 Economische uitvoerbaarheid Exploitatie Behoudens kosten voor ambtelijke voorbereiding en begeleiding zijn er voor de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling geen andere kosten voor de gemeente in de exploitatiesfeer. De ontwikkeling bevindt zich op eigen terrein van de initiatiefnemer en komt buiten de directe invloedssfeer van de gemeente tot stand. Alle kosten verbonden aan de realisatie van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Planschade Om de economische uitvoerbaarheid te waarborgen, dient inzicht te worden verkregen of in onderhavige situatie sprake is van planschade. Eventuele tegemoetkomingen in de planschade die uit het bestemmingsplan voortvloeien, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de kaders waarbinnen de gewenste (plan-)ontwikkeling in het plangebied kan plaatsvinden. De initiatiefnemer kan binnen de stedenbouwkundige en planologische randvoorwaarden zijn (bouw)plan en een bijbehorende exploitatieopzetten uitwerken, waarbij het exploitatierisico geheel bij de initiatiefnemer ligt. De realisatie- en beheerskosten van de uit te werken inrichtings- en bouwplannen zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures tot en met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wet geregeld. Aangegeven is dat in eerste instantie tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig, overleg over het plan moet worden gevoerd, alvorens het ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart. Zowel het waterschap als de provincie heeft een vooroverlegreactie gegeven. De vooroverlegreactie van het waterschap is verwerkt in de watertoets c.q. in het bestemmingsplan. Hetzelfde geldt voor de vooroverlegreactie van de provincie. • •

De positieve bestemming van de bestaande / aanwezige – doch tijdelijke – mantelzorgwoning is geschrapt. Ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - kleinschalig landschap – paardenbak’ is verwijderd uit het plan. De paardenbak wordt namelijk niet aangelegd/gerealiseerd. Daarmee wijzigt de reeds bestaande aanduiding ‘paardenhouderij’ enkel ten behoeve van de beoogde opslagschuur. Het landschappelijke inpassingsplan en de berekening van de kwaliteitsverbetering (conform artikel 3.9 Iov) zijn hier ook op aangepast.

83

• •

De wegenbouwactiviteiten waar voorheen in zekere mate sprake van was, zijn niet langer aan de orde en maken dan ook geen onderdeel uit van onderhavig bestemmingsplan. Het certificaat / bewijsstuk van de aangekochte bouwtitels Ruimte-voor-Ruimte bouwtitels is als bijlage 9 is toegevoegd. Initiatiefnemer is tot betaling ervan overgegaan.

Omgevingsdialoog Vanuit de directe omgeving van het plangebied heerst geen negatieve grondhouding ten opzichte van onderhavige planontwikkeling. Voor het verslag van de gevoerde omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage 10.

84

13. Slotconclusie In dit bestemmingsplan is nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke, stedenbouwkundige en milieu-hygiënische effecten van het plan. Gemotiveerd is dat het plan zich verhoudt, zowel in negatieve als positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologische beleid en de stedenbouwkundige en landschappelijke toets zijn alle ruimtelijke en milieukundige deelaspecten onderzocht. Slotconclusie is dat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het motiveren van de wijziging van de geldende bestemming middels het opstellen van onderliggend bestemmingsplan; 2. het met een bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; Met dit bestemmingsplan is thans een planologische en juridische basis gelegd om de noodzakelijke omgevingsvergunning(en) te kunnen verlenen en daarmee het onderliggende (bouw)plan te kunnen realiseren.

85

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4dce2091-e2ac-49b6-ad28-c6a309438739