CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

P00484_BP_Nijnselseweg 24a te Sint-Oedenrode 20240521

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24a'37.336 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

64

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. De nieuw te realiseren bebouwing bezit geen materialen die tot een verontreiniging van de bodem zullen leiden en daarmee de kwaliteit van het grondwater verslechteren. Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie De hoogteligging van het plangebied varieert tussen de 10,1 en 11,7 m + NAP. Aan rand van het plangebied is de hoogte tussen de 10,1 en 11, 0 m + NAP. Dit loopt geleidelijk op naar uiteindelijk 11.7 m = NAP ter plaatse van de huidige/voormalige bebouwing. Het plangebied maakt onderdeel uit van het beekdal De Dommel. De bodem bestaat hier uit beekeerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (bron: bodemkaart Nederland, blad 51 Oost, Eindhoven). Voor het plangebied is een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 10,6 m + NAP. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 10,2 en 9,8 + NAP. Het betreft hier grondwatertrap III (bron: bodemkaart Nederland, blad 51 Oost, Eindhoven).

Waterhuishoudkundige situatie Naast de eerdergenoemde watergangen De Dommel en Diependaal, welke in het beheer zijn bij het waterschap De Dommel, wordt de waterhuishoudkundige situatie bepaald door de aanwezige watergangen op de noord-, oost- en zuidgrens van het plangebied. Deze watergangen zorgen voor de directe afwatering van het plangebied en staan rechtstreeks in verbinding met de watergang Diependaal. Deze is weer rechtstreeks verbonden met de nabij gelegen Dommel. Regionale waterberging Het plangebied ligt, zoals in par. 3.2.2 reeds is beschreven, aan de rand van een regionaal waterbergingsgebied. De grens van dit gebied reikt juist al over het bestaand bouwvlak. De beoogde nieuwbouw blijft vrijwel binnen het eerdere bouwvlak. In totaal ligt ca. 112 m² van de nieuwbouw binnen de regionale waterbergingscontour. Daarvan is slechts 30 m² gelegen beneden het verwachte waterpeil van 10,8 m +NAP. Er is de mogelijkheid voor het bouwen op palen ter bevordering van de regionale waterberging. Op deze manier wordt het bergend vermogen niet verkleind. Als voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat binnen de betreffende zone alleen mag worden gebouwd als het verlies aan waterbergend vermogen elders binnen het plangebied wordt gecompenseerd.

Hiervoor is voldoende ruimte binnen het plan en aansluiting op het waterbergingsgebied aanwezig (zie nader onder het kopje ‘hemelwaterafvoer na ontwikkeling’, verderop in deze paragraaf). Daarnaast wordt het regionaal waterbergingsgebied herbegrensd, voor zover dit samenvalt met het nieuwe bouwvlak. Persleiding Aan de noordelijke rand van het plangebied ligt een persleiding van het waterschap. De leiding heeft een veiligheidszone van 3 meter aan weerszijden. Er worden geen ingrepen binnen de veiligheidszone voorzien. De leiding inclusief veiligheidszone is op de verbeelding en in de planregels opgenomen. De belangen van het functioneren en het beheer en onderhoud van de leiding zijn daarmee gewaarborgd. Hemelwater In de huidige situatie is een deel van het terrein verhard en een deel onverhard. Het betreft de aanwezige bebouwing en verhardingen ten behoeve van de interne ontsluiting. Dit betreft circa 1.806 m² aan verhard oppervlak. Door de ligging in het buitengebied wordt in de huidige situatie hemelwater reeds lokaal verwerkt

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

65

(infiltratie + oppervlakkig afstromen naar omliggende grachten). Ter plaatse is geen infiltratie-onderzoek uitgevoerd, maar op basis van de verwachte bodemsamenstelling (midden en fijn zand, met weinig zandige klei) en optredende grondwaterstanden is in de toplaag wel een matig tot goede horizontale verspreiding te verwachten. Het bestaande verhard oppervlak zal in zijn geheel verdwijnen en vervangen worden door het woonzorgcomplex met parkeerplaatsen, wegen en paden. Het totaal aan verhard oppervlak voor het woonzorgcomplex wordt daarmee in de nieuwe situatie ingeschat op circa 2.911 m2. De parkeerplaatsen en een deel van het voetpad worden in half-open verharding uitgevoerd. De toename aan verhard oppervlak wordt daarmee ingeschat op ca. 1.105 m². Bij de verdere planuitwerking kan een en ander echter nog beperkt wijzigen.

Tabel 4.3: inschatting huidig en toekomstig verhard oppervlak binnen plangebied Hemelwaterafvoer na ontwikkeling Bij de herontwikkeling met nieuwbouw dient het hemelwater geheel op eigen perceel verwerkt te worden. Met behulp van de rekenregel van het waterschap De Dommel is een berekening voor de benodigde waterberging van het nieuw te bouwen woon-zorgcomplex uitgevoerd. In totaal dient er (2.911 m 2 x 0,06m =) 174,7 m3 waterverwerking ingepast te worden, onderstaand wordt hier nader op ingegaan. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden.

Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan. De rekenregel luidt dus als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

66

Voor het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1. De benodigde compensatie bedraagt, worst case uitgaande van een toekomstig verhard oppervlak van 2.911 m²: 2.911 m2 * 1 * 0,06 = afgerond 174,7 m3 Daarnaast zal moeten worden voorzien in compensatie van het verlies aan waterbergend vermogen door de herbegrenzing van het regionaal waterbergingsgebied. Deze compensatie bedraagt 6 m³.

Figuur 4.4: Planvoornemen met aanduiding compensatie waterbergend vermogen en mogelijke ligging infiltratievoorzieningen De hemelwaterverwerking dient gerealiseerd te worden boven de GHG van 10,1 m +NAP en het verwachte overstromingspeil van 10,8 m +NAP. Derhalve gaat de voorkeur uit naar een infiltratievoorziening noord of noordwestelijk binnen het plangebied buiten het natuurlijke overstromingsgebied. De beoogde voorzieningen zijn globaal aangegeven in figuur 4.4. Ter plaatse zijn twee wadi’s gepland. Hierin kan de benodigde waterberging ingepast worden. Voor bovennormatieve buien kan er via maaiveldprofilering eenvoudig een bovengrondse-overloop gerealiseerd worden naar de omliggend gelegen watergangen. Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van halfverharding. Aanvullend kan op de nieuwbouw en/of het bijgebouw groendak toegepast worden waardoor dit oppervlak dan als onverhard beschouwd wordt en de wadi’s kleiner ontworpen kunnen worden.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

67

Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water oppervlakkig kan afstromen naar de voorziening of aangrenzend oppervlaktewater en niet naar de omliggende percelen. Bij het definitief bouwplan dienen de uiteindelijke afval- en hemelwaterstelsels nader gedimensioneerd en op de definitieve plantekening opgenomen te worden. Door het voldoende hoge bouwpeil, de hemelwatervoorziening voor de toekomstige verharding op eigen perceel, de compensatie van het waterbergend vermogen en rekening te houden met de overige genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de planontwikkeling en wordt klimaat robuust ontwikkeld. Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen, gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. 4.11.3

Conclusie

In de nieuwe situatie wordt alleen het huishoudelijk afvalwater geloosd op de riolering. Het schone hemelwater wordt afgekoppeld en wordt overwegend geïnfiltreerd in de bodem. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Het plan voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.

Archeologie 4.12.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving, zijn per 1 januari 2024 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet naar de Omgevingswet overgegaan. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Archeologiebeleid gemeente Meierijstad en ontwerp ‘paraplubestemmingsplan archeologie’ Na de samenvoeging van de voormalige gemeenten Sint-Oedenrode, Veghel en Schijndel tot de gemeente Meierijstad per 1 januari 2017, heeft de gemeente een archeologische inventarisatiekaart opgesteld met als doel om voor de gehele gemeente een integraal en actueel archeologisch beleidskader te kunnen opstellen.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

68

Op basis van de inventarisatiekaart is een archeologische beleidskaart opgesteld voor het gehele gemeentelijke grondgebied. In deze inventarisatiekaart zijn 10 beleidscategorieën opgenomen. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze categorieën te vertalen in een gemeentedekkend paraplubestemmingsplan, het ontwerp ‘paraplubestemmingsplan archeologie’. Het is wenselijk om dit meest actuele beleidskader toe te passen voor de onderhavige ontwikkeling voor een doelmatige bescherming van het archeologisch erfgoed. 4.12.2

Onderzoek

In 2011 is er voor gekozen om voor het gehele plangebied de archeologische situatie inzichtelijk te maken, om zodoende bij de realisatie niet voor verrassingen komen te staan. Op basis van het uitgevoerde archeologische bureauonderzoek en verkennend booronderzoek 8 kan geconcludeerd worden dat: 

de ondergrond uit Brabantse Leem bedekt met zandige beekafzettingen bestaat waarin zich een beekeerdgrond heeft gevormd die is afgedekte door een ophogingspakket, dat vermoedelijk rond 1900 is opgebracht, waarbij rondom het huis uit de 20e eeuw nog wat ophoging heeft plaatsgevonden;

in geen van de boringen indicatoren zijn aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht;

naar verwachting binnen het plangebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn, waardoor ook geen archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied.

Figuur 4.5: uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Meierijstad (Bron: uit ontwerp-bestemmingsplan Op grond van de resultaten van het onderzoek is voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd. De resultaten van het onderzoek zijn meegenomen bij de totstandkoming van de gemeentelijke archeologische waarden- en beleidskaart. Op grond van de gemeentelijke beleidskaart (zie figuur 4.5), volgt dan ook dat het grootste gedeelte van het plangebied reeds is onderzocht en (gedeeltelijk) vrijgegeven (categorie 9b), waardoor het niet nodig is hier een archeologische dubbelbestemming met beperkingen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden op te nemen. De randen van het gebied liggen binnen de zone ‘categorie 4’.

8

Synthegra, projectnummer S110160, 16 augustus 2011.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

69

Voor gronden die zijn geclassificeerd als ‘Categorie 4’, is in onderhavig bestemmingsplan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 opgenomen. Hier is het behoud van archeologische waarden in originele context (behoud ‘in situ’) na te streven en bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden beneden het maaiveld) dieper dan 30 cm in beginsel te vermijden. Bodemverstorende activiteiten, grootschalige dan wel langdurige grondwaterpeilverlagingen en sloopwerkzaamheden beneden het maaiveld (bv. sloop van funderingen, kelders, putten) worden niet toegestaan in plangebieden van 250 m² of groter, tenzij met behulp van een waardestellend archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat er geen archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling. Het hierboven beschermingsregime is overgenomen in de planregels van onderhavig plan. 4.12.3

Conclusie

Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Cultuurhistorie 4.13.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2

Onderzoek

Aan de hand van Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in navolgend figuur. Uit de CHW kaart volgt dat binnen de plangebieden geen sprake is van de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden. Echter is er in de directe omgeving wel cultuurhistorisch landschap aanwezig. Ten noorden van de planlocatie is cultuurhistorisch landschap ‘Groene Woud’ gelegen. Ten westen van het plangebied is Kasteel Henkenshage gevestigd, een Cultuurhistorisch waardevol complex van provinciaal cultuurhistorisch belang. De planvorming binnen het plangebied heeft geen invloed op de kenmerken en waarden van de betreffende waardevolle gebieden.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

70

Figuur 4.6: uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart

4.13.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Binnen 50 meter van het plangebied liggen geen gronden waarop sprake is van boom- of fruitteelt of waar anderszins gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Om die reden is er geen sprake van een spuitzone die belemmerend kan zijn voor het plangebied.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan nodig. In hoeverre een ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 te kwalificeren is, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de jurisprudentie zijn echter wel aanknopingspunten te vinden die kunnen worden gebruikt in de beoordeling of al dan niet sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze aanknopingspunten worden beschreven in de navolgende alinea’s. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’; ‘Afdeling’) heeft in haar uitspraak van 18 juli 2018 duidelijk gemaakt dat ook een behoorlijke wijziging niet gekwalificeerd hoeft te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (ECLI:NL:RVS:2018:2414).

Ook de ABRvS spreekt uit dat het begrip ruimte

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

71

laat voor interpretatie en afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Volgens de ABRvS spelen onder andere de aard en omvang van een ontwikkeling een rol bij de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (zie ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694). De Afdeling bevestigt dit laatste nog eens in een uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348). In aanvulling op bovenstaande blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank OostBrabant echter wel dat het feit dat milieugevolgen van een project beperkt zijn kan worden meegenomen in een onderbouwing dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie Rechtbank OostBrabant 6 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5778). Daarnaast is het ook van belang in hoeverre er sprake is van een functiewijziging en een toename in de bebouwde oppervlakte (zie ABRvS 2 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348; ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1297; ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Ten aanzien van dit laatste kiest de Afdeling dus voor een planologische vergelijking van de nieuwe situatie ten opzichte van de oude.

Indien er sprake is van een toename in bebouwde oppervlakte, kan het niet of slechts beperkt optreden van milieugevolgen worden aangevoerd als grond waarom er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Doorwerking plangebied De voorgenomen activiteit is een activiteit die genoemd wordt in het Besluit m.e.r., onderdeel D 11.2. Het planvoornemen betreft de realisatie van een woon-zorgcomplex van maximaal 2.900 m2 bvo en blijft ver onder de drempelwaarde van 100 hectare of meer. Er is daarmee geen sprake van een directe m.e.r.beoordelingsplicht en een directe m.e.r.-plicht is evenmin aan de orde. Wel is een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Er is voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan een aanmeldingsnotitie opgesteld door de initiatiefnemer. Deze is in bijlage 9 opgenomen. Op basis van de aanmeldingsnotitie en de beoordeling van deze notitie (vormvrije m.e.r.-beoordeling) moet het bevoegd gezag een besluit nemen, voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. In de aanmeldingsnotitie wordt geconcludeerd dat de potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, dusdanig beperkt van aard en omvang zijn dat er geen significant nadelige milieugevolgen te verwachten zijn.

Het doorlopen van een m.e.r.-procedure wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

72

5

Juridische planopzet Inleiding

De in deze toelichting beschreven planuitgangspunten zijn juridisch-planologisch vertaald in het bestemmingsplan, dat bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Qua systematiek sluit het bestemmingsplan waar mogelijk aan op het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’, inclusief de herzieningen van dat plan. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. 5.2.1

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 5.2.2

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. De volgorde van de bestemmingen is conform de SVBP op alfabetische volgorde, waarbij de hoofdbestemmingen voor de dubbelbestemmingen zijn geplaatst.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

73

Hoofd- en dubbelbestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen bestaan. Bestemmingsomschrijving: Een omschrijving van de doeleinden van de bestemming. Het gaat hierbij om de functies. De aard van de toegelaten fysieke elementen van de grond, zoals bouwwerken en werken, geen gebouwen zijnde, vloeit (rechtstreeks) voort uit de toegelaten functies. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels: Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de bij recht toegestane bouwregels. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden opgenomen. Daarbij kan een specificering van het toegestane gebruik aan de orde zijn of een beschrijving van het gebruik dat in ieder geval als strijdig met de bestemming wordt aangemerkt. Afwijken van de gebruiksregels: In deze regel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor ander gebruik dan genoemd onder de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels.

Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen, dat wel een vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via een afwijking kunnen geen ‘nieuwe’ functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen. Wijzigingsbevoegdheid: In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om regels te wijzigen zoals bijvoorbeeld het verwijderen van een specifieke aanduiding indien de bedrijfsactiviteit behorende bij deze aanduiding gedurende een half jaar is gewijzigd. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. 5.2.3

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Dit hoofdstuk bestaat uit de volgende regels: Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

74

Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen met betrekking tot het ondergronds bouwen alsmede bestaande afwijkende afstanden en maten. Algemene gebruiksregels In deze regel zijn specifieke bepalingen opgenomen over het gebruik, die betrekking hebben op alle bestemmingen, in aanvulling op de bestemmingsregels. Dit betreft vormen van met het plan strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels In het plan zijn twee gebiedsaanduidingen opgenomen. Dit betreft veiligheidszones vanwege de ligging nabij een gastransportleiding (zie uitgebreid par. 4.5 ‘externe veiligheid’). Binnen de binnenste zone ‘veiligheidszone – leiding’ is de bouw van kwetsbare objecten uitgesloten. Het bouwvlak van de bestemming ‘Maatschappelijk’ ligt overigens buiten deze zone. Binnen de buitenste zone ‘veiligheidszone – gastransportleiding’ is bebouwing voor kwetsbare en beperkt kwetsbare groepen personen onder voorwaarden middels een afwijkingsbevoegdheid toegestaan. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven per bevoegdheid.

Overige regels Dit artikel bevat enkele restbepalingen met betrekking tot verwijzingen naar wettelijke regelingen, het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het realiseren van voldoende parkeergelegenheid. 5.2.4

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht In dit artikel is het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Bestemmingen Hieronder worden de in het plan opgenomen bestemmingen toegelicht.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

75

Bos Aan de randen van de planlocatie ligt het bosgebied Diependael, dat tot het NNB behoort. In de huidige situatie is een deel van de gronden in het plangebied al bestemd als ‘Bos’. Deze bestemming wordt conform het inrichtingsplan aan de zuidwestkant n de noordoostkant vergroot. De gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos en bosgroeiplaats alsmede van de landschappelijke en natuurwaarden. Daarnaast zijn (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik toegestaan. Binnen de bestemming mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. In de bestemming is tevens een vergunningplicht opgenomen voor een aantal categorieën van werken en werkzaamheden. Werkzaamheden in het kader van normaal onderhoud en beheer en ter uitvoering van het inrichtingsplan zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Groen Aan de voorzijde (noordzijde) van het perceel wordt de bestemming ‘Groen’ toegevoegd. Deze gronden worden landschappelijk ingericht. Daarnaast komen er parkeerplaatsen en de ontsluiting van het perceel; hiervoor is de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ opgenomen op de verbeelding.

De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen, behoud/herstel/ontwikkeling van houtopstanden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, extensief recreatief medegebruik en parkeervoorzieningen (aanduiding ‘parkeerterrein’), in- en uitritten met bijbehorende verhardingen. Binnen de bestemming mogen slechts in beperkte mate bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Uitzondering hierop vormt de mogelijkheid om maximaal één bijgebouw ten dienste van de bestemming ‘Maatschappelijk’ op te richten (maximaal 120 m², bijvoorbeeld in de vorm van een berging/opslagruimte). Maatschappelijk Een deel van het plangebied blijft conform het vigerende bestemmingsplan bestemd als ‘Maatschappelijk’. Dit betreft de gronden ter plaatse van de beoogde nieuwbouw en een klein gedeelte van het direct omliggende terrein. Het betreft een maatwerkbestemming voor het beoogde woon-zorgcomplex, waarin zorg in combinatie met wonen mogelijk is (met uitzondering van verslavingszorg). Hiertoe is de aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk – zorgwonen’ opgenomen. De gronden zijn bestemd voor een woonzorgcomplex met zorgwoningen, dagbesteding en daarbij behorende voorzieningen van maximaal 2.900 m² bruto vloeroppervlak.

Er zijn maximaal 40 zorgwoningen toegestaan, bestemd voor (het huishouden van) personen met een behoefte aan zorg, waarbij ten minste 14 uur per week zorg wordt afgenomen. Daarnaast zijn groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en paden, wegen, in- en uitritten en parkeervoorzieningen toegestaan. Voor een ‘woon-zorgcomplex is in artikel 1 een definitie opgenomen: Complex bestaande uit zorg- en welzijnsvoorzieningen gecombineerd met zorgwoningen, waarbij een verpleegpost aanwezig is met 24-uurs zorg en waarbij tevens ter ondersteuning niet-zelfstandige kantoren kunnen voorkomen. Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen. Uitsluitend binnen dit bouwvlak mogen gebouwen worden opgericht. De maximale goot- en bouwhoogte is bepaald op de verbeelding en wisselt per zone binnen het bouwvlak. De gezamenlijke oppervlakte (footprint) is door middel van een maximum bebouwingspercentage van het bouwvlak geregeld. Het oprichten van bebouwing ten behoeve van kwetsbare of beperkt kwetsbare groepen personen is slechts onder voorwaarden toegestaan (zie nader par. 4.7 ‘externe veiligheid’), met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. Hierdoor kan worden getoetst of aan de voorwaarden ter bevordering van de zelfredzaamheid van personen wordt voldaan.

Het in gebruik nemen van de nieuwe bebouwing is uitsluitend toegestaan op voorwaarde dat de landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan tijdig (uiterlijk het eerstvolgende plantseizoen) wordt aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden. Buiten het bouwvlak mag slechts beperkt worden gebouwd. Daarnaast zijn

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

76

voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van het realiseren van voldoende waterberging en het opstellen van een verlichtingsplan. Verkeer, Verkeer – Onverhard, Verkeer – Verhard, Water Een deel het tracé van de gastransportleiding (incl. belemmeringenstrook) noordelijk van het bouwperceel van het woon-zorgcomplex is in het plangebied opgenomen. Dit met het oog op de ter plaatse aangepaste regels voor de (belemmeringenstrook van de) hogedruk aardgastransportleiding ter plaatse. De onderliggende bestemmingen ‘Verkeer’, ‘Verkeer – Onverhard, ‘Verkeer – Verhard’ en ‘Water’ uit de vigerende bestemmingsplannen blijven onverkort gehandhaafd. Er wijzigt inhoudelijk niets ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen. Leiding - Gas Een deel van de aardgastransportleiding met de bijbehorende belemmeringenstrook in het plangebied opgenomen en voorzien van de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’. Het gedeelte van de leiding waarvan de 1%-letaliteitsgrens tot over de op te nemen bestemming ‘Maatschappelijk’ reikt, is in het plangebied opgenomen. Op de gronden met de bestemming ‘Leiding - Gas’ geldt in beginsel een bouwverbod en is tevens een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen.

Bij werkzaamheden op de gronden met de bestemming ‘Leiding - Gas’ moet de zorgverlenende instantie/verhuurder van het pand in het plangebied voorafgaand worden geïnformeerd. Dit is als voorwaarde in de planregels opgenomen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de betreffende werkzaamheden. Leiding – Riool Aan de noordelijke rand van het plangebied ligt een persleiding van het waterschap. De leiding heeft een veiligheidszone van 3 meter aan weerszijden. De leiding met de bijbehorende veiligheidszone is bestemd als ‘Leiding – Riool’. Binnen deze zone mogen in beginsel geen bouwwerken worden opgericht en is een omgevingsvergunningplicht van toepassing voor een aantal categorieën van werkzaamheden. Hiermee zijn de belangen van de rioolleiding geborgd. Waarde – Archeologie 4 Deze bestemming is opgenomen binnen de zones die in het ontwerpbestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan archeologie’ van de gemeente Meierijstad al als zodanig zijn bestemd (zie ook par. 4.12). Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is voor bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 0,3 meter een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Mocht er in de toekomst een vergunning aangevraagd worden voor bouwwerken of bodemingrepen groter dan deze drempelwaarden, dan dient er een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld én waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Hiermee worden de archeologische waarden van het plangebied beschermd.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

77

6

Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gehouden met de in de buurt van het plangebied gelegen bedrijven en woningen. De omwonenden waar in het kader van de omgevingsdialoog mee is gesproken zijn grofweg woonachtig aan de overzijde van de projectlocatie. Het doel van de omgevingsdialoog is het informeren van omwonenden over het voornemen tot herontwikkeling van het plangebied. Hierbij is het initiatief dat voorligt samen met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en beleidsdocumenten waar aan voldaan moet worden de vaste uitgangspunten bij het voeren van de dialoog. Het doel van de omgevingsdialoog is niet om vanuit alle betrokken partijen een akkoord op het planvoornemen te krijgen, maar om te bezien of binnen deze kaders aan de wensen en/of meningen van omwonenden tegemoet kan worden komen. De omgevingsdialoog heeft bestaan uit twee onderdelen.

In december 2021 zijn er aan de hand van een presentatie individuele gesprekken gevoerd met omwonenden. De reacties die omwonenden tijdens deze gesprekken kenbaar hebben gemaakt zijn weergegeven in de bijlage 13. In november 2023 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor omwonenden, met eveneens een presentatie als leidraad. Tijdens deze avond is het resultaat van het traject van de afgelopen jaren, waarbij het plan mede in samenspraak met de gemeente verder is uitgewerkt, gepresenteerd. Ten opzichte van december 2021 zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd: 

Het bouwvlak is ca. 10 meter richting de Nijnselseweg verplaatst als gevolg van regelgeving rondom de aanduiding ‘Natuur Netwerk Brabant’ die oostelijk en zuidelijk op het perceel is gelegen.

Het maximale bruto vloeroppervlak van het woon-zorgcomplex is gewijzigd van 2.900 m 2 naar 3.400 m2.

In het gebouwontwerp dient, als gevolg van de stedenbouwkundige studie vanuit de gemeente, een gelaagdheid in hoogten te worden aangebracht met als gevolg dat het gebouw wordt opgeknipt in één, twee en drie bouwlagen hoog.

De ondersteunende horeca en mogelijkheden voor het huisvesten van zorgdiensten zoals een huisarts of fysiotherapeut behoort niet meer tot de gebruiksmogelijkheden voor deze locatie.

Navolgend is een samenvatting opgenomen met daarin de strekking van de reacties van omwonenden op de informatieavond. Omwonenden zijn niet te spreken over het planvoornemen en hebben duidelijk uitgesproken tegen te zijn en bezwaar te zullen gaan maken. De omvang en hoogte van de beoogde bebouwing achten ze veel te groot, evenals het aantal van 40 zorgwoningen. Daarbij vinden ze dat het gebouw te ver naar de straatzijde wordt gepositioneerd. Ze hebben het gevoel dat er een flatgebouw tegenover hun komt. En vermoeden tevens dat bij de omgevingsvergunning gebruik gemaakt zal worden van de 10% afwijkingsbevoegdheid in een

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

78

bestemmingsplan waardoor het gebouw nog hoger zal worden. Wat de omwonenden betreft blijven de huidige bebouwingsmogelijkheden (650 m² bouwvlak, goot 4,5 meter, nok 9 meter) het maximale. Ze hebben een voorkeur voor ouderenzorg, zien liever geen gehandicaptenzorg en zeker geen verslavingszorg. Omwonenden spreken daarnaast uit op dit moment weinig vertrouwen in de eigenaar/initiatiefnemer en gedelegeerd ontwikkelaar te hebben. Voornaamste reden daartoe is de huidige situatie van het gebouw waar al vele jaren niets aan gebeurd is en al gesloopt had moeten worden. Veiligheid, aanzicht van SintOedenrode en vanuit hun woning en de reputatie van eigenaar/initiatiefnemer en gedelegeerd ontwikkelaar komen daarbij ter sprake. Het pand is in de afgelopen jaren tevens meer in het zicht komen te staan doordat veel groen is gerooid. Ook daar had naar het idee van omwonenden al een nieuwe aanplant kunnen plaatsvinden. De aanpak van deze ontwikkeling is niet goed geweest volgens de omwonenden. Omwonenden doen een oproep het plan terug te trekken om te laten zien dat zij serieus genomen worden. Navolgend zijn antwoorden geformuleerd op de reacties van omwonenden, waarbij is getracht om daar waar redelijkerwijs mogelijk aan hen tegemoet te komen. De ontwikkeling aan de Nijnselseweg 24a kent een lange geschiedenis. Initiatiefnemer had uiteraard veel eerder aan de slag gewild op deze locatie.

Het lange proces komt grofweg door veranderingen in zorgweten regelgeving, de fusie tot gemeente Meierijstad, politieke en ambtelijke wisselingen, alsmede de uitdagingen die de locatie met zich mee brengt en het in de tijd veranderende beleid. Behalve de tijd heeft dit er ook voor gezorgd dat er wijzigingen in het planvoornemen zijn doorgevoerd. Binnen de maatschappelijke bestemming en het zorgwonen is er bewust voor gekozen om niet één zorgdoelgroep vast te leggen maar hier flexibiliteit in te houden zodat afhankelijk van de vraag in de toekomst hier meerdere concepten gehuisvest kunnen worden. Verslavingszorg wordt wel opgenomen in de planregels als zijnde strijdig gebruik op deze locatie. De omvang en hoogte van het beoogde gebouw zijn het gevolg van een stedenbouwkundige studie tezamen met het programma van eisen dat nodig is om een haalbaar concept te realiseren. Met de reacties van omwonenden is hier nog eens kritisch naar gekeken en is besloten om het bebouwingspercentage terug te brengen naar 80% (i.p.v. 90%) en het bruto vloeroppervlak naar 2.900 m² (zoals het uitgangspunt in 2021). Wat betreft de landschappelijke inpassing is van het begin af aan altijd de bedoeling geweest om het gebouw te verweven in het groen en het Diependaal-bos als het ware op de locatie uit te breiden.

Een groene zone aan de voorzijde dient ervoor te zorgen dat het zicht op het gebouw beperkt wordt. Daarmee ontstaat een beschutte, geborgen plek in het groen, die tevens dient als bufferzone voor omwonenden. Overeenkomstig de wens van omwonenden komt de hoofdontsluiting van het terrein aan de Houtsestraat. De ontsluiting aan de Nijnselseweg dient enkel voor calamiteiten. Wat betreft de huidige situatie geldt dat eigenaar/initiatiefnemer altijd helder is geweest dat eerst de procedure van het bestemmingsplan formeel moet lopen alvorens overgegaan wordt tot sloop van de bestaande bebouwing. Dit omdat een bestemmingsplan een belangrijke stap is in het daadwerkelijk mogelijk kunnen maken van het planvoornemen. Ervan uitgaande dat het bestemmingsplan eind 2023 ter inzage wordt gelegd, en met een sloopmelding, was beoogd in het eerste kwartaal van 2024 het pand tot aan de begane grond vloer met uitzondering van enkele lage muurtjes te slopen. Achteraf bezien geeft initiatiefnemer toe dat hij dit standpunt had moeten herzien gezien de termijn, de staat van het gebouw en de zorgen hieromtrent. Datzelfde geldt voor de landschappelijke inpassing. Idealiter wordt dit na de realisatie van het beoogde gebouw in één keer aangelegd en aangeplant. Temeer om een goede bouwplaats in te kunnen richten en de kans op het verloren gaan van groen te voorkomen.

Mits het bestemmingsplan eind 2023 ter inzage gaat zal, op verzoek van omwonenden, een gedeelte van de landschappelijke inpassing in het eerste kwartaal van 2024 wel al gerealiseerd worden. Dit betreft de groene bufferzone aan de straatzijde. Beoogd wordt daarmee het zicht op de huidige situatie alsmede t.z.t. de (realisatie van) de nieuwbouw al zoveel als mogelijk te beperken. De benodigde waterberging wordt gerealiseerd op meerdere plekken op het terrein in

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

79

de vorm van rabatten en wadi’s, in plaats van één grote poel. Tot slot. In het bestemmingplan wordt voor alle van toepassing zijnde ruimtelijke- en milieuaspecten zorgvuldig onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Onderdeel daarvan is dat het planvoornemen de ontwikkeling van (agrarische) bedrijven in de omgeving niet schaadt. Opgemerkt wordt dat het ontwerpbestemmingsplan in december 2023 ter inzage is gelegd (zie verderop in deze paragraaf) en dat sloop inmiddels voor vaststelling heeft plaatsgevonden. De landschappelijke inpassing in de voorgaand genoemde zone heeft voor vaststelling nog niet kunnen plaatsvinden, omdat het landschapsplan voor het plantseizoen nog niet gereed/goedgekeurd was. Initiatiefnemer zal dit daarom in het eerstvolgende plantseizoen realiseren. Wettelijk (voor)overleg Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De planontwikkeling is voorafgaand aan de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan informeel met de provincie en het waterschap besproken.

De resultaten vanuit het overleg zijn meegenomen in het ontwerpplan. Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken, van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024. Tevens heeft gedurende deze periode het ontwerpbesluit ‘hogere grenswaarde Wet geluidhinder’ ter inzage gelegen. Gedurende de genoemde termijn van zes weken kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan en/of het ontwerpbesluit ‘hogere grenswaarde Wet geluidhinder’ kenbaar maken. Tegen het ontwerpbestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24a” zijn acht zienswijzen ingediend. Tegen het ontwerpbesluit “hogere grenswaarde Wet geluidhinder” zijn vier zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsplan op een aantal punten aangepast. Voor de volledige beantwoording van de zienswijzen en een overzicht van de aanpassingen wordt verwijzen naar de Nota beantwoording zienswijzen, welke is opgenomen als bijlage bij het raadsbesluit. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.

Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

80

   

de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

Er is sprake van een bouwplan, omdat een nieuw hoofdgebouw wordt gerealiseerd. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarmee is het kostenverhaal voldoende verzekerd. Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om het plan te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A

81

Separate bijlagen Bijlage 1: Laddertoets Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Ecologische onderzoeken en Effectenanalyse NNB Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7: Geuronderzoek Bijlage 8: Notitie Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Bijlage 9: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 10: Adviezen veiligheidsregio Bijlage 11: Waterhuishoudkundig plan Bijlage 12: Kavelpaspoort, landschappelijke inpassing en beeldkwaliteitsplan Bijlage 13: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 14: Onderzoek externe veiligheid

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3

Bos

13

Artikel 4

Groen

15

Artikel 5

Maatschappelijk

16

Artikel 6

Verkeer

19

Artikel 7

Verkeer - Onverhard

20

Artikel 8

Verkeer - Verhard

21

Artikel 9

Water

22

Artikel 10

Leiding - Gas

23

Artikel 11

Leiding - Riool

25

Artikel 12

Waarde - Archeologie 4

27

Artikel 13

Waterstaat - Attentiegebied EHS

29

Hoofdstuk 3

Algemene regels

30

Artikel 14

Anti-dubbeltelregel

30

Artikel 15

Algemene bouw regels

31

Artikel 16

Algemene gebruiksregels

32

Artikel 17

Algemene aanduidingsregels

33

Artikel 18

Algemene afw ijkingsregels

34

Artikel 19

Overige regels

35

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

36

Artikel 20

Overgangsrecht

36

Artikel 21

Slotregel

37

NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01

Pagina: 3 van 37

Datum:27-06-2024

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 Plan Het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24a met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01 van de gemeente Meierijstad. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 Archeologische waarden Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen. 1.6 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 Bedrijf Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen, herstellen, verhuur, opslag en distributie van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen. 1.8 Bedrijfsgebouw Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.9 Bedrijfsnoodplan Een plan waarin is vastgelegd: Welke vluchtwegen en welke verzamelplaatsen geschikt zijn (afgeschermd tegen de hittestraling van een fakkelbrand) om zich in veiligheid te brengen. Hoe gehandeld moet worden in het geval van een incident met de gastransportleiding. 1.10 Beperkt kwetsbare objecten Objecten zoals benoemd in artikel 1, sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). 1.11 Bestaand(e situatie) a. bij bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde

NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01

Pagina: 6 van 37

Datum:27-06-2024

omgevingsvergunning; b. bij gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden. 1.12 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.13 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.15 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.16 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.17 Bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel. 1.18 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.19 Bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.20 Bruto-vloeroppervlakte De totale binnen een gebouw beschikbare vloeroppervlakte inclusief die van eventuele verdiepingen. 1.21 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.22 Detailhandel, ondergeschikt Niet-zelfstandige detailhandel, in een aan de hoofdfunctie of nevenactiviteit ondergeschikte aard, verschijningsvorm en omvang. 1.23 Escortbedrijf De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.

NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01

Pagina: 7 van 37

Datum:27-06-2024

1.24 Gebruiken Gebruiken en/of te doen en/of te laten gebruiken en/of in gebruik te geven of te nemen. 1.25 Horeca bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een seksinrichting. 1.26 Huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer. Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen vallen niet onder het begrip 'huishouden'. 1.27 Hydrologische waarde Gronden met een betekenis binnen het watersysteem van het plangebied als infiltratiegebied, intermediair gebied en/of kwelgebied. 1.28 Kunstwerken Een civieltechnische constructie of -installatie in de infrastructuur die één of meer functies vervult zoals onderdoorgangen, duikers, overkluizingen.

1.29 Kwetsbare objecten Objecten zoals benoemd in artikel 1, sub I van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). 1.30 Landschappelijke inpassing Het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap. 1.31 Niet-zelfstandige kantoren Bij een bedrijf behorende, niet als zelfstandig bedrijf functionerende en in omvang ondergeschikte kantoorruimten. 1.32 Normaal onderhoud en/of gebruik Tot het normaal onderhoud en/of gebruik behoren onder andere: a. maaien, beweiden en bemesten van grasland; b. verbeteren van grasland door het scheuren van de grasmat buiten het broedseizoen van weidevogels en het direct opnieuw inzaaien; c. ploegen en cultiveren van bouwland niet dieper dan de bouwvoor; d. verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt;

NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01

Pagina: 8 van 37

Datum:27-06-2024

e. maaien en schonen van sloot en slootkant; f. vervangen van en onderhoud aan drainage; g. normaal landschapsonderhoud, waaronder: h. periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel; i. knotten van bomen; j. opvullen van open plekken in houtwal of singel; k. normaal bosbeheer, waaronder; l. uitdunnen; m. verwijderen van dode bomen; n. opslag van agrarische producten en gewassen tussen oogst en afvoer voor een periode van 2 weken; o. opbrengen van houtsnippers; p. niet-bedrijfsmatige opslag van organisch materiaal in het kader van kringloopbeheer waarbij voldaan moet worden aan de bepalingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. 1.33 Ondergeschikte bouwdelen Ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en andere ondergeschikte dakopbouwen. 1.34 Overkapping Een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw. 1.35 Perceelsgrens De bouwperceelsgrens. 1.36 Prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding.

1.37 Raamprostitutie Een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee/prostitué tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. 1.38 Seksinrichting Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.39 Straatprostitutie Het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken.

NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01

Pagina: 9 van 37

Datum:27-06-2024

1.40 Verhard Een verharding, bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmede vergelijkbare vaste/gesloten materialen. 1.41 Vervangende nieuwbouw Nieuw te realiseren gebouw dat een bestaand gebouw direct vervangt op vrijwel dezelfde plaats en waardoor op die plaats geen wezenlijke wijziging van de stedebouwkundige structuur ontstaat. 1.42 Voorzieningen van algemeen nut Voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.43 Vormverandering van een bouwvlak Wijziging van de begrenzing van een bouwvlak zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte van dat bouwvlak. 1.44 Vrijstaand bijgebouw een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.45 Waterhuishoudkundige voorzieningen Voorzieningen, die het belang van de waterhuishouding dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop en dergelijke. 1.46 Werk Een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.47 Woon-zorgcomplex Complex bestaande uit zorg- en welzijnsvoorzieningen gecombineerd met zorgwoningen, waarbij een verpleegpost aanwezig is met 24-uurs zorg en waarbij tevens ter ondersteuning niet-zelfstandige kantoren kunnen voorkomen. 1.48 Zorg- en welzijnsvoorzieningen Voorzieningen gericht op het verlenen van medische en/of sociaal-medische diensten aan derden. 1.49 Zorgbehoefte Behoefte aan zorg, waarbij de zorgbehoevende minimaal 14 uur zorg per week moet afnemen. 1.50 Zorgvuldige landschappelijke inpassing Het aanbrengen van gebiedseigen beplanting, het gebruik van gebiedseigen natuurlijke materialen op grond van een goedgekeurd landschapsinrichtingsplan en waarbij bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen.

NL.IMRO.1948.BGO000BO0112023P-VG01

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=002f62a1-2d83-47e9-9011-f152818b97ad