P00484_BP_Nijnselseweg 24a te Sint-Oedenrode 20240521
Tekst van het document
Ook hiervoor geldt dat gezien de fysieke afstand de bedrijfsactiviteiten van dit bedrijf geen belemmering is voor het woon-zorgcomplex op basis van voorgaande aanvaardbaar woon-leefklimaat. Evenmin legt het planvoornemen beperkingen op aan de ter plaatse gevestigde bedrijven. Externe werking In de toekomstige situatie is er sprake van een woon-zorgcomplex. Deze functie, te beschouwen als ‘verpleeghuis’ conform de VNG-brochure, behoort tot milieucategorie 2. Uitgaande van deze milieucategorie geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied en 30 meter in rustige woonwijk/rustig buitengebied. Aan beide richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op 50 meter afstand. Derhalve is er geen sprake van externe werking in de vorm van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor nabijgelegen woningen en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de betreffende woningen gegarandeerd. Het dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen op 95 meter afstand van het woon-zorgcomplex, er wordt aan de richtafstand voldaan. Het woon-zorgcomplex vormt geen belemmering voor omliggende bedrijven. Bovenstaand is reeds ingegaan op de richtafstanden van omliggende bedrijven op het woon-zorgcomplex. 4.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet binnen een milieucontour is gelegen van een bedrijf in de omgeving.
Tevens liggen er geen gevoelige bestemmingen binnen de richtafstand van het toekomstige woon-zorgcomplex. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt derhalve geen belemmering voor het voornemen.
Geur agrarisch 4.5.1
Toetsingskader
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
46
ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond:
Er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en Veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad.
Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Gemeenten hebben de mogelijkheid om middels een eigen geurverordening af te wijken van de in de Wgv gestelde normen. De gemeente Meierijstad heeft echter geen eigen geurverordening voor het plangebied. Daarom dient te worden uitgegaan van de normen als opgenomen in de Wgv.
4.5.2 Onderzoek Aangezien het planvoornemen de realisatie van zogenaamde geurgevoelige objecten bevat en zich in de directe omgeving van het plangebied meerdere veehouderijen bevinden, is inzicht in de geursituatie nodig. In dat kader is dan ook door De Roever een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting toegevoegd. Onderzocht is of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied en of de omliggende veehouderijen ten gevolge van de ontwikkeling worden belemmerd. Op basis van de resultaten van het geuronderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: aan de vaste afstandscriteria wordt voldaan. De maatschappelijke bestemming ligt buiten de afstandscontour van 50 meter ten opzichte van veehouderijen; met betrekking tot de voorgrondbelasting vanwege de veehouderij Nijnselseweg 21 bedraagt de geurbelasting ten hoogste 8,9 ouE/m³. Hiermee wordt voldaan aan de norm van maximaal 14 ouE/m³. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad; de achtergrondbelasting bedraagt ten hoogste ca. 8,7 ouE/m³, hetgeen overeenkomt met een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat.
Bij een individuele geurbelasting (voorgrondbelasting) van 14,0 ouE/m³, zoals berekend ten aanzien van Nijnselseweg 21, behoort een ‘tamelijk slecht’ of ‘slecht’ woon- en leefklimaat, dat conform de Wgv eveneens aanvaardbaar is. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier het geval, de achtergrondbelasting is maatgevend en aanvaardbaar. 4.5.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
47
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.6.1
Toetsingskader
Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht d.d. 30 april 2018. Die handreiking bevat een stappenplan waarmee beoordeeld kan worden of volksgezondheid in relatie tot veehouderijen een dusdanig knelpunt vormt, waardoor advies bij de GGD moet worden opgevraagd. Hieronder wordt het plan beoordeeld aan de hand van bovengenoemd stappenplan. Voor het gehele rapport wordt verwezen naar bijlage 8. 4.6.2
Onderzoek
Stap 1. Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. Ten aanzien van het plangebied is alleen de veehouderij aan Nijnselseweg 21 van belang. Dit betreft een leghennenbedrijf met een fijnstofemissie van 1.995,110 kg/jr, waarmee sprake is van een endotoxine-afstand van 155 meter. De afstand tussen het beoogde bouwvlak en het dichtstbijzijnde emissiepunt van de veehouderij bedraagt 197 meter. Daarom is sprake van een aanvaardbare gezondheidssituatie. Omdat andere woningen dichter bij de veehouderij zijn gelegen (bijvoorbeeld de woning aan Nijnselseweg 19A op 103 meter van een emissiepunt) wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad. Stap 2. Emissies Onderzocht moet worden of de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijnstofemissies.
Plangebieden met woningbouw tot 1.500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSLmonitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt. Stap 3a. Geur, milieukundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de milieukundige advieswaarden. Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Het plangebied betreft geen bebouwde kom. Uit het separaat uitgevoerde geuronderzoek blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied maximaal 3,1 ouE/m³ bedraagt en de achtergrondbelasting maximaal 8,7 ouE/m³ bedraagt. Er wordt voldaan aan de milieukundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting. Ook wordt voldaan aan de afstandseis.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
48
Stap 3b. Geur, gezondheidskundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de milieukundige advieswaarden. Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Het plangebied betreft geen bebouwde kom. Uit het separaat uitgevoerde geuronderzoek blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied maximaal 3,1 ouE/m³ bedraagt en de achtergrondbelasting maximaal 8,7 ouE/m³ bedraagt. Er wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting. Ook wordt voldaan aan de afstandseis. Stap 4. Meerdere diersoorten Onderzocht moet worden of er veehouderijen van invloed zijn waar meerdere diersoorten worden gehouden, namelijk a. varkens en pluimvee; of b. rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c. kleine herkauwers onderling Ook moet onderzocht worden of er varkenshouderijen en pluimveehouderijen op een afstand van maximaal 100 meter van elkaar liggen en van invloed zijn op het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4 vormt hiermee geen knelpunt. Stap 5.
Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Binnen 1 km van het plangebied liggen de pluimveehouderijen aan Nijnselseweg 21 en Corridor 3. Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO), onderzoeksprogramma VGO-III (looptijd 20172024) bleek dat in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Elke drie jaar worden in het kader van het onderzoeksprogramma VGO-III de onderzoeksresultaten geactualiseerd. Voor de periode 2017 – 2019 geldt dat bovenstaand verband opnieuw werd gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de ODBN in overleg met de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij.
Binnen 500 meter van het plangebied ligt alleen het leghennenbedrijf aan Nijnselseweg 21 (de afstand tussen het plangebied en het bouwvlak van het leghennenbedrijf bedraagt ongeveer 100 meter). Stap 5b geeft een aanleiding tot het opvragen van een GGD-advies. Het bevoegd gezag beoordeelt of een GGD-advies wordt opgevraagd. Daarbij kan het bevoegd gezag betrekken dat ten aanzien van het leghennenbedrijf aan Nijnselseweg 21 wel wordt voldaan aan de endotoxine-afstanden en de milieukundige en gezondheidskundige advieswaarden voor geur.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
49
Overige veehouderijen liggen op voldoende afstand. Stap 6. Mestbe- of verwerking Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe- of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe- of verwerking. Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Mocht sprake zijn van ongerustheid bij omwonenden (of toekomstige bewoners) dan kan dat een aanleiding zijn om advies in te winnen bij de GGD. 4.6.3
Conclusie
Er wordt voldaan aan de stappen uit het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’, met uitzondering van stap 5b, omdat niet wordt voldaan aan de afstandseis van 500 meter tot een pluimveehouderij (Nijnselseweg 21). Het bevoegd gezag beoordeelt of een GGD-advies wordt opgevraagd. In dit geval acht de gemeente GGD-advies niet nodig omdat ten aanzien van het leghennenbedrijf aan Nijnselseweg 21 wel wordt voldaan aan de endotoxine-afstanden en de milieukundige en gezondheidskundige advieswaarden voor geur. Daarnaast zijn er met de agrarische bedrijven in het Dommeldal (tussen Nijnselseweg/Corridor/Eerschotsestraat/Oostelijke Randweg trajecten tot transformatie in gang gezet, waardoor de gezondheidssituatie en –effecten op het plangebied in ieder geval niet zullen verslechteren.
Kabels en leidingen 4.7.1
Onderzoek
Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Uit deze kaart volgt dat ter plaatse van het besluitgebied geen planologisch gezien relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Op een afstand van circa 3,8 kilometer van het plangebied gelegen bevindt zich de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn. Gelet op de ruime afstand tussen deze hoogspanningslijn en de plangebieden zorgt de aanwezigheid van de betreffende hoogspanningslijn geen belemmering voor een goede ruimtelijke ordening. Aan de noordrand van het plangebied bevinden zich een riool en een gasleiding. Voor beide leidingen geldt er een vrijwaringszone waarbinnen niet zonder vergunning werken en werkzaamheden mogen worden verricht. Er zijn dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de leidingen. 4.7.2
Conclusie
Er is – behoudens de in acht te nemen vrijwaringszones voor de gas- en rioolleiding – geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
50
Externe veiligheid 4.8.1
Toetsingskader
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
51
4.8.2
Onderzoek
Een zorgwoning is een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het beoogde woon-zorgcomplex is dan ook aan te merken als een kwetsbaar object, Hierdoor is het van noodzaak om te achterhalen in hoeverre er sprake is van externe veiligheidsrisico’s. De kaart met betrekking tot de externe veiligheid wordt hieronder weergegeven.
Figuur 4.2 EV-signaleringskaart
Bedrijvigheid De huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid wijzigt niet door het planvoornemen. In en direct rond het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die zijn opgenomen in de lijst met risicovolle bedrijven in de gemeente Sint-Oedenrode en die van invloed kunnen zijn op het plangebied. De Risicokaart bevestigt dit. Uit de risicokaart blijkt dat de meeste nabije risicovolle inrichtingen op ruime afstand zijn gelegen (> 1 km). Wegverkeer Transport van gevaarlijke stoffen over de weg levert in zijn algemeenheid geen problemen op met de grenswaarde voor het PR 10-6. Alleen in gebieden met zeer hoge dichtheden kunnen problemen ontstaan. Het GR zal alleen negatief worden beïnvloed wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen het invloedsgebied van de weg en indien sprake is van een sterke verdichting nabij de risicobron. Er bevindt zich een invloedsgebied rondom een weg wanneer deze weg is aangewezen als route van gevaarlijke stoffen dan wel aan te nemen is dat over de weg regelmatig gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt ten westen van de A50 op circa 450 m en aan de doorgaande wegen Nijnselseweg en de Zuidelijke Randweg. In de buurt van het plangebied zijn verder geen vaar- of spoorwegen gelegen. De A50 heeft er hoogte van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour.
Tevens is geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig ter hoogte van het plangebied. Ten aanzien van de A50 ligt het plangebied wél binnen het invloedsgebied van deze weg (880 meter). Hierbij is het navolgende van belang. In het Bevt wordt onderscheid aangebracht tussen het gebied tot 200 meter vanaf de snelweg en het gebied tot aan de grens van het invloedsgebied. In het gebied tot 200 meter zijn de effecten van een BLEVE (GF3, zeer licht ontvlambaar gas) en een toxische gaswolk significant. In deze zone zijn personen onvoldoende beschermd en is afweging van de nut en noodzaak belangrijk. Het plangebied ligt ruimschoots buiten deze zone. Een berekening ten aanzien van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Wel is een beoordeling van de
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
52
aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in het kader van de verantwoording groepsrisico vereist (beperkte verantwoording). Hierop wordt verderop in deze paragraaf ingegaan. Het plangebied ligt op circa 30 meter afstand van de transportweg ‘Nijnselseweg’. Over deze weg vinden jaarlijks 8 GF3 transporten plaats. GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. Aangezien het plangebied binnen de risicocontouren van deze weg ligt, is een nadere beschouwing van de externe veiligheidsrisico’s conform artikel 8 van het Bevt noodzakelijk. In de Nota van toelichting op het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het PR en het GR achterwege kan blijven. Hiervoor zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld, die de gebruiker een indicatie geven van de hoogte van het PR of GR. Deze vuistregels zijn opgenomen in de bijlagenrapporten van de Handreiking risicoanalyse transport (HART). Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of personendichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van de grenswaarde of richtwaarde voor het PR dan wel tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het GR te kunnen leiden. Geconcludeerd kan worden dat met 8 GF3 transporten per jaar, het groepsrisico minder dan 0,1 × de oriëntatiewaarde zal bedragen.
Conform het Bevt, artikel 8, lid 2 is een nadere berekening niet nodig en kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico dient alleen aandacht besteed te worden aan de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op Nijnselseweg voor het scenario BLEVE (artikel 7, Bevt). Deze verantwoording is verderop in deze paragraaf gegeven. Veiligheidsregio dient conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd te worden. Dit advies moet verwerkt worden in de beperkte verantwoording van het groepsrisico en dient als bijlage bij het plan te worden gevoegd. Buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Uit de kaart van het buisleidingennetwerk Nederland en de risicokaart van de provincie Noord-Brabant is gebleken dat zich binnen of in de buurt van het plangebied een relevante buisleiding bevindt met transportroutedeel Z-544-01-KR-020 met een werkdruk van 40 bar en een binnenste diameter van 12,75 inch. Het plangebied is grotendeels gelegen binnen de100% letaliteitsafstand van buisleiding Z544-01-deel-1, zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleiding dient te worden bepaald.
Omdat het plangebied is gelegen binnen de 100% letaliteitsafstand van de genoemde buisleiding, is met behulp van het programma CAROLA de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. De berekeningen zijn voor zowel de huidige situatie gemaakt als voor de beoogde situatie. In de bijlagen bij deze toelichting is een onderzoek met deze berekening opgenomen. Voor de bevolkingsinventarisatie is gebruik gemaakt van de BAG populatieservice. De populatieservice levert populatiebestanden voor groepsrisicoberekeningen met o.a. CAROLA. Het doel van de populatieservice is het beschikbaar stellen van informatie over personendichtheden geschikt voor de bepaling/berekening van het groepsrisico van een inrichting, transportroute of buisleiding vallend onder het Bevi, Bevt of Bevb. De populatieservice is gebaseerd op de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG). De BAG bevat alle benodigde gegevens ten aanzien gebouwgebonden activiteiten.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
53
In de beoogde situatie is het voornemen om een woon-zorgcomplex met bijbehorende ruimtes voor dagbesteding en algemene ruimtes (woonkamer, keuken, kantoor, slaapwacht, bergruimte, techniek, e.d.) van circa 2.900 m² bruto vloeroppervlak (BVO) te realiseren. Op basis van het bestemmingsplan zijn maximaal 40 zorgwoningen toegestaan. Voor de populatie binnen het invloedsgebied van de buisleiding is uitgegaan van 80 personen. Dit aantal omvat zowel de bewoners van de woningen, bezoekers van de dagbesteding, als het personeel. Er is worst-case gerekend met een aanwezigheid van 100% in zowel de dag- als nachtperiode. De resultaten van de berekening in de bijlagen zijn hierna samengevat. Uit de resultaten blijkt dat voor de buisleiding zowel in de huidige als beoogde situatie het groepsrisico lager is dan 10% van de oriënterende waarde (OW). De planvorming leidt niet tot toename van de hoogte van het groepsrisico. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. In het kader van het vooroverleg zijn adviezen aan de Veiligheidsregio gevraagd. Deze adviezen5 zijn in de navolgende verantwoording groepsrisico bij het plan verwerkt.
Figuur 4.3 :100%- en 1%-legaliteitsgebieden gastransportleiding (bron: Veiligheidsregio Brabant Noord)
Samengevat kan ten aanzien van externe veiligheid voor de ontwikkeling van het woon-zorgcomplex aan de Nijnselseweg 24a te Sint-Oedenrode het volgende worden geconcludeerd:
het plaatsgebonden risico vormt in geen van de gevallen een belemmering voor het planvoornemen;
het groepsrisico als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen door de buisleiding moet beperkt verantwoord worden, door middel van een advies van de brandweer, omdat er sprake is van een geringe
5
Veiligheidsregio Brabant Noord, Advies externe veiligheid Nijnselseweg 24A, Sint-Oedenrode, kenmerk 2019-0476, d.d. 18 juli 2019 en kernmerk D202304-000193 d.d. 6 april 2023.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
54
toename. Het groepsrisico blijft onder de oriënterende waarde zoals blijkt uit het onderzoek in de bijlagen;
het groepsrisico ten aanzien van de A50 dient beperkt verantwoord te worden. De ontwikkeling heeft een verwaarloosbaar effect op het groepsrisico ten aanzien van deze weg.
Het groepsrisico ten aanzien van de Nijnselseweg dient beperkt verantwoord te worden.
Verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt zoals aangegeven binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding en een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Relevante scenario’s zijn de volgende:
Toxische wolk en BLEVE (t.a.v. de A50 en Nijnselseweg). Bij vrijkomen van een toxische wolk wordt de stof door de wind verspreid. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Het risico op ernstig letsel is beperkt op het moment dat mensen binnen blijven en de ventilatie van het gebouw afgesloten wordt.
Fakkelbrand (t.a.v. de aardgastransportleiding). Deze ontstaat door een breuk in de hogedruk aardgastransportleiding vanwege (graaf)werkzaamheden. Effecten zijn hittestraling en rook. Naarmate de afstand tot de leiding toeneemt, wordt het risico op letsel geringer evenals de kans op het ontstaan van secundaire branden. Brandbare materialen binnen 140 meter afstand van de fakkelbrand zullen ontbranden. Wanneer personen gebouwen vanwege brand moeten ontvluchten, worden zij blootgesteld aan hoge hittestraling.
Hierna wordt ingegaan op de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid ten aanzien van beide scenario’s. Zelfredzaamheid Voor het scenario toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. De nieuwe bebouwing zal goed geïsoleerd zijn vanwege de huidige energieprestatie-eisen en daarom goede bescherming bieden. Ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Daarnaast biedt het plangebied voldoende vluchtmogelijkheden (van de risicobron af) via de reeds bestaande ontsluiting op de Zuidelijke Randweg. De zelfredzaamheid ten aanzien van dit scenario is voldoende. Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Daarvoor dienen personen in staat te zijn om zelfstandig te kunnen vluchten. Dit is voor de zorgbehoevenden in de toekomstige situatie niet tot beperkt het geval, afhankelijk van de exacte zorgbehoefte. Zij zullen niet (altijd) in staat zijn om zonder hulp van derden het plangebied op de juiste wijze te ontvluchten. Er is wel een vluchtroute naar de Zuidelijke Randweg beschikbaar. De zelfredzaamheid ten aanzien van dit scenario wordt niettemin, evenals overigens in de huidige situatie, als slecht beoordeeld door de brandweer.
In zijn algemeenheid adviseert de Veiligheidsregio om geen mensen die zichzelf niet in veiligheid kunnen brengen permanent binnen de 100% letaliteitzone te vestigen en dit binnen de 1% letaliteitszone alleen na een goede afweging van belangen toe te staan. Bestrijdbaarheid Voor het transport over de Nijnselseweg is scenario BLEVE (explosie) na het ontstaan van brand als gevolg van een ongeval of het spontaan ontbranden van de vrachtauto denkbaar. De kans hierop is erg klein. Een BLEVE is alleen te voorkomen door het effectief koelen van de tankwagen. Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding zal het effect beperkt zijn. De bestrijdbaarheid is matig. De planvorming heeft geen invloed op de mogelijkheden voor deze bestrijding.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
55
Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid per definitie slecht. Deze kan slechts worden bestreden door de toevoer dicht te draaien; dit gebeurt door de leidingbeheerder. Tot die tijd kan de brandweer beperkt handelend optreden. De brandweer kan bij ontbranding niet optreden vanwege de hoge hittestraling. Afweging Uit de voorgaande beschouwing blijkt dat er ten aanzien van het scenario toxische wolk in relatie tot de transportroute A50 geen bezwaar tegen het plan bestaat. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid zijn voldoende en het plan heeft geen invloed op de bestrijdbaarheid. Ten aanzien van het scenario fakkelbrand vanwege de hogedruk gastransportleiding kan worden gesteld dat de mogelijkheden tot bestrijding en zelfredzaamheid slecht zijn. Er zal een groep kwetsbare mensen, welke grotendeels afhankelijk zijn van de hulp van anderen, in het plangebied aanwezig zijn. De kans op een fakkelbrand is echter zéér klein en praktisch gezien alleen voorstelbaar als gevolg van graafschade. Gelet op de slechte bestrijdbaarheid en mogelijkheden tot zelfredzaamheid, kan de ontwikkeling alleen plaatsvinden als de kans op een incident tot een minimum wordt gereduceerd. De kans op een incident kan beperkt worden door: het aanbrengen van extra markeringen op de gasleiding. Hierdoor worden grondwerkers bewust gemaakt van de aanwezigheid van de gasleiding.
een strakke regie te voeren tijdens werkzaamheden op of rond de gasleiding. Ten aanzien van laatstgenoemde voorwaarde is in het plangebied een deel van de aardgastransportleiding met de bijbehorende belemmeringenstrook opgenomen. Deze strook is voorzien van de dubbelbestemming ‘Leiding’. Het gedeelte van de leiding waarvan de 1%-letaliteitsgrens tot over de op te nemen bestemming ‘Maatschappelijk’ reikt, is in het plangebied opgenomen. Bij werkzaamheden op de gronden met de bestemming ‘Leiding – Gas’ moet de zorgverlenende instantie/verhuurder van het pand in het plangebied voorafgaand worden geïnformeerd. Dit is als voorwaarde in de planregels opgenomen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de betreffende werkzaamheden. Daarnaast is in de praktijk al sprake van strakke regie door de Gasunie rondom werkzaamheden rondom de gasleiding, onder meer bij indiening van Klic-meldingen. Daarnaast is in het advies van de brandweer een aantal maatregelen ter verbetering van de zelfredzaamheid voorgesteld. In de planregels is het oprichten van bebouwing voor kwetsbare doelgroepen slechts toegestaan na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. Hierin zijn de volgende voorwaarden in lijn met het advies van de brandweer opgenomen: In en aansluitend aan de gebouwen worden extra vluchtroutes aangelegd van de risicobron (gastransportleiding) af.
De openingen in de noordgevel van de gebouwen worden beperkt en voorzien van brandwerend glas. Er wordt een bedrijfsnoodplan opgesteld, waarin de scenario’s fakkelbrand en toxische wolk worden beschreven. De gemeente acht het risico met inachtneming van de voorgaande overwegingen en de daartoe in de planregels gestelde waarborgen aanvaardbaar. De kans op zowel een incident als op slachtoffers ten gevolge van een incident wordt op deze wijze tot een absoluut minimum beperkt. 4.8.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling van een woonzorgcomplex in het plangebied onder de daartoe in de planregels gestelde voorwaarden.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
56
Ecologie 4.9.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
57
Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.9.2
Onderzoek
Er is door Brabant Eco een QuickScan Flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting zijn de belangrijkste conclusies vermeld. Het volledige rapport is als bijlage toegevoegd van onderhavig document. Flora Het ontbreekt volledig aan geschikte plaatsen waar beschermde planten kunnen groeien. Gezien de hoge stikstofconcentratie in de bodem kan de aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten wordt uitgesloten. Zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effecten op foerageergebieden van vleermuizen. In het plangebied komen mogelijk marterachtigen voor. Het leefgebied van deze marterachtigen wordt niet aangetast ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden. Het is mogelijke dat er een enkele individu van een vrijgestelde soort aanwezig is in het plangebied. De zorgplicht is altijd van kracht. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren waargenomen. Vogels Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten in bomen waargenomen waarvan beschermde soorten gebruik kunnen maken. De gecultiveerde tuin biedt wel schuil- en foerageer mogelijkheden voor kleine vogelsoorten.
Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden. Een ontheffingsaanvraag is niet noodzakelijk. Amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen Amfibieën, reptielen en vissen zullen niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Vanwege de nabijgelegen agrarische percelen ontbreekt het aan de geschikte habitattypes voor reptielen. In het
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
58
invloedsgebied van de ingreep ontbreekt het oppervlaktewateren waar beschermde vissen van afhankelijk zijn. Beschermde amfibieën, zoals de alpenwatersalamander, zouden in de tuinen rond het plangebied voor kunnen komen. Met de ingreep wordt echter geen essentieel leefgebied van beschermde amfibieën verstoord. Om vestiging van bijvoorbeeld rugstreeppadden binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van poeltjes of plassen binnen het plangebied in het voortplantingsseizoen (april-september) te worden voorkomen. In het plangebied is nagenoeg geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders en libellen en deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Met uitzondering van de grote vos kan het voorkomen van beschermde dagvlinders en libellen worden uitgesloten. Hoewel de grote vos niet is waargenomen, zal deze echter ook niet verstoord worden ten gevolge van de werkzaamheden. Voor overige soorten ongewervelden zoals beschermde kevers, kreeften of slakken vormt het plangebied geen geschikt habitat. Conclusie onderzoek Op basis van de uitgevoerde quickscan kan worden geconcludeerd dat er algemeen beschermde diersoorten rond het plangebied voorkomen. Binnen de te slopen bebouwing zouden er marterachtigen voor kunnen komen.
Wegens de gevaarlijke staat van het gebouw en de nabijheid van NNN gebied, is het van belang dat een deskundig ecoloog bij het slopen en het verwijderen van de vegetatie rondom de bebouwing aanwezig is om te waarborgen dat er voldoende ruimte blijft voor vluchtwegen waardoor er geen marterachtige wordt verwond of gedood. De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van het leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen blijvende invloed op deze soorten omdat het NNN-gebied richting het zuiden geschikt blijft als leefgebied. Door de locatie na de bouw geheel landschappelijk in te passen en natuurinclusief te bouwen kan het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Effectenanalyse NNB Vanwege de ligging direct nabij het NNB is een effectenanalyse naar de externe werking op het NNB uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de toetsing blijkt dat aantasting van het NNB redelijkerwijs kan worden uitgesloten, indien het verlichtingsplan kan worden afgestemd op het voorkomen van extra verlichting in het NNB. Als het lichtplan zodanig wordt opgesteld dat licht gericht en uitschijnend op het NNB wordt vermeden, zijn negatieve effecten door verlichting niet te verwachten. Veranderen van verlichting kan door de hoogte, locatie en armaturen te wijzigen.
Uitgangspunt is dat de hoeveelheid verlichting op het NNB niet mag toenemen, óf niet meer zijn dan de sterkte bij volle maan (0,1 lux). Dit dient te worden afgestemd met een ter zake kundige ecoloog. In het inrichtingsplan is op deze voorwaarde al voorgesorteerd. Het plan is in dit opzicht uitvoerbaar. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het opstellen van een door een ecoloog goedgekeurd verlichtingsplan. Stikstof Het dichtstbij gelegen Natura-2000 gebied, Kampina & Oisterwijkse Vennen, is op een afstand van circa 12 kilometer gelegen. De effecten die eventueel in Natura-2000 gebieden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gezien de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kunnen externe effecten, zoals geluid en licht, worden uitgesloten. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied die ontstaat tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase van de ontwikkeling in het plangebied kan daarentegen niet reeds voor het uitvoeren van een stikstofberekening met AERIUS worden uitgesloten. Om die reden is er een stikstofdepositieberekening
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
59
uitgevoerd, voor de volledige rapportage en onderliggende berekeningen wordt er verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder worden de belangrijkste conclusies gegeven. AERIUS-berekening sloop- en aanlegfase Tijdens de sloop- en aanlegfase wordt gebruik gemaakt van meerdere mobiele werktuigen. Daarnaast vinden er verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. De totale emissie van de verkeersgeneratie en mobiele werktuigen leidt niet tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De sloop- en aanlegfase zorgt hiermee niet voor negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. AERIUS-berekening gebruiksfase Er zal geen nieuwe bebouwing worden ontwikkeld die leidt tot een emissie van stikstof. Wel is er sprake van een vergroting van de verkeersgeneratie. De totale emissie van de verkeersgeneratie leidt niet tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De gebruiksfase zorgt niet voor negatieve effecten op Natura 2000gebieden. 4.9.3
Conclusie
Met inachtnemingen van hetgeen geconcludeerd in het onderzoek worden vanuit het aspect ‘Ecologie’ geen belemmeringen verwacht. Nadere onderzoek zijn daarom niet noodzakelijk. Wel worden er vanuit de gemeente Meierijstad enkele voorwaarden gesteld:
De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd (1 maart- 1 september).
Verstoring door licht dient voorkomen te worden, door te werken conform een goedgekeurd verlichtingsplan.
De zorgplicht blijft tijdens de werkzaamheden van toepassing.
Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels).
Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte.
Werk op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten.
Bodem 4.10.1
Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.10.2
Onderzoek
Er is een bodemonderzoek6 uitgevoerd voor het (onbebouwde deel van het) plangebied. Op de onderzoekslocatie zijn 2 leegstaande panden aanwezig welke in het verleden in gebruik zijn geweest als
6
Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 EN NEN5707, Nijnselseweg 24A te St. Oedenrode, 2 november 2023, SGS search.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
60
woonhuis. Recent is een van deze 2 leegstaande panden uitgebrand. In verband hiermee wordt het van belang geacht inzicht te verkrijgen in milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) en de aanwezigheid van asbest(houdende materialen) in de bodem. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. Het bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 5740 en NEN5707 van het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI; januari 2009). Milieuhygiënische kwaliteit grond en grondwater De bovengrond is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters uit het NEN-grond pakket. De ondergrond is licht verontreinigd met minerale olie. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium gemeten. Asbesthoudende materialen op het maaiveld Tijdens de actualisatie van de asbestinventarisatie (SGS Search Ingenieursbureau B.V., 24.22.06643, d.d. 03-11-2023) is op het onverharde deel van het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De meest recente rapportage asbestinventarisatie dateert van 29-02-2024. Deze rapportage ligt ten grondslag aan en is goedgekeurd voorafgaand aan de recent uitgevoerde sloop. Deze rapportage is opgenomen als bijlage 5b. Dit onderdeel vormt geen belemmering voor het plan.
Asbesthoudende materialen in de bodem Uit de visuele inspectie van het vrijgekomen bodemmateriaal blijkt dat zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal in de bodem is aangetroffen. In de fijne fractie is eveneens geen asbest aangetroffen in een verhoogd gehalte ten opzichte van de detectiegrens. Op de locatie is geen asbest aangetroffen waardoor de locatie onverdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het huidig en toekomstig gebruik van de locatie. 4.10.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Water 4.11.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water7 stelt waterkwaliteitseisen die door EU-lidstaten moeten worden geïmplementeerd in nationale wet- en regelgeving. De Kaderrichtlijn water verplicht tot het garanderen, het beschermen en, waar noodzakelijk, verbeteren van waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. Hierbij wordt een onderscheid aangebracht tussen een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand.
7
Richtlijn 2000/60/EG.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
61
Rijk Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Provincie Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De concretere invulling met regels om dit te verwezenlijken is opgenomen in de omgevingsverordening.
Waterschap Waterbeheerprogramma 2022-2027 – Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van NoordBrabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven.
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
62
We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet afhankelijk van de werkzaamheden een vergunning aanvragen. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerders. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem.
De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Gemeente Meierijstad Programma Water en Riolering 2022-2026 De gemeente Meierijstad heeft een Programma Water en Riolering voor de periode 2022-2026, waarin het beleid ten aanzien van vuil-, grond- en hemelwater is vastgelegd. Dit is grotendeels overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Verordening fysieke leefomgeving De gemeente Meierijstad heeft op 1 juli 2021 de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld. In deze verordening is opgenomen dat een eigenaar van een perceel verplicht is het hemelwater op eigen terrein te verwerken. De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m 2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het gebod, indien op het perceel om technische of praktische redenen een berging van 60 mm onhaalbaar is, mits dan een
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Nijnselseweg 24A
63
bergingscapaciteit wordt gerealiseerd van blijkens een overgelegde tekening en ontwerp ten minste 20 mm (per m2 verhard oppervlak). Binnen de waterketen en het watersysteem benut men de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. 4.11.2
Onderzoek
Voor het planvoornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het waterhuishoudkundig plan (d.d. 23 april 2024) is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. In het waterhuishoudkundig plan is ingegaan op alle relevante waterhuishoudkundige aspecten. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar deze bijlage. Hierna worden de voornaamste aspecten, uitgangspunten en randvoorwaarden uitgewerkt. Beschrijving huidige waterhuishoudkundige situatie Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied zijn de watergangen De Dommel en Diependaal gelegen. Beide watergangen worden aangemerkt als hoofdwatergang, waarbij de watergang De Dommel tevens aangemerkt wordt als morfologie type meandering. Voor hoofdwatergangen geldt dat ten behoeve van het beheer een onderhoudstrook van 4 meter uit de insteek van de watergang (aan weerszijden) dient te worden aangehouden. Binnen het plangebied zelf of direct grenzend aan het plangebied zijn geen hoofdwatergangen gelegen. Wel maken delen van het plangebied onderdeel uit van een keurbeschermingsgebied. Binnen keurbeschermingsgebieden wordt gestreefd naar minimaal hydrologisch standstill van de verdroging en maximaal naar volledig herstel van grondwaterstanden en kwelsituaties.
Ingrepen binnen deze gebieden zijn slechts toegestaan indien deze in overeenstemming zijn met, of gericht zijn op, behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en specifieke doelstellingen. De volgende activiteiten kunnen een negatief effect hebben op het standstill van de verdroging: aanleg van drainage en/of onderbemalingen; aanleg, verdieping en verbreding van waterlopen; (permanente) bemaling van onder andere infrastructurele werken. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering, het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater en indien nodig het schone hemelwater vertraagd af te voeren via het oppervlaktewater.