CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Veghelsedijk 10a Erp (toelichting en regels)

Raadsvergadering 26 januari 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Veghelsedijk 10a, Erp31.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoofdstuk 4

27

  

Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming); Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb); Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb).

Doorwerking plangebied Door BNL Advies is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt naar de bijlagen verwezen. De belangrijkste conclusies zijn onder het kopje ‘toetsing beschermde soorten’ beschreven. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 7 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Voor een nadere toelichting op het onderdeel stikstof wordt verwezen naar paragraaf 4.14 ‘Stikstof’. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 780 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom en er gaan geen (onderdelen van) houtopstanden verloren waardoor toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde is.

Toetsing beschermde soorten Soorten Vogelrichtlijn  Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, namelijk de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. Nader onderzoek naar het voorkomen/ gebruik van deze soorten in/ van het gebied wordt niet nodig geacht. Nader onderzoek naar boombewonende soorten welke volgens de vogelrichtlijn beschermd dienen te worden wordt niet nodig geacht door het ontbreken van een geschikt habitat.  Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten, waaronder boerenzwaluw, spreeuw, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 5 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 5 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten

Hoofdstuk 4

28

het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog.  Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bomen en struiken welke aanwezig zijn binnen het plangebied. Schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Soorten Habitatrichtlijn  Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb niet worden overtreden. Aanvullend onderzoek wordt niet nodig geacht.

Indien onverhoopt vleermuizen tijdens sloopwerkzaamheden aangetroffen worden en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient eerst door een deskundige/ ecoloog onderzocht te worden om welke soorten vleermuizen het gaat en zal een ontheffing of vergunning nodig zijn om de werkzaamheden voort te kunnen zetten.  Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van geschikte habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.  Nationaal beschermde soorten In het plangebied zijn geen nationaal beschermde soorten aanwezig, waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, konijn en (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.

Conclusie Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden, het slopen van de varkensstallen op het kavel. Anno oktober 2021 zijn de stallen gesloopt. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

Hoofdstuk 4

29

4.4 Waterparagraaf In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening is het sinds 1 november 2013 wettelijk verplicht om een watertoets (of waterparagraaf) te verrichten bij een ruimtelijk ontwikkelingsproject. In de toelichting van de bij de bij ruimtelijke plannen waarbij de watertoets van toepassing is, is het noodzakelijk te beschrijven hoe er in de ruimtelijke ontwikkeling rekening is gehouden met de waterhuishouding. Waterschap Aa en Maas sluit in haar beleid voor nieuwe ruimtelijke plannen aan bij het landelijke beleid waarbij de afwegingsstappen ‘’hergebruik-infiltratie-buffering-afvoeren’’ wordt doorlopen. In het kader van de watertoets voor de voorgestelde ontwikkeling is de waterhuishoudkundige situatie van het plan onderzocht. Hierin is beknopt aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomst te kunnen bergen en infiltreren. Het onderzoek is zorgvuldig uitgevoerd volgens de algemene gebruikelijke inzichten en methoden. In bijlage 3 zijn de vigerende wet- en regelgeving van zowel lokale overheden, als Europees niveau, welke gebruikt zijn voor dit onderzoek opgesomd. Beleidskader Europees beleid De Europese Commissie verplicht alle lidstaten elke zes jaar over het watersysteem te rapporteren in een beheerplan per stroomgebied, het SGBP.

Provinciaal beleid Naast het Europees en landelijk beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Om dit te realiseren, zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarvoor integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Waterschapsbeleid Het plangebied valt onder het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. Voor waterschap Aa en Maas gaat dit om het SGBP voor het Nederlandse deel van het Maasstroomgebied. Het tweede SGBP is van kracht van 2016 tot en met 2021. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. In Nederland wordt dit uitgeoefend door de diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voor planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Hoofdstuk 4

30

Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Bij voldoen aan de Algemene Regel is geen vergunning noodzakelijk (wel meldingsplichtig). Indien niet voldaan wordt, is een watervergunning benodigd voor de eventueel voorgenomen werkzaamheden. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m2, zoals het plangebied, geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Gemeentelijk en waterschapsbeleid De gemeente Meierijstad (waartoe Erp behoort) en waterschap Aa en Maas hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad). Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen.

Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt de maatschappij zoveel mogelijk betrokken. Op particulier terrein liggen namelijk nog veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Binnen de waterketen en het watersysteem benutten we de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden.

Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Door middel van een onderbouwing of waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Doorwerking plangebied In het kader van het planinitiatief is een waterparagraaf opgesteld. Voor de volledige paragraaf wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste afwegingen en hydrologische aspecten voor de onderzoekslocatie toegelicht. Aan de hand van deze aspecten en de wensen van de opdrachtgever is beoordeeld welke gevolgen het planvoornemen heeft op het bestaande huishoudkundige systeem.

Hoofdstuk 4

31

De hoogteligging van het plangebied is hierbij van essentieel belang, met name bij nieuwbouwprojecten. Het plangebied kent een licht hoogteverschil. In het zuidoosten van het gebied (aan de Veghelsedijk 12) bedraagt de hoogte 10.2 m +NAP welke oplopend is in oostelijke richting waar de hoogte 10.7 m +NAP bedraagt op de grens van Hezelstraat 11. De zijde aan de Veghelsedijk 12 is tevens het laagstgelegen deel van het plangebied. Grondwater Op basis van gegevens uit onder andere Bodemdata Nederland, Bodematlas Noord-Brabant en DINO-loket is te concluderen dat het plangebied in een infiltratie tot intermediar gebied ligt. Op de geomorfologische kaart ligt het plangebied op de overgang van een beekdalbodem naar een dalvormige laagte met weinig leemgrond. Volgens de bodemkaart Nederland ligt het plangebied in Beekeerdgronden. De bodem bestaat uit een voedselrijke humuslaag die overgaat in een voedselarme laag van dekzand. Beekeerdgrond komt voor in gebieden met een fluctuerende grondwaterstand. In de bodem treedt daardoor oxidatie op. De bodem bestaat naar verwachting uit voornamelijk leemarme grond en bestaat daarnaast uit fijn tot matig grof zand (Nuenengroep). De toplaag bestaat op dit moment deels uit grasland en deels uit (bedrijfs)bebouwing. Daarnaast is er onder deze laag een fijne, matig humeus en siltige zandgrond. Deze grondsoort is zeer goed waterdoorlatend.

De stroming van het grondwater is lokaal westelijk gericht en bevindt zich gemiddeld op circa 2,5 mmv (circa 8,3 meter +NAP. De onderzoekslocatie bevindt zicht niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Op basis van de verwachte bodemopbouw is een goede/matige (voornamelijk horizontale) doorlatendheid aanwezig. Plaatselijk komt leem, klei en veen voor waardoor mogelijk hogere grondwaterstanden te verwachten zijn. Uit gegevens van bodematlas Noord-Brabant is ter plaatse een grondwatertrap van (VI en VII) te verwachten. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand is ter plaatse gelegen tussen de 60 – 100 cm en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand op 140-180 cm-mv te verwachten. Dit komt overeen met een verwachte hoogste grondwaterstand op ca. 9,8-10,2 meter +NAP. Voor de nieuwbouwwoning dient voldaan te worden aan een drooglegging van 1 meter t.o.v. het bouwpeil. Hierdoor is het noodzakelijk om de grond ter plaatse op te hogen. Als er daarnaast nog een hoger vloerpeil wordt aangehouden, dan is er geen grondwateroverlast te verwachten binnen het plangebied. Voor zover bekend bevindt zich op en in de directe omgeving van het plangebied geen (geval van een) ernstige grondwaterverontreiniging.

Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing of werkzaamheden in de buurt van een watergang, moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden volgens de daarvoor geldende procedure (omgevingsloket). Oppervlaktewater Op de leggerkaart van het Waterschap Aa en Maas is te zien dat er in de omgeving van het plangebied verschillende A-watergangen gelegen zijn. Daarnaast grenst het plangebied direct aan een Bwatergang. Aan de overzijde van de Veghelsedijk 10a is eveneens een B-watergang gelegen. In het plangebied zijn verder geen waterstaatswerken, waterwegen, greppels of sloten aanwezig.

Hoofdstuk 4

32

Afvalwater In onderhavig ruimtelijk initiatief wordt voorzien in de realisatie van circa 7 Ruimte-voor-Ruimte woningen. Voor nieuwbouwplannen geldt dat er gestreefd dient te worden naar een scheiding van vuil- en (schoon) hemelwater. Hemelwater In het plangebied waren tot oktober 2021 enkele grootschalige schuren/stallen aanwezig. Daarnaast is een deel van het terrein braakliggend. Het hemelwater infiltreert deels in de ondergrond en stroomt deels af naar de nabijgelegen B-watergang en sloot/groenstrook aan de voorzijde van het plangebied. Voor zover bekend heeft er geen wateroverlast plaatsgevonden in het verleden binnen het plangebied. Een eventuele toekomstige hemelwatervoorziening dient boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand aangelegd te worden. Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij voorkeur afgezien van het gebruik van uitlogende (bouw)materialen (bouwen conform het Bouwstoffenbesluit) en dient voldaan te worden aan de in de waterparagraaf opgenomen milieuhygienische randvoorwaarden. De aanvoer van afgekoppelde neerslag zal niet leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende grond- of oppervlaktewater. Bij de planontwikkeling bedraagt het toekomstig verhard oppervlak ca. 3.084 m2. Dit betreft een afname aan het verhard oppervlak in vergelijk met de huidige situatie (waarbij circa 10.823 m2 is verhard).

Het huidig en toekomstig verharde oppervlak zijn weergegeven in tabel 4.1. Doordat het ruimtelijk initiatief voorziet in een wezenlijke afname van het verhard oppervlak en de ligging buiten hydrologisch beschermd gebied is geen aanvullend overleg met het waterschap noodzakelijk.

Tabel 4.1 Huidig en toekomstig verhard oppervlak Bruto (verharde) oppervlakten

Huidige situatie (m²)

Toekomstige situatie (m²)

Dakoppervlak, totaal, circa

5.560

935

Overige verharde oppervlakten (ontsluitingsweg/paden,

5.263

2.149

10.823

3.084

terras), circa Verhard oppervlak, circa

Doordat er in het voorgestelde plan 7 nieuwe woningen worden aangelegd, dient hemelwater ter plaatse verwerkt te worden. Bij nieuwbouwwoningen wordt een gescheiden stelsel aangelegd waarbij het afvalwater op het drukriool aangesloten dient te worden. Voor de aansluitingen op het gemeentelijk stelsel dient voor de woningen een aansluitingsvergunning van de gemeente Meierijstad aangevraagd te worden. Voor een bui van T = 60 bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelen circa 185,04 m3. Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing. Eventueel kan water hergebruikt worden voor de besproeiing van de tuin met opgevangen water in een regenton/regenschutting. De benodigde retentie of afvoersnelheid kan verder beperkt worden

Hoofdstuk 4

33

door bovengronds afvoeren in een grindgoot of middels het gebruik van een halfverharding zoals grind of een waterpasserende bestrating. Binnen het plangebied is een goede infiltratiesnelheid te verwachten. Gezien de verwachte GHG op 9,8 – 10,2 (circa 60-100 cm-mv) dient hemelwater bovengronds verwerkt te worden. Er zal een greppel/wadi of andere verlaging worden aangelegd aan de noordzijde van het plangebied waar een groot deel van de te bergen hemelwateropgave kan worden opgevangen. Daarnaast kan het overtollige hemelwater via een greppel worden afgevoerd richting deze wadi. Een overloop kan worden aangebracht naar de oostelijk gelegen watergang. Tot de mogelijkheden voor bovengrondse opvangen van water behoren verder onder andere de aanleg van een verlaagde tuin maar ook een natuurlijke tuin, een sedum- of waterdak, regenwaterton of –schutting, wadi, infiltratiekratten en waterdoorlatende verharding/parkeerplaatsen. Binnen het perceel is voldoende ruimte aanwezig om water bovengronds en ondergronds te verwerken. Gezien de ligging en het planvoornemen zijn geen wateroverlast gerelateerde problemen te verwachten.

4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Gezien de functiewijziging van het plangebied is een bodemonderzoek noodzakelijk. Doorwerking plangebied Het bodemonderzoek is uitgevoerd door Bodeminzicht. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies en adviezen toegelicht. Vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek worden de spoelplaats, werkplaats, noodstroomaggregaat en voormalige spuiwateropslagsilo als verdachte deellocaties met een duidelijke verontreinigingskern beschouwd. Het overige terrein wordt als onverdachte niet-lijnvormige locatie beschouwd.

Resultaten NEN5740 Tijdens het verrichten van veldwerk is een bijmenging van baksteen en puin aangetroffen. De bijmenging van baksteen en puin worden als bodemvreemd beschouwd en de puinbijmenging vormt aanleiding gegeven voor aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse is menggranulaat aangetroffen. Het aangetroffen menggranulaat is onder certificaat geleverd en aangebracht in 2010 en derhalve niet als asbestverdacht beschouwd.

Hoofdstuk 4

34

Inspectie van het maaiveld en het beoordelen van opgeboorde grond ter plaatse van meetpunten 3 en 4 (meetpunten zijn weergegeven in afbeelding 4.1) vormden aanleiding voor het verrichten van asbestonderzoek conform NEN5707. Er zijn sporen baksteen aangetroffen (meetpunten 17, 18 en 21), deze worden niet als asbest verdacht beschouwd.

Figuur 4.1 Meetpunten bodemonderzoek

Hoofdstuk 4

35

In het mengmonster BG1 van de bovengrond ter plaatse van de wasplaats zijn gehaltes aan PCB’s en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn mogelijk gerelateerd aan het gebruik van de wasplaats door de jaren heen. De gehaltes vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het grondwater ter plaatse van de wasplaats (peilbuis 1a) is een gehalte aan barium gemeten boven de streefwaarde. Het gehalte aan barium is regionaal verhoogd en vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. In het mengmonster BG2 van de bovengrond ter plaatse van de werkplaats en aggregaat zijn gehaltes aan minerale olie, zink en cadmium gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn mogelijk gerelateerd aan het gebruik van de werkplaats door de jaren heen. De gehaltes vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het grondwater ter plaatse van de werkplaats (peilbuis 2a) zijn gehaltes aan barium en koper gemeten boven de streefwaarde. De gehaltes aan zware metalen worden als regionaal verhoogd beschouwd en vormen geen aanleiding voor nader onderzoek. Van de bovengrond ter plaatse van de spuiwateropslag (BG3) en bovengrond van overig erf (BG5) is de zuurgraad in het lab bepaald. Uit analyse van mengmonsters BG3 en BG5 blijkt respectievelijk een pH van 6,9 en 6,6. Deze zijn vergelijkbaar en vormen geen aanleiding voor nader onderzoek.

De zuurgraad van het grondwater uit peilbuis 23a wijkt niet af van de pH-metingen van grondwater elders op het perceel. In mengmonster BG4 van puinhoudende bovengrond zijn gehaltes aan minerale olie en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. De gehaltes zijn gerelateerd aan de aangetroffen bijmenging en vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In het mengmonster BG5 van visueel schone bovengrond is een gehalte aan PAK gemeten boven de achtergrondwaarde. In het mengmonster BG6 van baksteenhoudende bovengrond zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In mengmonster BG7 van visueel schone bovengrond (weiland) is een gehalte aan koper gemeten boven de achtergrondwaarde. In het mengmonster OG1 van visueel schone ondergrond (erf) is een gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In de mengmonsters OG2 en OG3 van visueel schone ondergrond (erf en weiland) zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 31 (weiland) zijn gehaltes aan koper, cadmium en barium gedetecteerd boven de streefwaarden. De verhogingen aan metalen zijn toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes en vormen geen aanleiding voor nader onderzoek.

Resultaten NEN5707 Het bestrate erf tussen de twee oudste stallen is als asbestverdacht beschouwd door het aantreffen van een bijmenging van puin in de bovengrond tijdens het verkennend bodemonderzoek.

Hoofdstuk 4

36

Tijdens inspectie van gaten is asbestverdacht plaatmateriaal visueel waargenomen in proefgat 35. Analyse van de fractie kleiner dan 20mm en groter dan 20mm heeft plaatsgevonden. In het geanalyseerde grondmengmonster 35-1 is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 201 mg/kgds. Dit gehalte vormt aanleiding voor nader asbestonderzoek. Conclusie en advies Behoudens de aangetroffen asbestverontreiniging in de bodemlaag onder de klinkerverharding zijn er vooralsnog geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Het aangetoonde gewogen gehalte aan asbest ter plaatse van proefgat 35 vormt wel aanleiding voor nader onderzoek. Geadviseerd wordt het erf met een oppervlakte van circa 500 m² tussen de twee oude stallen nader te onderzoeken op aanwezigheid van asbest in de bovengrond onder het straatwerk. Dit vervolgonderzoek zal parallel aan de bestemmingsplanprocedure worden uitgevoerd. Naast dat er een nader asbestonderzoek conform de NEN 5707 voorafgaande aan de planuitvoering uitgevoerd dient te worden, dient er ter plaatse van de gesloopte stallen, waar nu nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, aanvullend tenminste een beperkt verkennend onderzoek conform de NEN 5740 (en eventueel een nader bodemonderzoek) uitgevoerd te worden.

Tijdens dit beperkt verkennend bodemonderzoek dienen grondboringen tot een 0,5 meter onder de geroerde grond te worden gezet. Dit betekent dat ter plaatse van de voormalige mestputten de boringen tot 0,5 meter beneden de onderzijde van de mestputten dienen te worden uitgevoerd. Naast het standaard analysepakket voor grond conform de NEN 5740 dienen de grond(meng)monsters geanalyseerd te worden op asbest. De asbestverontreiniging en eventueel andere nog aan te treffen verontreinigingen die risico’s opleveren voor het toekomstig gebruik ‘wonen met tuin’ dienen voorafgaande aan de planuitvoering gesaneerd te worden. Nader asbest- en verkennend bodemonderzoek In navolging op het bovenstaande is een nader asbest- en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit nader onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Geconcludeerd is dat ter plaatse van de binnenplaats tussen de voormalige stallen geen gewogen gehalte aan asbest vastgesteld is boven de interventiewaarde (100 mg/kgds). Er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging met asbest. De onderzochte mestkelderbodem bevat zintuiglijk geen bodemvreemde bijmenging en analytisch geen gehaltes aan stoffen boven de achtergrondwaarden. De resultaten stemmen overeen met de hypothese ‘onverdacht’. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden.

Hoofdstuk 4

37

4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

38

Doorwerking plangebied Veehouderijen Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Erp, en in de omgeving van het plangebied zijn dan ook agrarische bedrijven (veehouderijen) gelegen. Het gaat om de volgende veehouderijen: Locatie

Type veehouderij

Afstand tot plangebied (circa, in m.)

Voorbolst 4

Melkrundvee

370

Melvert 5

Zeugen

760

Melvert 3

Melkrundvee

770

Vogelenzang 6

Paarden

695

Vogelenzang 10

Melkrundvee

996

Vogelenzang 5

Vleeskuikens

1.100

Ham 3

Melkrundvee

620

Veghelsedijk 6

Paarden

490

Veghelsedijk 8

Melkrundvee en vleesvarkens

370

Veghelsedijk 11

Melkrundvee

80

Veghelsedijk 14

Melkrundvee

230

Conform de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ dient een grootste richtafstand (voor geur) aangehouden te worden van 200 meter tot varkens; 100 meter tot rundvee; 50 meter tot paarden en 200 meter tot leghennen en mestkuikens. Aan deze richtafstanden wordt voldaan (tevens onderbouwd in paragraaf 4.8 ‘Geurhinder’), met uitzondering van de richtafstand tot de rundveehouderij gelegen aan het adres Veghelsedijk 11. In onderstaande afbeelding is weergegeven dat, ondanks dat de randen van de bouwvlakken Veghelsedijk 10a en Veghelsedijk 11 niet op een afstand van 100 meter zijn gelegen, de woningen wel buiten de geurcirkel zijn gelegen. De geurcirkel steekt 5 meter het bestemmingsvlak van de Veghelsedijk 11 in, aangezien is bepaald dat de veehouderijen 5 meter uit de grens van het perceel gelegen moeten zijn. Te zien is dat de beoogde woningen buiten de geurcirkel van de veehouderij blijven. Ter borging van een goed woon- en leefklimaat en ter borging van de bedrijfsbelangen vanuit het bedrijf Veghelsedijk 11, is een milieuzone opgenomen waarbinnen geen gevoelige objecten mogen worden opgericht.

Hoofdstuk 4

39

Figuur 4.2 Geurcirkel Veghelsedijk 11

Hoofdstuk 4

40

Overige bedrijven Daarnaast zijn er ook nog enkele overige bedrijven in het plangebied gelegen. Het gaat om de volgende bedrijven: Locatie

Type bedrijf (zoals toege-

Richtafstand

staan in het bestem-

Afstand tot plangebied (circa, in m.)

mingsplan ‘Buitengebied’) Melvert 13

Melvert 7

bouw-, sloop-, en/of aan-

De maximale richtaf-

nemersbedrijf met werk-

stand varieert van 30

856

plaats

tot 100 meter.

Groothandel in stalin-

30 meter

776

50 meter

930

richting Blankenburg 2

Waterwinbedrijf

Uit bovenstaande tabel valt op te maken dat aan de richtafstanden voldaan wordt. Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ bestaan geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Er is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de nabijgelegen bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.8 Geurhinder Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied Bij de ontwikkeling van woningen is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting.

Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. In de omgeving van het besluitgebied zijn enkele veehouderijen te vinden die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Daarom is een onderzoek door Agron advies uitgevoerd naar de voorgrondbelasting van de omliggende veehouderijen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. De belangrijkste conclusies zijn hieronder beschreven.

Hoofdstuk 4

41

Onderzoek Op de locatie Veghelsedijk 10a te Erp (hierna: het plangebied) is een varkenshouderij gevestigd. In het kader van de ‘Subsidieregeling sanering varkenshouderijen’ (Srv) wordt de varkenshouderij beëindigd. De initiatiefnemer is voornemens de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming ‘wonen’. De agrarische opstallen worden gesloopt en de agrarische bedrijfswoning wordt in gebruik genomen als burgerwoning. Daarnaast worden binnen het plangebied een 7-tal ruimte-voor-ruimte woningen opgericht. De woningen worden in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) aangemerkt als een geurgevoelig object in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is ten aanzien van het aspect geur en er dient aangetoond te worden dat de omliggende veehouderijbedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Beoordeling belangen veehouderijen, omgekeerde werking Om te bepalen of omliggende veehouderijbedrijven worden belemmerd in hun ontwikkeling, wordt de voorgrondbelasting in beeld gebracht. In de directe omgeving van het plangebied is op de locatie Voorbolst 4, Veghelsedijk 8, Veghelsedijk 11 en Ham 3 een veehouderij gelegen. Voorbolst 4 - Het veehouderijbedrijf aan de Voorbolst 4 betreft een melkveebedrijf.

Voor bedrijven zonder geuremissiefactor gelden vaste afstanden van 50 meter voor objecten buiten de bebouwde kom. De afstand bedraagt van het rand bouwvlak van de veehouderij tot aan het plangebied circa 310 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstand van 50 meter. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij aan de Voorbolst 4. Veghelsedijk 8 - Het veehouderijbedrijf aan de Veghelsedijk 8 betreft een melkveebedrijf en een varkenshouderij. De afstand bedraagt van het rand bouwvlak van de veehouderij tot aan het plangebied circa 325 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstand van 50 meter. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij aan de Veghelsedijk 8. Veghelsedijk 11 - Het veehouderijbedrijf aan de Veghelsedijk 11 betreft een melkveebedrijf. Voor bedrijven zonder geuremissiefactor gelden vaste afstanden van 50 meter voor objecten buiten de bebouwde kom. De afstand van het rand bouwvlak van de veehouderij tot aan het plangebied bedraagt minder dan 50 meter. Echter worden de woningen opgericht op een ruimere afstand dan 50 meter van de veehouderij, zie de volgende figuur.

De gronden welke in gebruik worden als dierenweide en welke gebruik worden ten behoeve van landschappelijke inpassing worden niet bestemd als ‘wonen’. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij aan de Veghelsedijk 11. De volgende figuur geeft een weergave van de afstand van 50 meter vanaf rand bouwvlak van het veehouderijbedrijf aan de Veghelsedijk 11 tot de locatie aan de Veghelsedijk 10a.

Hoofdstuk 4

42

Figuur 4.3 Weergave contour 50 meter rand bouwvlak Veghelsedijk 11

Ham 3 - Het veehouderijbedrijf aan Ham 3 betreft een melkveehouderij. Voor bedrijven zonder geuremissiefactor gelden vaste afstanden van 50 meter voor objecten buiten de bebouwde kom. De afstand bedraagt van het rand bouwvlak van de veehouderij tot aan het plangebied meer dan 500 meter. Onderhavige ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij aan de Ham 3. Geconcludeerd wordt dat bovenstaande veehouderijen niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het berekenen van de achtergrondbelasting is gebruik gemaakt van de informatie uit het webBVB van de provincie Noord-Brabant zoals beschikbaar op 21 juni 2021. Achtergrondbelasting veehouderijbedrijven - De volgende tabel geeft de resultaten van de berekening van de achtergrondbelasting op de receptorpunten van het plangebied weer.

Hoofdstuk 4

43

De maximale achtergrondbelasting binnen het gebied bedraagt 2,3 ouE/m³ waarmee sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Beoordeling milieukwaliteit - Met betrekking tot het woon- en leefklimaat in relatie tot geur kan gesteld worden dat er is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied (zie figuur 4.4).

Figuur 4.4 Leefklimaat omgeving plangebied

Tot slot wordt er een stal opgericht binnen het plangebied. Deze stal zal enkel ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren worden gebruikt. Er is dus ook geen sprake van een geurcontour rondom deze stal. De realisatie van de woningen is in het kader van de geurhinder in relatie tot omliggende veehouderijbedrijven aanvaardbaar.

4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek

Hoofdstuk 4

44

uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Er is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Veghelsedijk. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek vermeld. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op de gewenste woningen aan de Veghelsedijk 10A in Erp berekend. Maximale ontheffingswaarde De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 56 dB aan de zuidgevel van de zuidwestelijke woning op de 2e verdieping (3e bouwlaag). Op dit punt wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB overschreden. Het voorlopige ontwerp gaat vooralsnog uit van 1 bouwlaag met een kap (eerste verdieping). Indien er in de kap een tweede verdieping wordt aangebracht moet deze doof worden uitgevoerd danwel uitsluitend als niet-geluidgevoelige verblijfsruimte te worden gebruikt. Dit is in het bestemmingsplan gewaarborgd.

Hogere waarden Er worden bij acht beoordelingspunten geluidbelastingen van de Veghelsedijk boven de voorkeursgrenswaarde berekend (meerdere hoogtes). Maatregelen worden niet doelmatig geacht. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht. Hiervoor zal een afzonderlijke procedure doorlopen worden welke parallel loopt aan de bestemmingsplanprocedure. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB. Voor de geveldelen van de gewenste woningen bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 58- 33 = 25 dB. Het gevoegd gezag zal bepalen of de geluidwering van de gevels nader onderzocht moet worden. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woningen kan evenwel als acceptabel worden aangemerkt. Er kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Het aspect geluidhinder verkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van

Hoofdstuk 4

45

een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Doorwerking plangebied Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig plan worden slechts zeven nieuwe woningen mogelijk gemaakt en worden er verder geen functies ontwikkeld. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten (in de kern van Erp) weergegeven en in figuur 4.5 is de ligging van deze meetpunten op de kaart weergegeven. Meetpunt

NO2 μg/m3 PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

15520112

19.5

19.2

7.0

11.7

2020

15520509

19.5

19.2

7.0

11.7

2020

15520204

17.6

18.8

6.7

11.6

2020

15519945

19.5

19.3

7.0

11.7

2020

15520391

19.5

19.2

7.0

11.7

2020

Norm

40

40

35

25

Tabel 4.2: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)

Hoofdstuk 4

46

1

2 3 4

5

Figuur 4.5 Dichtstbijzijnde meetpunten

Er kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden nabij het plangebied ruim onder de norm liggen. Er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen.

Hoofdstuk 4

47

Landelijke wet- en regelgeving is onder andere opgenomen in het Bevi, Bevt en Bevb:  Bevb – Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleiding (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen.  Bevi - Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het Bevi verplicht de bevoegde gezagen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – de gemeenten en provincies – afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi beperkt ook het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf.  Bevt - Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet (opent in nieuw venster) (verwijst naar een andere website) staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart en het vigerend bestemmingsplan is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.6 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Het plangebied is hierin blauw omcirkeld.

Hoofdstuk 4

48

Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart

Inrichtingen Aan de Vogelenzang 5 is een pluimveehouderij gevestigd. Er bevindt zich op deze locatie ook een bovengrondse propaantank. Voor deze propaantank zijn veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit van toepassing. In het Activiteitenbesluit wordt een onderscheid gemaakt in het aantal kubieke meter waaruit de opslagtank bestaat (tot en met 5 kubieke meter of groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter) en het aantal keer per jaar dat de tank bevoorraad wordt (tot en met 5 keer per jaar of meer dan 5 keer per jaar). De maximale veiligheidsafstand die voor een propaantank wordt aangegeven (geldend voor een opslagtank groter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter en die meer dan 5 keer per jaar bevoorraad wordt) bedraagt 25 meter. De afstand van het plangebied tot deze tank bedraagt ruim een kilometer. Voorts bevindt er zich een LPG tankstation aan de Cruijgenstraat 34 (binnen de bebouwde kom van Erp). De risicoafstand bedraagt 25 meter en het invloedsgebied 150 meter. Het plangebied is gelegen op een kleine 1,3 kilometer. Buisleidingen Op ruim 1,5 kilometer van het plangebied ligt de buisleiding Z-542-01 van de Nederlandse Gasunie. In de toelichting van het vigerend bestemmingsplan is omschreven dat het plaatsgebonden risico nihil is. Het invloedsgebied is 150 meter. Transport Langs de noordkant van het plangebied bevindt zich de N616/Erpseweg.

Deze weg is geen onderdeel van een routering voor gevaarlijke stoffen. Ook bestaan er geen betrouwbare tellingen op basis waarvan risicoberekeningen uitgevoerd kunnen worden 3. Wel kan uit de Inventarisatie vervoer gevaarlijke

3

Externe veiligheid provinciale wegen Noord-Brabant, Arcadis (2010)

Hoofdstuk 4

49

stoffen over gemeentelijke wegen4 worden afgeleid dat in ieder geval een propaancluster en twee LPG tankstations via de N616/Erpseweg bevoorraad worden. Een indicatie van de hoogte van de risico’s is te verkrijgen door bijlage 1 van de Handleiding risicoanalyse transport (HART) te raadplegen. Daarin is als vuistregel gegeven dat een weg buiten de bebouwde kom geen PR 10-6 contour heeft als het aantal GF3 transporten lager is dan 500. Uit de hierboven genoemde inventarisatie blijkt dat het aantal GF3 transporten tussen 150 en 300 liggen. De N616/Erpseweg heeft geen PR 10-6 contour. Voorts blijkt uit de inventarisatie dat het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt. Omdat de ontwikkeling ten opzichte van de bestaande situatie voorziet in een lichte toename van het aantal personen in de nacht (zie onderstaande tabel), is een beperkte verantwoording van het groepsrisico verplicht. Hierbij dient enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (conform artikel 7 van het Bevt). Huidige situatie (6.700 m2 BVO +

Toekomstige situatie (8 woningen)

1 woning) Aantal personen aanwezig gedu-

70 (afgerond)

10 (afgerond)

0

20 (afgerond)

rende de dag Aantal personen aanwezig gedurende de nacht *Deze berekening is opgesteld conform de handreiking verantwoording groepsrisico van het VROM. Hierbij wordt gesteld dat er voor bedrijven 1 werknemer per 100 m2 BVO aanwezig is overdag, en dat er geen werknemers ’s nachts aanwezig zijn en dat er 2,4 personen per woning aanwezig zijn gedurende de nacht en 50% van dit aantal (1,2 personen per woning) overdag.

Verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Voor het transport over de Erpseweg/N616 zijn de scenario’s BLEVE (explosie) van een propaantankwagen5 of het ontstaan van een plasbrand bij uitstroming van een brandbare vloeistof na het ontstaan van brand als gevolg van een ongeval of het spontaan ontbranden van de vrachtauto denkbaar. De kans hierop is erg klein. Om een plasbrand effectief te kunnen bestrijden moet schuim worden aangevoerd. Dit kost tijd. Een BLEVE is alleen te voorkomen door het effectief koelen van de tankwagen. De watervoorziening ter plaatse is hiervoor voldoende. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond het plangebied zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden t.a.v. zelfredzaamheid zijn redelijk tot goed.

Er is geen sprake van aanwezigheid van (groepen) niet –of verminderd zelfredzame personen in het plangebied. De aanwezigen 4 5

Inventarisatie vervoer gevaarlijke stoffen gemeentelijke wegen Veghel, ODBN (2014) Gebaseerd op vervoerseenheid 25 m3 welke vooral voor het bevoorraden van propaan tanks in landelijke gebieden worden ingezet

Hoofdstuk 4

50

zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. 2. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het plangebied:  goed te alarmeren is; In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.  goed te ontvluchten is; Binnen het plangebied zijn voldoende vluchtwegen van de risicobron af. Uit bovenstaand blijkt dat de zelfredzaamheid en de mogelijkheden voor de hulpdiensten om op te treden bij een incident als gevolg van deze ontwikkeling niet negatief worden beïnvloed. Er is daarmee geen sprake van een belemmering voor het toekomstige nieuwe planologische regiem. Aanvullend wordt vermeld dat de nieuwe situatie geen risicobronnen met betrekking tot gevaarlijke stoffen introduceert.

Er is advies gegeven door de Veiligheidsregio Brabant Noord (zie bijlage voor het volledige advies). Aangegeven is dat voor het scenario BLEVE vluchten het beste handelingsperspectief is. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Aangezien de locatie direct gelegen is aan de transportroute zal bij een incident recht voor de deur niet over de weg gevlucht kunnen worden en zullen de mensen in het plangebied over de percelen moeten vluchten. Mocht het incident op een grotere afstand van het plangebied plaatsvinden kan via de Veghelsedijk van de risicobron afgevlucht worden. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Aangegeven is verder om de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen door de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid.

Dit advies zal worden meegeven bij verdere planuitwerking en bij verkoop van de kavels.

4.12 Gezondheid Gezondheid in relatie tot veehouderijen De mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Met name in veedichte gebieden zoals in de provincie Noord-Brabant bestaat onder de bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in

Hoofdstuk 4

51

verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. Onderzoek heeft uitgewezen dat het wonen in de nabijheid van een veehouderij inderdaad nadelige gevolgen kan hebben op de gezondheid. Om deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken is een stappenplan ontwikkeld (opgenomen in de publicatie ‘Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0’). Onderstaand wordt dit stappenplan doorlopen. Stap 1: De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden (200 meter) voor varkenshouderijen en pluimveehouderijen (1 kilometer). In de nabijheid van het plangebied komen 4 varkenshouderijen voor. Het gaat om de adressen Voorbolst 1a (op 635 meter gelegen van het plangebied), Voorbolst 6 (op 370 meter afstand), Melvert 5 (op 760 meter) en Melvert 9 (op 785 meter). De dichtstbijzijnde betreft dus Voorbolst 6 op 370 meter. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij bevindt zich aan het adres Looieind 20, op circa 1,6 kilometer van het plangebied. Stap 2: Toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammonia De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Er wordt woningbouw gerealiseerd ter plaatse van een voormalige varkenshouderij. Emissies voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak nemen hierdoor juist af.

Stap 3a-b: Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In onderhavige situatie is geen sprake van een overbelasting voor geur (zie paragraaf 4.8). In paragraaf 4.8 is aangetoond dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en is te zien dat het plangebied buiten geurcontouren van omliggende veehouderijen ligt. Stap 4a-b: De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij In de toekomstige situatie zal er binnen het plangebied geen sprake zijn van een veehouderij waarbinnen bedrijfsmatig meerdere diersoorten worden gehouden en zal met het planvoornemen niet de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf worden verkleind Stap 5a-b-c. Geitenbedrijf: binnen 2 kilometer afstand staan woon- of verblijfsruimten van derden. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden. Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom Voor pluimveebedrijven; zie stap 1. Er zijn geen geitenhouderijen binnen 2 kilometer van het plangebied gelegen. Verder zijn er twee veehouderijen binnen een afstand van 250 meter tot het plangebied gelegen. Het gaat hier om de veehouderijen Veghelsedijk 11 en Veghelsedijk 14 (melkveehouderijen). In paragraaf 4.7 en 4.8 wordt onderbouwd dat er geen sprake is van hinder van of naar deze bedrijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d209f324-4fe9-49e4-9440-e7c8971ffc7e