CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Veghelsedijk 10a Erp (toelichting en regels)

Raadsvergadering 26 januari 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Veghelsedijk 10a, Erp31.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan

Veghelsedijk 10a te Erp

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Toelichting Betreffende

Veghelsedijk 10a te Erp

Planstatus

Ontwerp

Projectnummer

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072022P-ON01

Datum

23 september 2022

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling 2.3 Stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan

8 8 10 11

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

14 14

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

14 15 16 16

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid

16 18 20

3.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 3.3.2 Woonvisie Meierijstad 3.3.3 Ontwikkelingsrichting Erp noordwest (t.b.v. Veghelsedijk 10a en Voorbolst 2-4)

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Gezondheid

Inhoudsopgave

20 21 23

25 25 25 26 30 34 37 38 41 44 45 47 51

1

4.13 Verkeer en parkeren 4.14 Stikstof

56 58

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

59 59 59 61

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijk

63 63 63

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure

63 63 64 64

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 3: Aanmeldingsnotitie Bijlage 4: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 5: Waterparagraaf Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Geuronderzoek Bijlage 8: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 9: Stikstofonderzoek Bijlage 10: Omgevingsdialoog Bijlage 11: RvR Bouwtitels (geanonimiseerd) Bijlage 12: Beleidskader ontwikkelingsrichting Erp Bijlage 13: Advies veiligheidsregio

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Eigenaren van Van Doorn Varkensbedrijven hebben besloten te stoppen met de bedrijfsvoering van het varkensbedrijf middels deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij (Svr). Het bedrijf was gesitueerd op twee locaties, te weten de Veghelsedijk 10a en Dieperskant 6 te Erp. Beide locaties worden gesaneerd, waarbij in totaal 6077 m 2 agrarische bebouwing op de Veghelsedijk 10a wordt gesloopt en 6798,69 m2 agrarische bebouwing op de Dieperskant 6. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de herbestemming voor de locatie Veghelsedijk 10a. Voor de locatie Dieperskant 6 zijn de plannen nog niet geheel uitgekristalliseerd. Voor deze locatie zullen nog nadere plannen gereed worden gemaakt en zal middels een separate procedure een bestemmingsplan worden opgesteld. Het voornemen bestaat om aan het adres Veghelsedijk 10a te Erp het aldaar gesitueerde varkensbedrijf te saneren en in het kader van de Svr-regeling op deze locatie zeven ruimte-voor-ruimtewoningen te realiseren. Om aan deze regeling te voldoen dient een deel van de stallen gesloopt te worden. De sloop van de overige stallen wordt ingezet voor de mogelijkheid één van de nieuwe woningen te vergroten naar 862 m3. Hiervoor dient nog een aanvullende 308 m2 stal te worden gesloopt. Anno oktober 2021 zijn alle stallen op de locatie Veghelsedijk 10a gesloopt.

Op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de transformatie naar woningbouw niet mogelijk. Momenteel rust er een agrarische bestemming op de gronden. Mede als gevolg van deelname aan de Svr-regeling, maar ook op verzoek van de gemeente, zal de bestemming op deze locatie worden aangepast. In februari 2021 heeft een gesprek met de gemeente plaatsgevonden waarbij de keuze is gemaakt om een separaat bestemmingsplantraject te starten in plaats van mee te liften op het gemeentelijke veegplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante (rand)voorwaarden en onderdelen haalbaar is.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Meierijstad. Het betreft een perceel gelegen aan de Veghelsedijk 10a te Erp. Kadastraal staat dit perceel bekend als Gemeente Erp, Sectie R, Perceelnummer 1575, met een oppervlakte van 23.855 m2. In figuur 1.1 wordt de ligging van het plangebied in de nabije omgeving weergegeven. De begrenzing van het plangebied wordt in deze afbeelding eveneens globaal weergegeven, voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

3

Erp

Figuur 1.1 Ligging plangebied (globaal) (bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor onderhavig plan zijn meerdere bestemmingsplannen geldend:  Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 22 oktober 2015);  Het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld 31 januari 2019);  Het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ (vastgesteld 27 januari 2021). Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vigerend. Dit bestemmingsplan is op 22 oktober 2015 vastgesteld door de voormalige gemeente Veghel. Op de locatie ligt en bouwvlak en rust de bestemming ‘Agrarisch’ met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Hier zal nader op in worden gegaan in paragraaf 4.2 ‘Archeologie en cultuurhistorie’. Voorts zijn er enkele gebiedsaanduidingen van toepassing op de locatie: de gebiedsaanduiding ‘boringsvrije zone’, ‘dagrecreatie’, ‘dorpslandschap’, ‘reconstructiewetzone – wervingsgebied 2’ en ‘vrijwaringszone – radar’. Op basis van de bestemming ‘Agrarisch’ is het niet mogelijk om zeven woningen te realiseren. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een partiele herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is.

Figuur 1.2 Vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Hoofdstuk 1

5

Bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ Naast bovengenoemd bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met het “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad. Bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend fruit’)’ Op 1 januari 2017 zijn de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gefuseerd tot de gemeente Meierijstad. Naar aanleiding van de fusie is er veel nieuw beleid ontwikkeld en zijn de verordeningen geharmoniseerd. De Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) bepaalt namelijk dat gemeentelijke voorschriften gedurende twee jaren na de fusiedatum voor dat gebied hun rechtskracht behouden. Dat vraagt dus van de nieuwe gemeente om verordeningen opnieuw vast te stellen of te harmoniseren. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om álle bestaande regelingen in álle circa bestemmingsplannen met dit paraplubestemmingsplan te herzien met een integrale herziening.

Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Deze wet verplicht de gemeente om voor 2029 alle regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen of het gebruik daarvan regelen, op te nemen in één omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal er dus een ruimere heroverweging en harmonisatie plaatsvinden van de regels uit de bestemmingsplannen en de verordeningen die regels stellen voor de fysieke leefomgeving. Omdat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet alle bestaande bestemmingsplannen samen fungeren als tijdelijk omgevingsplan, zal het niet meer mogelijk zijn om nog herzieningen op onderdelen door te voeren. Alleen de bestemmingsplannen die in procedure gebracht zijn vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet mogen nog afgerond worden en die gaan dan deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan. In de Omgevingswet is bepaald dat regels niet mogen bestaan in zowel het tijdelijke deel als het permanente deel van het omgevingsplan (artikel 22.6, 1e lid, Omgevingswet). Dit is gedaan omdat - in tegenstelling tot de huidige bestemmingsplannen - bij het vaststellen van nieuwe regels in het (permanente deel van het) omgevingsplan, niet automatisch de oude regels van de voormalige bestemmingsplannen in het tijdelijke deel vervallen.

Voor een aanpassing van de regels over toegelaten activiteiten zullen dan (mede voor de goede raadpleegbaarheid) álle gebruiksregels, die horen bij wonen overgebracht moeten worden naar het permanente deel van het omgevingsplan, anders blijven regels op twee plekken staan. Het is dus ook om technische redenen handig dat de herziening op onderdelen van bestemmingen door actualisatie en harmonisatie van bestaande regels (en het stellen van nieuwe regels) nog gedaan wordt vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarbij is gekeken welke activiteiten relatief vaak voorkomen en waarvan de regels nog verschillen of ontbreken.

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken en enkele bijlagen. Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 ‘Planbeschrijving’, dit gaat in op de beschrijving van de huidige situatie van het plangebied, de ontwikkelingsmogelijkheden en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met dit beleid. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde haalbaarheidsaspecten zoals externe veiligheid, luchtkwaliteit en water wordt in dit hoofdstuk beschreven waarom de ontwikkeling welke voorliggend plan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd, juridisch wordt geregeld. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in gebieden die aangeduid worden als ‘jonge heideontginningen’. De jonge heideontginningen zijn gebieden die lang onontgonnen en onbebouwd zijn gebleven. Het waren niet-gecultiveerde terreinen, die werden gebruikt voor het weiden van schapen en het steken van heideplaggen. Pas aan het eind van 19de eeuw en in de 20ste zijn deze heidegronden ontgonnen. De jonge heideontginningen worden gekenmerkt door een rationele verkavelingsstructuur. Rechthoekige percelen evenwijdig of dwars op de ontsluitingswegen met laanbeplantingen en verspreid liggende erven. Het is een open agrarisch productielandschap. Slechts plaatselijk komen verdichtingen voor in de vorm van houtsingels, bosstroken en bebouwing. Het plangebied zelf ligt in het buitengebied van de gemeente Meierijstad, ten westen van de kern van Erp en staat kadastraal bekend als gemeente Erp, sectie R, nummer 1575. Het plangebied heeft een oppervlak van 23.855 m 2. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door hoofdzakelijk agrarische percelen in combinatie met enkele burgerwoningen. De agrarische functie is echter dominant in het gebied. Het plangebied heeft momenteel ook een agrarische functie, en is in gebruik als varkenshouderij. Het grootste gedeelte van de bebouwing betreft dan ook stallen.

Aan de zuidzijde van het perceel bevindt zich een bedrijfswoning. In figuur 2.1 is de globale ligging van het plangebied en een impressie van de huidige situatie weergegeven.

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.1 Globale ligging plangebied en impressie huidige situatie (bron: Ruimtelijkeplannen.nl en Google Maps)

Hoofdstuk 2

9

2.2 Voorgestane ontwikkeling Algemeen De voorgestane ontwikkeling bestaat uit het beëindigen van de intensieve veehouderij en het transformeren van het bouwvlak tot een woonerfje met zeven ruimte-voor-ruimte woningen. Daarnaast zal de bestaande bedrijfswoning ter plaatse van de Veghelsedijk 10a te Erp omgezet worden naar een burgerwoning en zal sprake zijn van de toevoeging van robuuste landschapselementen aan de oost- en noordzijde van het nieuwe erfje. Van deze zeven ruimte-voor-ruimte woningen dienen er minstens twee in de vorm van een twee-kapper te worden gerealiseerd. Middels een ruimtelijk-landschappelijk inpassingsplan is het planvoornemen gevisualiseerd. Figuur 2.2 toont het ruimtelijk-landschappelijk inpassingsplan. Deze is tevens toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. In de ruimtelijk-landschappelijke inpassing is te zien dat de voorste woning (het dichtstgelegen op de Veghelsedijk) de bestaande bedrijfswoning betreft. Deze zal dus behouden blijven. Achter deze woning worden zeven nieuwe woningen gerealiseerd aan een centrale ontmoetingsruimte. De woningen mogen maximaal een inhoud van 750 m 3 hebben met 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van één woning, waarbij een maximum van 862 m3 voor de woning geldt, met 300 m2 aan bijbehorende bouwwerken (zie onder ‘Inzet sloop-bonus regeling’).

De woningen zullen op percelen van circa 950 m 2 tot circa 1300 m2 komen. Binnen deze percelen worden bouwvlakken opgericht voor de bouw van de woningen. De percelen worden van elkaar gescheiden middels de aanleg van lage knip- en scheerhagen. Daarnaast worden andere groenvoorzieningen getroffen, waaronder de handhaving van bestaande bomen, de aanleg van een (minimaal) 6 meter

Figuur 2.2 Landschappelijke inpassing

Hoofdstuk 2

10

brede houtsingel, de aanleg van een boomgaard, en waterberging in combinatie met bossage. De ontsluiting van de erven zal centraal plaatsvinden. Hiervoor wordt de bestaande inrit op de Veghelsedijk gebruikt. Er hoeft geen extra inrit aangelegd te worden. Enkele gezamenlijke voorzieningen worden aangelegd, waaronder een boomgaard, een zone voor brievenbussen en een opstelplaats voor containers. Inzet sloop-bonus regeling In het kader van de Svr-regeling zal de huidige varkenshouderij worden gesaneerd. Door de sanering komt ruimte vrij op het perceel voor de voorgenomen zeven woningen. Niet alle stalgebouwen komen in aanmerking voor subsidie (het overgrote deel van de te slopen stallen, 5863,6 m 2, wel). De stallen die niet in aanmerking komen voor de Svr-subsidie, worden wel gesloopt en deze vierkante meters worden ingezet voor een vergroting van de inhoud van één van de nieuwe woningen te vergroten één en ander conform artikel 7.14 van het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend fruit’)’. Hierin is bepaald dat per te slopen m 2 aan bedrijfsbebouwing, er 0,5 m 3 vergroting mag plaatsvinden van de woning tot een maximum inhoud van 1.000 m 3. De extra te slopen stallen op de locatie Veghelsedijk 10a bedraagt 213,4 m2.

Deze extra sloop wordt volledig ingezet om een vergroting van één van de nieuwe woningen toe te staan (dit is de woning aan de zuidwestzijde van het erf). Aangezien de extra sloop voorziet in een vergroting van deze woning met afgerond 107 m3, is in de planregels dat deze woning maximaal 862 m 3 mag bedragen. In onderstaande tabel is het aantal m 2 gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde sloop op de locatie Veghelsedijk 10a weergegeven. Locatie Veghelsedijk 10a

Gesubsidieerde sloop (m2) 5863,6

Niet-gesubsidieerde sloop (m2) 213,4

Totale sloop (m2) 6077

2.3 Stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan Voor onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig- en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierin wordt het ontwerp en de inpassing hiervan in de omgeving nader toegelicht. Hieronder zal het beeldkwaliteitsplan kort worden toegelicht. Voor het gehele beeldkwaliteitsplan wordt verwezen naar de bijlagen. Met onderhavig plan wordt de realisatie van 7 woningen beoogd. Deze woningen worden rondom centrale ‘hofje’ gepositioneerd, waarbij de bestaande woning aan de weg georiënteerd is en de ‘entree’ tot het hofje vormt. In de omgeving van de ontwikkeling zijn meerdere bestaande boerenerven gelegen, beoogd wordt om het erf qua beeldkwaliteit aan te laten sluiten op de reeds aanwezige boerenerven en de woningbouwontwikkeling ‘Veghels Buiten’ te Veghel. Ook sluit de ontwikkeling aan bij de gebiedsvisie Erp Noordwest dat uitgaat van landschapskamers afgewisseld met openheid als samenhangend inrichtingsconcept. Op die manier past de ontwikkeling bij het boerenverhaal van het Brabantse Landschap, en tegelijkertijd krijgt de ontwikkeling een eigen identiteit als ‘boerenhof’.

Hoofdstuk 2

11

Deze aansluiting wordt beoogd door aandacht te besteden aan: 1) De ruimtelijke compositie van het erf Om zo goed mogelijk op de beeldkwaliteit van de boerenerven in de omgeving aan te sluiten worden de ruimtelijke en esthetische principes van het boerenerf met schuurwoningen zo veel mogelijk vertaald op de woningen in het boerenhof. Het Brabantse boerenerf wordt omkaderd door langgerekte schuren waardoor er een gezamenlijke ruimte op het erf ontstaat. In deze ontwikkeling wordt deze gezamenlijke ruimte vertaald in een centraal pleintje waaraan de woningen zijn georiënteerd. Hierdoor ontstaat een sterke relatie tussen de woningen en de centrale ontmoetingsruimte aan van het boerenhof. 2) Hoofdmassa en oriëntatie van de woningen Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de positionering van de woningen ten opzichte van het erf (voorgevel grenzend aan het erf) en een hoofdvorm welke langgerekt is en bestaat uit één bouwlaag met kap. 3) Detaillering Het is gewenst dat de gebouwen op een erf samenhang vertonen. Hierbij is het van belang dat er architectonische samenhang na wordt gestreefd. Dit kan gezocht worden in de kapvorm, gelijke materialen, kleurgebruik, raamvormen, etc. In onderhavig geval zullen de woningen bijvoorbeeld een eenvoudige hoofdvorm krijgen.

Eventuele losse bijgebouwen (zoals een berging of carport) worden mee ontworpen in dezelfde architectuur, stijl, materialisering en detaillering als het hoofdvolume. 4) Materiaal en kleur Het kleur- en materiaalgebruik is gedekt en ingetogen, bestaande uit donkere aardse tinten en/of houttinten, passend bij de architectonische uitwerking van de Brabantse landelijke architectuur. Als basismateriaal voor de gevels wordt gekozen voor warme natuurlijke materialen zoals baksteen, hout of vergelijkbare duurzame materialen zoals zink. 5) Overgang privé-openbaar en erfgrens De gevel grenst aan het gezamenlijke erf. Om de overgang van privé-openbaar en erfgrens te verduidelijk kan gekozen worden om een kap (met ondersteunende constructie) door te laten lopen tot het gezamenlijke erf of op het kavel zodat er een ‘intermediaire ruimte’ ontstaat tussen de woning en het erf. Deze intermediaire ruimte kan ook verwezenlijk worden door middels de bestrating een ‘overgangsstrook’ aan te leggen. Tot slot worden hagen gebruikt als erfafscheiding. 6) Parkeren Op de percelen zijn 2 parkeerplaatsen aanwezig. Dit is inclusief inpandige parkeervoorzieningen/ carport, mits het gebruik en behoud hiervan gegarandeerd is. Bij voorkeur kan dit met een overkapte extensie vanuit de hoofdmassa- en kap. Het gezamenlijke erf blijft vrij van geparkeerde auto’s.

Buiten de 2 parkeerplaatsen op de percelen is in één collectieve parkeerstrook ruimte voor extra (bezoekers)parkeerplaatsen. De collectieve parkeervoorziening ligt zo dicht mogelijk bij de auto-entree om onnodige verkeersbewegingen op het gezamenlijke erf te voorkomen. Ook bezoekers parkeren in de parkeerstrook.

Hoofdstuk 2

12

7) Ruimtelijke opzet van het gezamenlijke erf Het gezamenlijke erf met het centrale plein is de ontmoetingsruimte van het buurtschap. De inrichting stimuleert de sociale interactie onder bewoners. Het pleintje is flexibel en eenvoudig van opzet, kwalitatief hoogwaardig en sluit aan bij de sfeer van de bebouwing. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen rijbaan en verblijfsruimte. Naast (manoeuvreer-)ruimte voor de auto biedt het erf voldoende ruimte om te verblijven en te spelen. Door de overruimte ontstaat bewegingsvrijheid voor de bewoners. Het erf is nadrukkelijk een verblijfsruimte en geen verkeersruimte. De inrichting van het erf zorgt ervoor dat het geen traditionele straat wordt. De ruimte mag niet te langwerpig zijn waardoor ze te veel op een traditionele straat gaat lijken. Ook is de ruimte stoer en eenvoudig, daarom bestaan de grenzen van het pleintje uit rechte lijnen en zijn de woningen er direct aan gesitueerd. 8) Bestrating en materiaal Hoogwaardige materialen moeten worden toegepast in een verhard of halfverhard vlak, zoals gebakken klinkers of grind, om de Brabantse landelijke stijl te versterken. De kleur van de klinker sluit aan bij de gebruikte baksteen kleur in de bebouwing. 9) Gezamenlijke zones Naast het erf en de woningen wordt aan een aantal overige zones gedacht.

Het gaat hier om een houtsingel, welke een besloten karakter rondom het erf creëert, een boomgaard en koeienweide welke bijdragen aan het landelijke karakter van de omgeving en een collectieve zone voor brievenbussen en containers. Achter het erf komt een zone voor waterberging met bossage. Daarbij wordt een mogelijk nieuwe wandelroute gemaakt dat aansluit bij Bosstraat om zo de aansluiting met Erp en het omliggende landschap te versterken.

Hoofdstuk 2

13

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld: (1) ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; (2) duurzaam economisch groeipotentieel; (3) sterke en gezonde steden en regio's; (4) toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Wel draagt de ontwikkeling bij aan het bereiken van nationale beleidsdoelen in de zin van het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit, het beperken van klimaatverandering, en een verbetering van gezondheids- en leefomgevingsrisico’s in gebieden met een zeer hoge veedichtheid. Het Rijk zet zich namelijk in op maatregelen die bovengenoemde doelen trachten te behalen.

In delen van Nederland is namelijk sprake van een verhoudingsgewijs grote concentratie van veehouderijbedrijven en een grote veedichtheid. Door de concentratie van (intensieve) veehouderijbedrijven is de situatie ontstaan dat de emissies door individuele bedrijven van onder andere geur, fijnstof en ammoniak weliswaar binnen de vergunningsvereisten kunnen vallen, maar dat door de cumulatie van emissies van aan elkaar grenzende bedrijven er in bepaalde gebieden toch sprake kan zijn van overlast. Daarnaast blijken bepaalde maatregelen die de emissies moeten beperken in de praktijk minder effectief dan gedacht. Om deze ongewenste ontwikkelingen een halt toe roepen zijn meerdere sporen het leven ingeroepen om op de lange en korte termijn een verandering in de situatie te brengen. Het gaat hier om het saneringsspoor, welke toeziet op het verminderen van de geuroverlast door het bieden van een subsidie voor het beëindigen van varkenshouderijlocaties die geuroverlast geven en het verduurzamingsspoor, welke toeziet op de ontwikkeling van en investering in nieuwe stal- en houderijsystemen. Met onderhavige ontwikkeling wordt aangesloten op het saneringsspoor.

Door de transformatie van varkenshouderij naar woonbebouwing wordt bijgedragen aan de doelstellingen om natuur en biodiversiteit te beschermen, aangezien de woonfunctie minder milieubelastend is dan de intensieve veehouderij, en er sprake is van natuurversterkende maatregelen die genomen worden vanwege optredende waardevermeerdering van gronden vanwege de transitie van een intensieve veehouderij naar woningbouw vanwege de reductie van de uitstoot van broeikasgassen, zoals stikstof, afkomstig uit de veehouderij. Daarnaast worden de gezondheids- en leefomgevingsrisico’s ook verminderd aangezien deze risico’s gepaard gaan met de (geur)overlast van een veehouderij.

Hoofdstuk 3

14

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Echter, in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Rarro) wordt uitwerking gegeven aan enkele bepalingen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. In de Rarro is wel een bepaling opgenomen die van belang is voor onderhavige ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich namelijk in het radarverstoringsgebied behorende bij radarstation Volkel.

Er gelden bouwbeperkingen in dit gebied, zoals bepaald in artikel 2.4 van de Rarro: Artikel 2.4 (bouwbeperkingen radarverstoringsgebieden) 1) De maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne, waarvan de hoogteligging ten opzichte van NAP is opgenomen in Bijlage 8, oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne. 2) Onverminderd het eerste lid geldt voor de tippen van de wieken van windturbines een maximale hoogte in een radarverstoringsgebied, die wordt bepaald door elke denkbeeldige, ten opzichte van NAP horizontale rechte lijn, die wordt getrokken van het uiterste punt van de lijn, bedoeld in het eerste lid, tot een punt gelegen 60 kilometer daar vandaan. De resulterende maximale hoogte voor de tippen van de wieken van windturbines is per radarverstoringsgebied opgenomen in Bijlage 10 en tezamen met de omvang van het radarverstoringsgebied verbeeld op de kaart in bijlage 8.4. 3) De toepassing van het eerste en tweede lid wordt schematisch als volgt weergegeven:

Hoofdstuk 3

15

Conform bijlage 8 van de Rarro bevindt de top van de antenne van het radarstation Volkel zich op 39 meter. Het plangebied ligt op circa 9,5 kilometer van deze antenne. De nieuw op te richten bebouwing wordt uitgevoerd in één bouwlaag met kap. De nokhoogte zal maximaal 9 meter betreffen. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor het planvoornemen aangaande de ligging binnen het radarverstoringsgebied Volkel. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Onderhavig initiatief maakt de bouw van zeven woningen mogelijk. Gelet op de aard en kleinschaligheid van het plan, voorziet het plan niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan gelet op de jurisprudentie dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking is voor onderhavig initiatief niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

16

Met deze visie wordt aangegeven wat belangrijk wordt geacht betreffende de verbetering en duurzame ontwikkeling van de leefomgeving van de inwoners van Brabant. De focus ligt daarbij op de vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Extra focus op deze hoofdopgaven is nodig om een goede basis met een goede omgevingskwaliteit te behouden. Hieraan werken wij al langere tijd met anderen aan samen. Daarom benoemen we dat als de basisopgave waar wij met elkaar voor staan. Basisopgave: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Dat draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit die Brabant mooi, aantrekkelijk en onderscheidend maakt. Voor mensen om in te wonen en voor bedrijven om zich te vestigen. Onze basis op orde houden is dus een essentiele opgave teneinde ook de internationale aantrekkelijkheid van Brabant te borgen.

De basisopgave omvat een aantal traditionele taken waar de provincie, steeds vaker gezamenlijk met andere partijen, aan werkt. Werken aan de Brabantse energietransitie Als Brabant koppelen wij ons beleid aan het Rijksbeleid en nationale doelen. Daarmee willen we bereiken dat we evenredig bijdragen aan de doelstelling van minder dan 2ºC opwarming (klimaatakkoord). Daarvoor is een drastische reductie van uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen (waaronder methaan) noodzakelijk. Het nationale doel is om in 2050 80% tot 95% minder CO2 uit te stoten ten opzichte van de uitstoot in 1990. De verwachting is dat dit door de Klimaatwet wordt aangepast tot 95% minder CO2. Nederland heeft voor 2030 een tussendoel gesteld van 49% CO2-reductie. In Brabant nemen wij deze ambitie voor 2030 over als nieuwe, minimaal te realiseren ambitie van 50%. We vertalen dit naar een eigen ambitie voor duurzame energieopwekking, besparing en beperking van CO2-uitstoot. Dit laatste ook uit andere bronnen dan fossiele brandstoffen. Hoe we de tussendoelstelling voor 2030 willen bereiken, wordt in het vervolgtraject uitgewerkt. In dat traject van de zogenoemde energieagenda is er uiteraard volop aandacht ook voor nieuwe technologische ontwikkelingen. Werken aan een klimaatproof Brabant 80% van Brabant is een combinatie van zandgronden en beken; het beeklandschap.

De afgelopen decennia was de inrichting van ons bekensysteem en het waterbeheer vooral gericht op zo snel mogelijk afvoeren van water ten gunste van landbouw en verstedelijking. De houdbaarheid hiervan staat onder druk, zeker als extremen in het weer gaan toenemen. Langere tijden van droogte en wateroverlast door pieken zorgen voor schade in de land- en tuinbouw. Wij stellen ons een toekomstbeeld voor dat wordt gekenmerkt door stromende, slingerende, ondiepe beken, zodat ze zomers niet diep ontwateren en geen droogteschade voor landbouw en natuur veroorzaken. Dit maakt de kans op overlast rondom de beken wel groter. Daarom is het de uitdaging om zoveel mogelijk water vast te houden en te bergen in de bodem op de hoge zandgronden om (1) piekbuien op te vangen en daarmee de beken en bebouwd gebied te ontlasten, maar ook om (2) bij tijden van droogte juist voldoende water te ‘reserveren’ voor landbouw, natuur en stedelijk groen. De zandige gronden in Brabant en het feit dat het grondgebruik de bodem ook meer of minder geschikt maakt om water vast te houden maken dit een opgave voor de toekomst waar zowel overheden, bedrijven, burgers en grondeigenaren een bijdrage

Hoofdstuk 3

17

aan leveren. Een bodembeheer dat meer water kan vasthouden en naleveren is daarmee een belangrijke sleutel in een klimaatbestendig beeklandschap. Werken aan de slimme netwerkstad Ambities liggen hier onder andere in het toekomstbestendig maken van dorpen en steden. Transformatie van het stedelijk gebied wordt een belangrijke opgave. Het ‘up to date’ houden van het bestaand stedelijk gebied is essentieel voor een duurzame, sociale en economische ontwikkeling van de steden en dorpen van Brabant. We willen het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Opgaven als energietransitie, klimaatadaptatie en gezondheid, maar ook de veranderingen in de bevolkingssamenstelling, de steeds verdergaande opschaling van voorzieningen en de digitalisering, stellen ons voor complexe nieuwe uitdagingen voor het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Het gaat daarbij om het verbinden van de kwaliteiten van stad en land. Zo kunnen de steden de klimaatadaptatie en de energietransitie niet realiseren zonder daarbij intensief samen te werken met de omliggende landelijke gemeenten.

Werken aan een concurrerende, duurzame economie De concurrentie tussen steden en regio’s en de grote veranderingen in de economie zijn de motor voor de Brabantse economie om te blijven vernieuwen en zich aan te passen. Daardoor blijven we niet alleen concurrerend, maar worden we ook een koploper en versterken we de Brabantse internationale concurrentiepositie. Dat doen we door het vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers flexibel aan de omstandigheden aan te passen, zoals met campussen en toplocaties. Aansluiten op de digitale ontwikkelingen is daarbij randvoorwaarde. Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling is in lijn met de basisopgave van de provincie waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan (zie ook toelichting onder ‘Nationale Omgevingsvisie (NOVI)’). Voorts voorziet het in plan in de wateropgave. Zo bestaat er genoeg ruimte voor waterberging en wordt verharding zoveel mogelijk beperkt. Infiltratie zal dan ook op eigen terrein plaatsvinden. Door de grootte van de percelen is dit goed op te lossen. Daarbij zullen de woningen BENG (Bijna Energieneutrale Gebouwen) worden gebouwd en kan ervan uit worden gegaan dat zonnepanelen worden geïntegreerd in de bebouwing. Het plan is hiermee in lijn met de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld (en voor het laatst geconsolideerd op 15 april 2022). De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden

Hoofdstuk 3

18

voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie waar de woningen worden opgericht is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘landelijk gebied’ en ‘gemengd landelijk gebied’. Daarnaast grenst het plangebied direct aan het gebied dat in de Interim Omgevingsverordening wordt aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’. Binnen dit gebied kan een bestemmingsplan (onder bepaalde voorwaarden) voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Op basis van de ligging binnen de gebieden ‘landelijk gebied’ en ‘gemengd landelijk gebied’ zijn onderstaande artikelen uit de Interim Omgevingsverordening van toepassing: Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a) de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1.

de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b) de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c) in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. Artikel 3.80 Ruimte-voor-ruimte Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimtevoor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a) er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; b) de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c) een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d) er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.

Lid 2 Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: a) een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beeindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt;

Hoofdstuk 3

19

b) de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c) de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d) er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; e) de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; f) de rechten, bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beeindigd; g) de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; h) een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a.

bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; i) in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de omzetting van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning conform artikel 3.69, sub c. Het plan voorziet niet in een splitsing van de woning in meerdere woonfuncties waardoor gebruik gemaakt kan worden van dit artikel. Daarbij wordt ook een beroep gedaan op artikel 3.80 van de Interim Omgevingsvergunning. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in zeven ruimte-voor-ruimte woningen. Hiermee is zowel een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit (onder andere door het saneren van een varkenshouderij. Diverse aspecten zijn reeds toegelicht in paragraaf 2.3 ‘Beeldkwaliteit’) als sprake van goede landschappelijk inpassing. Door het saneren van de varkenshouderij worden grote bebouwingsblokken gesloopt en wordt er plaatsgemaakt voor woningen. Dit zorgt niet alleen voor betere zichtlijnen naar het achterliggend landschap, maar er wordt ook aandacht besteed aan de inpassing van groen in het plangebied waardoor de ontwikkeling goed in het landelijk gebied wordt ingepast. Het plangebied ligt ook aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie.

Het plangebied ligt direct naast het gebied aangeduid met ‘verstedelijking afweegbaar’ en de alhier aanwezige bebouwing wordt doorgetrokken naar het plangebied toe. Tot slot is er met onderhavig planinitiatief geen sprake van een aanzet voor een verdere stedelijke ontwikkeling.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 Op 19 december 2013 is de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. Veghel doet dat voor de periode tot 2030 en voor het hele grondgebied van de gemeente. In de structuurvisie

Hoofdstuk 3

20

wordt er voor gekozen om voort te bouwen op typisch Veghelse kwaliteiten. Dat betekent dat de inspanningen erop gericht moeten zijn om Veghel als 'werkstad' op de kaart te houden en als 'woondorp(en)' juist meer op de kaart te zetten. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen binnen het gebied dat wordt aangeduid met “ontwikkelen afwisselend ‘buitenlandschap’ (landbouw, wonen, werken, recreatie & landschap)” (zie figuur 3.1). Met het ontwerpen van het woongebied is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden. Het gebied betreft een zone waarin openheid van belang is. In het ontwerp is de westelijke rand van het plangebied dan ook bewust open gelaten (middels het inpassen van een koeienweide) en er is gekozen de bebouwing niet verder in te passen dan de contouren van het huidige bouwvlak.

Figuur 3.1 Uitsnede Visiekaart 2030 (plangebied rood omcirkeld)

3.3.2 Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft naar vitale wijken en kernen en een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo

Hoofdstuk 3

21

wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen.

Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een locatie tegen de toekomstige kernrand van Erp herontwikkeld tot woonlocatie. Om dit te realiseren wordt een varkenshouderij gesaneerd. Dit komt de leefbaarheid in dit deel van Erp ten goede, gezien overlast van de voormalige veehouderij zal beëindigen en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd zal worden. Het plangebied wordt gerealiseerd tegen het gebied welke wordt aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’ (paars gearceerd in figuur 3.2). In de directe omgeving van het plangebied zijn aan de Veghelsedijk al meerdere agrarische bedrijven omgeschakeld naar wonen. Beëindiging van de varkenshouderij op zeer korte afstand van de kern is dan ook gewenst. Een omschakeling naar wonen op deze locatie sluit daarmee functioneel aan bij die ontwikkelingsrichting.

Hoofdstuk 3

22

Figuur 3.2 Uitsnede kaart 3 Interim Omgevingsverordening (plangebied met punaise aangeduid)

3.3.3 Ontwikkelingsrichting Erp noordwest (t.b.v. Veghelsedijk 10a en Voorbolst 2-4) De gemeente heeft onlangs het beleidsstuk “Ontwikkelingsrichting Erp noordwest (t.b.v. Veghelsedijk 10a en Voorbolst 2-4) opgesteld. Het beleidsstuk is in de bijlagen behorende bij dit bestemmingsplan opgenomen. Het beleidsdocument gaat in op de ontwikkelingsrichting van Erp en stelt dat, door de groei van de kernen Veghel en Erp, er druk komt te staan op het aangrenzende buitengebied als uitloop-/recreatiegebied. Overlast/hinder veroorzakende (agrarische) bedrijven zijn in dit gebied minder passend gelet op de korte afstand tot de primaire woongebieden. Voor alle functies geldt daarom dat deze op een passende wijze moeten worden ingepast in het landschap. De openheid van het landschap is echter ook een belangrijke waarde. Omschakeling naar wonen (bij de beëindiging van agrarische bedrijvigheid) is een passende functie in dit gebied. Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling betreft niet enkel het herbestemmen van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning, maar vooral het transformeren van een intensieve veehouderijbestemming naar een

Hoofdstuk 3

23

aantal nieuwe woningen. Gelet op de ruimtelijke en milieuhygiënische meerwaarde van deze ontwikkeling acht de gemeente een ontwikkeling met woningbouw in een duidelijk ensemble als passend in dit gebied. De omvang van de ontwikkeling is afgestemd op het draagvlak en kenmerken van de locatie. Dit volgt onder meer uit het landschappelijke inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan. Gelet op de korte afstand tot de dorpskern, levert de bedrijfsbeëindiging van de intensieve varkenshouderij een positieve bijdrage aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Het verdwijnen van de uitstoot levert zorgt voor een beter leefmilieu ter plaatse en in de omgeving, waaronder grote delen van de kern Erp. Alhoewel de locatie deel uitmaakt van de oude ontginningsgebieden is dit in het landschap vrijwel niet meer terug te zien. Gelet op de grootschaligheid, de rationele verkaveling en de rechte wegenstructuur heeft dit gebied meer de kenmerken van de jonge ontginningsgebieden. Bebouwing in de jonge ontginningsgebieden is ook grootschaliger van karakter. Hierdoor leent de locatie zich ook meer voor een grotere herontwikkeling, waarbij de realisatie van 7 woningen (in een duidelijk ensemble) mogelijk wordt gemaakt. De ontwikkeling wordt op een goede wijze ingepast in het landschap, door het creëren van landschapskamers.

Hoofdstuk 3

24

4. OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk.  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). Aangezien het gaat om het realiseren van slechts zeven woningen, wordt dit op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een nadere beschouwing hiertoe niet nodig.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.

Hoofdstuk 4

25

Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Op de locatie Veghelsedijk 10a rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Voor de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 30 centimeter ten opzichte van het maaiveld. Het bouwplan overschrijdt deze maten niet. Een groot deel van het te bebouwen perceel is namelijk gevrijwaard van bebouwing aangezien deze groen ingericht zal worden. Daarbij is een groot deel van de grond reeds verstoord door de bouw van de stallen. Onder de stallen zijn namelijk ook putten aangelegd van 0,5 tot 2,0 meter diep. Een archeologisch onderzoek zal niet noodzakelijk zijn. Zorgvuldigheidshalve wordt de dubbelbestemming behouden. Het aspect ‘archeologie’ vormt in beginsel dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het plangebied is gelegen in de ‘Meierij’, een gebied bestaande uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Met het landschappelijke inpassingsplan wordt omgevingskwaliteit behouden en versterkt. Door de sloop van de stallen worden de open landschapskwaliteiten versterkt en door de toevoeging van groenvoorzieningen als een boomgaard, heggen en de houtsingel wordt de ontwikkeling goed in het bestaande groen ingepast. Binnen de grenzen van het plangebied zijn verder geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast liggen er ook geen monumentale bomen, natuurmonumenten, molenbiotopen, MIPpanden of beeldbepalende panden in het plangebied. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de omliggende wegenstructuren niet veranderen. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. Het thema cultuurhistorie zorgt daarom ook niet voor belemmeringen.

4.3 Flora en fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten

Hoofdstuk 4

26

aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuur-netwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing beschermde soorten De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d209f324-4fe9-49e4-9440-e7c8971ffc7e