Onderliggend document 1 Rapport totstandkoming actualisatie BAAC (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
Project V-19.0072
48
4
Vindplaatsenkaart 4.1 Inleiding De archeologische inventarisatiekaart vormt een instrument voor het archeologiebeleid ten aanzien van de planvorming binnen de gemeente Meierijstad. De eerste stap om te kunnen komen tot een archeologische inventarisatiekaart is het verzamelen van de op dit moment bekende vindplaatsen binnen de gemeente Meierijstad. Middels een vindplaatsenkaart (bijlage 2) kan een goed beeld verkregen worden van de hoeveelheid bekende archeologische vindplaatsen, de verspreiding ervan en de verdeling over de verschillende perioden. Ook staan de belangrijkste historische elementen en structuren op deze kaart weergegeven. Dergelijke informatie is essentieel in het opstellen van een verwachtingsmodel. Zo kan middels analyses worden nagegaan of de vondsten zijn gebonden aan bepaalde archeolandschappelijke dan wel bodemkundige eenheden of dat de afstand tot watervoerende geulen een rol heeft gespeeld. Een dergelijke analyse leidt vervolgens tot een verwachtingsmodel. Echter, de vindplaatsenkaart vertelt primair de bewoningsgeschiedenis van de gemeente.
4.2 Inventarisatie van de bekende vindplaatsen Al vanaf het eind van de 19de, begin 20ste eeuw is in Nederland op zowel professionele wijze als door amateur-archeologen archeologisch onderzoek gedaan. Men vond wat bijzonders en bracht het naar iemand in de regio waarvan men wist dat deze persoon hier interesse voor had. In Noord-Brabant was dit dikwijls de lokale pastoor. De vondsten werden soms voorzien van een beschrijving van het soort vondst en de locatie waar het was aangetroffen en verdwenen vervolgens vaak in een privécollectie59. Pas na de oprichting van de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek in 1947, de voorloper van de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, werd de registratie van vondsten landelijk verwerkt in een database. Eerst op papier, later ook digitaal in ARCHIS. Dit systeem is afhankelijk van de bereidwilligheid van de vinder om de vondst ook daadwerkelijk te melden bij de RCE. Ondanks de wettelijke verplichting dit te doen, gebeurt dit niet altijd. Derhalve bestaat de kans dat het raadplegen van ARCHIS niet alle bekende vindplaatsen zal opleveren. Om zoveel mogelijk bekende waarnemingen te traceren is tijdens dit onderzoek een archief onderzoek uitgevoerd en is tevens een beroep gedaan op lokale amateur-archeologen en heemkundeverenigingen.
4.2.1 Waarnemingen in Archis In totaal waren op de peildatum van 1 januari 2020 588 in ARCHIS geregistreerde waarnemingslocaties binnen de gemeente Meierijstad bekend. Uit de informatie verkregen via de verschillende heemkundige verenigingen is gebleken dat bijna 59 Soms werden de vondsten echter gemeld bij het RMO te Leiden alwaar het werd
geregistreerd. Dit ‘oude’ register is bij de ontwikkeling van ARCHIS opgenomen in het digitale bestand. 49 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
alle bij hen bekende waarnemingen zijn aangemeld bij de RCE, tijdens de actualisatie van de gemeentelijke verwachtingskaarten van Veghel en Schijndel. Een deel van deze waarnemingen is verwerkt in ARCHIS. In totaal zijn 107 nieuwe waarnemingslocaties toegevoegd op basis van de informatie van de heemkundige verenigingen. Een deel hiervan was al eerder gemeld ten tijde van de vorige actualisatie van de kaarten. Om alle bekende waarnemingen om te kunnen zetten in een vindplaatsenkaart zijn de betreffende waarnemingen geanalyseerd waarbij onderscheid is gemaakt in waarnemingslocaties en de waarnemingen op die locaties. Een waarnemingslocatie betreft de in ARCHIS of door de lokale verenigingen opgegeven puntlocatie waar vondsten zijn gedaan. Een dergelijke waarnemingslocatie heeft een uniek catalogusnummer met een x- en ycoördinaat. Een waarnemingslocatie kan in ARCHIS echter uit meerdere vondsten (waarnemingen) bestaan. Voor onderhavig onderzoek zijn de waarnemingen zoals in ARCHIS weergegeven in vindplaatsen omgezet. Een vindplaats vertegenwoordigt een locatie waar één of meerdere vondsten zijn aangetroffen uit één of meerdere aaneengesloten archeologische perioden. Bij een waarneming met een ‘periode-hiaat’, is de melding administratief gesplitst.
Het gaat bijvoorbeeld om een waarneming waar vondsten uit het neolithicum en de Romeinse tijd aan zijn toegeschreven, maar waar geen materiaal uit de bronstijd en ijzertijd voorkomt. Je hebt dan feitelijk te maken met twee aparte vindplaatsen: een neolithische en een Romeinse vindplaats op ongeveer dezelfde locatie. Omwille van de zichtbaarheid op de kaarten, waarbij vindplaatsen elkaar niet dienen te overlappen, zijn de X-coördinaten bij het splitsen 25 meter verplaatst. Indien waarnemingen uit dezelfde periode danwel een opeenvolgende periode binnen 50 m van elkaar zijn aangetroffen, zijn ze geclusterd tot één vindplaats. Een vindplaats zoals op de vindplaatsenkaart weergegeven betreft eveneens een puntlocatie met een x- en y-coördinaat. Het verschil met een waarnemingslocatie uit ARCHIS is echter dat een vindplaats kan bestaan uit meerdere waarnemingslocaties uit dezelfde (of opeenvolgende) periode(s) als deze laatste zich op geringe afstand van elkaar bevinden. Tabel 4.1 Waarnemingen binnen de gemeente Meierijstad.60 Omschrijving Aantal waarnemingslocaties ARCHIS61 553 (588) Vondstmeldingen ARCHIS 2852 waarnemingen amateur-archeologen, deels al opgenomen 196 in ARCHIS aanvullende waarnemingen actualisatie 107 vervallen waarnemingen op basis van onbruikbare 53 datering, administratieve locatie of onjuiste gegevens.
totaal aantal waarnemingen 873 totaal aantal vindplaatsen na analyse waarnemingen 820 Uit tabel 4.1 blijkt dat het aantal waarnemingen, het aantal bruikbare waarnemingen en het aantal waarnemingen na uitsplitsing per periode nogal van elkaar verschilt. Dit is onder andere het gevolg van de opzet van ARCHIS. De waarneming en de toekenning aan een ‘complex’ vormt de basis binnen dit systeem. Hierbij komt het echter regelmatig voor dat binnen één waarneming vondsten zijn gedaan uit verschillende archeologische perioden. Een dergelijke 60
Peildatum: 1 januari 2020. Van de 588 waarnemingslocaties in ARCHIS zijn 553 gebruikt. Van 25 locaties miste een datering, omschrijving en complextype. 61
Project V-19.0072
50
locatie kan derhalve gedurende meerdere perioden bewoond zijn geweest (bijvoorbeeld gedurende het mesolithicum en de Romeinse tijd). In ARCHIS krijgt een dergelijke waarneming één waarnemingsnummer terwijl hier in principe sprake is van meer dan één waarneming. Vandaar dat het kan voorkomen dat in ARCHIS 553 bruikbare waarnemingen aanwezig zijn terwijl hier feitelijk 2852 waarnemingen zijn gedaan die kunnen duiden op vindplaatsen in verschillende perioden. Niet al deze waarnemingen zijn betrouwbaar. Een aantal is door derden vaak vele jaren na de vondst in het Archis bestand geplaatst. Aangezien de exacte locatie van de vondst niet meer was te achterhalen zijn dergelijke administratief geplaatste waarnemingen op afgeronde coördinaten geplaats. Derhalve zijn alle waarnemingen met coördinaten afgerond op 1000 m uit de database gefilterd. Ook komt het voor dat ergens onderzoek is gedaan zonder dat er vondstmateriaal is aangetroffen, terwijl hieraan wel een waarnemingsnummer is gekoppeld. Ook dergelijke waarnemingen zijn uit de database gefilterd. Dit komt voor de gemeente Meierijstad neer op 53 waarnemingen. Een ander gevolg van de opzet van ARCHIS is dat de mogelijkheid bestaat dat zich in ARCHIS ter plaatse van één feitelijke vindplaats meerdere waarnemingslocaties bevinden.
Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat vondsten behorende tot één vindplaats onafhankelijk van elkaar zijn aangemeld door verschillende personen over verschillende jaren. Ondanks dat het eigenlijk één vindplaats betreft krijgt iedere melding in ARCHIS een uniek eigen waarnemingslocatienummer. In de analyse zijn alle waarnemingslocaties die in feite één vindplaats representeren echter samengevoegd. Al met al is op deze wijze het aantal waarnemingen gereduceerd tot in totaal 820 vindplaatsen. In de catalogus (bijlage 11B) wordt per vindplaats een overzicht gegeven van de afzonderlijke waarnemingen waaruit de vindplaats bestaat, inclusief ARCHISwaarnemingsnummer en archeologische hoofdperiode(n). In tabel 4.2 zijn de vindplaatsen per archeologische periode weergegeven. Hierbij valt op dat het totaal aantal vindplaatsen niet overeenkomt met het totaal van 820 vindplaatslocaties. Dit is het gevolg van het feit dat voor veel waarnemingen geldt dat de betreffende vondst niet specifiek aan één periode kan worden toegekend. Dit houdt impliciet in dat dezelfde vondst in meerdere perioden meegeteld wordt. Tabel 4.2
Waarnemingen verdeeld naar archeologische periode. Aantal waarnemingen totaal % Periode (N=1558) laat-paleolithicum 37 2,4 mesolithicum 152 9,8 neolithicum 163 10,5 bronstijd 65 4,2 ijzertijd 165 10,6 romeinse tijd 170 10,9 middeleeuwen 496 31,8 nieuwe tijd 310 19,8
Een vergelijking van de waarnemingen per periode levert een goed beeld op van de bewoningslocaties door de tijd heen. Binnen de grenzen van de gemeente Meierijstad komen waarnemingen uit alle archeologische perioden voor. De verdeling van de waarnemingen over de verschillende perioden is echter niet 51
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
gelijkmatig. Zo blijkt dat de steentijd relatief goed is vertegenwoordigd met 22,7 % van de waarnemingen. Het gaat hierbij om vondstmateriaal uit zowel het paleolithicum, het mesolithicum als het neolithicum, waarbij de meeste waarnemingen uit het neolithicum dateren. De metaaltijden zijn juist relatief slecht vertegenwoordigd (14,8 %). Voor de metaaltijden dient daarbij te worden opgemerkt dat het aantal waarnemingen waarschijnlijk is overschat, aangezien een deel van de waarnemingen bewerkt vuursteen betreft dat waarschijnlijk ouder is. Ook de Romeinse tijd is relatief slecht vertegenwoordigd met 10,9 %, terwijl de middeleeuwen juist zeer goed zijn vertegenwoordigd (31,8 %). Ook de nieuwe tijd is vrij goed vertegenwoordigd met 19,8 %. Gezien de aanwezigheid van tal van dorpen binnen de gemeentegrenzen gedurende de middeleeuwen en de nieuwe tijd is een oververtegenwoordiging van waarnemingen uit deze perioden niet verwonderlijk. 4.2.2 Archeologische monumentenkaart De archeologische monumentenkaart (AMK) is een product van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) in samenwerking met de provincie NoordBrabant. Op de kaart staan terreinen weergegeven waarvan de archeologische waarde is vastgesteld. De AMK-terreinen zijn onder te verdelen in twee groepen; • •
Terreinen met de status van Rijksmonument. Deze terreinen zijn beschermd op basis van de Erfgoedwet (2016). Terreinen van archeologische waarde. Deze terreinen hebben geen wettelijke bescherming. Deze terreinen zijn onder te verdelen in terreinen van archeologische waarde, terreinen van hoge archeologische waarde en terreinen van zeer hoge archeologische waarde.62
Van enkele terreinen in de categorie ‘archeologische waarde’ is de waarde nog niet vastgesteld. Deze terreinen zijn zonder toetsing opgewaardeerd vanuit de voormalige categorie ‘archeologische betekenis’. Voor de vindplaatsenkaart zijn de contouren van de AMK-terreinen als GISbestand verkregen van de RCE. Binnen de gemeente Meierijstad zijn 49 AMKterreinen aanwezig. Hiervan zijn vier door de RCE aangewezen als beschermd rijksmonument.63 Binnen de gemeente Meierijstad zijn twee terreinen van zeer hoge archeologische waarde aanwezig en 31 terreinen van hoge archeologische waarde. Hiervan zijn vier terreinen de historische kernen van Olland, Schijndel, Nijnsel en Sint-Oedenrode. De overige 12 terreinen behoren tot de categorie ‘archeologische waarde’.
4.3 Inventarisatie van overige bronnen 4.3.1 Archeologische onderzoeken Een belangrijke bron van informatie vormen de resultaten van archeologische onderzoeken die in het gebied hebben plaatsgevonden. In ARCHIS staan de locaties van dergelijke onderzoeken geregistreerd. Op de vindplaatsenkaart zijn de contouren van deze onderzoeken uit ARCHIS gebruikt. Ook voor het vervaardigen van de beleidskaart zijn de onderzoeksmeldingen uit ARCHIS gebruikt. Voor deze kaart zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek van
62
De RCE houdt de AMK sinds 2014 niet meer bij. Het huidige AMK-bestand betreft derhalve een statisch bestand. 63 Rijksmonument 45333 ‘Gemertsedijk / De Vossenberg’ bestaat uit twee AMK-terreinen. Binnen de gemeente liggen zodoende drie beschermde rijksmonumenten. Project V-19.0072
52
belang, aangezien reeds vrijgegeven gebied niet nogmaals onderzocht hoeft te worden. In totaal waren op de peildatum64 589 onderzoeken uitgevoerd binnen de gemeente Meierijstad. Van deze onderzoeken is, net als bij de vindplaatsen, een complextype en -datering opgenomen. Enkele vindplaatsen bestaan uit meerdere complextypen of dateren in meer dan één periode en zijn daarom ‘dubbel’ opgenomen in de catalogus, die bestaat uit 600 vindplaatsen. Van 238 onderzoeksterreinen is de conclusie dat het betreffende terrein kan worden vrijgegeven, dan wel vanwege het feit dat geen archeologie is aangetroffen, dan wel vanwege het feit dat het een definitieve opgraving betrof en de binnen het terrein aanwezige vindplaats geheel in kaart is gebracht. Het is overigens lang niet altijd bekend wat het selectiebesluit is geweest. Deels omdat dit niet in de definitieve versie van de publicatie is opgenomen, deels omdat het onderzoek kort geleden is uitgevoerd en vermoedelijk ook deels omdat Meierijstad recent is ontstaan uit de fusie van Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode. Van de overige 362 onderzoeken moest worden vastgesteld dat de onderzochte gebieden niet of deels konden worden vrijgegeven. De reden hiervoor is in een aantal gevallen dat vervolgonderzoek is aanbevolen dat (nog) niet is uitgevoerd, of dat slechts een beperkt deel van het plangebied is onderzocht.
Van een aantal onderzochte terreinen is (nog) geen rapport beschikbaar, en deze konden daarom niet beoordeeld worden. Er is voor gekozen om dergelijke terreinen waar dus al wel onderzoek heeft plaatsgevonden maar waarvan niet genoeg gegevens bekend zijn, niet vrij te geven. In deze gevallen is de status van het terrein op de vorige versies van de gemeentelijke beleidskaarten bovendien leidend. Tevens zijn terreinen die op basis van onderzoek al waren vrijgegeven op de vorige versies van de beleidskaarten, overgenomen. In bijlage 11D is een catalogus weergegeven van alle op de peildatum binnen ARCHIS bekende onderzoeken binnen de gemeente Meierijstad. 4.3.2 Historische bronnen Historische topografische kaarten vormen een belangrijke bron in verband met de verwachte archeologische resten van de op dit kaartmateriaal afgebeelde gebouwen en structuren. Zo zijn veel gegevens van de eerste kadastrale kaarten uit de periode 1817-1832 gebruikt. Deze kaarten zijn voor het gehele gebied gegeorefereerd en vervolgens zijn diverse elementen als puntobject dan wel als lijn- of vlakelement gedigitaliseerd. De begrenzing van de historische kernen zijn gebaseerd op de eerste kadastrale kaarten. Daarnaast zijn historische elementen zoals kerken, kloosters, begraafplaatsen, buitenplaatsen, bruggen, molens en verdedigingswerken gedigitaliseerd.
Deels zijn deze gegevens afkomstig van of gecontroleerd aan de hand van vroegere kaarten, zoals de 18 e eeuwse Tiendkaarten of modernere topografische kaarten. Voor het achterhalen van militaire werken uit de Tweede Wereldoorlog is gebruik gemaakt van verschillende bronnen (zie paragraaf 2.4). Er is voor gekozen om de ligging van de relicten uit de Tweede Wereldoorlog in een aparte kaart weer te geven (bijlage 3).
64 1 januari 2020.
53
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Project V-19.0072
54
5
De totstandkoming van de Archeologische inventarisatiekaarten 5.1 Inleiding De vindplaatsenkaart (bijlage 2) zoals besproken in het vorige hoofdstuk, geeft een goed beeld van de locaties van de binnen de gemeente bekende archeologische vindplaatsen. Een dergelijke kaart toont echter slechts puntlocaties en is niet vlakdekkend omdat hij geen uitspraken doet over de te verwachten archeologische waarden op die delen waar (nog) geen archeologische resten zijn waargenomen. Dit is echter wel noodzakelijk om nog onontdekte archeologische vindplaatsen te kunnen beschermen. Hét instrument om de nog niet ontdekte archeologie binnen de gemeente Meierijstad niet verloren te laten gaan, is een archeologische inventarisatiekaart, gekoppeld aan beleid. Een dergelijke kaart geeft door middel van vlakken (verwachtingszones, archeologische monumenten) en symbolen (vindplaatsen) een vlakdekkend beeld van de bekende en de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente. Voor de totstandkoming van een dergelijke inventarisatiekaart is gebruik gemaakt van een verwachtingsmodel. Er bestaan drie typen modellen. Een model dat is gebaseerd op kwantitatieve gegevens wordt een inductief model genoemd. Er bestaan ook modellen waarbij gebruik gemaakt wordt van een hypothetische benadering (een zogenaamd deductief model). Het derde type model betreft het hybride-model.
Een dergelijk model maakt gebruik van zowel inductieve als deductieve data.65 In de praktijk wordt bij veel archeologische verwachtingsmodellen gebruik gemaakt van een hybride-model. Zo ook het model waarop de vier inventarisatiekaarten (Jagers en Verzamelaars, vroege landbouwsamenleving, late landbouwsamenleving en Staatssamenleving) voor de gemeente Meierijstad zijn gebaseerd. In dit hoofdstuk zullen de modellen zoals deze gebruikt zijn voor de vier verschillende inventarisatiekaarten worden behandeld. Aangezien de archeolandschappelijke eenhedenkaart en de bodemkaart belangrijk zijn voor de gebruikte modellen, zal ook hier kort op worden ingegaan. Ook zal het eindresultaat, namelijk de inventarisatiekaarten, kort worden besproken. Tot slot zullen de beperkingen van een archeologische inventarisatiekaart worden besproken.
5.2 De Archeolandschappelijke eenhedenkaart Het landschap was vroeger in veel grotere mate van invloed op het bewoningspatroon van de mens dan tegenwoordig. Het vormde een belangrijke factor in de keuze voor een vestigingsplaats. De ligging van archeologische vindplaatsen is dan ook in hoge mate gecorreleerd aan het landschap. Voor onze nomadische voorouders die leefden van de jacht, was de geomorfologie van het landschap bepalend. Vanaf de introductie van de landbouw werd de 65
55
Wheatley & Gillings 2002. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
bodemvruchtbaarheid van groot belang. Om uitspraken te kunnen doen over de archeologische verwachting in een bepaald gebied is het dan ook noodzakelijk een goed beeld te hebben van het ontstaan van het landschap en de bodemvruchtbaarheid. Het gebruikte model voor de inventarisatiekaart voor de Jagers en Verzamelaars is dan ook gebaseerd op de archeolandschappelijke eenhedenkaart. De archeolandschappelijke eenhedenkaart is het resultaat van een landschapsanalyse op schaal 1:10.000. In de hier volgende paragrafen zullen eerst de gebruikte bronnen met betrekking tot de archeolandschappelijke eenhedenkaart kort worden besproken waarna de verschillende eenheden aan bod zullen komen. 5.2.1 Bestaande landschappelijke eenhedenkaarten Bij de totstandkoming van de bestaande archeologische verwachtingskaarten van de voormalige gemeenten St.-Oedenrode, Veghel en Schijndel is destijds gebruik gemaakt van landschappelijke eenhedenkaarten. De kaart van de voormalige gemeente St.-Oedenrode (destijds weergegeven op de Archeologische Waardenkaart) is echter niet gebaseerd op de geomorfologische kaart maar op de bodemkaart en is niet middels het AHN aangepast. De kaart van de voormalige gemeente Schijndel (bekend onder de noemer Fysisch en Archeologisch landschap) is van betere kwaliteit.
De basis wordt gevormd door de landelijke geomorfologische kaart 1:50.000 en is met behulp van het AHN verfijnd. De kaart van de voormalige gemeente Veghel (bekend onder de noemer Archeolandschappelijke eenhedenkaart) is de meest recente van de drie en is destijds na een uitvoerige AHN-analyse tot stand gekomen. De kwaliteit van deze kaart is dermate goed, dat deze integraal is overgenomen op de voor onderhavig onderzoek vervaardigde archeolandschappelijke eenhedenkaart . 5.2.2 Geomorfologische kaart Voor de gemeente Meierijstad is een geomorfologische kaart beschikbaar. Het betreft de geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. 66 De geomorfologische kaart geeft de landschapsvormen weer die aan het maaiveld zichtbaar zijn. Op basis van deze landschapsvormen in combinatie met de geologie is de vorming van het landschap te reconstrueren. Daar waar nodig is de geomorfologische kaart gebruikt als basis voor de archeolandschappelijke eenhedenkaart. Dit gold voornamelijk voor het grondgebied van de voormalige gemeente St.-Oedenrode en in mindere mate ook voor de voormalige gemeente Schijndel. Op basis van de landschapsanalyse kan achterhaald worden welke locaties geschikt waren voor bewoning.
De landschapsbenamingen zoals weergegeven op de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de voormalige gemeente Veghel zijn gebruikt als basis voor de benaming van de landschapseenheden binnen de gemeente Meierijstad. De geomorfologische kaart van Nederland is voor het maken van een landschapsen archeologische inventarisatiekaart te grootschalig. Eenheden die voor de archeologie zeer belangrijk zijn, zoals kleine dekzandkoppen en -welvingen, zijn vanwege de grotere schaal nauwelijks aangegeven. Daarnaast is de begrenzing van enkele eenheden, zoals de beekdalen, op meerdere plaatsen ruim genomen. Vandaar dat voor de vervaardiging van de landschappelijke eenhedenkaart op een schaalniveau van circa 1:10.000 is gewerkt. De Archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Meierijstad is gebaseerd op de combinatie van alle landschappelijke bronnen inclusief het AHN-3.
66
Stiboka/ RGD 1977, Stiboka 1978. Project V-19.0072
56
5.2.3 Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke bron voor de landschapsanalyse. Het kan ook zeer geschikt zijn om bepaalde historische dan wel archeologische sporen in het landschap mee te traceren. Het Actueel Hoogtebestand is een rasterkaart met rasters van 5 bij 5 m die de hoogte van het maaiveld met een nauwkeurigheid van ± 5 cm weergeeft. Op het AHN is hellingcompensatie uitgevoerd.67 Hierdoor worden lokale reliëfverschillen duidelijker zichtbaar. De hoogte kan in GIS68relatief worden ingesteld, waardoor per gebied de hoogteverschillen zeer nauwkeurig te zien zijn (zie figuur 5.1). Sinds 2015 is een verbeterde versie van het AHN beschikbaar (AHN-3), waarmee microreliëf nog beter zichtbaar kan worden gemaakt. Deze verbeterde versie is bij onderhavig onderzoek gebruikt om waar nodig nog aanpassingen door te voeren aan de bestaande landschappelijke eenhedenkaarten.69 De landschappelijke eenheden op onderhavige kaart zijn bepaald aan de hand van de bestaande landschappelijke eenhedenkaarten van de voormalige gemeenten en de geomorfologische kaart.70 De begrenzing van de eenheden is echter bepaald aan de hand van het AHN, omdat dit de meest nauwkeurige bron is.
Dit houdt tevens in dat op verschillende locaties binnen de gemeente op de archeolandschappelijke eenhedenkaart eenheden voorkomen die niet op het bestaande kaartmateriaal zijn aangeven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om lokale dekzandruggen- en welvingen, landduinen en aanpassingen aan de beekdalen die op basis van het AHN zijn gedaan.
Figuur 5.1. De hoogtekaart voor de gemeente Meierijstad op basis van het AHN-3. Met bruin, oranje en geel zijn de hoger gelegen gebieden aangegeven, met groen en blauw de lager gelegen gebieden.
67 Waldus en van der Velde 2006. 68
Geografisch Informatie Systeem. Dit is het geval voor het grondgebied van de voormalige gemeente St.-Oedenrode en in mindere mate voor het grondgebied van de voormalige gemeente Schijndel. 70 Stiboka/ RGD 1977, Stiboka 1978. 57 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad 69
Het AHN is ook gebruikt om na te gaan of op alle terreinen waarvoor de provincie een ontgravingsvergunning heeft verleend ook daadwerkelijk afgravingen hebben plaatsgevonden. Dit blijkt namelijk niet altijd het geval. Alleen afgaan op verleende ontgrondingsvergunningen is derhalve niet afdoende om een terrein als verstoord te markeren. Daarnaast is het AHN ook gebruikt om niet geregistreerde ontgravingen te lokaliseren. 5.2.4 Landschappelijke gegevens uit archeologische rapporten Bij archeologische onderzoeken wordt soms een landschapsreconstructie vervaardigd, gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek. Dergelijke reconstructies kunnen een aanvulling zijn op de archeolandschappelijke eenhedenkaart. Daarbij moet de kanttekening worden geplaatst dat dergelijke reconstructies bij kleine onderzoeken niet bruikbaar zijn, omdat de omvang te beperkt is om de data te extrapoleren naar een groter gebied. Er is derhalve voor gekozen om voor alle onderzoeken van 2 hectare en groter na te gaan of er een landschapsreconstructie is uitgevoerd. Van de 153 onderzoeken met een oppervlakte van 2 ha of groter bleken in slechts twee gevallen bruikbare kaarten aanwezig te zijn.
Deze zijn overgenomen op de archeolandschappelijke eenhedenkaart.71 5.2.5 Bodemverstoringen Voor het vervaardigen van een goede inventarisatiekaart is het uiteraard van belang om een inventarisatie te maken van bekende bodemverstoringen. Op dergelijke plekken kan het bodemarchief dermate verstoord zijn geraakt dat eventuele archeologische vindplaatsen geheel of gedeeltelijk zijn verstoord. Dergelijke locaties dienen op de inventarisatiekaart te worden weergegeven aangezien de verwachting op vindplaatsen hier gering is. Om na te gaan of, en zo ja waar, bodemverstoringen binnen de gemeente Meierijstad aanwezig zijn, is gebruik gemaakt van de volgende bronnen; • • • • • • • • •
het Actueel Hoogtebestand Nederland. de Tophoogtekaart (Rijkswaterstaat, ingewonnen tussen 1955 en 1963) Verstoringsbronnenkaart (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) Ontgrondingsvergunningen. Bestaande archeologische onderzoeken Gedetailleerde bodemkaarten, opgenomen in de Verstoringsbronnenkaart Geomorfologische kaart van Nederland, opgenomen in de Verstoringsbronnenkaart Moderne topografie Informatieaanvraag bij ZLTO. Dit heeft echter geen nieuwe inzichten opgeleverd.
Het Actueel Hoogtebestand Nederland. Middels deze kaart is het mogelijk om opvallende laagtes met scherpe begrenzingen en lineaire structuren in het landschap te traceren. Hierbij moet echter rekening gehouden worden met het feit dat natuurlijke en door menselijk handelen veroorzaakte laagtes niet altijd van elkaar te onderscheiden zijn. Vandaar dat de op basis van het AHN veronderstelde bodemverstoringen als signalerende laag zijn opgenomen, en niet zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
71
De Boer 2015, Van der Veken & Blom 2012. Project V-19.0072
58
Tophoogtekaart Het Tophoogtebestand is door de toenmalige meetkundige dienst van Rijkswaterstaat vervaardigd in de periode 1944-1983. Binnen de gemeente Meierijstad zijn de maaiveldhoogtes tussen 1955 en 1963 geregistreerd. Door de Tophoogtekaart in GIS te vergelijken met het AHN, is zichtbaar welke gebieden sindsdien zijn ontgrond of opgehoogd. Op basis van de GIS-analyse zijn terreindelen met een hoogteverschil van meer dan een halve meter vergeleken met de ‘verstoringsbronnenkaart’ van de RCE. Hieruit blijkt dat veel ontgrondingen zoals ingetekend op bodemkaarten en de grootschalige ruilverkavelingen, uitgevoerd in de jaren 80 van de vorige eeuw, lang niet zo ingrijpend waren. De verschillen in hoogte van het landschap van de jaren 60 en nu zijn voornamelijk beperkt tot enkele afgravingen, de aanleg van de A50 en afvalberg de Vlagheide.
Verstoringsbronnenkaart De verstoringsbronnenkaart van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is een hulpmiddel bij archeologisch (voor)onderzoek. Het is een landsdekkende kaart waarin ontgrondingsgegevens van diverse bronhouders zijn opgenomen, waaronder ruilverkavelingen, bodemkaarten, ontgrondingsgegevens van Wageningen/Alterra etc. De schaal van de kaart is meestal niet geschikt om over te nemen op perceelsniveau. Deze bron is vergeleken met de Tophoogtekaart en delen van de vergraven gronden zijn op basis hiervan overgenomen. De bodemkaarten en geomorfologische kaarten zijn ook in dit bestand ondergebracht.
Provinciaal archief aangaande verleende ontginningsvergunningen. De provincie is de vergunningverlenende instantie met betrekking tot (grootschalige) ontgrondingen. De terreinen waarvoor ontgrondingvergunningen zijn verleend, zijn voor de gemeente Meierijstad bij de provincie opgevraagd en, na controle middels het AHN, op de kaart ingetekend of overgenomen van de vorige versies van de beleidskaarten.72
Bestaande archeologische onderzoeken. Uit enkele archeologische onderzoeken zoals uitgevoerd binnen de gemeente is bekend dat de bodem lokaal is afgegraven/vergraven. Daar waar het grootschalige verstoringen betreft, zijn deze ingetekend.
Moderne topografie Grootschalige nieuwbouwwijken en infrastructurele werken zijn ook als verstoorde gebieden opgenomen in de kaartlaag. Het betreft hier gebieden die zijn overgenomen van de bestaande kaarten evenals het trace van de A50, de provinciale wegen en de Zuid-Willemsvaart. In totaal zijn middels deze bronnen 307 terreinen onderscheiden. De diepte van deze vergravingen en/of afgravingen is echter niet bekend, alsmede de gevolgen voor mogelijke archeologische resten. Het is derhalve niet in alle gevallen duidelijk in hoeverre deze ingrepen de archeologische resten hebben aangetast. Vandaar dat de verstoringen als signalerende laag zijn opgenomen.
72
Een dergelijke controlestap is noodzakelijk aangezien niet alle verleende ontgrondingsvergunningen ook daadwerkelijk zijn uitgevoerd. 59 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
5.2.6 De Archeolandschappelijke eenheden De gemeente Meierijstad is op basis van geogenese, geomorfologie en bodemgesteldheid slechts één type landschap onderscheiden. Het betreft een dekzandlandschap zoals dat in veel gemeenten in Noord-Brabant aanwezig is. Het dekzandlandschap is opgedeeld in verschillende landschappelijke eenheden. In totaal zijn zo zeven landschappelijke eenheden onderscheiden. In de nu volgende paragrafen zullen de landschappen kort worden besproken. De dekzandruggen zijn relatief hoog gelegen en hebben veelal een gunstige waterhuishouding. De flanken van deze ruggen vormden een gunstige vestigingsplaats. De dekzandwelvingen zijn lagere dekzandruggen en dekzandverhogingen met welvingen. Ook deze locaties vormden een gunstige vestigingsplaats. De dekzandvlaktes zijn het minst gunstig gelegen, voornamelijk omdat de waterhuishouding in dergelijke gebieden minder gunstig is. De meest laaggelegen dekzandvlakten zijn die vlakten welke bedekt waren met veen of die regelmatig vanuit beken werden overstroomd. Deze gebieden kenden vochtige omstandigheden en vormden daardoor minder gunstige bewoningslocaties. Het landschap wordt doorkruist door enkele beekdalen. De opvallendste betreffen het beekdal van de Dommel en de Aa. De dekzandruggen grenzend aan de beekdalen lagen relatief hoog en er was water in de directe nabijheid.
Dergelijke hooggelegen gebieden nabij water vormden zeer gunstige vestigingslocaties. De beekdalen zelf vormden minder gunstige vestigingslocaties vanwege de slechte waterhuishouding. Dit betekent echter niet dat de beekdalen niet werden gebruikt. Het is mogelijk dat in het natte gebied knuppelpaden lagen die de verschillende hogere gebieden (dekzandkoppen) met elkaar verbonden. Ook kunnen rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. Hierbij moet men denken aan bijlen, muntschatten, fuiken, boten en dergelijke, maar ook aan mensenoffers. Binnen het dekzandlandschap is ook stuifzand aanwezig. Stuifzand is lokaal herverstoven dekzand. Archeologische resten in het oorspronkelijke dekzandgebied kunnen door stuifzand zijn afgedekt en daardoor extra goed geconserveerd worden. Het is ook mogelijk de resten worden uitgeblazen en daardoor verstoord. Het stuifzand zelf is een jonge afzetting en het droge arme mobiele zand vormde geen gunstige vestigingslocatie. Binnen de gemeente Meierijstad zijn enkele van dergelijke stuifzandgebieden aanwezig. Het betreft de bosrijke gebieden ‘Vressels Bos’ nabij St.-Oedenrode, ’t Geregt’ nabij Keldonk, ‘Het Hurkske’ nabij Erp, de ‘Eerdsche Bergen’ nabij Eerde en ‘de Goren’ ten westen van het dal van de Leijgraaf.
Binnen het dekzandlandschap zijn de volgende eenheden onderscheiden; • ven • beekdal • vlakte van ten dele verspoelde dekzanden • dekzandvlakte • dekzandwelving • dekzandrug • stuifzand
Project V-19.0072
60
Figuur 5.2. De archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Meierijstad. Voor de duiding van de verschillende eenheden wordt verwezen naar bijlage 4.
5.3 De Bodemkaart Zoals in paragraaf 5.2 reeds is vermeld, was het landschap vroeger in veel grotere mate van invloed op het bewoningspatroon van de mens dan tegenwoordig. Vanaf de introductie van de landbouw gedurende het neolithicum vormde de bodemvruchtbaarheid een belangrijke factor in de keuze voor een vestigingsplaats. De bodemvruchtbaarheid hangt deels weer samen met het landschap en met de waterhuishouding. De ligging van archeologische vindplaatsen uit de landbouwsamenlevingen is dan ook in hoge mate gecorreleerd aan het bodemtype. Om uitspraken te kunnen doen over de archeologische verwachting in een bepaald gebied is het dan ook noodzakelijk een goed beeld te hebben van de bodemvruchtbaarheid. Het gebruikte model voor de inventarisatiekaarten voor de vroege en late landbouwsamenlevingen is dan ook voornamelijk gebaseerd op de bodemkaart. De bodemkaart betreft een bewerking van de bestaande 1:50.000 bodemkaart van Nederland, waar mogelijk aangevuld met bestaande gedetailleerdere kaarten. In de hier volgende paragrafen zullen eerst de gebruikte bronnen kort worden besproken waarna een overzicht zal worden gegeven van de verschillende onderscheiden bodemtypes. 5.3.1 Bodemkaarten Voor het plangebied is een aantal bodemkaarten beschikbaar.
Het gaat hierbij om de bodemkaart van Nederland 1:50.000, 73 maar ook om enkele gedetailleerdere bodemkaarten welke in het kader van de binnen de gemeentegrenzen uitgevoerde ruilverkavelingen zijn vervaardigd. Deze kaarten zijn van belang, aangezien het landschap destijds nog niet was aangetast als gevolg van egalisatie in het kader van de ruilverkavelingen. Bodemprocessen zijn onder andere afhankelijk van de fysieke ondergrond en de waterhuishouding. De begrenzing van landschappelijke eenheden en bodemtypen komt dikwijls 73
61
Stiboka 1976; Stiboka 1981. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
overeen. Op deze wijze kan op basis van het bodemtype vaak nog een landschappelijke eenheid achterhaald worden. De voor het vervaardigen van de bodemkaart van de gemeente Meierijstad gebruikte bodemkaarten betreffen de bodemkaarten van de ruilverkavelingsgebieden ‘St.-Oedenrode II’ (1:10.000)74 en ‘Veghel-Erp’ (1:25.000)75 en de Bodemkaart Landinrichtingsstudie Midden-Brabant (1:25.000).76 Enkele bodemtypen, zoals bijvoorbeeld laarpodzolen en enkeergronden wijzen op historische menselijke activiteit. Ter plaatse van deze bodems is namelijk een esdek aanwezig. Esdekken zijn gevormd door het jarenlang bemesten van de bodem met mest doordrenkte plaggen. Met het opbrengen van een esdek is men in de (late) middeleeuwen begonnen.77 Nabij een esdek kunnen daarom sporen van middeleeuwse bewoning aanwezig zijn, terwijl in of net onder het esdek middeleeuwese sporen van het gebruik als akker aanwezig kunnen zijn (greppels, ploegsporen etc.). Daarnaast zijn dergelijke locaties dikwijls gedurende langere perioden in gebruik geweest, waardoor onder een esdek vaak oudere sporen aanwezig zijn, welke door het esdek tevens goed geconserveerd blijven. Veengronden en vaaggronden wijzen op locaties die in het (recente) verleden te nat dan wel te droog waren en daardoor minder geschikt waren voor bewoning. Ter plaatse van dergelijke gronden is veelal een gelaagd landschap aanwezig.
In de steentijd waren bepaalde nu met veen bedekte locaties mogelijk wel geschikt voor bewoning, totdat de grondwaterstand zodanig steeg dat ze werden afgedekt met veen. De binnen de gemeente aanwezige stuifduinen zijn in de loop van de middeleeuwen ontstaan als gevolg van overbeweiding en houtkap. Ter plaatse van die gebieden zullen geen middeleeuwse vindplaatsen aanwezig zijn, maar de stuifduinen kunnen wel prehistorische vindplaatsen afdekken. Tot slot geeft de bodemkaart locaties aan waar de bodem vergraven, afgegraven of opgehoogd is. De bodemkaart is voor het gebruikte model waar mogelijk aangepast op basis van de archeolandschappelijke eenhedenkaart zoals deze voor onderhavig onderzoek is vervaardigd. Dit is voornamelijk ter plaatse van de stuifduinen het geval. 5.3.2 Historische kaarten De huidige bebouwde kom is op veel kaartmateriaal niet gekarteerd. Als gevolg hiervan is voor dergelijke gebieden geen informatie beschikbaar over de (oorspronkelijke) landschappelijke en bodemkundige situatie. Om toch informatie te krijgen over de oorspronkelijke situatie ter plaatse van de bebouwde kom is gebruik gemaakt van historische kaarten, waaronder de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850.
Aan de hand van onder andere de beeklopen en grondgebruik (grasland in lage, natte terreinen en akkerland op hoger gelegen, droge terreinen) kan een globale reconstructie worden gemaakt van het landschap en het bodemtype. Dergelijke informatie is echter minder nauwkeurig dan de gedetailleerde bodemkaarten. 5.3.3 De bodemeenheden Zoals hierboven al kort is vermeld, speelt de bodemvruchtbaarheid vanaf het moment dat de landbouw haar intrede deed een steeds grotere rol in de vestigingslocatie keuze. Er is vanaf het neolithicum dan ook sprake van een sterke relatie tussen landschappelijke ligging van archeologische sites en het aanwezige 74
Stiboka 1975. Stiboka 1962. 76 Stiboka 1978. 77 Spek 2004. 75
Project V-19.0072
62
Tabel 5.1 Bodemtypes binnen het plangebied bodemtype aVc (Eerdveengrond met kleiarme moerige eerdlaag) aVz (Eerdveengrond met kleiarme moerige eerdlaag) bEZ35 (Bruine Enkeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand)
cHn21 (Laarpodzol, gevormd in zwak lemig, fijn zand) cHn21t (Laarpodzol, gevormd in zwak lemig, fijn zand. Oude klei in ondiepe ondergrond) cHn23 (Laarpodzol, gevormd in sterk lemig, fijn zand) cHn33 (Laarpodzol, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) cHn33x (Laarpodzol, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) cHn35 (Laarpodzol, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) cHn35x (Laarpodzol, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) cZg33 (Beekeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) cZg33x (Beekeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) cZg35 (Beekeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) cZg35x (Beekeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) cZn33 (Gooreerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) cZn33x (Gooreerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) cZn35 (Gooreerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) cZn35x (Gooreerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) cZn53 (Gooreerdgrond, gevormd in zwak lemig, matig fijn zand) dEZ33 (Enkeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) dEZ35 (Enkeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) dEZ35x (Enkeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand.
Leem in ondiepe ondergrond) EZ33 (Enkeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) EZ33x (Enkeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) EZ35 (Enkeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) EZ35x (Enkeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) EZ53 (Enkeerdgrond, gevormd in zwak lemig, matig fijn zand) EZ55 (Enkeerdgrond, gevormd in lemig, matig fijn zand) EZg23 (Lage Enkeerdgrond, gevormd in lemig, matig fijn zand) Hd21 (Haarpodzol, gevormd in leemarm/zwak lemig, fijn zand) Hn23 (Veldpodzol, gevormd in lemig, matig fijn zand) Hn31 (Veldpodzol, gevormd in leemarm, zeer fijn zand) Hn33 (Veldpodzol, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) Hn33x (Veldpodzol, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) Hn35 (Veldpodzol, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) Hn35x (Veldpodzol, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) Hn53 (Veldpodzol, gevormd in zwak lemig, matig fijn zand) Hn53t (Veldpodzol, gevormd in zwak lemig, matig fijn zand. Oude klei in ondiepe ondergrond) hVc (Koopveengrond met kleiige moerige eerdlaag) hWz (Broekeerdgrond met een kleiige moerige bovengrond) hWzx (Broekeerdgrond met een kleiige moerige bovengrond. Leem in ondiepe ondergrond)
63
% opp.
Bodemvruchtbaarheid
0,01 0,04
slecht slecht
0,1
goed
3,2
goed
2,1
matig
0,6 1,5
goed goed
0,6
matig
0,5
goed
0,6
matig
0,1
goed
1,5
matig
0,8
goed
2,6
matig
0,2
goed
0,1
matig
0,2
matig
0,5
matig
0,1 0,1 0,1
matig goed goed
0,01
goed
3,9
goed
0,3
goed
3,2
goed
0,9
goed
8,1 0,9 0,6 0,2 0,4 0,02 2,1
goed goed goed slecht matig slecht matig
2,4
matig
2,5
matig
1,0
matig
20,0
matig
0,3
matig
0,16 0,01
slecht slecht
0,04
slecht
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Tabel 5.1 Bodemtypes binnen het plangebied (vervolg) bodemtype
% opp.
Bodemvruchtbaarheid
pZg21 (Beekeerdgrond, gevormd in leemarm/zwak lemig, matig
2,7
matig
0,5
matig
0,1 0,1 1,4 0,04 5,3
matig matig matig slecht
1,7 9,4
matig slecht
0,1
matig
1,9
slecht
0,1 0,9
matig
0,1 0,8
matig matig
0,6 0,1 0,1 4,3 1,0
matig slecht slecht slecht slecht
0,01
slecht
0,3 0,1
slecht slecht
0,01
slecht
fijn zand) pZg21t (Beekeerdgrond, gevormd in leemarm/zwak lemig, matig fijn zand. Oude klei in ondiepe ondergrond) pZg23 (Beekeerdgrond, gevormd in sterk lemig, matig fijn zand) Q (Uitgelaagde en daarna heterogeen opgehoogde gronden) tLn5 (Leekeerdgrond, gevormd in zandige leem) tZg33 (Beekeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) tZg33x (Beekeerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) tZg35 (Beekeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) tZg35x (Beekeerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) tZg37 (Beekeerdgrond, gevormd in zeer sterk lemig, zeer fijn zand) tZg37x (Beekeerdgrond, gevormd in zeer sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) tZn33 (Gooreerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand) tZn33x (Gooreerdgrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) tZn35 (Gooreerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand) tZn35x (Gooreerdgrond, gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand. Leem in ondiepe ondergrond) tZn53 (Gooreerdgrond, gevormd in zwak lemig, matig fijn zand) Vc (Vlierveengrond met weinig veraard veen) vWz (Broekeerdgrond) Zd51 (Duinvaaggrond, gevormd in leemarm, matig fijn zand) Zn21 (Vlakvaaggrond, gevormd in leemarm/zwak lemig, matig fijn zand) Zn33x (Vlakvaaggrond, gevormd in zwak lemig, zeer fijn zand.
Leem in ondiepe ondergrond) zVc (Meerveengrond, Zeggeveen in ondiepe ondergrond) zVz (Meerveengrond, zand zonder humuspodzol in ondiepe ondergrond) zWpx (Dampodzolgrond, leem in ondiepe ondergrond
matig
bodemtype. In het verleden is gebleken dat bepaalde bodemtypen een goede indicatie zijn voor het voorspellen van de aanwezige (tot nu toe niet ontdekte) archeologische waarden. Vandaar dat de bodemvruchtbaarheid de basis vormt voor het model zoals dat is gebruikt voor de inventarisatiekaarten voor de vroege en late landbouwsamenlevingen en de Staatssamenleving. De bodemopbouw binnen de gemeente staat in direct verband met de geologische en geomorfologische opbouw ter plaatse. Een plek waar leem en kleiafzettingen van bijvoorbeeld de Dommel dagzomen heeft een andere bodem dan waar zich dekzand of duinen aan het oppervlak bevinden. Op de bodemkaart zijn binnen de gemeente Meierijstad in totaal 65 bodemtypen onderscheiden. In bijlage 5 is de bodemkaart in vereenvoudigde vorm weergegeven., inclusief legenda. In figuur 5.3 is de bodemkaart zonder legenda weergegeven.
Project V-19.0072
64
Figuur 5.3. De bodemkaart van de gemeente Meierijstad.
Vanwege dit grote aantal zullen deze eenheden niet uitgebreid in dit rapport beschreven worden. Echter, omdat deze kaart gebruikt is in het model om tot een verwachting voor de landbouwsamenlevingen te kunnen komen, zijn de verschillende eenheden in tabel 5.1 (zie blz. 61 en 62) kort beschreven. De bepaling van de bodemvruchtbaarheid is hierbij gebaseerd op expert judgement.
5.4 De verwachtingsmodellen 5.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden De landelijk vervaardigde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden78 laat op basis van een statistische relatie de kans op het aantreffen van archeologische waarden binnen een bepaalde bodemeenheid van de archeoregio zien. Voor grote delen van Nederland, zoals de pleistocene zandgronden met een betrekkelijk eenvoudige geologische, geomorfologische en bodemkundige structuur, waartoe ook het grondgebied van de gemeente Meierijstad behoort, levert een dergelijke relatie een vrij goed beeld op, al bestaat hier enige discussie over79. Een groot nadeel van deze IKAW is echter dat deze gebaseerd is op de bodemkaart met een schaal van 1:50.000. Dit betekent dat de IKAW op gemeentelijk niveau een te generaliserend karakter heeft. Immers, op de bodemkaart zijn kleine landschapselementen ofwel weggelaten op de kaart ofwel met een aantal andere elementen gegroepeerd. Dieper liggende archeologische niveaus en historische elementen en objecten zijn op de IKAW niet meegenomen.
Bovendien is in de toelichting van de IKAW opgenomen dat ook bij een lage archeologische indicatieve waarde archeologisch onderzoek noodzakelijk is om het kaartbeeld te verfijnen.80 Het geadviseerde onderzoek betreft in eerste instantie een bureauonderzoek, waarbij de, bij het vervaardigen van de IKAW, ontbrekende bronnen worden geraadpleegd, zoals historische
78 RCE 2009; versie 3.1. 79 80
65
Kamermans et al. 2009. Deeben 2008. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
kaarten, vondstwaarnemingen en hoogtegegevens. Vanuit de RCE wordt daarom geadviseerd om de landelijk vervaardigde IKAW alleen te gebruiken bij een kaartschaal kleiner of gelijk aan 1:50.000.81 De inventarisatiekaarten in de bijlagen 6 t/m 9 hebben een detailniveau van circa 1:10.000 en zijn gevrijwaard van bovenstaande nadelen van de IKAW.82 Aan het gebruik van slechts één type model kleven bezwaren. Wanneer bijvoorbeeld alleen de reeds bekende vindplaatsen worden gebruikt als basis voor het formuleren van verwachtingen, loopt men het risico dat terreinen waar slechts een gering aantal waarnemingen zijn gedaan te laag worden gewaardeerd. Het ontbreken van waarnemingen betekent echter niet dat er zich op een dergelijk terrein geen archeologie bevindt. Misschien is het betreffende terrein moeilijk toegankelijk voor (amateur-)archeologen, of is er sprake van afgedekte vindplaatsen, etc. Ook kan het voorkomen dat de kennislacunes bij het gebruik van een dergelijk model een te grote invloed hebben op de toegekende verwachtingen. De in onderhavig rapport gebruikte archeologische verwachtingsmodellen zijn daarom gebaseerd op meerdere modellen. Zo zijn bij de inventarisatiekaart voor de Jagers en Verzamelaars twee verschillende lagen in het model opgenomen; • een locatiekeuzemodel op basis van de verhouding vindplaatsengeomorfologie. • de afstand tot water.
De verschillende modellen zullen in de nu volgende paragrafen per inventarisatiekaart kort worden besproken, waarna op de inventarisatiekaart zelf zal worden ingegaan. 5.4.2 Jagers en Verzamelaars; het locatiekeuze model Voor dit model is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde aannamen met betrekking tot locatiekeuzefactoren binnen de pleistocene zandgronden van Nederland. Deze kennis over prehistorische locatiekeuze factoren is deductief.83 Daarnaast is echter ook gebruik gemaakt van analyses van de bekende waarnemingen binnen de gemeente Meierijstad in relatie tot de landschappelijke ligging van deze waarnemingen. Dit betreft inductieve informatie. In het geval van de gemeente Meierijstad mag het inductieve model als zeer betrouwbaar worden beschouwd, gezien de grote hoeveelheid vindplaatsen (820, zie paragraaf 4.2.1). De statistische onderbouwing is derhalve goed. Er kleven wel enkele bezwaren aan deze laatste methode. Zo kan worden afgevraagd of de huidige verspreiding van de waarnemingen daadwerkelijk representatief is voor de werkelijke verspreiding. Veel van de vondsten binnen de gemeente zijn namelijk aangetroffen op geploegde akkers. Dit zijn de locaties voor amateurarcheologen om een oppervlaktekartering uit te voeren. Dit betekent niet dat in weidegebieden of beboste gebieden geen waarnemingen zouden kunnen worden aangetroffen.
Het is echter voor amateur-archeologen veel moeilijker zo niet onmogelijk om in dergelijke gebieden een oppervlaktekartering uit te voeren. Zoals in paragraaf 5.2.6 is beschreven, is de gemeente Meierijstad onder te verdelen in zeven archeolandschappelijke eenheden (zie ook figuur 5.2). Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over deze verschillende eenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is 81
Deeben 2008, Kamermans et al. 2009. Het kaartbeeld wordt weergegeven op een schaal van circa 1:20.000 maar het niveau waarop de kaart gemaakt is, is gedetailleerder (circa 1:10.000). 83 Hierbij is ook de kennis meegenomen voortkomend uit syntheses van eerder onderzoek. 82
Project V-19.0072
66
een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde landschappelijke eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde landschappelijke eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die eenheid aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende landschappelijke eenheden verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag. De richtlijn hierbij is dat wanneer het verschil in percentages (vindplaats-oppervlakte landschappelijke eenheid) kleiner is dan 0, de betreffende eenheid een lage waardering krijgt. Indien de waarde groter dan 0 is, heeft de landschappelijke eenheid een hoge waardering. Naast deze inductieve waardering is op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de landschappelijke eenheden toegekend. Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een verwachting uitgesproken. In tabel 5.2 is een voorbeeld weergegeven van deze werkwijze voor het paleolithicum. Tabel 5.2 Verwachting per landschappelijke eenheid voor het paleolithicum
Landschappelijke eenheid
aantal vindplaatsen
% (vindplaatsen)
% opp. Landschap-pelijke eenheid
verschil
verwachting inductief
verwachting deductief
Toegekende verwachting
Stuifzand
1
2,7
4,5
-1,8
nee
nee
nee
Dekzandrug
16
43,3
23,8
19,5
ja
ja
ja
Dekzandvlakte
4
10,8
27,3
-16,5
nee
nee
nee
Dekzandwelving
3
8,1
13,6
-5,5
nee
ja
ja
Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden Beekdal Ven Water
2
5,4
23,9
-18,5
nee
nee
nee
11
29,7
6,3
23,4
ja
ja
ja*
0
0
0,4
-0,4
nee
ja
ja*
0
0
0,2
-0,2
nee
nee
nee
* lage kans op bewoning, wel kans op rituele deposities, dumpsites of resten gerelateerd aan de jacht/visserij.
Op bovenstaande wijze zijn analyses uitgevoerd voor de vindplaatsen per periode.84 Het beeld dat hieruit naar voren komt, toont een vestigingsvoorkeur voor verschillende landschappelijke eenheden door de tijd heen. Zo valt op dat op basis van de inductieve data gedurende zowel het paleolithicum als het mesolithicum de relatief hooggelegen dekzandruggen de voorkeur hebben. Opvallend is ook dat het beekdal hoog scoort. Wanneer naar de individuele vindplaatsen wordt gekeken, blijkt dat dit voornamelijk vindplaatsen betreft waaraan geen complextype kon worden toegekend. Het lijkt derhalve voornamelijk losse vondsten te betreffen. Uit tabel 5.2 is echter ook duidelijk dat de uiteindelijke verwachting niet alleen op het inductieve model gebaseerd kan worden. Enkele eenheden die op basis van de kennis opgedaan uit onderzoek in vergelijkbare gebieden ook een hoge waardering zouden moeten hebben, krijgen dat op basis van het inductieve 84
67
In dit geval betreft het paleolithicum en het mesolithicum. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
model niet. Hierbij moet gedacht worden aan de dekzandwelvingen en bijvoorbeeld de vennen. De reden de afwijking van het inductieve model met het deductieve model is hierboven al besproken. Desondanks kan worden gezegd dat het inductieve model in het geval van de gemeente Meierijstad vaker wel dan niet overeenkomt met het deductieve model. De grote hoeveelheid vindplaatsen maakt dat het inductieve model betrouwbaar is. Tabel 5.3 Verwachting per landschappelijke eenheid. Verwachting inductief
Verwachting deductief
Toegekende verwachting85
Mesolithicum
Paleolithicum
Stuifzand
nee
nee
nee
nee
nee
Dekzandrug
ja
ja
ja
ja
ja
Dekzandvlakte
nee
nee
nee
nee
nee
Dekzandwelving
nee
nee
nee
ja
ja
Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden Beekdal
nee
nee
nee
nee
nee
ja
ja
ja
ja
ja*
Ven
nee
nee
nee
ja
ja*
Water
nee
nee
nee
nee
nee
Landschappelijke eenheid
* lage kans op bewoning, wel kans op rituele deposities, dumpsites of resten gerelateerd aan de jacht/visserij.
In tabel 5.3 zijn de uitkomsten van de analyses met betrekking tot de relatie vindplaats-landschappelijke eenheden uiteengezet voor het paleolithicum en het mesolithicum. Door de verschillende toegekende waarden per landschappelijke eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke waardering per landschappelijke eenheid. Deze is naast de inductieve data ook op deductieve informatie gebaseerd. In het geval van bijvoorbeeld de landschappelijke eenheden dekzandwelvingen en vennen is de toegekende verwachting geheel gebaseerd op deductieve informatie. Deze eenheden kunnen op basis van hun landschappelijke kenmerken en de wetenschap dat elders in de regio wel vindplaatsen bekend zijn op een dergelijke eenheid, niet als irrelevant worden ‘afgeschreven’, ondanks dat binnen het locatiekeuzemodel wel het geval is. De beekdalen nemen een bijzondere positie in. Wanneer de archeologische verwachting alleen betrekking zou hebben op de (verwachte) dichtheid aan nederzettingsterreinen, dan zouden de beekdalen een lage verwachting toegekend krijgen. In de beekdalen worden geen nederzettingen verwacht, simpelweg omdat het voor dergelijke doeleinden te nat is. Echter, binnen beekdalen kunnen wel andere typen archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen.
Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden die de verschillende hogere gebieden met elkaar verbonden, of restanten van voorden. Ook kunnen rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. In dergelijke gevallen gaat het vaak om
85 Gebaseerd op zowel inductieve als deductieve informatie.
Project V-19.0072
68
bijlen, fuiken, boten en dergelijke. In bovenstaande gevallen betreft het veelal organisch materiaal (bot of hout). Dit soort materiaal kan in beekdalen, zeker wanneer deze veenhoudend zijn, goed bewaard gebleven zijn. Dit in tegenstelling tot de droge zandgronden, waar organisch materiaal snel vergaat. De archeologische verwachting die aan de beekdalen is toegekend is derhalve gebaseerd op een combinatie van de verwachte dichtheid aan beekdalgerelateerde vondsten en structuren enerzijds en de verwachte conservering anderzijds. 5.4.3 Jagers en Verzamelaars; de afstand tot water Afgaande op de huidige kennis over de vestigingskeuzes en landschapsgebruik gedurende het paleolithicum en het mesolithicum, mag worden geconcludeerd dat de afstand tot (stromend) water van grote invloed is geweest voor menselijke activiteiten. Dit blijkt ook wel wanneer wordt gekeken naar de locatie van de meeste vondsten ten opzichte van de (watervoerende) geulen binnen de gemeente (figuur 5.4). Hieruit valt duidelijk af te leiden dat de grote concentraties vondsten zich in de directe nabijheid van geulen bevinden.
Figuur 5.4 De ligging van de watervoerende geulen binnen de gemeente
Meierijstad. De paleolithische en mesolithische vindplaatsen zijn middels de gele stippen weergegeven. De voorkeur voor locaties nabij stromend water door de eeuwen heen kan op verschillende manieren verklaar worden. Het ligt voor de hand dat de aanwezigheid van drinkwater op loopafstand van het kamp in alle perioden, maar zeker in de vroege steentijd, een groot pluspunt was. Een andere reden voor een voorkeur voor vestiging in de nabijheid van stromend water was de diversiteit aan ecologische zones in een dergelijk gebied. Men kon zo vanuit één verblijfsplaats verschillende zones exploiteren. Tot slot waren de waterlopen, bij gebrek aan een uitgebreid wegennet, lange tijd de belangrijkste transportroutes. Op basis van het belang van water is het evident dat het gebruik van het locatiekeuze model alleen een vertekend beeld zal geven. Op de archeolandschappelijke eenheden waaraan een verwachting is toegekend, dient een tweede model te worden toegepast, namelijk de afstand tot water. 69
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Hiervoor is het uiteraard van belang om een goed beeld te hebben van de locatie van de watervoerende geulen in het verleden. Dat is moeilijk, omdat niet vastgesteld kan worden hoe het water exact liep gedurende de periodes waar het hier om gaat, namelijk het paleolithicum en het mesolithicum. Met name de waterlopen gedurende het paleolithicum zijn niet in kaart te brengen. Er was destijds geen sprake van beken zoals deze nu aanwezig zijn. Er heerste een arctisch klimaat, met lange zeer strenge winters en korte, relatief koude zomers. Gedurende deze korte zomers was er wel sprake van stromend water, maar dit betrof voornamelijk oppervlakkig afstromende sneeuwsmeltwatertjes, zonder dat sprake was van duidelijk dalen. Mogelijk dat aan het einde van het pleistoceen sprake was van een watervoerend dal in het noordoostelijke deel van de gemeente, daar waar de (gegraven) Leijgraaf nu stroomt. Vanaf het moment dat het klimaat opwarmde, aan het begin van het holoceen, veranderde het systeem van ondiepe, verwilderde geulen en beken in meanderende beken, die zich aanvankelijk in het landschap insneden. De Dommel en ook de Aa zijn voorbeelden van dergelijke beken. Deze beekdalen bevinden zich derhalve al vanaf het mesolithicum op min of meer dezelfde locatie. Hierbij is de vorm van de beekdalen in loop der millennia wel veranderd. Ook de loop van de beken lag niet vast.
Om toch te kunnen rekenen vanuit de geul van de watervoerende beken is gebruik gemaakt van de loop van de beken zoals deze rond het begin van de 19de eeuw liepen (zie figuur 5.4). Voor de Dommel en de Aa worden die natuurlijke lopen als representatief beschouwd voor de loop van de beken door de eeuwen heen. Voor de natuurlijke beek in het dal van de Leijgraaf aan de noordoostzijde van de gemeente, ligt dit anders. De Leijgraaf is namelijk een door de mens gegraven beek. Desondanks is ook deze beek gebruikt in het model. De loop van de Leijgraaf mag dan wel geen representatief beeld geven van een natuurlijke beek gedurende het paleolithicum of het mesolithicum, dit beekje is wel in een bestaand, natuurlijk dal aangelegd. Hier heeft ooit wel degelijk een natuurlijke beek gelopen. Aangezien de locatie van de geulen bekend is, evenals de locatie van de paleolithische en mesolithische vondsten, kan op vergelijkbare wijze als bij het locatiekeuze model berekend worden aan welke zone langs de geulen een verwachting toegediend moet worden. Hiervoor is de gemeente opgedeeld in 16 zones; 0-50 meter langs de geulen. 50-100 meter langs de geulen. 100-150 meter langs de geulen. 150-200 meter langs de geulen. 200-250 meter langs de geulen. 250-300 meter langs de geulen. 300-350 meter langs de geulen. 350-400 meter langs de geulen. 400-450 meter langs de geulen.