CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderliggend document 1 Rapport totstandkoming actualisatie BAAC (Geanonimiseerd)

Commissie Ruimte, Economie en Bedrijfsvoering 27 maart 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Archeologische beleidskaart en gewijzigde vaststelling bestemmingsplan archeologie39.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

De basis voor het opstellen van de verwachting voor de bezettingsperiode bestaat met name uit primaire bronnen die met name door de Duitse bezetter zijn opgesteld, secundaire literatuur en ooggetuigenverslagen. Verzetsbronnen, zoals de verslagen van Groep Albrecht30, vormen hierop een aanvulling en dienen ter verificatie. De frontperiode is uitvoerig gedocumenteerd in geallieerde en Duitse gevechtsverslagen en primair militair kaartmateriaal (zoals Defense Overprints).31 Voor het opstellen van de verwachting is met name gekeken naar secundaire bronnen, die in overvloed aanwezig zijn voor de gevechtshandelingen die in of in de directe omgeving van de huidige gemeente Meierijstad hebben plaatsgevonden. Voorts is rekening gehouden met locaties die in de populaire literatuur en de herdenkingscultuur een prominente plek innemen. Deze locaties kunnen dienen om bepaalde handelingen aan een locatie te koppelen. Aanvullend is een beperkt aantal beschikbare luchtfoto’s geraadpleegd die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de geallieerde luchtstrijdkrachten gemaakt zijn. Op basis van luchtfotoanalyse kan een nauwkeuriger beeld ontstaan van de oorlogshandelingen of van militaire of civiele structuren die op een bepaalde locatie aanwezig zijn geweest.

Als deze sporen worden geïnterpreteerd, dan kunnen bijvoorbeeld bepaalde handelingen ruimtelijk correct worden toegewezen of kunnen structuren waargenomen worden die in overige beschikbare bronnen niet vermeld zijn. Elke bron kent specifieke beperkingen in het gebruik, waardoor deze combinatie van bronnen noodzakelijk is om een zo gespecifieerd en correct mogelijk beeld te verkrijgen van de ooit aangelegde militaire structuren en de inrichting en gebruik

30

Groep Albrecht was een Nederlandse verzetsorganisatie die informatie over Duitse verdedigingswerken, troepenverplaatsingen en –aanwezigheid en andere militaire inlichtingen verzamelde doorgaf aan de geallieerde strijdkrachten. 31 Defense Overprints zijn kaarten waarop militaire inlichtingen en informatie afkomstig van luchtfoto’s verzameld werden. Deze werden vervolgens gebruikt tijdens het plannen van militaire acties of andere operaties. 27 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

hiervan. De individuele beperkingen van bronnen wordt onder andere bepaald door de functie en doel, periode van vervaardigen, omstandigheden waarin deze bron is opgesteld (bijvoorbeeld onder tijdsdruk), compleetheid van de inventaris en de opsteller/vervaardiger zelf. Dit geldt ook voor de geraadpleegde gevechtsverslagen, zowel van Duitse als van geallieerde zijde. Na afloop van de gevechtshandelingen in een bepaald gebied bestond de neiging om de eigen successen te overdrijven en de tegenslagen te bagatelliseren. Voorts verschillen gevechtsverslagen per eenheid in detail en compleetheid, afhankelijk van wie deze opgesteld heeft. Een aanvulling met geallieerde luchtfoto’s, die onder wisselende omstandigheden zijn gemaakt, verzetsbronnen met een wisselende betrouwbaarheid en detailniveau en goed onderbouwde secundaire literatuur biedt hierbij dan ook een goede aanvulling. De volgende archieven zijn geraadpleegd bij het opstellen van de inventarisatiekaart: -

Bundesarchiv-Militärarchiv (BArch-MA) in Freiburg im Breisgau; Nationaal Archief (NA); National Archives Washington (NARA); Nationaal instituut voor Militaire Historie (NIMH); National Collection of Aerial Photography (NCAP); Wageningen University Library. Geoportal: RAF aerial photographs; Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC).

Verantwoording selectie van opgenomen structuren Op de inventarisatiekaart zijn complexen en krijgshandelingen ingetekend die een duidelijke archeologische weerslag kennen of kunnen hebben. Dit betekent dat niet alle locaties waar militaire activiteiten of krijgsgerelateerde handelingen hebben plaatsgevonden zijn weergeven in de archeologische verwachting. De redenen hiervoor zijn divers. Zo is er voor gekozen om uitsluitend slagvelden en oorlogshandelingen weer te geven waarbij een direct contact geweest is tussen de strijdende partijen (waarbij dus aantoonbaar gevochten is). Aangenomen mag worden dat in het geval van opmarsroutes of aanvallen zonder direct contact geen noemenswaardige archeologische weerslag van deze gebeurtenissen verwacht kan worden. Ook crashlocaties van vliegtuigen zijn niet in alle gevallen meegenomen in de analyse. Dit heeft te maken met het feit dat niet van alle crashlocaties aan de hand van het beschikbare bronnenmateriaal de exacte coördinaten vastgesteld konden worden. Tevens zijn locaties waar noodlandingen hebben plaatsgevonden niet ingetekend, aangezien deze in veruit de meeste gevallen slechts een oppervlakkige of geen vondststrooiing tot gevolg hebben en derhalve weinig tot geen additionele informatiewaarde dragen.

Ook de vele inkwartieringsadressen, hoofdkwartieren of andere militaire burelen zijn vanwege het kortstondige gebruik en de verwachte minimale archeologische weerslag (binnen bestaande gebouwen) niet als archeologische verwachting aangemerkt. Ook eventueel aanwezige versperringen en mijnenvelden zijn niet in alle gevallen weergegeven. Mijnenvelden zijn vaak na de Tweede Wereldoorlog geruimd, laten in beperkte mate sporen na en zijn vaak uitgebreid gedocumenteerd in de archieven van de EODD, waardoor de additionele informatiewaarde gering is. Ook locaties waar tijdens de bezettingsperiode bombardementen of beschietingen hebben plaatsgevonden, zijn om deze reden niet meegenomen in de verdere analyse. Voorts zijn de locaties van opzettelijke vernielingen van civiele structuren zoals bruggen en wegen niet weergegeven op de kaart, aangezien deze naar verwachting geen aanvullende informatiewaarde hebben.

Project V-19.0072

28

Ondanks dat de uit bronnen bekende militaire complexen en structuren zo goed mogelijk op de inventarisatiekaart zijn ingetekend, kunnen binnen de lege zones losse, kleinere en/of kortstondig gebruikte/aangelegde structuren aanwezig zijn die niet in de geraadpleegde of beschikbare bronnen teruggevonden zijn. Het kan onder andere gaan om veldgraven, crashlocaties waarvan de locatie niet specifiek geduid kon worden, dumplocaties, losse wapenopstellingen, en tijdelijke of civiele schuilkelders die niet op de kaart zijn ingetekend. Vanwege het beperkt aantal openbaar raadpleegbare luchtfoto’s kan het zijn dat niet alle potentieel zichtbare structuren zijn meegenomen in de analyse.

2.5 De archeologische inventarisatiekaarten Om te kunnen komen tot een archeologische inventarisatiekaart is een analyse gemaakt waarbij is onderzocht waar de bekende archeologische waarnemingen op deze nieuw gemaakte kaarten zich bevinden. Zoals in paragraaf 2.3 al kort is genoemd, liggen archeologische vindplaatsen namelijk niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken ze veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning of specifieke activiteiten als vuursteenwinning. Ook de bodemvruchtbaarheid speelde vanaf de introductie van landbouw een grote rol. Als gevolg hiervan zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden. Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de late middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn (Romeinse tijd/vroege middeleeuwen) of ontbreken (prehistorie) en cartografische bronnen geheel ontbreken.

Voor de late middeleeuwen zijn meer historische bronnen beschikbaar (al is uit deze periode geen kaartmateriaal beschikbaar) terwijl voor de nieuwe tijd relatief veel historische bronnen en kaartmateriaal beschikbaar is. Conform de opzet van de pilot is een viertal inventarisatiekaarten vervaardigd. Het betreft de inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars,32 de inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenleving,33 de inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving34 en een inventarisatiekaart voor de Staatssamenleving.35 In deze laatste kaart zijn ook zones meegenomen die betrekking hebben op militaire relicten.36 In alle gevallen is vlakdekkend en op perceelsniveau zichtbaar welke archeologische verwachting er geldt voor een bepaald terrein. Deze verwachting is een weergave van het voor de betreffende kaart gebruikte verwachtingsmodel dat op basis van de voorgaande fasen is opgesteld. Hierbij is per kaart rekening gehouden met de bruikbaarheid van de verschillende (landschappelijke) eenheden voor activiteiten behorend tot de archeologische complextypen bewoning, verdediging, begraving, economie, infrastructuur en rituele activiteiten. Op de gebruikte modellen zal in hoofdstuk 5 uitgebreid worden ingegaan. Het verschil tussen de verschillende verwachtingszones is een verschil in relatieve dichtheid van te verwachten archeologische vindplaatsen.

In een zone met een archeologische verwachting is, op basis van de huidige kennis binnen de 32

laat-paleolithicum-mesolithicum. neolithicum-bronstijd. 34 ijzertijd-vroege middeleeuwen. 35 late middeleeuwen-nieuwe tijd. 36 Hierbij is geen onderscheid gemaakt in sub perioden zoals dat wel is gedaan op de kaart in bijlage 3). 29 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad 33

archeologische wetenschap, een significant grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen te verwachten dan in zones zonder verwachting. De verwachtingszones doen echter geen uitspraak over de potentiële waarde van eventuele vindplaatsen. Deze waarde is namelijk afhankelijk van verscheidene parameters, zoals de gaafheid van de vindplaats maar ook de mate waarin het type vindplaats binnen de regio voorkomt.

Jagers en Verzamelaars De archeologische inventarisatiekaart ‘Jagers en Verzamelaars’ bestaat uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is onderverdeeld in een zestal zones, te weten; •

•

• •

•

•

Een zone waarbinnen resten van jagers en verzamelaars worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning (jachtkampementen). Een zone waarbinnen natte contextresten van jagers en verzamelaars worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites) en resten van jacht en visserij. Een zone zonder verwachting op resten van jagers en verzamelaars. Een zone zonder verwachting op resten van jagers en verzamelaars aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van jagers en verzamelaars aanwezig kunnen zijn. Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met verwachting op resten van jagers en verzamelaars. De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering). een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord.

Naast de zones met een verwachting op resten van jagers en verzamelaars zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit het paleolithicum en het mesolithicum, zoals ook weergegeven op de vindplaatsenkaart. Op de inventarisatiekaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een kampement/nederzetting en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Het betreft tevens terreinen met vindplaatsen van jagers en verzamelaars zoals deze voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE en terreinen die op de bestaande kaarten als waardevol zijn aangemerkt.

Vroege landbouwsamenleving De archeologische inventarisatiekaart ‘vroege landbouwsamenleving’ bestaat eveneens uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is in dit geval onderverdeeld in een zevental zones, te weten; •

Een zone waarbinnen resten van vroege landbouwers worden verwacht. Het gaat hierbij om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur.

Project V-19.0072

30

•

• •

•

• •

Een zone waarbinnen natte contextresten van vroege landbouwers worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites), infrastructuur en jacht en visserij. Een zone zonder verwachting op resten van vroege landbouwers. Een zone zonder verwachting op resten van vroege landbouwers aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van vroege landbouwers aanwezig kunnen zijn. Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met verwachting op resten van vroege landbouwers. De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering). een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. een zone met een onbekende verwachting, aangezien de bodem op de geraadpleegde bodemkaarten ter plaatse niet is gekarteerd.37

Naast de zones met een verwachting op resten van de vroege landbouwsamenlevingen zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit het neolithicum en de bronstijd, zoals ook weergegeven op de vindplaatsenkaart. Op de inventarisatiekaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting, begraving, economische activiteit, infrastructuur en/of rituele activiteiten en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Het betreft tevens terreinen met vindplaatsen van vroege landbouwers zoals deze voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE en terreinen die op de bestaande kaarten als waardevol zijn aangemerkt.

Late landbouwsamenleving De archeologische inventarisatiekaart ‘late landbouwsamenleving’ bestaat eveneens uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is in dit geval onderverdeeld in een zevental zones, te weten; •

•

• •

•

37

Een zone waarbinnen resten van late landbouwers worden verwacht. Het gaat hierbij om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Een zone waarbinnen natte contextresten van late landbouwers worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites), infrastructuur en jacht en visserij. Een zone zonder verwachting op resten van late landbouwers. Een zone zonder verwachting op resten van late landbouwers aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van late landbouwers aanwezig kunnen zijn. Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met verwachting op resten van late landbouwers. De kans op het aantreffen

Deze gebieden zijn met behulp van een analyse van de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850 zo klein mogelijk gehouden. 31 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

• •

van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering). een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. een zone met een onbekende verwachting, aangezien de bodem op de geraadpleegde bodemkaarten ter plaatse niet is gekarteerd.38

Naast de zones met een verwachting op resten van de late landbouwsamenlevingen zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, zoals ook weergegeven op de vindplaatsenkaart. Op de inventarisatiekaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting, begraving, economische activiteit, infrastructuur en/of rituele activiteiten en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Het betreft tevens terreinen met vindplaatsen van late landbouwers zoals deze voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE en terreinen die op de bestaande kaarten als waardevol zijn aangemerkt.

Staatssamenleving De archeologische inventarisatiekaart ‘Staatssamenleving’ bestaat uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is in dit geval onderverdeeld in een zestal zones, te weten; • •

• •

• •

Een zone waarbinnen resten van militaire relicten kunnen worden verwacht (voornamelijk daterend uit WO-II). Een zone waarbinnen resten van de staatssamenleving worden verwacht. Het gaat hierbij om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Een zone zonder verwachting op resten van de staatssamenleving. Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met verwachting op resten van de staatssamenleving. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van economische aard (landbouwactiviteiten). De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen van dergelijke aard wordt hier groot geacht (goede conservering). een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. een zone met een onbekende verwachting, aangezien de bodem op de geraadpleegde bodemkaarten ter plaatse niet is gekarteerd.39

Naast de zones met een verwachting op resten van de Staatssamenleving zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit de late

38

Deze gebieden zijn met behulp van een analyse van de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850 zo klein mogelijk gehouden. 39 Deze gebieden zijn met behulp van een analyse van de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850 zo klein mogelijk gehouden. Project V-19.0072

32

middeleeuwen en de nieuwe tijd, zoals ook weergegeven op de vindplaatsenkaart. Op de inventarisatiekaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting, begraving, economische activiteit, infrastructuur en/of rituele activiteiten en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Daarnaast gaat het om terreinen waar op basis van oud kaartmateriaal bekend is dat hier vindplaatsen aanwezig kunnen zijn. Hierbij moet worden gedacht aan kasteelterreinen, kerken, kloosters, kappellen, molens ect. Daarnaast zijn ook de historische dorpskernen zoals deze voorkomen op de oudste kadastrale kaart uit het begin van de 19de eeuw weergegeven, alsmede terreinen met vindplaatsen van de staatssamenleving die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE en terreinen die op de bestaande kaarten als waardevol zijn aangemerkt.

2.6

Verstoringen en gebieden met geringe informatie

De inventarisatiekaarten geven de archeologische verwachting weer in de situatie waarbij de oorspronkelijke ondergrond niet is aangetast. Door allerlei graafwerkzaamheden in het recente verleden zoals ontgrondingen, egalisatie en bebouwing is de oorspronkelijke ondergrond, en daarmee de mogelijk aanwezige archeologische resten, plaatselijk verstoord. Op alle inventarisatiekaarten en de beleidskaart (bijlagen 6 t/m 10) zijn om die reden de terreinen aangegeven waarvan vermoed wordt dat in het recente verleden substantiële graafwerken hebben plaatsgevonden waardoor de ondergrond mogelijk verstoord is. Hiertoe zijn de volgende gegevens gebruikt; ontgrondingsgegevens op de ontgrondingenkaart van de provincie Noord-Brabant. Actueel Hoogtebestand Nederland: Op het AHN-3 zijn terreinen met onnatuurlijke lineaire of rechthoekige structuren zichtbaar die lager liggen dan omringende terreinen. Dit betekent dat de bodem in dergelijke percelen afgegraven of geëgaliseerd is. gegevens die staan aangegeven op de bodem- en geomorfologische kaart. terreinen waarvan door inventariserend archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de ondergrond verstoord is. Deze terreinen worden vrijgesteld van toekomstig archeologisch onderzoek.

Ondanks dat het op basis van de beschikbare gegevens in sommige gevallen niet mogelijk is na te gaan in welke mate de graafwerkzaamheden invloed hebben gehad op de eventuele archeologische resten, is deze informatie wel verwerkt op de archeologische inventarisatiekaarten. Deze terreinen of percelen worden echter niet direct vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De bodemverstoringen zijn als ‘signalerende kaartlaag’ opgenomen en dienen nog te worden getoetst aan de hand van de voorgenomen ingrepen. Het is namelijk mogelijk dat archeologische waarden nog onder de verstoorde grond aanwezig zijn, of dat de verstoring of ontgronding minder grootschalig of diepreikend is uitgevoerd dan is aangegeven op de vergunning. De terreinen waar middels (inventariserend) archeologisch onderzoek is vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, worden wel volledig vrijgegeven (categorie 10 op de beleidskaart).

33

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

2.7 De archeologische beleidskaart Aan zowel de bekende archeologische waarden als de gebieden waar op basis van de modellen archeologie wordt verwacht, is een beleid gekoppeld, resulterend in een beleidskaart (bijlage 10). Middels deze beleidskaart kan worden nagegaan hoe om te gaan met terreinen met een archeologische waarde of terreinen waar archeologische resten verwacht worden in het ruimtelijk beleid. Op deze wijze worden eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem op een juiste en zorgvuldige manier behandeld. De archeologische beleidskaart moet gebruikt worden als dubbelbestemming op de bestemmingsplankaart/omgevingsplankaart. De beleidskaart is grotendeels een rechtstreekse afgeleide van de vier archeologische inventarisatiekaarten, waarbij de vier inventarisatiekaarten zijn geïntegreerd tot één kaart . De verschillende landschappelijke eenheden van de inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars en de verschillende bodemkundige eenheden van de overige drie inventarisatiekaarten zijn op basis van hun gemeenschappelijke verwachting samengevoegd tot een aantal categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Er is echter een aantal categorieën toegevoegd. Het betreft hier uiteraard de gebieden met een bekende archeologische waarde (AMK-terreinen en archeologische rijksmonumenten). Maar ook zijn enkele historische elementen aan deze kaart toegevoegd.

Sommige cultuurhistorische waarden (zoals bijvoorbeeld de historische kern, maar ook puntlocaties als kerken) zijn (potentiële) archeologische vindplaatsen. Vandaar dat cultuurhistorie en archeologie niet los van elkaar kunnen worden gezien. Zo zijn op de beleidskaart zones gemarkeerd met een bepaalde archeologische verwachting, gebaseerd op de aanwezigheid van een cultuurhistorisch element. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een zone rond een kerk of een oud erf waarvan vermoed wordt dat deze een middeleeuwse oorsprong heeft. Binnen de gemeente Meierijstad bevinden zich enkele stuifduinen. De dikte hiervan varieert sterk. In het beleid is hier rekening mee gehouden door een extra categorie toe te voegen. Op deze wijze is de beleidskaart onderverdeeld in een tiental categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Het betreft de volgende categorieën, geprojecteerd op de topografische ondergrond: -

-

-

Categorie 1; deze categorie betreft de drie archeologische rijksmonument die de gemeente rijk is. De RCE heeft besloten dat de hier aanwezige vindplaats van dermate belang is, dat het tot een rijksmonument is benoemd. De RCE is het bevoegd gezag voor dit gebied. Categorie 2; deze categorie bestaat uit de zones met een hoge verwachting op militaire relicten, de AMK-terreinen, een bufferzone rond alle bekende relevante historische elementen, zoals historische erven, kerken, kloosters, etc. Tot slot zijn de terreinen die op de bestaande separate kaarten zijn weer gegeven als terrein van archeologische waarde maar die geen AMK-status hebben tot deze categorie gerekend. Categorie 3; deze categorie bestaat uit de historische dorpskernen van St. Oedenrode, Veghel, Schijndel, Olland, Nijnsel, Boerdonk, Erp, Eerde, Lieseind en Wijbosch en zijn gebaseerd op de Eerste Kadastrale Kaarten van rond 1830.40

40

De AMK-terreinen 16802, 16856, 16857 en16858 zijn niet opgenomen op de beleidskaart. Het betreft hier de historische dorpskernen van respectievelijk St. Oedenrode, Olland, Nijnsel en Schijndel, gebaseerd op de bonnekaarten. De begrenzing van de historische Project V-19.0072

34

-

-

-

-

-

-

Categorie 4; deze categorie bestaat uit de (geïntegreerde) gebieden waaraan op basis van de verschillende modellen een verwachting is toegekend op het voorkomen van archeologische resten zoals weergegeven op alle vier inventarisatiekaarten. Categorie 5; deze categorie bestaat uit gebieden met eenzelfde verwachting als de gebieden van categorie 4, maar dan afgedekt met een in dikte variërend pakket stuifzand. Categorie 6; deze categorie bestaat uit gebieden waaraan een verwachting is toegekend op het voorkomen van bijzondere natte context resten zoals weergegeven op de inventarisatiekaarten. Categorie 7; deze categorie bestaat uit (de geïntegreerde) gebieden waaraan op basis van de verschillende modellen geen archeologische verwachting is toegekend op de vier inventarisatiekaarten. Categorie 8; deze categorie betreft de gebieden met een vooralsnog onbekende verwachting, aangezien de bodem op de geraadpleegde bodemkaarten ter plaatse niet is gekarteerd. 41 Categorie 9a; deze categorie bestaat uit reeds onderzochte en geheel vrijgegeven gebieden. Categorie 9b; deze categorie bestaat uit reeds onderzochte gebieden die niet of slechts ten dele zijn vrijgegeven.

Per bovenstaande eenheid is het betreffende beleid beknopt op de kaart weergegeven.

2.8 Beperkingen van een inventarisatiekaart De in onderhavig rapport beschreven archeologische inventarisatiekaarten en de hiervan afgeleide beleidskaart zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen en zijn gebaseerd op de huidige archeologische kennis. Zo is bijvoorbeeld veel moeite gedaan om de ARCHIS-gegevens aan te vullen met vindplaatsen die (nog) niet waren geregistreerd, met name door archiefonderzoek en met behulp van lokale amateur-archeologen en de binnen de gemeente actieve oudheidkundige verenigingen. Dit wil echter niet zeggen dat hiermee alle bekende vindplaatsen ook daadwerkelijk zijn gelokaliseerd. Mogelijk zijn in het verleden amateur-archeologen actief geweest die inmiddels zijn overleden en waarvan de collecties in de vergetelheid zijn geraakt. Mogelijk is tijdens ploegwerkzaamheden een vindplaats opgeploegd, zonder dat de boer dit heeft doorgegeven aan de lokaal geïnteresseerden. Dit soort eventueel verlies aan data is niet te voorkomen, ook al gezien de beperkte hoeveelheid tijd die beschikbaar is voor een dergelijk onderzoek. Dit houdt impliciet in dat de inventarisatiekaarten ook niet 100 procent betrouwbaar kan zijn. Het betreft een zo goed mogelijk onderbouwde weergave van zones met een te verwachten archeologische voorraad.

Om de mate van betrouwbaarheid van de kaarten gemaakt in de pilot zo objectief mogelijk te kunnen beoordelen, is een ‘bronnen en kwaliteitstabel’ gemaakt. Hierin is aan de gebruikte bronnen een score toebedeeld waarmee de uiteindelijke kwaliteit van de kaart kan worden beoordeeld. Onderhavig product scoort op deze tabel goed (zie bijlage 11F).

kernen van deze dorpen zijn op de beleidskaart gebaseerd op de eerste Kadastrale kaarten en daarmee accurater. 41 Deze gebieden zijn met behulp van een analyse van de kadastrale kaart uit 1832 en de topografische kaart uit circa 1850 zo klein mogelijk gehouden. 35 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

Zonder een veldonderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld of er wel of geen archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. De inventarisatiekaarten vormen een instrument om eventuele archeologische waarden zo goed mogelijk te beschermen. Het kan echter voorkomen dat in een gebied waaraan om allerlei beargumenteerde redenen geen verwachting is gekoppeld, tijdens bouwwerkzaamheden toch belangrijke archeologische waarden aanwezig blijken te zijn. Bijvoorbeeld omdat de huidige kennislacunes dermate groot blijken te zijn, dat de huidige theorieën niet volledig genoeg zijn om tot de juiste verwachting te kunnen komen. Ook de aanwezigheid van bebouwing in de dorpen maken het ‘voorspellen’ van de aanwezigheid van archeologische resten erg moeilijk. Dit geldt eveneens voor het voorspellen van de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In de bewoningskernen kan namelijk sprake zijn van verstoring vanwege de aanwezige bebouwing. De aanwezigheid van archeologische resten en de gaafheid hiervan kan alleen op basis van veldonderzoek worden vastgesteld. Het is goed om hiervan bewust te zijn bij het gebruik van een archeologische beleidskaart. Planontwikkelingen waarbij bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden, dienen vanuit archeologisch oogpunt bij voorkeur voornamelijk in gebieden zonder verwachting te worden gepland.

Zoals hierboven is uiteengezet betekent dit echter niet dat op dergelijke locaties geen archeologische resten aanwezig zijn. De verwachting is dat de kans op archeologie hier echter significant lager is dan in zones met een archeologische verwachting.

Project V-19.0072

36

3

Oorlogserfgoed 3.1 Inleiding In de begeleidende rapporten behorend tot de afzonderlijke verwachtingskaarten van de voormalige gemeenten St. Oedenrode, Veghel en Schijndel is zowel de landschappelijke ontwikkeling als de bewoningsgeschiedenis (uitgebreid) behandeld.42 Dit zal derhalve in dit rapport niet nog eens gebeuren. Het oorlogserfgoed is echter in geen van de bestaande rapporten uitgebreid aan bod gekomen. Dat is voor onderhavig onderzoek wel het geval. In dit hoofdstuk wordt hier uitgebreid op ingegaan. Het grondgebied van de huidige gemeente Meierijstad kent een lange geschiedenis van conflicten die uitgevochten zijn op haar grondgebied. Zo wordt tijdens de Gelderse Oorlogen de Meierij in 1542 geplunderd en gebrandschat door de Gelderse leider Maarten van Rossum. De brug bij Veghel over de Aa is tijdens dit incident vernietigd, en later weer opgebouwd. In 1543 werden inwoners van het kwartier Oisterwijk opgeroepen om zich bij Veghel en Erp te verzamelen, om de Gelderse invallers af te slaan. Ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog kreeg het gebied het zwaar te verduren. In 1572 en 1576 werden meerdere panden door Staatse troepen vernietigd en werd er geplunderd, waarna in 1581 nog eens 110 huizen werden vernield. In 1583 werden Veghel, St. Oedenrode en Schijndel door Staatse troepen ingenomen en vervolgens platgebrand.

In 1587 werd de Meierij wederom binnengevallen door Staatse troepen, waarbij deze van Erp naar Schijndel trokken en er geplunderd en vernield werd. Bij gevechten met inwoners kwamen ongeveer zeshonderd boeren om het leven, en werden huizen verwoest. In juli 1629 werd Veghel tijdelijk de legeringsplaats van het Spaanse leger onder graaf Hendrik van den Bergh, toen zij van Boxtel naar de Maas trokken.43 De locaties van dit soort gevechtshandelingen zijn echter te globaal bekend om hieraan een specifieke verwachting toe te kennen. Dit geldt echter niet voor gevechtshandelingen die in en in de omgeving van Meierijstad hebben plaatsgevonden tijdens de Eerste Coalitieoorlog tegen Frankrijk in september 1794. Deze gevechtshandelingen zijn dermate goed gedocumenteerd dat hiervan het een en ander wel is opgenomen op de inventarisatiekaart. Dit geldt uiteraard ook voor de Tweede Wereldoorlog. In de gemeente Meierijstad hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog grootschalige gevechtshandelingen plaatsgevonden. In de mobilisatieperiode van 1939-1940 zijn aan de oostkant van de gemeente grote aantallen defensieve veldstellingen aangelegd. Deze veldstellingen dienden ter bescherming van de commandoposten van de troepen in vak Erp. Ook de bezetting heeft haar sporen nagelaten, zoals een Flugwachtpost.

Tijdens Operation Market Garden hebben in en over de gehele gemeente gevechtsacties plaatsgevonden. Drie drop- en landingzones van de Amerikaanse 101st Airborne Division bevinden zich (deels) op grondgebied van de huidige gemeente Meierijstad. Tijdens en na 17 september 1944 heeft deze divisie slag geleverd in Veghel, Sint-Oedenrode en de 42

Cuijpers en de Jong 2007 (St. Oedentrode), Buesink 2014 (Veghel) en Berkvens & Leenders 2012 (Schijndel). 43 BHIC.nl, Oudzijtaart.nl, Vehchele.nl. 37 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

corridor (Hells Higway of Club Route), naar aanleiding van een serie grootschalige Duitse tegenaanvallen vanuit diverse kanten. Tijdens de Koude Oorlog zijn infrastructurele complexen voor het parate Nederlandse leger aangelegd. Al deze fasen hebben hun sporen nagelaten in het landschap en het bodemarchief en worden hieronder nader toegelicht.

3.2. De Eerste Coalitieoorlog tegen Frankrijk Tijdens de Eerste Coalitieoorlog tegen Frankrijk werd er in en rond Boxtel een veldslag uitgevochten. De slag vond plaats op 14 en 15 september 1794, waarbij ook binnen de grenzen van de huidige gemeente Meierijstad de nodige gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden. De geallieerde troepen, bestaande uit Staatse en Britse eenheden en eenheden uit Hessen en Hannover, hadden zich ter verdediging opgesteld bij diverse bruggen over de Dommel. Hierdoor poogde men het terugtrekken van geallieerde troepen naar het noorden te dekken en te voorkomen dat deze afgesneden zouden worden. Op 14 september werden de posities rond Boxtel door de oprukkende Fransen onder generaal Pichegru aangevallen. Het dorp werd van drie zijden belegerd, waarna zowel het dorp als de brug over de Dommel werden ingenomen. Vervolgens werden de bruggen bij Sint-Oedenrode, Breugel en Nijnsel aangevallen en veroverd. Geallieerde eenheden hadden inmiddels enkele bruggen weggehaald en gebieden geïnundeerd. Maar deze wanhopige maatregelen baatte niet meer. Ook een Britse tegenaanval op Boxtel op 15 september mislukte. Deze tegenaanval zou worden uitgevoerd door reservetroepen onder luitenantgeneraal Ralph Abercromby. Bij het verlaten van Schijndel stootte ze op de Franse Zesde Divisie, waarna een serie schermutselingen plaatsvonden.

Na instructies van de hertog van York werd de aanval doorgezet, waarbij zware gevechten uitbraken in het destijds beboste gebied tussen Schijndel, ‘Elde en Hermalen’, ten westen van de dorpskern van Schijndel. Franse troepen trokken zich terug in de bossen, waarna met artillerie het vuur werd geopend op de aanvallende Britten. Dit vuur was zo sterk dat Abercromby zich genoodzaakt zag om zich terug te trekken. Deze aftocht werd gedekt door het Britse 33e Infanterieregiment, onder de latere Hertog van Wellington.44

3.3. De Tweede Wereldoorlog 3.3.1 Mobilisatie 1939-1940 en de eerste oorlogsdagen in 1940

Mobilisatie Voorafgaand aan de Duitse inval in Polen werd het evident dat Duitsland zich opmaakte voor een militair ingrijpen in Europa. Nederland kon op dat moment niet meer om het oorlogsgevaar heen en kondigde op 24 augustus 1939 de voormobilisatie aan, waarbij 50.000 man onder de wapenen geroepen werden. Enkele dagen later, op 28 augustus, volgde de algehele mobilisatie. Binnen enkele dagen waren 280.000 man in actieve dienst. Omdat Nederland het neutraliteitsprincipe hanteerde, vonden in de eerste maanden nauwelijks schietoefeningen plaats. In plaats daarvan werd verder gegaan met de aanleg van verdedigingsstellingen die een dreiging vanuit het oosten moesten tegengaan. De verdediging werd ingericht in een aantal successieve linies, waaronder de Maaslinie, de Peel-Raamstelling en de IJssellinie.

44

Van Doorn 2014, 4 – 19, Wellington15.tripod.com. Project V-19.0072

38

Tijdens de mobilisatieperiode in 1939 en 1940 werden veldstellingen aangelegd in de voormalige gemeente Erp. Deze stellingen bevonden zich hoofdzakelijk ten westen van de rivier de Aa (zie figuur 3.1) en dienden ter verdediging van de commandoposten van de Nederlandse troepen in vak Erp (die o.a. verbleef in het parochiehuis van Erp en in een commandobunker achter Looieind 27). Behalve defensieve veldstellingen, zoals loopgraven en mitrailleurnesten, werden ook aarden groepsonderkomens, prikkeldraadversperringen, tankgrachten, wegversperringen en commandoposten aangelegd. De troepen in vak Erp, die voornamelijk in de Peel-Raamstelling achter het Defensiekanaal lagen en onderdeel vormden van de Peeldivisie, bestonden uit het II-2 Regiment der Infanterie (R.I.), II-17 R.I., I-13 R.I., II-20 Regiment Artillerie (R.A.) en enkele ondersteunende eenheden.45 In de Maaslinie lagen het 15e Grensbataillon, Politietroepen Groep Boxmeer en het Geniedetachement Frets.46

Figuur 3.1 Locatie van de verdedigingsgordel (rood) voor de commandoposten van Vak Erp (groen) binnen de grenzen van de huidige gemeente Meierijstad (zwart kader).

Meidagen 1940 De Tweede Wereldoorlog begon voor Nederland in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Tijdens het zorgvuldig voorbereide Fall Gelb47 overschreden Duitse troepen de landsgrens en landden parachutisten rond diverse high profile doelen, waaronder vliegveld Waalhaven bij Rotterdam en bij de Moerdijk. Op diverse plekken in het land hielden de zwaar onderbewapende en vaak slecht getrainde Nederlandse troepen tijdelijk stand. Toen de Duitse opmars bij Rotterdam leek te stagneren, besloot de Duitse legerleiding om de stad te bombarderen. Uit vrees voor meer bombardementen ging de Nederlandse opperbevelhebber, Henri Winkelman, op 14 mei over tot capitulatie.48 In de avond van 10 mei en de vroege ochtend van 11 mei 1940, nadat de Maaslinie en Peel-Raamstelling opgegeven zijn, kregen de bataljons van Vak Erp de opdracht om terug te trekken achter de Zuid-Willemsvaart en stelling te nemen ten zuidwesten van het kanaal. Binnen de huidige gemeente Meierijstad werd stelling betrokken door het I-13, II-17 en II-2 Regiment der Infanterie en het 45

De Romeinse cijfers voor het nummer van de eenheid geeft het compagnienummer aan. Dus I-13 R.I. is de 1e compagnie van het 13e Regiment der Infanterie. 46 NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 41, 42 en 524001 t/m 524045 en www.zuidfront-holland1940.nl (geraadpleegd 7 augustus 2019). 47 Het Duitse aanvalsplan voor West-Europa. 48 NIMH, toeg.nr. 418, inv.nr. 28 t/m 115. 39 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

I-15 Grensbataljon, waarbij de sectie van het kanaal ten noordwesten van de lijn Heeswijk – Schijndel onverdedigd bleef. Achter de dijk werden haastig mitrailleurstellingen, schuttersputten en opstellingen voor geschut aangelegd. Aan de zuidkant van deze linie, ter hoogte van Eerde, werd kortstondig gevochten door I-13 R.I.. Op de sluis werden enkele stukken van 6-veld (artillerie) stukgeschoten door een Duitse tank, die ook hevig mitrailleurvuur afgaf op de Nederlandse troepen. Aangezien I-13 R.I. niet beschikte over antitankwapens, trok deze terug op achtergelegen stellingen. Ook in de stellingsvakken van II-17 R.I. en II-2 R.I. werd gevochten. Zo wist de bemanning van een stuk van 6-veld die tegenover Veghel in stelling stond, naar verluid, twee Duitse ‘tanks’ uit te schakelen. Nadat de munitie opraakte, zijn de gevechten gestaakt en zijn ook deze regimenten teruggetrokken in de richting van Sint-Oedenrode. Tijdens de gevechten rond de Zuid-Willemsvaart werden vrijwel alle bruggen door Nederlandse troepen opgeblazen. Te Sint-Oedenrode werd na de gevechtshandelingen nog een Duits bombardement uitgevoerd.49

Figuur 3.2 Foto van veldversterkingen langs de weg naar Gemert. Bron afbeelding: Heemkundekring Erthepe. Erp in de Tweede Wereldoorlog. Tussen crisis en bevrijding.

3.3.2 Bezetting Aanwezigheid van de Luftwaffe Direct na de inval in Nederland begon de Duitse Luftwaffe met het aanleggen en uitbreiden van militaire vliegvelden op Nederlands grondgebied. Deze vliegvelden moesten dienen als springplank voor het uitvoeren van gevechtsmissies boven Engeland en de verdediging van het Duitse luchtruim. De twee belangrijkste militaire vliegvelden in Nederland, de zogenaamde Leithorste, waren Schiphol en Gilze-Rijen. Hieronder vielen de Einsatzhäfen, Feldflügplätze en Landeplätze. Veelal Nederlandse ondernemers legden rond zo’n vliegveld diverse randstructuren aan, zoals schijnvliegvelden, oefenterreinen en nevenvliegvelden. Tevens werden grote hoeveelheden faciliteiten aangebracht op het vliegveld zelf, zoals verlichting, bakens, verwarmde en onverwarmde hangars, barakken en badhuizen. Vanaf augustus 1940 werd begonnen met de aanleg van een Duits vliegveld bij Volkel. Op 28 september van dat jaar landde het eerste toestel op het vliegveld en vanaf eind 1941 werd het vliegveld definitief uitgebreid tot een volwaardig 49

NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 41, 42 en 524001 t/m 524045. Project V-19.0072

40

Fliegerhorst. In Veghel en directe omgeving werd personeel van het vliegveld gehuisvest in gevorderde panden, of ingekwartierd bij gezinnen. Ten westen van Veghel bevond zich een munitieopslag van het Fliegerhorst, waarvan de exacte aard onbekend is gebleven. In september 1944 zijn het vliegveld en haar randstructuren definitief verlaten.50 Aan het Everse Akkerpad richtte de Luftwaffe een zogenaamde Flugwache op, bedoeld om het luchtruim boven Nederland te controleren. Vanuit zulke Fluwa’s werden eventuele waarnemingen doorgegeven aan het Flugwachkommando. Naast een uitkijktoren, die bemand werd door zeven personen, werd in maart 1944 een barak gebouwd met een capaciteit voor tien personen.51

Vliegtuigcrashes Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het luchtruim boven Nederland intensief gebruikt door overvliegende toestellen van diverse nationaliteiten. In de meidagen van 1940 vonden diverse luchtgevechten plaats boven Nederland, werden grote aantallen Duitse toestellen neergehaald door Nederlands Tabel 3.1 Overzicht van op de kaart opgenomen vliegtuigcrashes (waarvan de locatie met zekerheid vastgesteld kon worden, vallende buiten het vliegveld).

Datum

Type

Eenheid

Vickers Wellington Mk. III Vickers Wellington Mk. X

Avro Lancaster Mk. III De Havilland Mosquito Mk. IV

No. 426 Squadron No. 429 Squadron No. 103 Squadron No. 49 Squadron No. 139 Squadron

Nummer

Locatie

Z1599

Boerdonk

HE593

Zijtaart

W4901

Veghel

ED497

Boerdonk

DZ458

Veghel

17/18 augustus 1943

Dornier Do 217

3./KG 2

56018

Schijndel

21 juli 1944

Avro Lancaster Mk. III

No. 75 Squadron

ND915

De Roost

17 september 1944

Waco CG-4 glider

101st PIR

-

Sint- Oedenrode

Douglas C-47 Skytrain Mk. A Douglas Dakota Mk. III Hawker Typhoon Mk. Ib

No. 304 Squadron No. 437 Squadron No. 181 Squadron

43-15111

Vogelenzang

KG376

Het Hool

MN241

Het Ham

23 september 1944

Waco CG-4 glider

101st PIR

-

Boerdonksedijk

23 september 1944

Waco CG-4 glider

101st PIR

-

‘t Hurkske

2 november 1944

P-51 Mustang

-

-

Boerdonksedijk

4./KG 51

170126

Melvert

5./JG 6

175049

Zondveld/Het Hool

-

-

Boerdonk

26/27 februari 1943 12 juni 1943 16/17 juni 1943 16/17 juni 1943 27/28 juli 1943

17 september 1944 21 september 1944 22 september 1944

25 december 1944 1 januari 1945 1 januari 1945

50 51

41

Avro Lancaster

Messerschmitt Me 262 Mk. A-2a Focke Wulf Fw109 Onbekend Duits toestel

Grimm, Van Loo & De Winter (red.) 2017, 303-313. Talen 2017, 9-10. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

afweergeschut en vonden met grote regelmaat bombardementsvluchten plaats naar diverse doelen, zoals vliegvelden, Nederlandse verdedigingswerken en infrastructuur. Direct na de Duitse inval begonnen de Britten met het uitvoeren van luchtaanvallen op Duitse doelen in Nederland en Duitsland, waarbij de vliegroutes veelal over Nederlands grondgebied lagen. Derhalve is onder deze vliegroutes een luchtverdedigingssysteem aangebracht ter bestrijding van deze bommenwerpervloten. Deze bestond met name uit FLAK-batterijen (Flieger Abwehr Kanonen, luchtdoelgeschut) en een gordel waarin Duitse jachttoestellen actief waren (zowel tijdens dag- en nachtjacht, onder andere in samenhang met de zogenaamde Kammhuber-Linie). Mede als gevolg hiervan zijn op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog duizenden toestellen neergestort. Een deel hiervan is binnen de grenzen van de huidige gemeente Meierijstad neergekomen. Op het vliegveld B.85 Schijndel zijn zestien Spitfires en één B26bommenwerper gecrasht of hebben hier een noodlanding uitgevoerd. Deze zijn gezien deze concentratie als één zone opgenomen op de inventarisatiekaart. Op de inventarisatiekaart zijn uitsluitend vliegtuigcrashes opgenomen waarvan de locatie van neerstorten met zekerheid kon worden vastgesteld.52

3.3.3 Frontperiode (1944-1945) Operatie Market Garden Op 17 september 1944 werd na enkele weken van gewijzigde plannen en uitstel operatie Market Garden gelanceerd. Het doel van deze grootschalige operatie op Nederlands grondgebied was het insluiten van de nog aanwezige Duitse troepen in het westen van Nederland en het slaan van bruggenhoofden over de grote rivieren, waardoor een opmars van de geallieerden naar het hart van Duitsland mogelijk zou moeten worden. De operatie bestond uit twee delen, Market en Garden. Operatie Market zou bestaan uit grootschalige luchtlandingen in de directe omgeving van de belangrijke verkeersbruggen over diverse waterlopen en rivieren tussen Eindhoven en Veghel, tussen Grave en Nijmegen, over de Waal bij Nijmegen en over de Nederrijn bij Arnhem. Deze luchtlandingen zouden uitgevoerd worden door respectievelijk de Britse 1st Airborne Division en 1st Independent Polish Parachute Brigade (Arnhem), de Amerikaanse 101st Airborne Division (Eindhoven-Veghel) en de 82nd Airborne Division (Grave-Nijmegen). Operatie Garden was gepland als een grondgebonden aanval die de verkeersbruggen, die ingenomen zouden worden tijdens Market, zou verbinden middels een smalle corridor.

Deze corridor zou vervolgens langzaam uitgebreid worden tot een stevige ‘splinter’ in de rug van de Duitse troepen in Nederland.53 Op de eerste dag (17 september 1944) vonden luchtlandingen plaats in de directe omgeving van Sint-Oedenrode en Eerde. Bij Eerde bevond zich Dropzone A (101st Airborne Division), waar onder andere de 501st Parachute Infantry Regiment neerkwam, die de bruggen over de Zuid-Willemsvaart en de brug over de Aa in Veghel moesten innemen. Ten westen van Sint-Oedenrode bevonden zich Dropzone B, C en Landingzone W, waarvan Dropzone B en Landingzone W (deels) binnen de huidige gemeente Meierijstad vallen. In deze zones landde op 17 en 18 september 1944 het gros van de Amerikaanse 101st Infantry Division. Deze zouden, onder andere, de brug bij Sint-Oedenrode over de Dommel en het Wilhelminakanaal bij Son veiligstellen.

52

SGLO crashdatabase, via verliesregister.studiegroepluchtoorlog.nl, BHIC.nl en Govers 1983, 263-283. 53 www.marketgarden.com en Didden & Swarts 2018, 183-247, Didden & Swarts 2013, 239278. Project V-19.0072

42

Bij het bereiken van de Nederlandse grens had de luchtarmada van de 101st Airborne Division een relatief rustige vlucht achter de rug. Vanaf de grens werden de laagvliegende toestellen en gliders echter hevig onder vuur genomen door FLAK, maar wisten uiteindelijk vrij ongeschonden de drop- en landingszones te bereiken. Ondanks diverse verliezen werden de luchtlandingen op 17 september gezien als een groot succes, aangezien vrijwel alle troepen op de juiste plaats

Figuur 3.3 Troepen van de 101st Airborne Division bekijken resten van een gecrashte glider bij Landingzone W. Bron afbeelding: United States Army Military History Institute (via army.mil).

terecht kwamen. Het 502e Parachute Infantry Regiment nam vrij snel de brug over de Dommel bij Sint-Oedenrode in. De brug bij Veghel werd ingenomen door elementen van de 501st Parachute Infantry Regiment. De brug bij Son is door Duitse troepen opgeblazen, waardoor deze onbruikbaar raakte. Het Britse XXXCorps, dat het hoofdelement vormde van de opmars over land (Garden), bereikte de 101st Airborne Division na een serie vertragingen in de middag van 18 september. Op deze dag vonden er ook extra landingen plaats in Landingzone W, als gevolg waarvan de corridor tussen de Belgische grens en Veghel geconsolideerd kon worden. Ondanks dat de zogenaamde Club Route (of Hells Highway, zoals de Amerikanen het later zouden noemen) nu open was, werd de route nog enkele keren afgesneden als gevolg van Duitse tegenaanvallen. De eerste grote tegenaanval vond plaats op 18 september, waarbij Duitse troepen een aanval inzetten tegen Amerikaanse eenheden bij Eerde en Veghel, met als doel het doorsnijden van de landingszones. Vanuit Schijndel werd een aanval uitgevoerd op Veghel, via het Duits lijntje (spoorlijn), terwijl de Amerikanen in Eerde onder aanval kwamen vanuit de stuifduinen ten zuidoosten van het dorp. Onder de Duitse troepen opereerde onder andere het 6. FallschirmjägerRegiment.

Een dag later vonden er intense gevechten plaats bij de spoorlijn rond Schijndel, de Rooiseweg en de spoorbrug over de Zuid-Willemsvaart. Tijdens deze gevechten viel Eerde weer in Duitse handen. Hierdoor ontstond een acute dreiging voor de corridor en de geallieerde aanvoer van wapens en munitie richting het noorden. Om een isolatie van de troepen in Veghel te voorkomen werd er door de Amerikanen een tegenaanval ondernomen. Hierbij werd Eerde heroverd en werden de Duitse verdedigers teruggedreven richting Schijndel. Op 20 september vielen elementen van de 501 PIR vanuit Veghel tussen de Aa en de Zuid-Willemsvaart aan in de richting van Heeswijk, met name om vast te stellen of 43

Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

er nog gewonden achtergelaten waren in en rond het kasteel. Tijdens deze succesvolle aanval werden er door het 1e Bataljon alleen al 400 krijgsgevangenen gemaakt. Op 21 september probeerde het 502th Parachute Infantry Regiment vanuit Sint-Oedenrode op te rukken richting Schijndel, om de dreiging op de linkerflank van de corridor weg te nemen. Na een kilometer terreinwinst bleef de aanval steken in Duits vuur, waarna het 502 PIR zich terugtrok richting SintOedenrode. Dezelfde dag werd een tweede poging gedaan, waarbij het 1ste Bataljon van 501 PIR vanuit de brug bij Heeswijk zou aanvallen, het 3 e Bataljon van hetzelfde regiment en het B Squadron van het Britse 44th Royal Tank Regiment vanuit Eerde over het Duitse lijntje en het 502 PIR met ondersteuning van het A Squadron van het 44th Royal Tank Regiment vanaf Sint-Oedenrode. Alhoewel het 502 PIR moeilijkheden ondervond, verliep de aanval vanuit het noorden succesvoller. Schijndel kwam na enkele felle gevechten grotendeels in handen van de Amerikanen. Op 22 september werd een zeer zware gecoördineerde Duitse tegenaanval op de corridor bij Coevering uitgevoerd. Vanuit het westen viel Kampfgruppe Huber aan, bestaande uit Heer- en Luftwaffe-eenheden waaronder Fallschirmjäger. Vanuit het oosten bij Veghel viel Kampfgruppe Walther aan, bestaande uit Panzerbrigade 107, drie SS-bataljons, Luftwaffe- en Heer-eenheden.

De corridor werd tijdens deze aanval bij Mariaheide tijdelijk doorsneden. Ondanks dat de Duitse aanvallen relatief succesvol werden afgeslagen, werd de corridor tijdens deze aanval vanaf beide zijden ernstig bedreigd.54

Figuur 3.4 Deze bij Veghel uitgeschakelde Panther was de Befehlspanther van Von Plüskow, de commandant van de 2107. Panzer-Abteilung. Bron afbeelding: J. van Eerd (via BHIC).

Ook op 23 en 24 september werd er gevochten om de corridor tussen Veghel en Sint-Oedenrode. Op de 24e voerde het 6. Fallschirmjäger Regiment (Von der Heydte) een sterke verassingsaanval uit op Eerde. De aanval werd in de vroege ochtend gelanceerd vanuit de stuifduinen rond het dorp. Na zware gevechten wisten de troepen van 501 Parachute Infantry Regiment door de Duitse verdediging te breken en de posities vanuit het zuiden uit op te rollen. Rond dezelfde tijd werd de corridor bij Coevering doorsneden door Kampfgruppe Jungwirth, ondersteund door tanks. Deze onderbreking in Club Route zou twee dagen in stand gehouden worden. Op 26 september werd er tenslotte een geallieerd tegenoffensief ingezet om de corridor te heropenen. Eenheden van het Amerikaanse 502 PIR, 506 PIR, de Britse 50th Northumbrian Division en het 44th Royal Tank Regiment wisten uiteindelijk de route vrij te maken van Duitse 54

Didden & Swarts 2018, 183-247 , Didden & Swarts 1993, 29-116 en Kershaw 2013, 69-99. Project V-19.0072

44

eenheden, mede omdat deze onder druk kwamen te staan van het XXI- en VIIICorps, die op de linker- en rechterflank van het XXX-Corps oprukte. Eind oktober werden ook de dorpen aan de randen van de corridor bevrijd tijdens Operation Colin.55

3.3.4 Na de bevrijding Inslaglocaties van V-wapens Tijdens de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog zijn vanaf Nederland en Duitsland grote hoeveelheden V-wapens gelanceerd op stedelijke doelen in België en het Verenigd Koninkrijk. Veel van deze V-wapens haalden vanwege technische mankementen of problemen met de brandstof hun einddoel niet. Derhalve zijn langs de routes die de wapens af moesten leggen zo’n 2.200 locaties waar V-wapens vroegtijdig neergekomen en vaak tot ontploffing zijn gekomen. Ook binnen de gemeente Meierijstad stortten gedurende de laatste oorlogsmaanden meerdere V-1’s en V-2’s neer. Deze inslagkraters hebben naar verwachting geen relevante archeologische meerwaarde.

Vliegveld B.85 Schijndel Na operatie Market Garden en de gevechten om de corridor werden plannen gemaakt voor verdere geallieerde offensieven richting Duits grondgebied. Om deze operaties te kunnen ondersteunen had de geallieerde 2nd Tactical Airforce behoefte aan enkele vooruitgeschoven vliegvelden, die bestonden uit zogenaamde Advanced Landing Grounds (ALG). Op de Vlagheide tussen Schijndel en Eerde werd ook zo’n vliegveld aangelegd, B.85 Schijndel.

Figuur 3.5 Twee Spitfires van no. 66 Squadron op het vliegveld B.85 te Schijndel in april 1945 (bron: J. Van Eerd, via BHIC).

Ondanks de ongeschiktheid van de bodem werden op 10 december 1944 meerdere stukken grond gevorderd. Na het ruimen van de nog ter plekke aanwezige landmijnen werd begonnen met de constructie van een vliegveld met één start- en landingsbaan. Onder supervisie van het 14th Army Group Royal Engineers werden zo’n 1.000 arbeidskrachten ingezet, waarvan de helft uit Nederlandse burgers bestond, die in eerste instantie in tenten gehuisvest werden. Enige tijd later verrezen op het terrein enige houten barakken. De bedding van de startbaan bestond uit een aanzienlijke laag zand, waarop zogenaamde Pierced Steel Planks (PSP) werden aangebracht. De bedoeling was dat het vliegveld één complete Wing met vier Squadrons zou huisvesten. Op 6 februari 1945 landden 55

HQ Twelfth Army Group situation maps (20 september – 30 oktober 1944) via Library of Congress (loc.gov), Paagman 2019, 119-231, Govers 1983, 263-283. 45 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

na een vertraging van meer dan een maand de eerste Spitfires. Uiteindelijk zouden op het vliegveld twee Wings geplaatst worden, de 145 Free French Wing en de 132 Norwegian Wing. Hieronder vielen de Squadrons No. 66, 127, 322, 331, 332 (132 Wing) en 74, 329, 340 en 345 (145 Wing). Vanaf het vliegveld werden diverse gevechtsmissies gevlogen, waaronder Operation Clarion, waarbij treinstations, spoorknooppunten en opslagplaatsen in grote delen van Duitsland en nog niet bevrijde gedeelten van Nederland werden aangevallen. Ook tijdens de geallieerde operaties Plunder, Varsity, Quick Anger, Cannonshot en Cleanser werd luchtsteun gegeven vanaf B.85. Het laatste Squadron, dat uitsluitend als doel had om B.85 in bedrijf te houden, vertrok op 27 april 1945. Het terrein werd nog een tijd lang gebruikt als Staging Camp voor doortrekkende geallieerde eenheden, maar het gebruik liep snel terug. In maart 1946 werd het gebied weer vrijgegeven door de Britten, waarna de Nederlandse 6e Compagnie Bewakings Bataljon het voormalige vliegveld tijdelijk in gebruik nam. Op 1 augustus 1946 werd er overeengekomen dat een deel van het terrein teruggegeven zou worden aan de voormalige eigenaren.56

3.3. De Koude Oorlog 3.3.1 Inleiding Na de val van Nazi-Duitsland vond een machtsverschuiving plaats binnen Europa, waardoor Rusland en de Verenigde Staten lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Deze geopolitieke strijd woedde reeds vanaf de jaren ’20 van de 20ste eeuw, maar met het wegvallen van Duitsland als geopolitieke grootmacht en een herverdeling van de invloedssfeer van de Verenigde Staten en Rusland in Europa begon een nieuwe episode. De Sovjet-Unie vergrootte het grondgebied al snel na het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Baltische staten en delen van Finland, Polen, Duitsland, Roemenië en Tsjecho-Slowakije bezet te houden en steun te leveren aan de (veelal door hen geïnstalleerde) communistische regimes. Met deze expansie ontstond in Oost-Europa een zeer sterke grootmacht die een nieuwe dreiging vormde voor West-Europa. De West-Europese landen kwamen veelal in de directe invloedssfeer van de Verenigde Staten te liggen. Deze landen waren nog volop bezig met de wederopbouw en waren hierdoor verdeeld, kwetsbaar en deels afhankelijk van steun van buiten. De noodzaak ontstond om passend op deze wederzijdse expansiedrift te reageren. Deze reactie kwam in de vorm van verschillende (defensie)verdragen en pacten, waaronder de NoordAtlantische Verdragsorganisatie (NAVO).

De verschillende verdragen zorgden er op hun beurt voor dat ook de verschillende communistische regimes een gelijkend pact sloten, het Warschaupact. Hiermee was een tweedeling in Europa ontstaan die als gevolg van het fundamenteel verschil in ideologie voor een machtsstrijd en onoverkoombare verschillen tussen beide kampen zou zorgen. De Koude Oorlog was hiermee ingeluid. Het fragiele machtsevenwicht in Europa werd met name in stand gehouden omdat sprake was van mutual assured destruction, waarbij zowel NAVO-landen als het Warschaupact beschikte over nucleaire wapensystemen die de vijand zouden kunnen uitschakelen nadat het eigen land getroffen was door een atoomwapen (en hetgeen de drempel voor het inzetten van atoomwapens aanzienlijk verhoogde). Ter bestrijding van een eventuele Russische inval zette het Nederlandse defensieapparaat in op een grote parate troepenmacht. Het erfgoed van de Koude Oorlog in Nederland kenmerkt zich dan ook door een uitgesproken nadruk op bescherming tegen de uitwerking

56

Grimm, Van Loo & De Winter (red.) 2017, 397-401 en BHIC.nl. Project V-19.0072

46

van atoomwapens en infrastructuur waarin het materieel, materiaal en manschappen van de parate troepenmacht ondergebracht konden worden.57 3.3.2 Koude Oorlog in de gemeente Meierijstad In Brabant vindt bovenstaande met name zijn neerslag in de vestiging van diverse grotere en minder grote opslaglocaties voor voertuigen, materiaal, munitie, brandstof en levensmiddelen. Zo werden in Eerde, op en rond het voormalige vliegveld B.85, een drietal MOB-complexen (Mobilisatiecomplexen) ingericht, waar materiaal en voertuigen opgeslagen werden. Tegenwoordig zijn deze complexen deels ontmanteld, en zijn bijvoorbeeld deels in gebruik bij een hondenclub. Voorts werd ten oosten van Schijndel een opslaglocatie bestaande uit een drietal loodsen gebouwd ter opslag van materiaal voor het Korps Mobiele Colonnes van de Bescherming Bevolking. In Veghel, aan de oostkant van de ZuidWillemsvaart, lag een zogenaamd MIBO-magazijn (Materieelvoorziening in Bijzondere Omstandigheden). Dit magazijn diende ter opslag van medisch materiaal ter aanvulling van de voorraden in ziekenhuizen en voor noodziekenhuizen gevorderde panden. Deze loodsen en opslaglocaties worden momenteel deels gebruikt voor commerciële doeleinden.58

57 58

47

Beekmans & Schilt 2013. Forten.info en stelling-amsterdam.nl. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=451b5f03-45ed-41ae-9c87-be5ba93aaea3