CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Kremselen 7 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'18.834 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

25

projectlocatie

Afbeelding 14: uitsnede kaart CHW-kaart 2015 (bron: provincie Noord-Brabant) Het Groene Woud Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens.

Ontwikkeling strategie -

Het behoud van de kleinschalige karakteristieken; Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen; De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud; Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving

De beoogde ontwikkeling betreft wijzigen van de bestemming. Hierbij is er geen sprake van oprichting, wijziging en/of uitbreiding van gebouwen. De beoogde ontwikkeling heeft daarom niet of nauwelijks effect op de cultuurhistorische landschap ‘Groende Woud’ zoals hierboven in het kader is omschreven. Daarnaast gaat wijziging van de bestemming gepaard met een goede landschappelijke inpassing. In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1) wordt ingegaan op de landschappelijke kenmerken en hoe deze kenmerken worden versterkt in het landschappelijk inpassingsplan. Ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn er derhalve geen bezwaren ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. 4.3 Flora en fauna Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

26

De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant.

Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie de navolgende afbeelding. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

projectlocatie

Afbeelding 15: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov (bron: provincie Noord-Brabant)

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

27

4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kampina en Oisterwijkse Vennen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek, Kempenland-West. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van ongeveer 9 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de realisatie- en gebruiksfase van het initiatief. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3. In Bijlage 4 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Voor Kremselen 7 te Sint-Oedenrode is een vergunning aanwezig in het kader van de Wet milieubeheer voor het houden van 20 melkkoeien, 80 stuks jongvee en 59 vleesvarkens.

Door het beëindigen van de veehouderij ter plaatse van de projectlocatie wordt een aanzienlijke milieuwinst behaald. Zo vindt er een afname plaats van de hoeveelheid stikstof die wordt uitgestoten, namelijk 776 kg NH3/per jaar. In de volgende tabel wordt de vigerende vergunning weergegeven met bijhorende emissies. Met de omschakeling van de veehouderij naar een aannemer-/timmerbedrijf wordt een afname van de hoeveelheid stikstof verwacht.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

28

Tabel 1: vigerende vergunning 12-09-1994 Ammoniak Dier categorie

RAV code

Huisvestingssysteem

Aantal dieren kg NH3 totaal per kg NH3 dier

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A 1.100

Overige huisvestingssystemen

20

12,35

vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

A 3.100

Overige huisvestingssystemen

80

vleesvarkens

D 3.100

Overige huisvestingssystemen

59 Totaal:

Geur

Fijn stof

Geur emissiefactor

totaal OUE

gr. PM10 per dier

totaal kg PM10

247,00

-

-

118,00

2,36

4,40

352,00

-

-

38,00

3,04

3,00

177,00

23,00

1.357,00

153,00

9,03

776,00

1.357,00

14,43

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de op de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

29

-

Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

De beoogde activiteiten vinden plaats in de bestaande gebouwen op de projectlocatie Kremselen 7 te Sint-Oedenrode. Er worden geen bestaande gebouwen gesloopt en geen nieuwe gebouwen opgericht. Derhalve kan er geconcludeerd worden dat er geen eventuele beschermde natuurwaarden verstoord worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het verstoren van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de projectlocatie is hier geen sprake van.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.4.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

30

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.1.3 zijn er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water gelegen op de projectlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels is bekend dat het doel om moet; er moet zuinig worden omgegaan met het water en de bodem.

Doel van RWP: - Voldoende water - Schoon water - Veilig water - Vitale bodem - Klimaatadaptatie Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het waterbeheerplan 2022-2027 schets de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. Waterschap De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in het klimaat en in de omgeving. In 2050 wil waterschap De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Door de klimaatverandering is de watertransitie van belang, omdat het gebruik van (grond) water toeneemt en het weer extremer wordt. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. Werken aan de ecologische kwaliteit van het water in de beken, sloten en het ondiepe grondwater in het gebied; - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater.

Watertransitie 2050 -

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het boden en watersysteem aan; Wat schoon is, moet schoon blijven;

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

31

het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.

4.4.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de ‘Vastgestelde legger oppervlaktewaterlichamen 2018’. Hierop dan de A- en B-watergangen in de omgeving van de projectlocatie weergegeven. Rondom aan de rand van de projectlocatie, langs de kadastrale percelen 510 en 815 is een B-watergang gelegen. projectlocatie

Afbeelding 16: uitsnede ‘Vastgestelde legger oppervlaktewaterlichamen 2018’ (bron: Waterschap De Dommel) In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.4.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie wijzigt de waterhuishoudkundige situatie niet. Ook in de beoogde situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Daarnaast worden er geen gebouwen gesloopt of opgericht. Derhalve is er geen sprake van en toe- of afname van het verhard oppervlakte. De eerdergenoemde B-watergangen blijven tevens ongewijzigd. Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

32

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.5 Bodem In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het initiatief betreft het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ naar de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van het aannemers-/timmerbedrijf. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De bestaande bedrijfswoning mag al als zodanig worden gebruikt.

De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor het aannemers/timmerbedrijf, opslag en hobbymatige agrarische doeleinden, zoals het opslaan van werktuigen en het hobbymatig houden van enkele paarden. Dit gebruik is vergelijkbaar met het huidige gebruik als stal en dus niet gericht op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. Er is derhalve geen sprake van onaanvaardbare risico’s voor de huidige en toekomstige gebruikers van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is dan ook niet noodzakelijk. 4.6

(Ondergrondse) infrastructuur

4.6.1

Kabels en leidingen

4.6.2

Radarverstoringsgebieden

In of nabij de projectlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 22). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de projectlocatie in beeld te brengen. Defensie heeft zeven radarstations in gebruik. Deze vervullen taken voor zowel het militaire apparaat (verkeers- en gevechtsleiding) als voor de nationale veiligheid. Om de werking van deze radarstations niet te beperken, zijn om deze stations radarverstoringsgebieden aangewezen waarbinnen windmolens en hoge gebouwen beperkt mogelijk zijn. Op de kaart ‘Nationale ruimtelijke hoofdstructuur’ behorende bij de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de projectlocatie gelegen binnen een radarverstoringsgebied. Aangezien onderhavig initiatief geen ontwikkeling van windmolens of hoge gebouwen betreft, is de ligging in een dergelijk gebied geen belemmering voor het plan. 4.7 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

33

De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie is gelegen in gemengd landelijk gebied.

Het gebied wordt gevormd door lintbebouwing op ruime percelen met een diversiteit aan functies en bestemmingen, zoals (burger)woningen, landgoed, agrarische bedrijven en overige bedrijven. De projectlocatie kan dan ook worden getypeerd als een gemengd gebied. Wanneer sprake is van omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Dit is mogelijk omdat een gemengd gebied vaak al een hogere milieubelasting kent. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. In de huidige situatie is er een rundvee- en varkenshouderij gevestigd op de locatie Kremselen 7 te Sint-Oedenrode, behorende tot de milieucategorie 3.2 en 4.1. In tabel 2 zijn de bijbehorende richtafstanden milieuzonering weergegeven. De grootste richtafstand is 100 meter voor een gemengd gebied.

Tabel 2: richtafstanden milieuzonering huidige situatie Omschrijving Fokken en houden van rundvee Fokken en houden van varkens

SBI-code SBI-2008: 0141, 0142 SBI-2008: 0146

Milieucat. 3.2 4.1

Geur 50 100

Stof 10 10

Geluid 10 30

Gevaar 0 0

In de beoogde situatie wordt een aannemers-/timmerbedrijf gevestigd op de projectlocatie. Een aannemers-/timmerbedrijf met een bedrijfsvloer oppervlakte behoort tot milieucategorie 3.1. In tabel 3 zijn de bijbehorende richtafstanden milieuzonering weergegeven. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter. De dichtstbij liggende woning van derden (Kremselen 9a) bevindt zich op een afstand van ongeveer 10 meter gemeten vanaf de grens van de enkelbestemming ‘Bedrijf’ tot aan gevel van de woning. Er wordt hiermee niet voldaan aan de uitgangspunt van de richtafstand voor het aspect ‘geluid’, uit de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Mits goed gemotiveerd, kan een kleinere richtafstand aangehouden worden dan de richtafstand in de VGNpublicatie. Het aspect ‘geluid’ is de belangrijkste factor die een rol speelt bij deze categorie. Daarom is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor dit project (zie bijlage 5). Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.9. Hieruit blijkt dat de aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met milieucategorie 2. Voor een bedrijf in de milieucategorie geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect ‘geluid’. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden vanuit de grensinrichting tot woningen van derden.

Tabel 3: richtafstanden milieuzonering Omschrijving aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.> 1000 m²

SBI-code SBI-41, 42, 43

Milieucat.

Geur*

Stof*

Geluid*

Gevaar

3.1

0

10

30

10

*De richtafstanden zijn met één afstandsstap verlaagd, behalve het aspect gevaar

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

34

Ten aanzien van de beoogde ontwikkelingen, het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, wordt de veehouderij beëindigd. Met omschakelen van de rundvee- en varkenshouderij naar een aannemers/timmerbedrijf wordt de milieucategorie ter plaatse van de projectlocatie verlaagd van maximaal 4.1 naar milieucategorie 3.1. De bijbehorende richtafstanden ten aanzien van milieuzonering worden hierbij ook verlaagd. Dit houdt in dat de milieubelasting op de directe omgeving wordt verlaagd. Op grond van bovenstaande kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a.

Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van de projectlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.8.1

Omgekeerde werking

Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. De bedrijfswoning is en blijft een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. De bedrijfsgebouwen ten behoeve van aannemersbedrijf zijn gevoelige objecten. De gebouwen maken onderdeel uit van een veehouderij die op of na 19 maar 2000 is beëindigd, artikel 3, tweede lid, van de Wgv is daarom van toepassing voor zowel de bedrijfswoning als ook de gebouwen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen (zie tabel 4). Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie dus al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. De dichtstbijzijnde veehouderij (Liempdeseweg 19 te Sint-Oedenrode) is gelegen op een 150 meter ten opzichte van projectlocatie. Er wordt dus voldaan aan de gestelde vaste afstand van zoals genoemd in artikel 3, tweede lid van de Wgv. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

Tabel 4: Overzicht waarde geurbelasting en minimum afstand per geurgevoelig object (handreiking Wet geurhinder en veehouderij) Gevoelig object

Ligging geurgevoelig object c Voormalige agrarische bedrijfswoning (of geurgevoelig object die op of na 19 maart 2000 is opgehouden onderdeel uit te maken van een andere veehouderij (art 3 lid 2)

Dieren met een geuremissiefactor Waarde Afstand emissiepunt geurbelasting dierenverblijf tot buitenzijde geurgevoelig object Binnen Buiten bebouwde bebouwde kom kom

n.v.t.

100 m

50 m

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

afstandsdieren Afstand emissiepunt dierenverblijf tot buitenzijde geurgevoelig object Binnen Buiten bebouwde bebouwde kom kom

100 m

50 m

Alle dieren Afstand buitenzijde dierenverblijf tot buitenzijde geurgevoelig object Binnen Buiten bebouwde bebouwde kom kom

50 m

25 m

35

4.8.2

Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij Wgv, zoals hiervoor genoemd wordt er op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv voldaan aan het wettelijk kader. Daarnaast wordt er aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNG-handreiking. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de projectlocatie is gelegen aan Liempdeseweg 19 te Sint-Oedenrode. Dit betreft een varkenshouderij. Hiervoor geldt op grond van de VNG-handreiking een richtafstand van 100 meter (gemengd landelijk gebied). De varkenshouderij is gelegen op een afstand van ruim 150 meter ten opzichte van projectlocatie. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van veehouderijen in de omgeving. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de projectlocatie nader te beschouwen wordt aansluiting gezocht bij de regionale geurkaart 2020.1 ODBN-regio waarop de waarop de geurcontouren zijn weergegeven. De achtergrondbelasting en de bijbehorende belasting met daaraan gekoppeld de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat zijn weergegeven in afbeelding 17.

projectlocatie

Afbeelding 17: uitsnede geurcontourkaart regionale geurkaart ODBN-regio 2020.1 (bron:ODBN) Uit deze uitsnede van de contourenkaart blijkt dat er ter plaatse van de projectlocatie sprake is van een achtergrondbelasting <5 OUE/m3. Om te bepalen of een achtergrondbelasting < 5 OUE/m3 acceptabel is wordt aangesloten bij de beoordelingssystematiek van het RIVM. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in tabel 4. Hieruit is op te maken dat de milieukwaliteit ter plaatse, op basis van een percentage geurgehinderden van 5-10%, wat betekent dat er sprake is van een goed en dus acceptabel woon- en leefklimaat. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder onderstaande milieukwaliteitscriteria:

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

36

Tabel 5: Milieukwaliteitscriteria RIVM Milieukwaliteit

Geurgehinderden (%)

Achtergrond (OUE)

Zeer goed

<5

0-3

Goed

5 - 10

3-8

Redelijk goed

10 - 15

8 - 13,7

Matig

15 - 20

13,7 - 20,7

Tamelijk slecht

20 - 25

20,7 - 29,3

Slecht

25 - 30

29,3 - 39,6

Zeer slecht

30 - 35

39,6 - 52,1

Extreem slecht

35 - 40

52,1 - >

Gezien voorgaande wordt er voldaan aan zowel het wettelijk kader als gezondheidskundige advieswaarde. Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9 Akoestiek De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de projectlocatie zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. De projectlocatie is wel gelegen binnen het geluidszone van straten Kremselen en Bus. Met de beoogde ontwikkeling wordt echter geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De vrijkomende bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet.

In de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG is een richtafstand van 30 meter voor geluid opgenomen voor de bestaande vigerende activiteiten die op de locatie plaatsvinden (fokken en houden van rundvee en fokken en houden van varkens). In de beoogde situatie is er sprake van milieucategorie 3.1 bedrijf op basis van de VGN-publicatie. Voor een bedrijf uit milieucategorie 3.1, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter. De dichtstbij liggende woning van derden (Kremselen 9a) bevindt zich op een afstand van ongeveer 10 meter gemeten vanaf de grens van de enkelbestemming ‘Bedrijf’ tot aan de gevel van de woning. Er wordt hiermee niet voldaan aan het uitgangspunt voor de richtafstand ‘geluid’ uit de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Mits goed gemotiveerd, kan een kleinere richtafstand aangehouden worden dan de richtafstand in de VGNpublicatie. Ten behoeve van de oprichting van een aannemers/timmerbedrijf op de projectlocatie is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd door M&A Omgeving BV. Het rapport hiervan (d.d. 27 oktober 2020, rapportnummer 220-SKr7-il-v2) is als separate bijlage bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 5). In dit akoestisch onderzoek is de geluidsuitstraling van de totale inrichting bepaald aan de hand van de maximale bedrijfsactiviteiten.

Het bedrijf geldt als een categorie 3.1 bedrijf (werkplaats groter dan 1000 m2). In onderhavig onderzoek wordt aangetoond dat het bedrijf vergelijkbaar is met een categorie 2 bedrijf op basis van het geluidsaspect. In dit rapport wordt geconcludeerd dat uit de berekeningen volgt dat met de representatieve bedrijfssituatie op de omliggende woningen wordt voldaan aan de gestelde richtwaarden. Voor de woning Kremselen 9 vindt in de dagperiode een overschrijding met 1 dB(A) in de dagperiode en 5 dB(A) in de avondperiode plaats t.o.v. de richtwaarde voor het maximale geluidsniveau. Het betreft een

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

37

rijbeweging van een personenauto en hiervoor zijn geen maatregelen mogelijk, vanwege de korte afstand van de rijroute tot de bewuste woning. De grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde wordt niet overschreden. Voor de indirecte hinder wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Geconcludeerd wordt daarom dat er geen belemmeringen bestaan voor de realisatie van het aannemersbedrijf uit akoestisch oogpunt. Het bedrijf kan gelijkwaardig worden gesteld aan een categorie 2 bedrijf. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.10 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht.

Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1 Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Voor het beoogde aannemers-/timmerbedrijf dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

38

Om de verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet te bepalen kan worden aangesloten bij de CROW. Voor een bedrijf in de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’, dat is gelegen in de centrumschil in weinig stedelijk gebied, wordt een verkeersgeneratie van 3,9-5,7 per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte voorgeschreven. De bedrijfsbebouwing ten behoeve van het aannemers/timmerbedrijf heeft in de beoogde situatie een omvang van maximaal 900 m2. Dit resulteert in een worst-case scenario in een weekdaggemiddelde van 51,3 verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat bij een toename met dit aantal de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. Bovendien vinden er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar de inrichting plaats, ten behoeve van de rundvee- en varkenshouderij. Verwacht wordt dat het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie juist zal afnemen. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

25

Aandeel vrachtverkeer

25,0%

NO2 in μg/m

3

0,06

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 18: uitsnede NIBM-tool De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.10.2 Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,82 μg/m3, voor PM2,5 11,59 μg/m3 en voor NO2 13,93 μg/m3, zie afbeelding 19, 20 en 21.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

39

projectlocatie

Afbeelding 19: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10

projectlocatie

Afbeelding 20: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

40

projectlocatie

Afbeelding 21: uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2 Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

41

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Indien de projectlocatie gelegen is binnen het invloedsgebied geldt er een verantwoordingsplicht met betrekking tot het groepsrisico. Dit betekent dat het groepsrisico verantwoord moet worden.

4.11.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Indien van toepassing moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst worden aan overige wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid zoals bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit en Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

42

projectlocatie

Afbeelding 22: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten exploitatie van een aannemers-/timmerbedrijf op de projectlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de projectlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de projectlocatie. Het project voorziet daarnaast niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Daarnaast ligt de projectlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit project geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Er zijn op of nabij de projectlocatie geen buisleidingen gelegen. Een verdere beoordeling aan het Bevb is niet van toepassing. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijkswegen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing.

Hoogspanningslijnen

Op een afstand van ongeveer 3,7 kilometer en 6,6 kilometer ligt een hoogspanningslijn, zie navolgende afbeelding. Gelet op de afstand tussen het projectlocatie en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering voor het initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

43

projectlocatie

Afbeelding 23: weergave dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bron: netkaart RIVM) Aangaande de initiatieflocatie zijn er volgens de risicokaart geen risico’s aanwezig. Onderhavig initiatief ondervindt geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid. Daarnaast vormt de wijziging naar de functie ‘Bedrijf’ geen belemmeringen op basis van veiligheid voor de omgeving. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de externe veiligheid. 4.12 Verkeer en parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

4.12.1 Verkeer

Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de inrichting bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen daarnaast ook vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf.

4.12.2 Ontsluiting

Het bedrijf wordt in zowel de huidige als in de nieuwe situatie ontsloten via 1 bestaande in- en uitrit op de Kremselen, zie navolgende afbeelding. De ontsluiting wijzigt niet t.o.v. de huidige vigerende situatie. De Kremselen is een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmings- en sluipverkeer. De weg wordt ontsloten door Liempdeseweg en de Populierenlaan. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

44

Afbeelding 24: ontsluiting projectlocatie, met een rode pijl is de ontsluiting weergeven 4.12.3 Parkeren

Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. In de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ worden de landelijke CROW richtlijnen vertaald naar de situatie in de gemeente Meierijstad. Hierbij wordt aangegeven dat bij wijziging van gebruik er voorzien moet worden in de extra parkeerdruk die de nieuwe ontwikkeling genereert. Oftewel: aantal te realiseren parkeerplaatsen = parkeerbehoefte op basis van nieuwe functie minus parkeerbehoefte van oude functie. In onderstaande tabel wordt de parkeerbehoefte van de oude en de nieuwe functie aangegeven. De oude functie (een agrarisch bedrijf) kan gezien worden als een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf. De nieuwe functie (een aannemers-/timmerbedrijf) kan tevens gezien worden als een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf, de werkzaamheden vinden veelal extern plaats. Het aantal benodigde parkeerplaatsen wijzigt niet t.o.v. de huidige situatie.

Tabel 6: Berekening aantal te realiseren parkeerplaatsen Max. per 100 m2 bvo* Aannemers-/timmerbedrijf

Arbeidsextensief/ bezoekersextensief Agrarisch bedrijf Arbeidsextensief/ bezoekersextensief Aantal te realiseren parkeerplaatsen * Aandeel bezoekers 5%

1,2 1,2

Max. aantal parkeerplaatsen 10,8 10,8 10,8

De oprit is ruim 45 meter lang. Uitgaande van 1,5 auto per 10,5 meter oprit (zie Nota Parkeernormen Meierijstad 2018) is dit 6,4 parkeerplaatsen. Naast de loods is tevens voldoende ruimte aanwezig voor parkeermogelijkheden. De loods is ongeveer 30 meter lang. Er is ruimte voor zeker 2 rijen parkeerplaatsen. Dit betekend dat hier nog eens ruimte is voor 8,6 parkeerplaatsen. Hiermee is geborgd dat er ruim voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn binnen de projectlocatie. Op afbeelding 25 is tevens te zien dat in de bestaande situatie en beoogde situatie voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn, conform de Nota. Dit wordt tevens geborgd in de regels. Gezien bovenstaande wordt voor het aspect parkeren voldaan aan de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 van de gemeente Meierijstad. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.

Ruimtelijke onderbouwing Kremselen 7, Sint-Oedenrode

45

4.13 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

4.13.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden

Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7e012436-5727-4eb5-ba02-8f1e91a825a8