i Concept-BP Vlas en Graan - Stadhuisplein
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
30
Derhalve is er een stikstofdepositieberekening opgesteld voor de gebruiksfase van het ruimtelijk initiatief. Uit deze berekening blijkt dat er geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j te verwachten zijn. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. In de bijlagen bij deze toelichting is de stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is opgenomen. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. De Aa is aangewezen als NNB. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven. De nieuwe indeling zorgt ervoor dat auto’s verder van de NNB vandaan blijven en een groenstrook tussen het plangebied en de NNB ontstaat. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Wel is het van belang licht gericht en uitschijnend op de Aa te vermijden. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing beschermde soorten De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.
De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een
Hoofdstuk 4
31
ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Doorwerking plangebied Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen; Met betrekking tot de sloop van het bestaande sportcomplex zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven.
Hoofdstuk 4
32
Uit de resultaten van een eerder uitgevoerd gericht veldonderzoek1 naar de aanwezigheid van beschermde vleermuizen komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen vliegroutes of verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Op grond van bovenstaande analyse en met inachtneming van bovengenoemde aspecten voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan het Stadhuisplein te Veghel zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
4.4 Water Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het SGBP voor het Nederlandse deel van het Maasstroomgebied. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. In Nederland wordt dit uitgeoefend door de diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voor planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor de kleine planontwikkeling (<500 m2 buiten hydrologische gevoelig gebied) is de gemeente Meijerstad
1
Adviesbureau Mertens BV (2018) Vleermuizen ter plaatse van Stadhuisplein te Veghel; rapportnummer: 2017.2813
Hoofdstuk 4
33
bevoegd/toetsend gezag. De gemeente Meierijstad (waartoe Veghel behoort) en Waterschap Aa en Maas hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad). Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt zoveel als mogelijk de maatschappij betrokken. Op particulier terrein liggen nog veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Binnen de waterketen en het watersysteem benutten we de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme.
Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Derhalve is er een waterrapportage opgesteld door Aeres Milieu. In de rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen, in deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een Waterparagraaf opgesteld voor het plangebied van de totaal ontwikkeling aan het Stadhuisplein, inclusief de toekomstige ontwikkeling van een stedelijke functie en parkeerterrein ter plaatse van de vrijkomende locatie van het huidige zwembad en sporthal.
In deze toelichting worden de belangrijkste bevinden vermeld die betrekking hebben op onderhavig plangebied van het nieuwe zwembad, het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage. Het plangebied ligt in het centrum van Veghel en wordt omringd door stedelijke bebouwing. Ten westen van het plangebied ligt een appartementencomplex met daarachter de Aa. In het noorden grenst het plangebied aan de openbare straat Vlas en Graan en in het zuiden aan het Stadhuisplein. Aan de oostzijde liggen enkele winkelgelegenheden en appartementencomplexen. Voor de herinrichting van het projectplan is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied ligt in
Hoofdstuk 4
34
het lager gelegen gebied van het centrum, dat afloopt naar de Aa. Op perceelniveau kent het plangebied nauwelijks hoogteverschillen. Het maaiveld van het plangebied is ca. 10,0 m +NAP. De straat Vlas en Graan ligt op een hoogte van ca. 9,8 m +NAP en nabij de Aa op ca. 3,0 m-mv. Grondwater Op basis van de verwachte bodemopbouw zal er een matig tot slechte doorlatendheid aanwezig zijn in het plangebied. De aanwezigheid van leemlagen zal de verticale infiltratiemogelijkheden een sterk beperken. Het grondwater zal in westelijke richting stromen naar de Aa en bevindt zich gemiddeld op een hoogte van ca. 7,90 m +NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich buiten de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Op de onderzoekslocatie wordt een gemiddelde grondwaterstand verwacht op ca. 2,1 m-mv en een GHG op ca. 1,60 mmv. Voor de toekomstige ontwikkeling wordt voldaan aan de benodigde drooglegging (0,7 m onderzijde vloer bij gebouwen en 0,5 m voor tuinen). Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de nieuwbouw ca. 20 cm boven de kruin van het maaiveld aan te leggen zodat eventuele instroom in het pand vermeden wordt. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend.
De onderzoekslocatie ligt niet in een(grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover ons bekend, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve van de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door het planvoornemen is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is een kleine vijver aanwezig en in het westen ligt de Aa. Dit oppervlaktewater kan gebruikt worden voor de (nood)afvoer van hemelwater. Echter wordt geadviseerd om niet direct aan te sluiten op de Aa en bij voorkeur aan te sluiten op het hemelwaterriool van de gemeente. De vijver zou eventueel als retentiebassin gebruik kunnen worden waarvan uiteindelijk een overloop naar de Aa gemaakt kan worden. Overleg met de gemeente Meierijstad en het waterschap Aa en Maas is hierbij noodzakelijk. Het oppervlaktewater wordt beheerd door het waterschap Aa en Maas. De basis voor het ontwerp van infiltratie- en/of retentievoorzieningen is omgeschreven in de keur. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen hieraan dient het waterschap betrokken te worden bij het watertoets proces. Afvalwater In het onderzoeksgebied is een gemengd rioolsysteem aanwezig waarop de huidige bebouwing aangesloten is.
Deze bebouwing functioneert als sportcentrum en zwembad en heeft daardoor voldoende afvoervoorzieningen. Het nieuw te realiseren plan is gelijkaardig en zal naar verwachting geen afvalwaterafvoer problemen veroorzaken.
Hoofdstuk 4
35
In de straten rondom het onderzoeksgebied (Vlas en Graan, Stadhuisplein) is naast een gemend rioolsysteem ook een hemelwater rioolsysteem aanwezig. In het hemelwaterstructuurplan is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het hemelwater voor het plangebied en omgeving gescheiden aangeboden wordt op het gemeentelijk stelsel en afstroomt naar het oppervlaktewater. Bij de herinrichting zal op eigen terrein een gescheiden rioolstelsel aangelegd worden en aangeboden worden aan het gescheiden rioolstelsel van de gemeente. Voor de aansluiting van de nieuwbouw op het gemeentelijk stelsel dient ten tijde bij de gemeente Meierijstad een aansluiting aangevraagd te worden. Hemelwater Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Naar aanleiding van de verwachte bodemsamenstelling zullen er slechte infiltratiemogelijkheden zijn in de bodem. Op basis van het waterstructuurplan van de gemeente Meierijstad is het uitgangspunt dat het hemelwater minimaal gescheiden wordt. De straten rondom het onderzoeksgebied zijn reeds voorzien van deze gescheiden rioolsystemen en het onderzoeksgebied kan hierop worden aangesloten.
In de huidige situatie is, waar het nieuwe zwembad wordt geprojecteerd, het plangebied reeds grotendeels verhard en een klein gedeelte is braakliggend terrein. Door het voorgenomen bouwplan neemt het verhard oppervlak toe met ca. 440 m 2. Hierbij is het parkeerterrein nabij het zwembad vooralsnog als geheel verhard geteld. Daarnaast was tot recent het nu onverhard oppervlak ook bestraat (en aangesloten op het gemeentelijk stelsel). Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak. Het gemeentelijk beleid is algemeen gericht op het zoveel mogelijk ter plaatse verwerken van hemelwater. Door het bijkomend verhard oppervlak bedraagt de benodigde waterberging ca. 27 m 3. De totale waterverwerking in het plan is afhankelijk van het gemeentelijk gescheiden stelsel want de gescheiden aanlevering mag geen belemmering opleveren. Het hemelwater kan zowel bovengronds en ondergronds verwerkt worden, echter wordt er verwacht dat de infiltratiesnelheid in het onderzoeksgebied slecht zal zijn. Bij de aanleg van een absolute infiltratievoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren. De hemelwaterverwerking van het toegenomen verhard oppervlak kan op verschillende manieren plaatsvinden. Met een GHG van 1,6 m-mv kan deze berging zowel bovengronds en ondergronds.
De volgende mogelijkheden kunnen gebruikt worden voor de hemelwaterverwerking: Het projectplan kan worden aangesloten op het gescheiden rioolsysteem in de Vlas en Graan en het Stadhuisplein, waardoor alleen de toename in verhard oppervlakte geborgen moet worden op eigen terrein. Aanleg van een greppel/wadi aan de westkant van het onderzoeksgebied met een minimale diepte van 40 cm. Enkele laag infiltratiekratten (of vergelijkbaar) met waterpasserende bestrating onder de straatverharding / tijdelijke parkeergelegenheden. Waterberging op het platte dak.
Hoofdstuk 4
36
In overleg met de gemeente Meierijstad geheel afvoeren naar het gescheiden rioolsysteem zonder berging.
Bij ondergrondse infiltratie dient een bovengrondse noodoverloop bijvoorbeeld via de kolk aangelegd te worden die dan oppervlakkig afstroomt naar het gemeentelijk stelsel. Verder dient rekening gehouden te worden met de benodigde gronddekking op een ondergrondse voorziening. Tevens wordt hierbij een voorzuivering geadviseerd om dichtslibben van de voorziening te vermijden. Het westelijke gedeelte van het plangebied kent volgens de Interim Omgevingsverordening de aanduiding ‘Behoud en herstel watersystemen’. Deze aanduiding wordt in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. Behoudens een klein gedeelte van het nieuwe zwembad wordt er verder met bebouwing ten behoeve van het zwembad buiten deze zone gebleven. In onderhavig bestemmingsplan is een zoekzone voor een nieuwe brug over de Aa opgenomen. De huidige positionering van de langzaamverkeersverbinding tussen het Julianapark en het Stadhuisplein is met het verdwijnen van het theater en feitelijk ook al eerder met de bouw van het appartementengebouw ‘Aa-Residence’ niet meer gunstig en logisch gelegen. Een nieuwe brug, ter vervanging van de bestaande, zal de verbinding en zichtlijn tussen het Julianapark en Stadhuisplein versterken. De plannen voor de brug zijn nog niet uitgewerkt, bij verdere uitwerking wordt contact gezocht met het waterschap.
Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de kleine verhardingstoename, aanvullende waterretentie op eigen terrein en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de planontwikkeling. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening opgenomen te zijn. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het openbaar gebied.
4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een bodemonderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740 en 5707, voor het plangebied van de totaal ontwikkeling aan het Stadhuisplein, inclusief de vrijkomende
Hoofdstuk 4
37
locatie van het huidige zwembad en sporthal. In deze toelichting worden de belangrijkste bevinden vermeld die betrekking hebben op onderhavig plangebied, het gehele onderzoek is opgenomen als bijlage. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Op basis van de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek, dient in de directe omgeving wel rekening gehouden te worden met het aantreffen van licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de grond en licht verhoogde gehalten met zware metalen in het grondwater. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet worden uitgesloten (verdacht). Tijdens de veldinspectie zijn binnen het plangebied geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk baksteen-, puin en asfaltresten waargenomen. In het uitgegraven materiaal van de asbestinspectiegaten zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en xylenen.
Ter plaatse van boorpunt 1, geven de resultaten van het bodemonderzoek aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de aard en omvang van de aangetoonde verontreiniging met zink. Er dient een nader bodemonderzoek plaats te vinden naar de omvang van de grondverontreiniging met zink boven de interventiewaarde. Dit moet voor de sloop van het bestaande gebouw gebeuren. Dit boorpunt is echter niet gelegen binnen onderhavig plangebied. Binnen het plangebied zijn geen verontreinigingen geconstateerd, de milieuhygiënische conditie van de bodem vormt voor onderhavig plangebied derhalve geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Na de sloop van de bestaande bebouwing dient de bodem onder het voormalige gebouw te worden onderzocht. Doel is om na te gaan of er geen sloopafval is achtergebleven in de bodem. Geadviseerd wordt om na sloop van de bestaande bebouwing de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen binnen de voormalige bebouwingscontour. De bestaande bebouwing van het huidige zwembad en de sporthal is buiten onderhavig plangebied gelegen. Volgens de huidige schetsen wordt naar verwachting een deel van de vijver gedempt. Er zal gebaggerd moeten worden voordat de vijver gedempt kan worden. Als dit het geval is, dient de waterbodem te worden onderzocht.
In het kader van demping van de vijver wordt nog aanvullend onderzoek gedaan, dit zal uitgevoerd zijn voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Gemeente is zich hiervan bewust en heeft rekening gehouden met de financiële risico’s die hier eventueel aan verbonden zijn. Het nader uit te voeren bodemonderzoek en eventuele sanerende maatregelen vormen geen belemmering voor de financiële haalbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 4
38
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
4.6 (Ondergrondse) infrastructuur In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
39
natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Onderhavig gebied betreft een gebied met functiemenging. Het plangebied bevindt zich in de randzone van het centrum, waar woningen afwisselend met voorzieningen en bedrijfsactiviteiten voorkomen. De richtafstanden mogen met één stap worden verlaagd. Volgens de VNG-publicatie vallen overdekte zwembaden en sporthallen in milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter tot rustige woonwijk en van 30 meter tot gemengd gebied.
Deze richtafstand van 30 meter tussen het huidige zwembad en de sporthal; het nieuwe zwembad en omliggende woningen wordt niet altijd gehaald. De grootste afstand van 30 meter tot gemengd gebied geldt voor het milieuaspect geluid. In onderhavige situatie is sprake er van de sloop van een zwembad en sporthal, waarvan het zwembad terugkomt in nieuwe bebouwing en iets anders situeert ten opzichte van de huidige situatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting afkomstig van het zwembad ter plaatse van de woningen in de omgeving inzichtelijk worden gemaakt. Getoetst is of ter plaatse van de woningen in de omgeving sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat en of de inrichting inpasbaar is in de omgeving. In deze toelichting volgen de belangrijkste conclusies uit het onderzoek, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en indirecte hinder Uit het onderzoek is gebleken dat aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Gesteld kan worden dat sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat en dat de gewenste inrichting inpasbaar is in de omgeving.
Maximaal geluidniveau Binnen de gewenste inrichting zijn geen relevante piekgeluiden aanwezig, het maximaal geluidniveau zorgt niet voor een belemmering van de gewenste planontwikkeling. Industrielawaai vormt hiermee geen belemmering voor het gewenste plan. De Omgevingsdienst Brabant Noord heeft het akoestisch onderzoek beoordeeld. In het kader van BBT en zorgplicht, adviseert de ODBN een tweetal aanvullende maatregelen te nemen. Deze maatregelen worden ook genomen voor het nieuw te bouwen zwembad in Sint-Oedenrode, gemeente Meierijstad en reduceren de totale
Hoofdstuk 4
40
geluidemissie van het zwembad. De reductie van de geluidemissie komt ten goede komt aan de milieukwaliteit van de omgeving. De twee aanvullende maatregelen zijn:
Breng op bron 20 “LBK wedstrijdbad aanzuig” een geluiddemper aan om de bronsterkte van 81 dB(A) te reduceren. Door een geluiddemper aan te brengen, wordt de bronsterkte gereduceerd tot 68 dB(A). Plaats op de axiaal ventilatoren van de Tetris warmtepompen aanvullend axitop diffusors. Door het aanbrengen van de axitop diffusors wordt het afgestraalde geluid van de ventilatoren van de warmtepompen met 2 dB(A) gereduceerd.
De aanvullende maatregelen zullen worden genomen om de geluidsemissie te reduceren. Bij een zwembad moet ook specifiek aandacht besteed worden aan de activiteit ‘opslag chloor’. Hiervoor gelden in het kader van het Activiteitenbesluit de regels voor een opslag conform PGS 15 (opslag in emballage) of PGS 30 (opslag in bovengrondse tank). Gezien er met onderhavige ontwikkeling wordt gekozen voor een andere zuiveringsmethode dan chloor, het zwembad wordt namelijk voorzien van zoutelektrolyse. Hiermee verdwijnt de activiteit ‘opslag chloor’.
4.8 Geurhinder Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend .De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld.
Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geuruitstraling. Het is dan ook niet noodzakelijk om een geuronderzoek uit te voeren. Het aspect geur agrarisch zorgt niet voor belemmeringen.
4.9 Akoestiek wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
Hoofdstuk 4
41
de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg.
Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt er geen nieuwe geluidgevoelige functie gerealiseerd. In het kader van de Wet Geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai dan ook niet noodzakelijk. In paragraaf 4.7 is het aspect geluidhinder van de nieuwe ontwikkeling op omliggende bestaande geluidgevoelige functies reeds behandeld.
4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriele regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een bestaand zwembad nieuw gebouwd. Om de invloed op de luchtkwaliteit te bepalen is de NIBM-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder in tabel 4.2 weergegeven. In paragraaf 4.13 is een berekening gemaakt van de verkeersgeneratie van het nieuwe zwembad. Gezien er geen cijfers zijn opgenomen voor een zwembad in het centrum, is er uitgegaan van de kencijfers voor schil centrum en ‘matig stedelijk’, conform de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. De gemiddelde verkeersgeneratie, in het centrum ‘matig stedelijk’ voor een zwembad is 29,1 per 100 m2 bassin. Er wordt met het nieuw zwembad 535 m 2 bassin gerealiseerd. Daarmee komt de
Hoofdstuk 4
42
verkeers-generatie op 155,69 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is afgerond naar 160 motorvoertuigen per etmaal en dit aantal verkeersbewegingen zijn ingevoerd in de NIBM-tool. Uit de NIBM-tool volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekend mate van invloed is op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is. Bovendien is er geen rekening gehouden met de verkeersbewegingen die in de huidige situatie, met het zwembad en de sporthal worden veroorzaakt. Het aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van de herontwikkeling van het zwembad zal lager zijn dan 160 motorvoertuigen per etmaal.
Tabel 4.2 NIBM-tool
Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.3 zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Meetpunt 15519960 15520048 15520389 15520526 15520523 15520611 Norm
NO2 μg/m3 23.5 23.5 24.0 24.0 22.3 22.3 40
PM10 μg/m3 19.5 19.5 19.6 19.6 19.4 19.4 40
PM10 overschrijdingsdagen 7.2 7.2 7.3 7.3 7.1 7.1 35
PM2.5 μg/m3 11.6 11.6 11.6 11.6 11.6 11.6 25
Jaar 2020 2020 2020 2020 2020 2020
Tabel 4.3: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
Er kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden nabij het plangebied ruim onder de norm liggen. Er zal daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
Hoofdstuk 4
43
4.11 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.). Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants3. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.
3
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Hoofdstuk 4
44
Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. Doorwerking plangebied Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.1 is de risicokaart weergegeven.
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Inrichtingen Het zwembad zelf is aangeduid als risicovolle inrichting door de opslag van chloorbleekloog. Voor de opslag van chloorbleekloog bij zwembaden zijn geen risicoafstanden. De effecten van de chlooropslag komen niet tot buiten de grenzen van de inrichting. Bovendien wordt in de nieuwe situatie het zwembad voorzien van zoutelektrolyse waarmee de inrichting met opslag van chloorbleekloog verdwijnt. Transport Het plangebied valt niet binnen invloedsgebieden van wegen, waterwegen of spoorlijnen.
Hoofdstuk 4
45
Buisleidingen Ten zuiden van het plangebied, op circa 785 meter afstand is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Hiervoor gelden een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 50 en 100 meter. Het langebied ligt niet binnen de 100% en de 1%-letaliteitsgrenscontour. Een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsgebieden van inrichtingen transportlijnen of buisleidingen. Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Uit het voorgaande blijkt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.12 Hoogspanningslijnen Op een afstand van circa 3,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering.
4.13 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Doorwerking plangebied Verkeer Voor de berekening van de verkeersgeneratie van het nieuwe zwembad is gebruik gemaakt van de gemiddelde verkeersgeneratie in de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers par-
Hoofdstuk 4
46
keren en verkeersgeneratie’ (publicatie 381). Aangezien de gemeente Meierijstad in 2020 een omgevingsadressendichtheid van 990 kende4, is sprake van ligging in de stedelijkheidsklasse ‘weinig stedelijk’5. Gelet op de ligging van het plangebied is uitgegaan van de locatiecategorie ‘schil centrum’. Voor een overdekt zwembad hoort hierbij een verkeersgeneratie van minimaal 26,4 mvt/etmaal/100 m 2 bassin en maximaal 31,8 mvt/etmaal/100 m2 bassin. Uitgaande van een bassin van 535 m 2 komt dit neer op een theoretische verkeersgeneratie van minimaal 141,24 mvt/etmaal en maximaal 170,13 mvt/etmaal. Hieruit volgt een gemiddelde theoretische verkeersgeneratie van 155,69 mvt/etmaal. De verwachting is dat de weginfrastructuur in de omgeving van het plangebied de verkeersgeneratie van het nieuwe zwembad moeiteloos kan verwerken. Daarom zorgt het deelaspect verkeer niet voor belemmeringen. Parkeren Onderhavig plan dient te voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het te verplaatsen zwembad. De gemeente Meierijstad is op termijn voornemens om ter plaatse van de huidige sporthal een parkeerterrein met een eventueel parkeerdek te realiseren.
Met de aanleg van dit parkeerterrein zal in de toekomst kunnen voorzien in additionele parkeercapaciteit voor het centrumgebied als geheel en voor zich in de bouwmassa tussen het nieuwe zwembad en Vlas en Graan te vestigen functies en het zwembad in het bijzonder. Op het moment dat de sporthal en het zwembad niet alleen feitelijk maar ook planologisch hun functie verliezen, ontstaat er normatief ruimte in de totale parkeerbalans voor Stadhuisplein en Vlas en Graan, zodat de gewenste vergroening van deze nu nog vrij stenige parkeervelden mogelijk is. Tot deze tijd zal ook bij een planologische situatie waarbij er tijdelijk sprake is van twee bestemmingen en locaties waarbinnen een binnenzwembad mogelijk is, sprake moeten zijn van een sluitende parkeerbalans. Parkeerbehoefte weg te bestemmen functie ‘de Blauwe Kei’ Hierbij dient ook in ogenschouw genomen te worden dat met onderhavig bestemmingsplan de cultuuren ontspanningsfunctie (de Blauwe Kei) wordt wegbestemd en er hierdoor in planologisch opzicht met een lagere theoretische parkeerbehoefte rekening hoeft te worden gehouden. Uitgaande van een parkeernorm van 8,8 pp/100 m2 bvo en een globaal programma van 2700 m 2 bvo zo dit tot een normatieve parkeerbehoefte van 238 parkeerplaatsen leiden. Het meest maatgevende moment voor een theater is de zaterdagavond (100%). Op een werkdagmiddag is dit 25%.
Afgerond gaat het hierbij om 60 parkeerplaatsen. Te amoveren feitelijk aanwezige parkeerplaatsen in plangebied Op een gedeelte van de locatie waar het nieuwe zwembad geprojecteerd is, zijn in de huidige situatie 11 parkeerplaatsen aanwezig. Deze zullen worden geamoveerd en indien nodig ook gecompenseerd.
4 5
Zie Regionale kencijfers Nederland van het CBS, raadpleegbaar via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/70072ned/table?ts=1601992527862. Zie https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/begrippen/stedelijkheid--van-een-gebied--.
Hoofdstuk 4
47
Parkeerbehoefte nieuwe functie (zwembad) Normatief zal de parkeerbehoefte van het nieuwe zwembad afgerond 60 parkeerplaatse bedragen. Dit aantal is gebaseerd op de gemeentelijke parkeernorm van 11,2 pp/100 m2, gebaseerd op een zwembad met een bassin van (circa) 535 m 2. Aangezien de parkeerbehoefte voor het zwembad niet op elk moment van de week maximaal is (60 parkeerplaatsen), en er op basis van een in september 2019 uitgevoerde parkeerdrukmeting is gebleken bestond dat er in het openbaar gebied nog ruimte is om bestaande parkeercapaciteit beter te benutten, is de aanleg van de normatief berekende 60 parkeerplaatsen niet noodzakelijk. Hierdoor wordt voorkomen dat parkeren een onnodig groot ruimtebeslag inneemt. Zo ontstaat er meer ruimte voor bijvoorbeeld groen en openheid van de omgeving. Dit getuigt van zorgvuldig ruimtegebruik en beperken van verharding. In onderstaande tabel is voor verschillende momenten in de week opgenomen hoeveel procent van de 60 parkeerplaatsen naar verwachting bezet zal zijn. Tevens is aangegeven om hoeveel parkeerplaatsen het daarbij gaat. Bezetting parkeerplaatsen Dagdeel
werkdag
koopavond
ochtend
middag
avond
nacht
Percentage Aantal
50% 29,96
50% 29,96
100% 59,92
0% 0
100% 59,92
zaterdag middag
avond
100% 59,92
100% 59,92
zondag middag 75% 44,94
Tabel 4.4: Verwachte theoretische bezetting van de 60 parkeerplaatsen die in beginsel gerealiseerd dienen te worden te behoeve van het zwembad.
Uit voorgaande tabel volgt dat de verwachting is dat de 60 parkeerplaatsen die zouden moeten kunnen worden toegerekend aan het zwembad op bepaalde momenten wel en op bepaalde momenten niet allemaal bezet zijn. In bovenstaande tabel is echter nog geen rekening gehouden met de noodzaak tot het amoveren van 11 parkeerplaatsen vanwege de realisatie van het zwembad. Bij het genoemde absolute aantal benodigde parkeerplaatsen dienen daarom nog 11 parkeerplaatsen te worden opgeteld. Hieruit volgt de volgende theoretische parkeerbehoefte voor verschillende momenten gedurende de week: Benodigd aantal parkeerplaatsen (afgerond) Dagdeel Aantal
werkdag
ochtend 41
middag 41
avond 71
nacht 11
koopavond
zaterdag
71
middag 71
zondag
avond 71
middag 56
Tabel 4.5: Benodigd aantal parkeerplaatsen, rekening houdend met de noodzaak tot het amoveren van 11 parkeerplaatsen.
Hoofdstuk 4
48
Benutten parkeercapaciteit in openbaar gebied Uitgangspunt is zorgvuldig ruimtegebruik en het benutten van zoveel mogelijk bestaande parkeercapaciteit. Om te bepalen hoeveel (tijdelijke) parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd, dient gekeken te worden naar het meest maatgevende moment. capaciteit 163 26 286
05:00 18 1 55
07:30 26 2 132
08:30 57 11 262
09:30 73 12 280
10:30 99 19 287
11:30 105 22 275
12:30 106 21 268
13:30 109 20 261
14:30 115 18 228
15:30 104 13 186
16:30 101 7 138
17:30 79 9 117
Totaal
475 100%
74 16%
160 34%
330 69%
365 77%
405 85%
402 85%
395 83%
390 82%
361 76%
303 64%
246 52%
205 43%
Blauw
189 100%
19 10%
28 15%
68 36%
85 45%
118 62%
127 67%
127 67%
129 68%
133 70%
117 62%
108 57%
88 47%
Vrij
286 100%
55 19%
132 46%
262 92%
280 98%
287 100%
275 96%
268 94%
261 91%
228 80%
186 65%
138 48%
117 41%
Vlas en Graan Stadhuisplein Stadhuisplein
Tabel 4.6: Bezettingsgraad parkeerplaatsen aan het Stadhuisplein en het Vlas en Graan in absolute aantallen en percentages als gemeten op donderdag 26 september 2019
Hierbij is gekeken naar zowel bovenstaand aantal theoretisch gezien benodigde parkeerplaatsen als naar de bezettingsgraad van de bestaande parkeerplaatsen aan het Stadhuisplein en het Vlas en Graan, als volgend uit de uitgevoerde parkeerdrukmeting. Aangezien de bezettingsgraad het hoogst is op donderdag, is de bezettingsgraad voor de donderdag als uitgangspunt genomen. Deze bezettingsgraad is weergegeven in onderstaande tabel. Het maatgevende moment waarvan wordt uitgegaan bij de berekening van het aantal benodigde (tijdelijke) parkeerplaatsen is donderdagochtend om 10.30 uur, omdat het aantal (tijdelijke) parkeerplaatsen dat gerealiseerd dient te worden op die dag en dat tijdstip het grootst is. Waarom dit het geval is volgt uit onderstaande redenering en berekening. In totaal zijn er 475 parkeerplaatsen beschikbaar aan het Stadhuisplein en Vlas en Graan. Er is geen sprake van parkeerdruk indien maximaal 85% van deze parkeerplaatsen bezet is. Tot en met een bezetting van 403 parkeerplaatsen is er dus geen sprake van parkeerdruk. Dit aantal wordt enkel overschreden op de donderdagochtend om 10.30 uur. Op dit moment in de week zijn namelijk 405 van de 475 parkeerplaatsen bezet. Dat betekent dat er geen parkeerplaatsen beschikbaar zijn die kunnen worden gebruikt voor parkeren ten behoeve van het zwembad zonder dat er parkeerdruk ontstaat.
Als aangegeven in tabel 4.5 is het benodigde aantal parkeerplaatsen op een donderdagochtend (o.a. om 10.30 uur) 41. Aangezien er op dat moment in de week geen sprake is van overcapaciteit aan parkeerplaatsen in de omgeving, blijft het aantal theoretisch gezien benodigde (tijdelijke) parkeerplaatsen 41. Op momenten in de week dat theoretisch gezien meer parkeerplaatsen benodigd zijn voor het zwembad, namelijk op de vrijdagavond (koopavond) en zaterdag, is het aantal benodigde (tijdelijke) parkeerplaatsen toch kleiner. Dat heeft te maken met de relatief gezien lagere bezetting van de parkeerplaatsen aan het Stadhuisplein en het Vlas en Graan op deze momenten. Uit de parkeerdrukmeting (zie bijlagen) volgt dat de bezetting op zaterdag het hoogst is om 13.00 uur. Op dat moment zijn 351 van de 403 beschikbare parkeerplaatsen bezet. Daarmee bestaat er een overcapaciteit van 52 par-
Hoofdstuk 4
49
keerplaatsen, terwijl de parkeerbehoefte gerelateerd aan het zwembad op dat moment 71 is. Dat betekent dat het aantal benodigde tijdelijke parkeerplaatsen op dat moment theoretisch gezien 19 is, wat lager is dan het benodigde aantal op de donderdag. Voor de vrijdagavond geldt ook dat de parkeerbehoefte gerelateerd aan het zwembad 71 is. De bezetting van parkeerplaatsen in de omgeving is echter dusdanig laag dat theoretisch gezien de gehele parkeerbehoefte van het zwembad in de omgeving kan worden opgevangen. Op dat moment zijn er dus zelfs geen nieuwe tijdelijke parkeerplaatsen nodig. Uit bovenstaande berekening en bijbehorende toelichting volgt dat het theoretisch aantal benodigde (tijdelijke) parkeerplaatsen maximaal 41 is. Hierbij is echter nog geen rekening gehouden met het feit dat het oude zwembad niet tegelijkertijd met het nieuwe zwembad functioneel zal zijn en met de effecten van de transformatie van het hotel ten zuiden van het plangebied naar een verpleeghuis. Beide brengen een afname in de parkeerbehoefte met zich mee. De manier waarop dat gebeurt is toegelicht in navolgende alinea’s. Afname theoretische parkeerbehoefte oude zwembad en te transformeren hotel In de praktijk zullen er geen twee zwembaden naast elkaar operationeel zijn. Gelet op de bestemming van de gronden waarop het oude zwembad zich bevindt zou hier een andere sportfunctie kunnen worden gevestigd.
Uitgaan van een sporthal als potentiële nieuwe functie is hier reëel. Aangezien voor deze (potentiële) nieuwe sporthal een lagere parkeernorm geldt dan voor een zwembad, zal de vraag naar parkeerplaatsen van deze nieuwe functie lager zijn dan voor het huidige zwembad. Als geen rekening gehouden wordt met aanwezigheidspercentages, dan bedraagt het verschil tussen de parkeernormen voor beide functies 15,84 parkeerplaatsen. Rekening houdend met een aanwezigheidspercentage van 50% kunnen er dan 7,92 parkeerplaatsen van het aantal te realiseren parkeerplaatsen van 41 worden afgetrokken. Daarmee komt het aantal te realiseren parkeerplaatsen uit op 33,78. In aanvulling op bovenstaande brengt ook een ontwikkeling ten zuiden van het plangebied met zich mee dat het aantal te realiseren parkeerplaatsen kan worden verlaagd. Het gebouw ten zuiden van het plangebied is op dit moment in gebruik als hotel (met 36 kamers) en als fysiotherapiepraktijk (met 6 kamers). Dit gebouw zal worden getransformeerd naar een verpleeghuis (met 33 kamers) en een fysiotherapiepraktijk (met 3 kamers). In de oude situatie geldt voor de functies in betreffend gebouw een totale parkeernorm van 45,6 parkeerplaatsen, terwijl de totale parkeernorm in de nieuwe situatie 27,9 is. Dat betekent dat de totale parkeernorm in de nieuwe situatie 17,7 parkeerplaatsen lager is dan in de oude situatie.
Rekening houdend met een aanwezigheidspercentage van 100% voor de fysio (sociaal-medisch) en 50% voor het verpleeghuis op een maatgevende werkdag-ochtend, bedraagt de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 11,3 parkeerplaatsen. Dit laatste aantal kan van het aantal van 33,78 te realiseren parkeerplaatsen worden afgetrokken. Daarmee komt het aantal te realiseren (tijdelijke) parkeerplaatsen uiteindelijk uit op 21,8. Naar boven toe afgerond zullen dus maximaal 22 (tijdelijke) parkeerplaatsen ten behoeve van het zwembad nodig zijn. Bovenstaande is uitgewerkt in een parkeerbalans die opgenomen is in de bijlagen. Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van bovenstaande. Onderliggende berekeningen zijn opgenomen in de bijlagen.
Hoofdstuk 4
50
Theretische totale parkeernorm nieuwe zwembad, uitgaande van de donderdagochtend om 10.30 uur als maatgevend moment en een aanwezigheidspercentage van 50% voor het zwembad Afname p-behoefte vanwege sluiting oude zwembad en (theoretische) toevoeging andere sportfunctie (sporthal), rekening houdend met een aanwezigheidspercentage van 50% voor de sporthal Afname p-behoefte vanwege transformatie hotel naar verpleeghuis en afname aantal behandelkamers fysio Aantal te realiseren parkeerplaatsen t.b.v. het nieuwe zwembad Aantal te realiseren parkeerplaatsen t.b.v. het nieuwe zwembad (naar boven afgerond)
41
7,92 11,25 21,83 22
Tabel 4.7 Aantal benodigde parkeerplaatsen, rekening houdend met de afname in de theoretische parkeerbehoefte ter plaatse van het oude zwembad en het hotel ten zuiden van het plangebied.
Monitoring parkeerdruk en mogelijkheden voor aanleg (tijdelijke) parkeercapaciteit Hoewel het mede om de hiervoor beschreven reden niet op voorhand de voorkeur heeft om de openbare ruimte tussen het nieuwe zwembad en het Stadhuisplein/Aa-veste voor parkeren in te zetten, is deze ruimte hiervoor wel beschikbaar. Gezien het grote verschil in parkeerdruk op de donderdag- en vrijdagochtend, het tijdelijk nog niet kunnen overgaan tot realisatie van het parkeerterrein op de locatie van de huidige sporthal en het tijdelijke karakter van de berekende verhoogde parkeerdruk, acht de gemeente incidenteel een bezettingspercentage groter dan 85% aanvaardbaar. Zonder aanleg van de 22 parkeerplaatsen, zal de parkeerdruk op donderdagochtend (theoretisch) stijgen tot maximaal 90%. De gemeente zal de parkeerdruk op de parkeerterreinen rondom het Stadhuisplein en Vlas en Graan monitoren en wanneer blijkt dat de parkeerdruk structureel hoog is, zal tot aanleg van de (tijdelijke) parkeerplaatsen in de zone tussen het nieuwe zwembad en het Stadhuisplein/Aa-veste overgaan. In planologische zin is in onderhavig bestemmingsplan de aanleg van parkeervoorzieningen beperkt toegestaan. Er is een zone binnen de groenbestemming opgenomen waar – mocht dat nodig zijn – de aanleg van parkeerplaatsen mogelijk is gemaakt.
Uitgangspunt is dat deze van tijdelijke aard zijn en qua materialisatie wordt dan ook gedacht aan waterdoorlatende materialen. Er is in deze zone voldoende ruimte voor het aanleggen van deze parkeerplaatsen. Het deelaspect (auto)parkeren zorgt niet voor belemmeringen. Fietsparkeren In Nederland worden veel ritten op de fiets gemaakt. Daarbij is het noodzakelijk om de fiets ook ergens te parkeren. Voor nieuwe voorzieningen, waarvoor een omgevingsvergunning, benodigd is, geldt conform de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, ook een parkeereis voor fietsparkeervoorzieningen.
Hoofdstuk 4
51
Voor een overdekt zwembad geldt een fietsparkeernorm van 20 per 100 m2 bassin. Hiermee zijn er voor 535 m2 bassin 107 fietsparkeervoorzieningen noodzakelijk. In het openbaar gebied rondom het nieuwe zwembad is voldoende ruimte om deze fietsvoorzieningen te plaatsen.
Hoofdstuk 4
52
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding De aanleiding voor de herziening van het vigerende bestemmingsplan is de gewenste nieuwbouw van het zwembad aan het Stadhuisplein. Bij het opstellen van de herziening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Centrumgebied Veghel’ en bij het gemeentelijke ‘Handboek Bestemmingsplannen’. Het bestemmingsplan voldoet verder aan de vereisten van de SVBP 2012.
5.2 Systematiek van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.