CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

De Kuilen 19 - Toelichting

Raadsvergadering 4 april 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'De Kuilen 19, Veghel'26.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Deze luiden als volgt: "Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 1 In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. permanente bewoning is uitgesloten." Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een watergebonden voorziening. Het bepaalde in het eerste lid is daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van recreatiewoningen. Daarbij moet het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd. De initiatiefnemer beheert de recreatiewoningen bedrijfsmatig. Hiertoe zal een register worden bijgehouden. Daarnaast mag geen sprake zijn van permanente bewoning.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van permanente bewoning van recreatiewoningen. Hiermee wordt aan de aanvullende voorwaarden uit artikel 3.75 voldaan. Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1: Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 26

Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2: Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

Lid 2: Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een toedeling van een functie binnen het huidige ruimtebeslag. Er is immers sprake van een reeds bestaand bouwperceel. Een uitzondering hierop betreffen de vier recreatiewoningen die als natuurhuisjes buiten het bouwvlak in een natuurlijk ingericht landschap komen te liggen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub c: Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Een uitzondering hierop betreffen de vier recreatiewoningen die als natuurhuisjes buiten het bouwvlak in een natuurlijk ingericht landschap komen te liggen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. 27

Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling voor het grootste deel sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Een uitzondering hierop betreffen de vier recreatiewoningen die als natuurhuisjes in het natuurlijk in te richten landschap komen te liggen. Deze natuurhuisjes zullen in het te ontwikkelen natuurlijk ingericht landschap worden ingepast, waarmee zij goed in het landschap passen. Daarnaast wordt een aanzienlijke kwaliteitsverbetering toegepast door sloop van bebouwing en het realiseren van het natuurlandschap. Ondanks dat de natuurhuisjes niet binnen een bestaand bouwperceel worden gerealiseerd is daarmee alsnog sprake van een gewenste ontwikkeling voor zowel initiatiefnemer, gemeente en provincie. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1: De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2: De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b.

de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3: Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1: Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b.

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2: De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een melkrundveehouderij beëindigd. Daarbij zal de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en stikstofoxiden aanzienlijk afnemen. Daarmee draagt de voorgenomen 28

ontwikkeling bij aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Met de beëindiging van de melkrundveehouderij zal daarnaast de uitstoot van broeikasgassen afnemen. Hiermee wordt bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een ontwikkeling in categorie 3. Derhalve dient een investering in de ruimtelijke kwaliteit te worden gedaan op basis van de behaalde bestemmingswinst.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een berekening gemaakt van de behaalde bestemmingswinst, de minimaal vereiste investering in de ruimtelijke kwaliteit en de te behalen investering in de ruimtelijke kwaliteit door de landschappelijke en natuurlijke inpassing. Uit deze berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat ruimschoots in voldoende mate wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Tevens zal overtollige bebouwing worden gesloopt. Sloop van bebouwing wordt eveneens gezien als meerwaardecreatie op basis van artikel 3.9 van de verordening. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 De voormalige gemeente Veghel heeft op 19 december 2013 de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïek' met de nadere aanduidingen 'bos park en natuur' en 'uitbreiding bosareaal'.

29

Uitsnede kaart Structuurvisie Veghel 2030. Bron: Gemeente Meierijstad. De bestaande landschappelijke opbouw en functionele invulling vormt de leidraad voor een indeling van het buitengebied in vijf gebiedstypen. Bij elk van die gebiedstypen hoort beleid op maat. Eén van die gebieden is het Veghels mozaïek. In een brede ring rond Veghel ligt een landschap dat zich kenmerkt door een combinatie van functies, waarbij steeds sprake is van clusters in het landschap. Dit gebiedstype heet daarom het Veghels mozaïek. De kernen Eerde, Zijtaart en Mariaheide liggen binnen dit gebiedstype, evenals het toekomstige woongebied Veghels Buiten en het Foodpark. De invulling van de clusters verschilt per deelgebied. Rond Eerde zijn ze bijvoorbeeld sterk gericht op de aanwezige (verblijfs)recreatie, bijvoorbeeld rond de Eerdse Bergen. Bij Veghels Buiten gaat het vooral om geclusterde woningen in de vorm van nieuwe buurtschappen. De kwaliteit van het Veghels mozaïek ligt in het evenwicht tussen het landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het gebied vormt hiermee een duidelijke overgangszone tussen de kern Veghel en de overige delen van het buitengebied. Het uitbouwen van één van de afzonderlijke dragers behoort tot de mogelijkheden, maar altijd integraal en daarmee met oog voor het eerdergenoemde evenwicht tussen landschap en gebouwde functies.

De locatie ligt in het gebied waarin de speerpunt vooral op de recreatieve sector ligt. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt immers bijgedragen aan de versterking van de recreatieve sector door middel van het realiseren van een kwalitatief hoogwaardige recreatieve voorziening. Daarnaast is de locatie gelegen in een gebied waarin uitbreiding van het bosareaal een van de speerpunten is. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het historisch cultuurlandschap in ere hersteld. Hierbij zal de stuifwal worden teruggebracht in het landschap zodat deze aansluit op het naastgelegen bosgebied. Met de natuurlijke inrichting van het landschap ontstaat er een mooie zachte overgang van het bosgebied naar het bebouwde lint. Daarmee wordt aangesloten op de verdere ontwikkeling van de natuur in de omgeving. Dit past goed binnen de doelstellingen voor het gebied waarin de locatie is gelegen. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Structuurvisie Veghel 2030 van de gemeente Meierijstad.

30

3.3.2 "Kansen voor Kwaliteit", een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing Op 7 mei 2020 heeft de gemeente Meierijstad het rapport "Kansen en Kwaliteit" vastgesteld. Dit rapport biedt een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing (VAB). In het buitengebied zijn in de afgelopen jaren vele agrarische bedrijven gestopt. Ook in de komende jaren zullen naar verwachting nog veel bedrijven gaan stoppen. Leegstand kan grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van het buitengebied. Het biedt echter ook kansen om het buitengebied leefbaar en vitaal te houden. Volgens een onderzoek van Wageningen Environmental Research (WENR) uit maart 2019 is de gemeente Meierijstad in Noord-Brabant de nummer één als het gaat om het verwachte aantal vierkante meters vrijkomende agrarische bebouwing de komende 10 jaar. De toename in vrijkomende (agrarische) bebouwing is ook al merkbaar binnen de gemeente. Er worden veel initiatieven voor herontwikkeling ingediend, waar het betreffende beleid, zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen, niet direct een antwoord op heeft. De realiteit gaat vaak sneller dan dat de gemeente met beleid of acties kan bijbenen. Omdat nieuwe initiatieven niet altijd voorspelbaar zijn, is er behoefte aan beleid dat flexibiliteit geeft.

Het afwegingskader voor vrijkomende (agrarische) bebouwing "Kansen voor Kwaliteit" tracht hier in te voorzien. Het doel van het rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. In de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied van de gemeente zijn voor herbestemming van vrijkomende (agrarische) bedrijfslocaties kwantitatieve normen opgenomen. Deze kwantitatieve normen blijken tegenwoordig niet bruikbaar. Gemeente Meierijstad kiest er voor om de kwantitatieve normen (afgezien van wettelijke verplichtingen), zoals opgenomen in de geldende bestemmingsplannen los te laten en maatwerk toe te passen. Het loslaten van de kwantitatieve normen wil echter niet zeggen dat alles kan. Van kwantitatieve beoordeling wordt overgegaan naar kwalitatieve beoordeling en is het mogelijk elk initiatief afzonderlijk in overweging te nemen. Voor deze kwalitatieve beoordeling wordt meer gekeken naar de specifieke kenmerken van de locatie/omgeving en de ruimtelijke kwaliteit die met een initiatief wordt behaald. Voor de kwalitatieve beoordeling hanteert de gemeente de volgende drie hoofdprincipes: 1. Omgeving is leidend (functietypen en gebiedstypen); 2.

Kwaliteitsimpuls is vereist (basisinspanning en aanvullende kwaliteitsverbetering); 3. Afstemming is nodig (omgevingsdialoog en omgevingstafel). Vanuit het afwegingskader wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsgebonden functies, in het gebied passende functies en functies in strijd met het gebied. Recreatieve functies worden, net als agrarisch-technische hulpbedrijven, gezien als gebiedsgebonden functies. Er worden kansen geboden voor versterking van de recreatieve functie in het buitengebied. Daarbij gaat het om kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie. Het aantal recreatieve functies moet in verhouding zijn met andere functies en die niet in de weg staan. Belangrijk uitgangspunt voor recreatie is het verantwoord (door)ontwikkelen van bestaande bedrijven en nieuwe initiatieven die onderscheidend en vernieuwend zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie (het aantal plaatsen is beperkt) en van een relatief uniek concept, waarbij een natuurlijk landschap opnieuw wordt ingericht en een historische stuifwal wordt teruggebracht in het landschap. Er is daarmee sprake van een onderscheidend en vernieuwend initiatief. Dit is passend binnen de beleidsuitgangspunten voor (verblijfs)recreatieve functies.

Voor wat betreft de omgeving heeft de gemeente verschillende gebiedstypen vastgesteld waarbinnen verschillende mogelijkheden gelden voor ontwikkelingen. Vanuit het afwegingskader is de locatie gelegen in een gebied dat nader is getypeerd als 'Landelijk gebied, verweving van functies'. Binnen het gebiedstype Landelijk gebied, 'verweving van functies' speelt de landbouw een belangrijke rol. Echter zijn in deze gebieden de agrarische bedrijven niet de enige gebruikers. Door de tijd hebben 31

agrarische bedrijven plaatsgemaakt voor nieuwe functies. In het gebied 'Landelijk gebied, verweving van functies' zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. De functie recreatie past daarmee in principe binnen het gebiedstype 'Landelijk gebied, verweving van functies', mits er geen sprake is van een nadelige impact op de omgeving. De impact op de omgeving wordt bepaald aan de hand van de omvang van de ontwikkeling, de aard van de beoogde functie en mogelijke hinder, de de aard van de (directe) omgeving en de uitstraling van de beoogde functie. Voor wat betreft de omvang van een ontwikkeling wordt gekeken naar het ruimtebeslag van zowel de bebouwing als van de buitenruimte. Daarbij wordt gekeken of de omvang past binnen de schaal van het landschap en de karakteristiek van de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf. Enige uitzondering daarop is het ontwikkelen van de natuurhuisjes, zijnde recreatiewoningen in een nieuw aan te leggen natuurlijk in te richten landschap. Deze natuurhuisjes zullen in het te ontwikkelen landschap worgen ingepast, waarmee zij goed in het landschap passen.

Daarnaast wordt een aanzienlijke kwaliteitsverbetering toegepast door sloop van bebouwing en het realiseren van de voorgestelde landschappelijke inpassing, waarbij de historische stuifwal wordt teruggebracht in het landschap. Gezien de locatie grenst aan een gebied 'landelijk gebied, hoofdfunctie natuur' past de voorgenomen ontwikkeling goed in het gebied en de omgeving. Voor wat betreft de aard van de beoogde functie en de mogelijke hinder wordt gekeken naar de effecten van een ontwikkeling op de omgeving. Daarbij wordt gekeken naar eventuele milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies en eventuele problemen met de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een melkrundveehouderij en wordt uitsluitend voorzien in een recreatieve functie. Een recreatieve functie veroorzaakt aanzienlijk minder hinder aan gevoelige objecten dan een volwaardige veehouderij. Omdat de huidige veehouderij een grotere hinder veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving dan de gewenste functie is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een (aanzienlijke) afname van de milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee juist een positief effect op de gevoelige objecten in de omgeving.

Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), geen van de omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Daarnaast zal de beëindiging van de veehouderij leiden tot een afname van het vrachtverkeer van en naar de locatie. Er zal in de gewenste situatie sprake zijn van personenvervoer en niet langer van bedrijfsmatig zwaar verkeer. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee eerder een positief effect hebben op de verkeersafwikkeling en op de verkeersveiligheid. Voor wat betreft de aard van de omgeving wordt gekeken naar het type gebied waarin een ontwikkeling plaatsvindt. In een rustige woonomgeving kan een nieuwe ontwikkeling een andere impact hebben dan in een gemengd gebied. Daarnaast wordt gekeken of een ontwikkeling een negatief effect heeft op de omgeving of niet. De locatie is gelegen in een gebied met natuurlijke waarden en in een gebied dat door de gemeente wordt gezien als ontwikkelingsgebied voor recreatieve functies. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een versterking van de recreatieve functies in het gebied en in de ontwikkeling van een natuurlijk ingericht landschap, dat goed aansluit bij de recreatieve en natuurlijke doelstellingen voor het gebied.

De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen van de omgeving en is daarmee passend binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderij beëindigd. Daarbij zal de hinder aan de omgeving (aanzienlijk) afnemen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatief effect, maar eerder een positief effect hebben op de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed bij de aard van de omgeving. Voor wat betreft de uitstraling van de beoogde functie wordt gekeken naar de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en de uitstraling van het erf en of deze passen bij de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de voormalige en verouderde voormalige bedrijfsbebouwing 32

gesloopt. De nieuw te bouwen recreatiewoningen krijgen een eigentijdse, bij het natuurlijk in te richten landschap passende uitstraling. Daarmee zal de beeldkwaliteit op de locatie worden bevorderd. Daarnaast wordt ter plaatse, zoals nader beschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing, waarbij het gebied wordt ingericht als natuurlijk landschap, waarbij een van oudsher aanwezige stuifwal weer wordt teruggebracht in het landschap. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling goed binnen de uitgangspunten voor het gebied 'Landelijk gebied, verweving van functies' en past deze goed in de omgeving waarin de locatie is gelegen. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in het rapport "Kansen voor Kwaliteit", een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing van de gemeente Meierijstad.

33

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft geen gebied dat is aan te merken als het gebiedstype 'gemengd gebied'. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve uitgegaan van de standaard richtafstanden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' uit de VNG handreiking. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een melkrundveehouderij naar een bedrijf voor verblijfsrecreatie. Ten aanzien van voorzieningen voor verblijfsrecreatie zijn geen specifieke afstanden opgenomen in de handreiking. Derhalve dient te worden aangesloten bij de activiteit die er het meest op lijkt.

De handreiking bevat wel afstanden voor kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken). Deze activiteit sluit het meest aan op de voorgenomen functies ter plaatse. Voor kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 30 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 30 meter. Nabij de locatie zijn de volgende gevoelige bestemmingen gelegen: De Kuilen 21 (burgerwoning), op een afstand van ongeveer 27 meter; De Kuilen 17a (burgerwoning), op een afstand van ongeveer 26 meter; De Kuilen 17 (burgerwoning), op een afstand van ongeveer 42 meter; De Coevering 2-3 (3 nieuwe burgerwoningen), op een afstand van ongeveer 37, 46 en 50 meter; De Kuilen 18 en 18a (burgerwoningen), op een afstand van ongeveer 37 meter. Voor het bepalen van de afstanden is gemeten van de grens van het (toekomstig) bouwvlak of de aanduiding voor de (toekomstige) recreatiewoningen van de initiatiefnemer (welke het dichtstbij gelegen is) 34

tot aan de gevels van de woningen. In het geldende bestemmingsplan is namelijk opgenomen dat bij de bestemming 'Wonen' uitsluitend woningen mogen worden gebouwd ter plaatse van de bestaande fundering. Dit betekent dat de woningen in de omgeving niet zomaar op een andere plaats binnen het bestemmingsvlak kunnen worden gebouwd. In het geldende bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om de woning op een andere plaats binnen de bestemming op te richten, maar in dat geval moet worden getoetst aan milieuaspecten, waaronder de eventuele invloed op omliggende bedrijven, waarmee in dat geval geen situatie kan ontstaan waarop ter plaatse van de eventueel te verplaatsen woningen hinder wordt ondervonden van het bedrijf van de initiatiefnemer. Derhalve is gemeten vanaf het (toekomstig) bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de gevels van de omliggende woningen. Op elk van de omliggende woningen wordt niet aan de richtafstand voor geluid voldaan. Daarnaast wordt ten aanzien van de woningen aan De kuilen 21 en 17a niet aan de richtafstanden voor geur en gevaar voldaan. Dit betekent dat er voor het aspect geluid een nadere motivatie nodig is ten aanzien van de omliggende woningen. Daarnaast is voor de woningen aan De Kuilen 21 en 17a een nadere motivatie nodig voor het aspect geur en gevaar.

De activiteit vanuit de inrichting die leidt tot de meeste mogelijke geluidsbelasting betreft de toename van het aantal verkeersbewegingen, welke mogelijk leiden tot een hogere geluidsbelasting vanuit het wegverkeer in de omgeving. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal het aantal verkeersbewegingen in de worst-case situatie met slechts maximaal 10 per dag toenemen. Dit betreft maximaal 5 auto's per dag. Een dusdanig geringe toename zal niet leiden tot een toenemende geluidbelasting in het normale wegverkeer. Voor wat betreft geluid wordt op elk van de omliggende woningen aan de voorkeursgrenswaarde (48 decibel) voldaan (volgens indicatieve berekeningen ligt de geluidbelasting op omliggende woningen tussen ongeveer 30 decibel en 40 decibel). Omdat de geluidbelasting als gevolg van het verkeer niet zal toenemen zal de voorkeursgrenswaarde voor geluid op de omliggende woningen ook in de gewenste situatie niet worden overschreden. Daarnaast kan het geluid vanuit de terrassen bij de recreatiewoningen mogelijk leiden tot een toename van de geluidshinder op omliggende woningen.

De terrassen bij de recreatiewoningen en de recreatiewoningen zelf zijn echter allen op meer dan 50 meter van de omliggende woningen gelegen, waarmee ten aanzien van de recreatiewoningen en de daarbij behorende terrassen wordt voldaan aan de richtafstanden en daarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder aan de omgeving. Verder is, zoals blijkt uit het voorgaande, ten aanzien van de woningen aan De Kuilen 21 en 17a een nadere motivatie nodig op het gebied van geur en gevaar. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) blijkt dat op de betreffende woningen in de huidige situatie reeds sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat (een achtergrondbelasting van 0 tot 3 odeurunits per kubieke meters lucht). Met de beëindiging van de melkrundveehouderij zal de geuremissie vanuit de locatie alleen maar afnemen, waardoor het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar zal verbeteren. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder op de betreffende woningen. Voor wat betreft gevaar wordt ter plaatse, zoals nader omschreven in de paragraaf "Externe veiligheid" (paragraaf 4.1.6), niet voorzien in risicovolle inrichtingen of installaties. Er is daarmee geen sprake van mogelijke activiteiten, inrichtingen en/of installaties die kunnen leiden tot een gevaar aan de omgeving.

Op basis van het voorgaande kan gemotiveerd van de richtafstanden worden afgeweken. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het, naast verblijfsrecreatie, wenselijk eveneens te voorzien in een multifunctionele ruimte voor bijvoorbeeld het houden van bijeenkomsten. Hiervoor zijn in de handreiking van de VNG eveneens geen richtafstanden opgenomen. Derhalve dient te worden aangesloten bij de meest vergelijkbare activiteit. In de VNG handreiking zijn wel richtafstanden opgenomen voor hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra. Dit betreft de meest vergelijkbare activiteit. De richtafstanden daarvoor zijn als volgt: Geur: 10 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 10 meter. Gevaar: 10 meter. 35

Zoals blijkt uit voorgaande zijn binnen 10 meter geen gevoelige objecten gelegen, waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan. Deze activiteit zal daarmee dan ook niet leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zullen hobbymatig nog enkele stuks vee worden gehouden. Omdat het gaat om slechts 6 stuks rundvee is geen sprake van een bedrijfsmatige activiteit. Daarnaast is geen sprake van een nieuwe (bedrijfs)activiteit, omdat het een vermindering of gedeeltelijke voortzetting van een bestaande (bedrijfs)activiteit betreft. Daarmee wordt een nadere beoordeling van deze activiteit niet noodzakelijk geacht. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden recreatiewoningen en bed & breakfast voorzieningen opgericht. Als deze voorzieningen meer dan 200 dagen per jaar in gebruik zijn en/of dezelfde personen er meer dan 30 aaneengesloten dagen verblijven dan worden deze voorzieningen beschouwd als gevoelige objecten.

Gezien de voorzieningen jaarrond in gebruik zullen zijn is sprake van gevoelige objecten en dient te worden bekeken of omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Nabij de locatie zijn vele burgerwoningen gelegen. Deze woningen veroorzaken geen milieuhinder aan de omgeving en worden niet beperkt door de komst van nieuwe gevoelige objecten. De burgerwoningen in de omgeving zullen derhalve niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Verder zijn in de nabije omgeving de volgende inrichtingen gelegen: De Kuilen 12: Agrarisch bedrijf, zijnde een rundveehouderij; De Kuilen 12: Aan De Kuilen 12 is een agrarisch bedrijf, zijnde een rundveehouderij gevestigd. Voor het houden van rundvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het bedrijf aan De Kuilen 12 is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 280 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden, waarmee het betreffende bedrijf niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden geschaad. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de omliggende functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de 36

minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een recreatieve functie. Hiermee zal de geuremissie van het bedrijf in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de geuremissie in de omgeving afnemen, waarmee het woon- en leefklimaat zal verbeteren. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht, te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden recreatiewoningen en bed & breakfast voorzieningen opgericht. Als deze voorzieningen meer dan 200 dagen per jaar in gebruik zijn en/of dezelfde personen er meer dan 30 aaneengesloten dagen verblijven dan worden deze voorzieningen beschouwd als gevoelige objecten.

Gezien de voorzieningen jaarrond in gebruik zullen zijn is sprake van gevoelige objecten en dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de achtergrondbelasting voor geur niet meer dan 20 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³) bedraagt. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft voor het gehele buitengebied in de provincie Noord-Brabant de achtergrondbelasting voor geur berekend op basis van vigerende vergunningen. Op basis van deze berekeningen heeft de ODZOB een kaart gemaakt met de actuele achtergrondbelasting voor geur. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de achtergrondbelasting voor geur ter plaatse van de locatie tussen de 0 en 3 ouE/m³, waarmee ter plaatse sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat. Hiermee kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd.

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur. Bron: Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant (ODZOB).

37

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een melkrundveehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een recreatieve voorziening. De emissie van fijnstof zal daarbij vrijwel in zijn geheel komen te vervallen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de luchtkwaliteit en het woonen leefklimaat in de omgeving. Daarnaast dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. In onderhavig geval is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), sprake van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie.

Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

38

Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht, te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden recreatiewoningen en bed & breakfast voorzieningen opgericht opgericht. Als deze voorzieningen meer dan 200 dagen per jaar in gebruik zijn en/of dezelfde personen er meer dan 30 aaneengesloten dagen verblijven dan worden deze voorzieningen beschouwd als gevoelige objecten. Gezien de voorzieningen jaarrond in gebruik zullen zijn is sprake van gevoelige objecten en dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Er is vanuit landelijke wetgeving sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit als de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ) niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen.

De provincie Noord-Brabant heeft deze norm echter aangescherpt in het provinciale beleid. Binnen de provincie Noord-Brabant is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van fijnstof als de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer dan 31,2 µg/m³ bedragen. Voor fijnstof geldt daarbij dat onderscheid wordt gemaakt tussen de grotere deeltjes fijnstof (PM10) en de kleinere deeltjes fijnstof (PM2,5). Voor het aandeel PM2,5 geldt een norm van 25 µg/m³ voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, waarin ook de resultaten uit de NSL Monitoringstool zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse, zoals is weergegeven in de volgende figuren, ongeveer 18 µg/m³ (fijnstof, PM10), 11 µg/m³ (fijnstof, PM2,5) en 16 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is ruimschoots onder de norm van 31,2 µg/m³ voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden en onder de norm van 25 µg/m³ voor fijnstof (PM2,5), waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

39

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10). Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5). 40

Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof. Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

4.1.4 Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht. 4.1.4.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking.

De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de 41

Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Daarnaast is er uitsluitend sprake van een voortzetting van een bestaande veehouderijactiviteit, die met de voorgenomen ontwikkeling alleen maar (aanzienlijk) zal worden verkleind, gezien alleen nog hobbymatig dieren zullen worden gehouden. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht. Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0. 4.1.4.2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid.

Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Wel worden bij de voorgenomen ontwikkeling recreatieve verblijven opgericht. Binnen 200 meter van de locatie zijn echter geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen. 4.1.4.3 Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Wel worden bij de voorgenomen ontwikkeling recreatieve verblijven opgericht.

Binnen 2 kilometer van de locatie zijn echter geen geitenhouderijen gelegen. Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.

4.1.5 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en 42

academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing.

Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is op basis van de definities uit de Wet geluidhinder geen sprake van geluidsgevoelige objecten. Echter heeft de Raad van State in een uitspraak van 29 februari 2012 geoordeeld dat verblijfsrecreatieve voorzieningen weliswaar niet worden beschouwd als geluidsgevoelige objecten, maar dat deze, omdat er toch een zekere mate van verblijf plaatsvindt, wel een zekere bescherming voor geluid dienen te genieten. Het is daarbij niet noodzakelijk om deze situaties meteen grondig te beschouwen en het is daarbij ook niet zo dat verblijfsrecreatieve voorzieningen een hoog beschermingsniveau tegen geluid verdienen, maar er is wel een aanvullende motivatie nodig. In de directe omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen.

Deze woningen zijn in hogere mate beschermd tegen geluid dan de voorgenomen verblijfsrecreatieve voorzieningen. Het feit dat de vele burgerwoningen in het lint aanwezig zijn en zijn vergund, waarbij voor de meeste van deze woningen een uitgebreide toetsing heeft plaatsgevonden, betekent dat de geluidbelasting in het gebied op de betreffende woningen aan de normen voldoet. Het is daarmee niet aannemelijk dat de geluidbelasting op de locatie, welke aan hetzelfde lint is gelegen als de vele burgerwoningen, de normen uit de Wet geluidhinder zal overschrijden. In de bestaande werktuigenberging wordt eveneens een recreatieverblijf opgericht. Deze zal echter eerst als mantelzorgwoning in gebruik worden genomen. Een mantelzorgwoning dient te worden beschouwd als een geluidsgevoelig object. De mantelzorgwoning is binnen de geluidszone van de weg De Kuilen gelegen (binnen de 60 km/u zone). Op basis daarvan dient te worden bekeken of de belasting op de gevel de voorkeursgrenswaarden niet zal overschrijden. Voor de geluidbelasting op de gevel van de nieuwe mantelzorgwoning is een indicatieve berekening gemaakt, waaruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarde op de gevel niet zal worden overschreden. Daarnaast kan met een standaard geluidwering van 20 dB in de mantelzorgwoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden behaald van 33 dB.

Gezien het voorgaande kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid worden geborgd.

43

4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

44

Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Wanneer binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting een ruimtelijk besluit wordt genomen dan is een verantwoording van het groepsrisico nodig. De risicovolle inrichtingen zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie geen risicovolle inrichtingen gelegen.

45

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen. 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het externe veiligheidsbeleid vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Op grote afstand van de locatie zijn een buisleiding voor de transport van aardgas en de autosnelweg A50 gelegen. Voor gasleidingen geldt, afhankelijk van de diameter en de druk van de leidingen, een invloedsgebied van 45 tot maximaal 580 meter. De betreffende leiding heeft een invloedsgebied van 410 meter. De locatie is gelegen op een afstand van ongeveer 472 meter van de betreffende leiding. De locatie is daarmee niet in het invloedsgebied van de betreffende leiding gelegen. Over de autosnelweg A50 worden stoffen van de categorieën LF1, LF2, LTl, LT2 en GF3 vervoerd.

De stof LT2 heeft het grootste invloedsgebied en is daarom bepalend voor het groepsrisico. De stof LT2 heeft, wanneer vervoerd over de weg, een invloedsgebied van 880 meter. De locatie is gelegen op ongeveer 725 meter van de autosnelweg A50. De locatie is daarmee binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A50 gelegen. De locatie is binnen het invloedsgebied de autosnelweg A50 gelegen. Het groepsrisico dient daarmee nader te worden gemotiveerd. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3). 4.1.6.3 Groepsrisico Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A50 dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico: De locatie is gelegen op redelijk grote afstand van de risicobron. Er is slechts sprake van een beperkte toename van het aantal personen door de voorgenomen ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de 46

risicobron. Tevens zullen de personen niet langdurig op de locatie verblijven. Dit zorgt ervoor, dat de toename van het groepsrisico niet zichtbaar zal doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico: De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobronnen geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit: De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? Gezien de afstand van de locatie tot de autosnelweg A50 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fdc54dfa-e2aa-4ce5-8276-d6ff6eea5f8b