CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

De Kuilen 19 - Toelichting

Raadsvergadering 4 april 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'De Kuilen 19, Veghel'26.935 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BUITENGEBIED VEGHEL, HERZIENING DE KUILEN 19 bestemmingsplan

Buitengebied Veghel, herziening De Kuilen 19 bestemmingsplan

Projectleider Ruimtelijke Ordening Mw. F. Klomp-Pullens Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp

Datum: 11 januari 2024

2

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Zienswijze 5.4 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan

5 6 6 7 7 8 10 10 12 17 17 20 29 34 34 51 56 59 61 63 63 63 65 65 67 67 67 69

3

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Meierijstad ten behoeve van de omschakeling van het agrarisch bedrijf aan De Kuilen 19 te Veghel naar een recreatieve voorziening, waarbij een investering wordt gedaan in het herstel van het historisch cultuurlandschap. Daarnaast wenst de initiatiefnemer nog akkerbouw werkzaamheden uit te voeren op de omliggende agrarische gronden. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert ter plaatse momenteel een melkrundveehouderij uit. Ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij, volgen elkaar in een hoog tempo op. Door steeds strenger wordende wet- en regelgeving worden de eisen die aan veehouderijen worden gesteld steeds strenger. Door deze strengere eisen dienen veehouders vaak forse investeringen te doen in maatregelen ten aanzien van milieu, dierwelzijn, volksgezondheid, duurzaamheid, innovatie, energie, klimaat, beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit. Voor de initiatiefnemer zijn de noodzakelijke investeringen om aan de eisen te kunnen voldoen niet rendabel of haalbaar gebleken.

Daarnaast is de locatie gelegen in een bebouwingslint dat in de loop der jaren is getransformeerd van voornamelijk agrarisch naar een sterk gemengd gebied, waarin naast agrarische bedrijvigheid ook een groot aantal burgerwoningen zijn ontstaan. De locatie van de initiatiefnemer is ingesloten tussen burgerwoningen en biedt daarmee onvoldoende mogelijkheden om een volwaardig veehouderijbedrijf te kunnen uitvoeren zonder te leiden tot mogelijke milieuhinder aan de omliggende burgerwoningen. Om deze redenen heeft de initiatiefnemer besloten het melkrundveehouderijbedrijf te willen gaan staken. Op het bedrijf wordt momenteel een nevenactiviteit uitgevoerd in de vorm van zorg in combinatie met verblijfsrecreatie. De initiatiefnemer wenst deze activiteiten verder te ontplooien en te ontwikkelen. De locatie leent zich goed voor recreatie. Door de ligging van de locatie nabij een natuurgebied met een stuifwal heeft de initiatiefnemer het idee om deze historische stuifwal terug te brengen in het landschap. Derhalve wenst de initiatiefnemer een recreatieve functie te ontwikkelen in samenhang met het herstellen van het historisch landschap en het terugbrengen van de stuifwal. De voorgenomen ontwikkeling is aan de gemeente voorgelegd middels een bedrijfsplan.

Daarnaast heeft de initiatiefnemer met de voorgenomen ontwikkeling deelgenomen aan het project "Mijn idee, een goed idee?!" van de gemeente. Hierin worden nieuwe initiatieven gepresenteerd en beoordeeld. Het voorgenomen project van de initiatiefnemer is als winnaar tussen 11 deelnemers uit het project gekozen. Het initiatief heeft daarmee een breed draagvlak en wordt als hoogwaardig project beschouwd. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een mooie vervolgfunctie aan de locatie gegeven die passend is in het gebied en daarnaast bijdraagt aan zowel de versterking van het landschap als aan de versterking van de recreatieve sector in de gemeente. Het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een recreatievoorziening is mogelijk met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan. Echter is het niet mogelijk om met de wijzigingsbevoegdheid de akkerbouw werkzaamheden en de gewenste ontwikkeling van het landschap mogelijk te maken. De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

6

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan De kuilen 19 te Veghel en ligt aan de zuidwest kant van Veghel in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. Hoewel de locatie formeel in Veghel is gelegen is de plaats waarin de locatie is gelegen in de volksmond bekend als Eerde. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Veghel, sectie R, nummers 422, 923 en 924. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Meierijstad, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2013 en hersteld vastgesteld naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State op 22 oktober 2015, onverkort van toepassing. Daarnaast is, voor zover relevant, het bepaalde in de herziening en actualisatie op het bestemmingsplan "Buitengebied", het bestemmingsplan "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit", zoals vastgesteld op 27 januari 2021, van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'specifieke vorm van agrarisch - 7', 'maximum oppervlakte: 150 m²', 'toerisme', 'bos', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1' en 'vrijwaringszone - radar' van toepassing.

7

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. In artikel 3.7.11 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een recreatieve bestemming. Echter kan met deze wijzigingsbevoegdheid geen akkerbouw mogelijk worden gemaakt bij de recreatieve bestemming en kan niet worden voorzien in de gewenste ontwikkeling van het landschap. Derhalve kan geen toepassing worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid en is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan 8

van toepassing zijn.

9

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Meierijstad. Hoewel de locatie formeel in Veghel is gelegen is het gebied waarin de locatie is gelegen in de volksmond bekend als Eerde. Eerde is een kleinschalig kerkdorp ten westen van de A50. De Kuilen, de straat waaraan de locatie is gelegen, is van oorsprong een agrarisch bebouwingslint. In de loop der tijd is de agrarische functie verloren gegaan en is er sprake van een sterke menging van agrarische bedrijvigheid en burgerbewoning. De initiatieflocatie wordt in zijn geheel omsloten door burgerwoningen, meer naar het oosten wordt nog agrarische bedrijvigheid uitgevoerd. Aan de zuidzijde, aan de Coevering, zijn sportvoorzieningen in de vorm van tennisvelden gelegen. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgrond, bos en het bebouwingslint. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. Nabij de locatie is de Vlagheide gelegen. Dit gebied wordt door de gemeente verder ontwikkeld tot recreatief natuurgebied, waarbij wordt geïnvesteerd in wandel- en fietspaden, een bezoekerscentrum, een uitkijktoren en een natuurlijke speeltuin.

10

Artikel ontwikkelingsrichting Vlagheide Bron: Brabants Dagblad Op de locatie is momenteel een melkrundveehouderij gevestigd. Ter plaatse mogen volgens de vigerende vergunning 92 melk- en kalfkoeien en 55 stuks vrouwelijk jongvee worden gehouden. Deze dieren worden gehouden in de aanwezige stallen. Naast de aanwezige stallen zijn ter plaatse een bedrijfswoning met de daarbij behorende bijgebouwen, een werktuigenberging en diverse overige voorzieningen als mest- en voeropslagen aanwezig. Daarnaast is ter plaatse een gebouw aanwezig waarin ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering nog zorgverlenende en verblijfsrecreatieve activiteiten worden uitgevoerd. In totaal is ter plaatse ongeveer 1.882 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Daarnaast is ongeveer 1.075 m² aan voeropslag aanwezig. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,1 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

11

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het melkrundveehouderijbedrijf te beëindigen. Daarvoor in de plaats wenst de initiatiefnemer de recreatieve tak verder te ontwikkelen en te versterken. Het is de wens van de initiatiefnemer om de visie die is gepresenteerd in het project "Mijn idee, een goed idee?!" van de gemeente, zijnde het Buitengoed de Stuifwal, vorm te geven. Op het buitengoed worden verblijfsrecreatieve voorzieningen ingebed in een hersteld historisch landschap. Deze extensieve vorm van verblijfsrecreatie aan de rand van de Eerdse Bergen en de Vlagheide biedt ruimte aan een nieuwe economische drager met groot besef van cultuurhistorisch erfgoed en met respect voor de natuur. Cultuurhistorie, natuur en recreatie gaan bij dit buitengoed hand-in-hand samen. Het initiatief is in het project "Mijn idee, een goed idee?!" als winnaar van 11 deelnemers uit de bus 12

gekomen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een volgende stap genomen naar de realisatie van de wens van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer heeft voor het buitengoed een bedrijfsplan opgesteld. Het bedrijfsplan is, in het kader van het voeren van een goede dialoog met de omgeving, reeds gedeeld met de omgeving, omwonenden en belangengroeperingen. Allen waren positief. Het bedrijfsplan is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. De voorgenomen bedrijfsvoering zal uit de volgende onderdelen bestaan: Verblijfsrecreatie in de vorm van 5 nieuw op te richten recreatiewoningen, 4 bed- en breakfast kamers en verhuur van de bestaande recreatie-/zorgwoning. Een multifunctionele ruimte voor bijvoorbeeld het houden van bijeenkomsten. Zorgverlenende activiteiten in de bestaande recreatie-/zorgwoning; Akkerbouw. Voor het beheer van de gronden, het uitoefennen van de zorgverlenende activiteiten en met een link naar de historie als boerderij, worden er een zestal runderen gehouden en overige boerderijkleindieren. Op het terrein van het buitengoed worden vijf nieuwe natuurhuisjes voor verblijfsrecreatie gerealiseerd. Dit worden comfort natuurhuisjes met wellnessvoorzieningen, vrij gelegen op het buitengoed. Ieder huisje biedt plaats aan 4 tot 8 personen. Eén van de huisjes wordt gerealiseerd in een deel van de bestaande werktuigenloods.

Deze zal in eerste instantie ingezet worden als mantelzorgwoning. De overige vakantiewoningen worden volledig nieuw gebouwd. De woningen variëren van 4 persoons- tot 8 persoons vakantiewoningen met een gemiddelde leefoppervlakte van 106 m². De huisjes zullen worden uitgevoerd als één bouwlaag of maximaal één bouwlaag met kap en worden opgericht in een stijl die passend is in het natuurlijk in te richten landschap. In de voormalige melkrundveestal worden aan de zuidzijde een drietal bed & breakfast kamers gerealiseerd. De bovenverdieping van de te verbouwen werktuigenberging zal eveneens plaats bieden aan één bed en breakfast kamer. De zuidzijde van de melkrundveestal wordt verbouwd tot multifunctionele ontvangstruimte (ca. 90 - 100 m², 50 personen), met receptie, bedrijfskantine, sanitaire voorzieningen, wasruimte en kantoor. De noordzijde van dit gebouw biedt ruimte voor een fietsenstalling en dierenverblijf voor een zestal runderen. De huidige zorgverlenende activiteit met verblijfsrecreatie die momenteel als neventak wordt uitgevoerd bij de agrarische bedrijfsvoering, wordt in de huidige opzet voortgezet. Er wordt ten behoeve van de zorgverlenende activiteiten een creatieve/hobby ruimte gerealiseerd gespiegeld aan de bestaande overkapping en kippenhok van de jongveestal. De akkerbouw blijft bestaan als nevenactiviteit naast het recreatiebedrijf.

Er is sprake van ongeveer 25 hectare grond die nog wordt beheerd, waarop verschillende teelten plaatsvinden. Met een dergelijke omvang is geen sprake van een volwaardige akkerbouwtak en kan niet in voldoende mate worden voorzien in een hoofdinkomen. Daarnaast is het bedrijf voornamelijk gericht op de recreatieve activiteiten en wordt de akkerbouw uitgevoerd met name om voor een deel voer te winnen voor het eigen gehouden kleinvee op de locatie en voor het behoud van het agrarisch karakter van de locatie. De relatie met de voormalige boerderij blijft daarmee sterker behouden. De akkerbouw is daarmee ondersteunend aan de hoofdactiviteit. De noordzijde van de melkrundveestal zal naast fietsenberging en kleinschalig dierenverblijf mede gebruikt worden voor de opslag van machines en werktuigen ten behoeve van de akkerbouwactiviteiten. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de overtollige bebouwing worden gesloopt. Van de bestaande melkrundveestal zal ongeveer 290 m² worden gesloopt. Daarnaast zal de huidige jongveestal van ongeveer 320 m² in zijn geheel worden gesloopt. Na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling zal in totaal nog ongeveer 1.781 m² aan bebouwing aanwezig zijn. Daarmee zal het bebouwde oppervlak ter plaatse afnemen. Ten slotte zal nog ongeveer 1.031 m² aan erfverharding worden verwijderd.

Een deel van de resterende erfverharding zal daarnaast in halfverharding worden uitgevoerd, waarmee eveneens een verdere afname van het verharde oppervlak wordt behaald. Om het gebruik van de bestaande bedrijfsgebouwen binnen de verblijfsrecreatieve bedrijfsvoering mogelijk te maken, vindt een grondige renovatie plaats. Daarbij wordt de uiterlijke verschijningsvorm, die nu strikt functioneel is, aangepast naar karakteristieke bebouwing die past bij een boerenerf in een kleinschalige 13

landschap. In totaal zal ongeveer 2 hectare in gebruik worden genomen ten behoeve van het buitengoed. Het betreft het bouwvlak en de aanliggende gronden. Het bouwvlak zelf zal daarbij ongeveer 0,85 hectare groot worden. Naast de bebouwde functies zal er binnen het buitengoed ook plaats geboden worden aan een moestuin, een boomgaard, een pluktuin, een zwemvijver, een poel, diverse weides voor de dieren, een speelplaats, etc.. Alle faciliteiten moeten zo natuurlijk mogelijk opgaan in de omgeving. De initiatiefnemer wil daarom een stuifwal herstellen, welke aansluit op het naastgelegen bosgebied. De naam van het gewenste buitengoed, "Buitengoed de Stuifwal" sluit daar goed bij aan. Het bouwvlak ter plaatse zal worden verkleind tot een bij de recreatieve functies passende omvang. Vier van de vijf gewenste "natuurhuisjes" zullen buiten het bouwvlak worden opgericht. Het deel waarin deze natuurhuisjes komen te liggen wordt van agrarische grond omgezet naar een natuurlijke inrichting, waarbinnen de 4 recreatiewoningen een plek krijgen en krijgt de bestemming 'Recreatie'. De natuurhuisjes zullen middels een aanduiding buiten het bouwvlak mogelijk worden gemaakt. Hiermee krijgen de huisjes een mooie ligging in een natuurlijk landschap. Met de invulling van het gebied met natuur, groen en de stuifwal wordt het historische cultuurlandschap zoveel mogelijk in ere hersteld.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 2 bij deze onderbouwing opgenomen.

Situatietekening gewenste situatie. Bron: LA Architecten.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

14

Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Van Dooren Landschap. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze onderbouwing. 15

De uitgangspunten van de voorgenomen landschappelijke en natuurlijke inpassing zijn nader uitgewerkt in te toelichting die is opgenomen bij het landschappelijk inrichtingsplan. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt bijgedragen aan het in ere herstellen van het historische cultuurlandschap dor het terugbrengen van de stuifwal en aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het, vanuit provinciaal en gemeentelijk beleid, verder van belang dat in voldoende mate wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Hiertoe dient in voldoende mate een investering te worden gedaan, afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft.

Voor de mate van investeren wordt in feite onderscheid gemaakt tussen drie categorieën: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist; Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met relatief weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in enkel een goede landschappelijke inpassing; Categorie 3: Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. De voorgenomen ontwikkeling betreft een ruimtelijke ontwikkeling welke mogelijk wordt gemaakt middels een bestemmingsplanherziening en welke niet is opgenomen in een andere categorie. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling in categorie 3. Voor ontwikkelingen in categorie 3 geldt dat een minimale investering van 20% van de behaalde bestemmingswinst moet worden gedaan in de ruimtelijke kwaliteit. De bestemmingswinst wordt berekend op basis van forfaitaire bedragen zoals zijn vastgelegd door de gemeente en de provincie.

Hierbij zijn aan de verschillende bestemmingen vaste bedragen gekoppeld, waarmee op basis van de oppervlaktes van de bestemmingen, de waarde van de huidige en gewenste situatie kan worden berekend. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een berekening gemaakt van de bestemmingswinst. Tevens is een berekening gemaakt van de behaalde investering die wordt gedaan in de ruimtelijke kwaliteit door realisatie van de voorgenomen landschappelijke en natuurlijke inpassing. Uit deze berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat op basis van de behaalde bestemmingswinst een minimale investering van € 55.483,- moet worden gedaan. Verder blijkt uit de berekening dat met de voorgenomen landschappelijke en natuurlijke inpassing van de locatie een investering (aanleg en onderhoud) wordt gedaan van € 57.140,-, waarmee aan de minimaal vereiste investering wordt voldaan. Gezien het voorgaande is sprake van een goede landschappelijke inpassing die in ruim voldoende mate bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

16

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers- en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 17

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 18

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." In beginsel is geen sprake van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, kantoren, detailhandel en/of een woningbouwlocatie. De vraag is echter wel of een recreatiebedrijf kan worden gezien als een "andere stedelijke ontwikkeling". In de afgelopen jaren zijn door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State diverse uitspraken met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking gedaan.

Waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1075) waarin staat: "Een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 in zaak nr. 201408879/1/R3 en van 5 augustus 2015 in zaak nr. 201500276/1/R2). Zoals hiervoor is overwogen voorziet het plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan niet in uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden, en derhalve niet in nieuw ruimtebeslag, maar uitsluitend in uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden. Naar het oordeel van de Afdeling brengt in dit geval de wijziging van het toegestane gebruik van het perceel niet met zich dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nu het plan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is artikel 3.1.6, tweede lid, niet van toepassing." 19

Uit deze en andere uitspraken is te herleiden dat als bij een bestemmingsplan enkel sprake is van een planologische functiewijziging, en geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing (deze neemt af) en is enkel sprake van een functiewijziging (van agrarisch naar recreatie). Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk wordt geacht.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. 20

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie. Bij de gewenste ontwikkeling is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1), geen sprake van onevenredige belemmeringen ten aanzien van milieu. Het woon- en leefklimaat van de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling , door de beëindiging van de melkrundveehouderij, (aanzienlijk) verbeteren. Dit draagt bij aan de omgevingskwaliteit en een duurzame leefomgeving. Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 3 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen.

Tevens wordt het historische cultuurlandschap met de gewenste stuifwal in ere hersteld. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november 2021 de (laatst geconsolideerde versie van de) Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. Op 11 maart 2022 is door de provincie de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsverordening zal echter pas in werking treden wanneer de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting 1 juli 2023. Tot die tijd geldt het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals eveneens op 11 maart 2022 door de provincie gewijzigd is vastgesteld. De gewijzigde regels van de Interim Omgevingsverordening zijn opgenomen in de meest recente versie, welke op 15 april 2022 is geconsolideerd en in werking is getreden. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een melkrundveehouderij omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf ten behoeve van het ontwikkelen van een recreatieve voorziening. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'landelijk gebied' met de nadere aanduidingen 'gemengd landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'.

De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn uitsluitend van toepassing wanneer sprake is van een uitbreiding van een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. De veehouderij wordt daarnaast juist beëindigd en niet verder ontwikkeld. De aanvullende regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft de omschakeling van de huidige melkrundveehouderij naar een recreatieve voorziening is in feite sprake van de vestiging van een niet-agrarische bedrijfsbestemming. Hiertoe zijn de regels uit artikel 3.73 van de verordening van toepassing. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokk en: 21

1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b. c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare." Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 1: De gemeente Meierijstad heeft bij het opstellen van de structuurvisie en het bestemmingsplan voor het buitengebied voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. Recreatieve voorzieningen zijn, onder voorwaarden, mogelijk in het gebied waarin de locatie is gelegen. De locatie is gelegen in een gebied met de nadere aanduiding 'toerisme', waarbinnen de verdere ontwikkeling van recreatieve functies een speerpunt zijn. Daarnaast is de omgeving waarin de locatie steeds meer aan het transformeren tot een gemengd gebied. Daarmee is sprake van een ontwikkeling die goed past binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Om verder te kijken of de ontwikkeling past in het gebied waarin de locatie is gelegen is met een bredere scope naar het gebied gekeken.

Hierbij is niet alleen naar de effecten op de bovenste laag in het hier en nu gekeken, maar zijn de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven in de afweging betrokken. Daarbij is gekeken naar de verschillende schaalniveaus en is de factor tijd actief benut. Er is daarbij gekeken naar het verleden, de geschiedenis van de verschillende lagen op een plek en de (mogelijke) effecten in de toekomst. Het gebied waarin de locatie is gelegen is van oudsher een gebied geweest waarin de aanwezige bosgebieden steeds meer zijn gecultiveerd tot landbouwgronden. Met name in de jaren '40 en '50 is het bosgebied ontgonnen tot landbouwgrond en ontstond langzaamaan meer bebouwing en meer agrarische bedrijvigheid. De natuur in het gebied werd steeds minder om ruimte te bieden voor de landbouw. Met name in de jaren '50 en '60 is het gebied meer bebouwd en bewoond geraakt, waardoor in het gebied steeds meer agrarische bedrijven zijn ontstaan. Destijds had de aanwezige bebouwing voornamelijk een agrarische functie. De agrarische sector heeft zich nadien in hoog tempo ontwikkeld. Hierdoor is vrijwel het gehele gebied gecultiveerd voor agrarische doeleinden. 22

Met name in de jaren '60 en '70 is de ontsluiting in en rondom het gebied steeds verder ontwikkeld tot een gebiedsontsluiting. Deze is zich tot in de jaren '90 door blijven ontwikkelen. Vanaf die tijd is ook steeds meer de functiemenging ontstaan. Daarbij is in het gebied steeds meer sprake geweest van een langzame, maar zekere, transformatie van het gebied en zijn, naast bedrijven, ook steeds meer burgerwoningen en niet-agrarische ontwikkelingen ontstaan. Naar verwachting zal het gebied zich in de toekomst verder blijven transformeren, waarbij de agrarische activiteiten verder zullen afnemen en wellicht in zijn geheel zullen verdwijnen uit het gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan bij de verdere transformatie van het gebied naar een gebied met andere functies dan alleen agrarisch. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee goed aan op het toekomstige beeld van het gebied. De gronden ter plaatse bestaan voornamelijk uit lage enkeerdgronden met veel zand. Door de voedselarme gronden en door het doorgaans lage organische stofgehalte in gronden met veel zand zijn deze gronden minder geschikt voor landbouw. Het lage leemgehalte en de geringe bewortelingsdiepte maken dat er snel een vochttekort voor het gewas optreedt. Om de gronden geschikt te houden voor landouw is het belangrijk om de organische stof op peil te houden. Dan blijft het vochtgebrek namelijk beperkt.

Verder moet de bodem goed doorwortelbaar gehouden worden en moet aandacht worden geschonken aan de pH-waarde van de gronden (de gronden zijn vaak namelijk zuur). Daarnaast dient het organische stofgehalte op peil gehouden te worden en dienen mineralen aan de grond te worden toegevoegd. De landbouw op deze gronden vraagt daarmee een flinke investering. De mindere mate van geschiktheid van de gronden heeft mede geleid tot een transformatie van het gebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling dient bekeken te worden of deze gevolgen heeft voor de bodemsamenstelling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een verandering in de structuur van de bodem. Daarbij zal de bodemsamenstelling niet wijzigen. Zoals blijkt uit het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling goed binnen de transformatie van het gebied die met name vanaf de jaren '80 en '90 is ingezet. De verwachting is dat het gebied zich in de toekomst, vanwege de beperkte mogelijkheden voor agrarische bedrijfsvoering en de ontwikkeling van de niet-agrarische functies in de omgeving, steeds meer zal blijven ontwikkelen als gemengd gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed bij aan. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor de bodemgesteldheid ter plaatse en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 2: Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Door de beëindiging van de melkrundveehouderij zal de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en stikstofoxiden aanzienlijk afnemen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling juist leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied. Met de voorgenomen beëindiging van de melkrundveehouderij ter plaatse zal het aantal transportbewegingen lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu. Tevens zal de uitstoot van broeikasgassen afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat.

Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal in mindere mate sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied. 23

De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op bedrijventerreinen. De gewenste functie heeft een directe relatie met het naastgelegen natuurgebied en de recreatieve sector is doorgaans sterk gebonden aan het buitengebied. De voorgenomen ontwikkeling concurreert daarmee niet met andere functies in het stedelijk gebied. Gezien de aan het buitengebied gerelateerde functie is vestiging op een bedrijventerrein net voor de hand liggend. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub a, onder 3: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving. Verder wordt er aan de aanwezige locatie in zijn geheel een nieuwe invulling gegeven en overtollige bebouwing gesloopt. Daarmee wordt leegstand van de om te schakelen locatie en daarmee van bebouwing in het buitengebied voorkomen. Hiermee wordt voorkomen dat de bebouwing verpaupert.

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub b: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het huidige bouwperceel benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er zal geen sprake zijn van splitsing in meerdere functies en/of bouwpercelen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een deel van de melkrundveestal en de jongveestal gesloopt. Er is daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing. Tevens zal nog een groot deel aan erfverharding worden verwijderd. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 1: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie met een baliefunctie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport. Er vinden ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten gericht op sport plaats. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 1, sub d, onder 3: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking van mest. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de melkrundveehouderij beëindigd.

De transportbewegingen ten behoeve van de melkrundveehouderij komen daarmee te vervallen. De verkeersbewegingen ten behoeve van de recreatieve functie zijn naar verwachting minder dan die ten behoeve van de melkrundveehouderij. Daarmee zal het benodigde aantal transportbewegingen afnemen naar verwachting. Er is daarmee geen sprake van een verkeersaantrekkende werking. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub b: De afwijking wordt verleend voor een het realiseren van een recreatieve voorziening. Er worden met de 24

omschakeling geen andere activiteiten toegestaan buiten de aangevraagde activiteiten. Hierbij zijn de toegestane activiteiten concreet worden vastgelegd in de regels behorende bij dit plan. Daarmee worden geen andere bedrijfsmatige activiteiten toegestaan dan worden aangevraagd. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de bedrijfsvoering, waaronder ook de opslag, geheel in de de bedrijfsbebouwing plaatsvinden. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 2, sub d: De aangevraagde omvang past binnen de mogelijkheden op de locatie. Indien de aangevraagde omvang niet langer toereikend blijkt te zijn en de maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 3, sub a: Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied. De oppervlakte van de gewenste functie zal ongeveer 2 hectare groot zijn. De locatie is gelegen in een gemengd met kavels voor landbouw en natuur met een relatief grote oppervlakte.

Het directe gebied waarin de locatie is gelegen, het gebied dat is afgekaderd door de dichtstbijzijnde wegen (De Kuilen, De Coevering, de Abenhoefweg en de Willibrordushoek) heeft een oppervlakte van ruim 57 hectare. Dit gebied betreft daarnaast slechts een zeer klein deel van het gehele agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. De oppervlakte van de locatie betreft daarmee nog geen 3,5 % van het door de dichtstbijzijnde wegen afgekaderde gebied en een nog veel kleiner percentage van het totale agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. Er is daarmee sprake van een oppervlaktebeslag dat slechts een kleine weergave betreft van het totale gebied. Op de locatie bevindt zich reeds geruime tijd een melkrundveehouderij met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing en is gelegen in het bebouwingslint aan De Kuilen. De locatie heeft daarmee al geruime tijd de positie in het landschap die het nu heeft. Daarnaast zal de locatie worden ingekleed met natuur en groen en zal zo beter aansluiten op het naastgelegen natuurgebied. De impact op het landschap blijft daarmee beperkt. De activiteiten worden door de initiatiefnemer zelf uitgevoerd. Er is geen sprake van extra personeel. De personele bezetting is daarmee zeer beperkt. De arbeidsbehoefte van de bedrijvigheid ligt relatief laag, waarmee geen sprake is van een bedrijvigheid die een grote aantrekkende werking heeft van buitenaf.

Er is daarmee sprake van een kleinschalige bedrijvigheid. Verder dient te worden bekeken of het doelmatig is om het bedrijf op een bedrijventerrein te vestigen. De gewenste bedrijvigheid is direct verbonden aan het buitengebied en meer in het bijzonder aan het naastgelegen natuurgebied. De vestiging van de gewenste functie op een bedrijventerrein is daarmee niet voor de hand liggend. Verder is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee vestiging in stedelijk gebied niet voor de hand ligt. De initiatiefnemer heeft de grond waarop de gewenste ontwikkeling zal plaatsvinden reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan zouden hiervoor nieuwe gronden op een bedrijventerrein moeten worden aangekocht. De gronden op een bedrijventerrein zijn vaak erg duur. Dit zou betekenen dat de initiatiefnemer een aanzienlijke investering zou moeten doen om te kunnen verplaatsen naar een bedrijventerrein. Deze investering is, gezien de prijs van de gronden op een bedrijventerrein, voor de initiatiefnemer niet haalbaar om daarna te leiden tot een rendabele bedrijfsvoering.

Zelfs als de huidige locatie verkocht zou worden dan zouden de opbrengsten van de verkoop van de locatie niet voldoende zijn om de aankoop van een locatie op een bedrijventerrein rendabel te maken. Daarmee is 25

de vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein financieel niet haalbaar voor de initiatiefnemer. Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen. Het bestemmingsvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete bestemmingen op een bij een bestemmingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een bestemmingsplan. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 3, sub b: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.73, lid 3, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg. Hiervoor geldt een maximale oppervlakte van 1 hectare. Het bouwvlak zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind tot ongeveer 0,85 hectare. Dit is minder dan 1 hectare. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Aan de voorwaarden voor vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zoals zijn opgenomen in artikel 3.73 van de Interim Omgevingsverordening wordt daarmee voldaan. Verder zijn in artikel 3.75 aanvullende voorwaarden opgenomen voor voorzieningen ten dienste van vrije-tijd en zorg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fdc54dfa-e2aa-4ce5-8276-d6ff6eea5f8b