De Kuilen 19 - Toelichting
Tekst van het document
Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond de locatie zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van de locatie onvoldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden. Zelfredzaamheid: Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen.
De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. De mogelijkheden ten aanzien van zelfredzaamheid zijn redelijk. Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet -of verminderd zelfredzame mensen op de locatie woonachtig zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen op de locatie is beperkt, en verandert niet. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat de locatie: 1. goed te alarmeren is: In geval van een calamiteit kan NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. 2. goed te ontvluchten is: Bij de locatie zijn voldoende vluchtwegen gelegen, zodat bij een calamiteit van de risicobron afgevlucht kan worden. Het groepsrisico is daarmee (beperkt) verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht.
Er zijn derhalve geen (wettelijke) belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het voorgenomen initiatief. 47
4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is ter plaatse van de op te richten recreatiewoningen een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse enkele licht verhoogde waarden van metalen in het grondwater zijn aangetroffen. Echter zijn deze te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Daarnaast liggen de gehalten die zijn aangetroffen onder het criterium voor nader onderzoek. Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" volgens de norm NEN 5740 worden aanvaard, ondanks de verhogingen met zware metalen in het grondwater.
Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Daarnaast is een aanvullend verkennend bodemonderzoek (volgens de norm NEN 5740) uitgevoerd waarbij het huidige bouwvlak in zijn geheel is onderzocht. Daarbij is onderzoek gedaan naar locaties waar eventueel bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden, waarbij ook rekening is gehouden met te verwijderen erfverharding, eventuele druppelzones (afwatering van eventueel asbesthoudende daken zonder dakgoten) en de werktuigenberging. Ook uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse enkele licht verhoogde waarden van metalen in het grondwater zijn aangetroffen. Echter zijn deze te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Daarnaast liggen de gehalten die zijn aangetroffen onder het criterium voor nader onderzoek. Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte locatie" volgens de norm NEN 5740 worden aanvaard, ondanks de verhogingen met zware metalen in het grondwater. Voor het aanvullend onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. Gezien het voorgaande zal de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg staan.
4.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de bomenteelt en in de akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.
Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); 48
de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
4.1.9 Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Volgens de netkaart hoogspanningsverbindingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is, zoals te zien in de volgende figuur, op grotere afstand van de locatie een hoogspanningsverbinding van 150 kilovolt (kV) gelegen. Voor de betreffende hoogspanningsverbinding geldt een veiligheidszone van 25 meter. De locatie is gelegen op een afstand van ongeveer 510 meter van de hoogspanningsverbinding. Daarmee is de locatie buiten de veiligheidszone van de betreffende hoogspanningsverbinding gelegen. Er is daarmee geen sprake van het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de veiligheidszones en/of magneetvelden van een hoogspanningsverbinding.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot mogelijke onevenredige belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.
49
Uitsnede Netkaart Hoogspanningsverbindingen. Bron: RIVM.
4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 50
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-aanmeldingsnotitie opgesteld, waarin de verschillende milieueffecten zijn afgewogen. Deze vormvrije aanmeldingsnotitie is ingediend bij de gemeente en door de gemeente en omgevingsdienst beoordeeld. Uit de vormvrije m.e.r.-aanmeldingsnotitie kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot nadelige milieueffecten. Voor de vormvrije m.e.r.-aanmeldingsnotitie wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting. Op basis van het voorgaande heeft de gemeente een besluit genomen dat voor de voorgenomen ontwikkeling geen PlanMER opgesteld hoeft te worden. Het besluit is gelijktijdig met publicatie van het ontwerp van het voorliggende plan genomen en gepubliceerd.
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) is gelegen op een afstand van ongeveer 13,1 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
51
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een melkrundveehouderij in zijn geheel beëindigd. De emissie van ammoniak komt daarmee in zijn geheel te vervallen. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden als gevolg van de emissie van ammoniak zal daarmee aanzienlijk afnemen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. De uitstoot van stikstofoxiden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden als gevolg van de verkeersbewegingen zal daarmee niet toenemen. Voor het gebruik en de aanleg van de gewenste voorzieningen zal sprake zijn van een zeer beperkte emissie van stikstof. Deze emissie is echter vele malen lager dan de emissie vanuit de huidige melkrundveehouderij. De voorgenomen ontwikkeling zal in zijn totaliteit leiden tot een aanzienlijke afname van de emissie van stikstof en daarmee leiden tot een afnemende depositie op de betreffende gebieden. Om het voorgaande in beeld te brengen is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt van de mogelijke effecten op de betreffende gebieden.
Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 7 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar). Naast de depositie van stikstof kunnen activiteiten die leiden tot een uitstraling van licht, geluid en/of trillingen eveneens nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die structureel een grote uitstraling van licht, geluid en/of trillingen tot gevolg hebben. Mogelijk is tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase sprake van de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter zullen deze effecten, gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden, in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
52
4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te 53
beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden zullen zijn.
Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting.
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies, welke regels dienen op te nemen in het provinciale beleid ten behoeve van het behoud en de bescherming van het NNN.
De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Hiervoor hebben zij in de provinciale verordening regels opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van deze gebieden. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Wel is de locatie direct aansluitend aan het NNN/NNB gelegen.
54
Uitsnede kaart NNN/NNB. Bron: Provincie Noord-Brabant. Bij ontwikkelingen aansluitend aan het NNN/NNB is geen nadere compensatie nodig, maar dient wel te worden gemotiveerd dat deze niet zullen leiden tot een onevenredige aantasting van deze gebieden zal plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het herstel van het historische cultuurlandschap en de stuifwal. Daarmee wordt ter plaatse voorzien in de ontwikkeling van natuur en de versterking van het NNN/NNB. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de verdere ontwikkeling en realisatie van het NNN/NNB.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Daarnaast zal met de beëindiging van de melkrundveehouderij de emissie van ammoniak aanzienlijk afnemen, waarmee de situatie voor de betreffende gebieden alleen maar zal verbeteren.
55
Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
De gemeente Meierijstad heeft de archeologische (verwachtings)waarden vastgelegd in dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Op de locatie zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Voor deze gebieden geldt vanuit het gemeentelijke beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter onder maaiveld, waarmee nader onderzoek naar archeologische resten noodzakelijk is. Ten behoeve van 56
de voorgenomen ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt het volgende: "Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied bestaat uit (deels/semi) intacte veldpodzolgronden. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum - nieuwe tijd) blijft dan ook gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder het stuifzand (40 - 95 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn. Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats." Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Naar aanleiding van het voorgaande is een aanvullend archeologisch onderzoek met proefsleuven uitgevoerd.
Uit dit onderzoek blijkt het volgende: "Op basis van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek kan worden gesteld dat de bodem ter plaatse zeer goed bewaard is. Dit komt overeen met de resultaten van het vooronderzoek. Binnen het plangebied zijn archeologische resten waargenomen welke dateren uit de periode 15e-16e eeuw en de nieuwe tijd. Echter betreft het enkel een viertal perceleringsgreppels. Dit is te weinig om te spreken van een vindplaats binnen de contouren van de voorgenomen ontwikkeling. De resultaten zijn dan ook aanleiding om te adviseren dat verder archeologisch onderzoek niet noodzak elijk wordt geacht." Voor het volledig aanvullend onderzoek wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting. Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van archeologische resten en/of waarden.
4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen.
57
Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Noord-Brabant. De Kuilen en andere in het gebied voorkomende wegen zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen in het landschap. Het is van belang deze historische lijnen zoveel mogelijk te behouden en te beschermen. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen aanpassingen aan de wegen in het gebied plaats. De ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand erf. Zichtlijnen blijven zoveel mogelijk behouden en de historisch geografische lijnen worden niet aangetast of gewijzigd. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op de betreffende historisch geografische lijnen in de omgeving. De locatie is gelegen in een historische groenstructuur. Het is van belang het historisch groen zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het herstel van het historische cultuurlandschap en de stuifwal. Daarmee wordt ter plaatse voorzien in de ontwikkeling van natuur en de versterking van het historisch groen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het behoud en de verdere ontwikkeling van het historisch groen. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de in de omgeving voorkomende cultuurhistorisch waardevolle elementen.
4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. 58
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
4.4
Verkeer en parkeren
4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op De Coevering. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Voor bed & breakfast en recreatiewoningen zijn geen specifieke parkeernormen vastgelegd. Daarom is aangesloten bij de parkeernormen voor bungalowparken met huisjes.
Vanuit de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW geldt voor bungalowparken in het buitengebied een parkeernorm van 2 per bungalow. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in 5 recreatiewoningen, 4 bed & breakfast kamers en 59
verhuur van de huidige zorg- en recreatievoorziening. In totaal is daarmee sprake van 10 recreatieobjecten. Dit houdt in dat ter plaatse ten minste 20 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. In het landschappelijk inrichtingsplan (zie bijlage 3 van deze toelichting) dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld zijn 24 parkeerplaatsen ingetekend. Daarmee wordt ter plaatse voorzien in ruim voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het parkeren zal daarmee ook in de gewenste situatie geheel op eigen terrein plaatsvinden.
4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een melkrundveehouderij naar een recreatieve voorziening in de vorm van recreatiewoningen en bed & breakfast. Voor bed & breakfast en recreatiewoningen zijn geen specifieke verkeer kencijfers vastgelegd. Daarom is aangesloten bij de verkeer kencijfers voor bungalowparken met huisjes. Vanuit de handreiking "Toekomstbestendig parkeren" van het kennisplatform CROW geldt voor bungalowparken in het buitengebied een verkeersgeneratie van 2,6 verkeersbewegingen per bungalow per etmaal. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in 5 recreatiewoningen, 4 bed & breakfast kamers en de verhuur van de huidige zorg- en recreatievoorziening. In totaal is daarmee sprake van 10 recreatieobjecten. Dit houdt in dat ter plaatse sprake zal zijn van ongeveer 26 verkeersbewegingen per dag. In de huidige situatie is ter plaatse een melkrundveehouderij gevestigd voor het houden van 92 melk- en kalfkoeien en 55 stuks vrouwelijk jongvee.
Daarbij vinden gemiddeld genomen de volgende verkeersbewegingen plaats: Vaste verkeersbewegingen: Ophalen melk met tankwagen: gemiddeld 0,3 vrachtwagens per dag (1 vrachtwagen in 3 dagen), resulteert in gemiddeld 0,6 verkeersbewegingen per dag met vrachtverkeer; Bulkwagen met krachtvoer: gemiddeld 0,1 vrachtwagen per dag (1 vrachtwagen in 2 weken), resulteert in 0,2 verkeersbeweging per dag met vrachtverkeer; Ophalen kalveren: gemiddeld 1 vrachtwagen per week, resulteert in 0,3 verkeersbewegingen per dag met vrachtverkeer; Ophalen slachtvee: gemiddeld 1 vrachtwagen per 2 weken, resulteert in 0,2 verkeersbewegingen per dag met vrachtverkeer; Servicebus (onderhoud en techniek): gemiddeld 2 personenauto's/bestelauto's per dag, resulteert in 4 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer; Diensten van dierenarts en adviseurs/vertegenwoordigers: gemiddeld 5 personenauto's/bestelauto's per week, resulteert in gemiddeld 1,4 verkeersbeweging per dag Levering overige goederen: gemiddeld 4 personenauto's/bestelauto's per dag, resulteert in 8 verkeersbewegingen per dag met personenvervoer; Bewerken land, teelt ruwvoer: gemiddeld 2 tractors per dag, resulteert in 4 verkeersbewegingen per dag met tractoren; Inkuilen ruwvoer: gemiddeld 1 tractor per dag, resulteert in 2 verkeersbewegingen per dag met tractoren.
Totaal: 16,7 verkeersbewegingen per dag, waarvan 7,3 met vracht- en/of landbouwverkeer. In totaal zal het aantal verkeersbewegingen in de worst-case situatie met maximaal 10 per dag toenemen. Dit betreft slechts vijf extra auto's per dag. Dit betreft geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling het aandeel vrachtverkeer in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de eventuele hinder aan de omgeving alleen maar afnemen.
60
4.5
Wateraspecten
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap). De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt.
Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.
4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een melkrundveehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een recreatievoorziening. Daarbij zal een deel van de bestaande bedrijfsbebouwing worden hergebruikt voor de recreatieve doeleinden, een deel van de bestaande bedrijfsbebouwing worden gesloopt en zullen vier nieuwe recreatiewoningen worden opgericht. De nieuw op te richten recreatiewoningen krijgen een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 424 m². In totaal zal ongeveer 610 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Daarnaast zal nog ongeveer 1.200 m² aan erfverharding worden verwijderd. Hiermee zal het verhard oppervlak ter plaatse afnemen. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar een een regenwateropslag van ongeveer 300 m³. Deze regenwateropslag wordt uitgevoerd met een overloopvoorziening naar de achtergelegen poel vanwaar het water kan infiltreren in de bodem. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te 61
voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen: Voor ontwikkelingen waarbij de verharde oppervlakte (bebouwing en verharding) toeneemt met niet meer dan 500 m² is geen aanvullende compensatie nodig. Voor ontwikkelingen waarbij de verharde oppervlakte (bebouwing en verharding) toeneemt met meer dan 500 m², maar met niet meer dan 10.000 m² dient de rekenregel te worden toegepast. Voor ontwikkelingen waarbij de verharde oppervlakte (bebouwing en verharding) toeneemt met meer dan 10.000 m² kan de rekenregel niet worden toegepast en is maatwerk nodig. Hiervoor dient goed te worden overlegd met het waterschap. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen, maar afnemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken worden: zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast.
De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een regenwateropslag. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.
62
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro.
In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Meierijstad. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" en de herziening daarop, "Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit" van gemeente Meierijstad en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld 63
zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.2.1 Vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het plan aangeboden aan de verschillende vooroverlegpartners. Hierbij hebben de provincie Noord-Brabant en het waterschap Aa en Maas gereageerd. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met de plannen en hebben geen aanvullende opmerkingen geplaatst. De provincie Noord-Brabant heeft in de vooroverlegreactie nog enkele opmerkingen geplaatst en verzoekt tot aanpassingen van het plan. Kort samengevat betreft de vooroverlegreactie van de provincie het volgende: 1. Op basis van het principe "zorgvuldig ruimtegebruik" dient nader gemotiveerd te worden waarom de recreatiewoningen buiten het huidige bouwvlak worden aangelegd. Hiervoor dient een aanvullende ruimtelijke afweging te worden gemaakt. 2. De akkerbouwtak blijft actief. Het is voor de provincie niet geheel duidelijk in welke omvang de akkerbouw blijft bestaan en hoe dit zich verhoudt tot de overige activiteiten. Daarnaast is de akkerbouw niet opgenomen in de regels en/of verbeelding. 3. De provincie verzoekt om permanente bewoning van recreatieverblijven en/of andere niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken in zijn geheel uit te sluiten. 4.
De provincie geeft aan dat enkele functies die mogelijk kunnen worden gemaakt met afwijkingsmogelijkheden die in de regels zijn opgenomen die niet geheel passen binnen het specifieke plan en het beoogde concept. De provincie verzoekt de regels hierop nog eens goed na te lopen. 5. Voor de provincie zijn de inrichtingsmaatregelen met betrekking tot de kwaliteitsverbetering van het landschap lastig te herleiden naar het bij het plan gevoegde inrichtingsplan en verzoekt dit nader uit te werken en beter te duiden. 6. De provincie geeft aan dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit ook juridisch dient te worden geborgd. Op basis van het voorgaande is als volgt omgegaan met de vooroverlegreactie van de provincie: Ad. 1: In het landschappelijk inrichtingsplan is een nadere ruimtelijke, landschappelijke en stedenbouwkundige motivatie opgenomen voor de inrichting van het terrein en het feit dat de recreatiewoningen buiten het oorspronkelijke bouwvlak zijn gelegen. Het aangepaste landschappelijk inrichtingsplan en de daarin opgenomen motivatie met betrekking tot dit punt is met de provincie nader besproken en door de provincie akkoord bevonden. Het gewijzigd landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Ad.
2: In de paragraaf "Gewenste situatie" (paragraaf 2.2) is de volgende omschrijving toegevoegd: "De akkerbouw blijft bestaan als nevenactiviteit naast het recreatiebedrijf. Er is sprake van ongeveer 25 hectare grond die nog wordt beheerd, waarop verschillende teelten plaatsvinden. Met een dergelijke omvang is geen sprake van een volwaardige akkerbouwtak en kan niet in voldoende mate worden voorzien in een hoofdinkomen. Daarnaast is het bedrijf voornamelijk gericht op de recreatieve activiteiten en wordt de akkerbouw uitgevoerd met name om voor een deel voer te winnen voor het eigen gehouden kleinvee op de locatie en voor het behoud van het agrarisch karakter van de locatie. De relatie met de voormalige boerderij blijft daarmee sterker behouden. De akkerbouw is daarmee ondersteunend aan de hoofdactiviteit." Daarmee is verder verduidelijkt hoe de akkerbouwactiviteiten zich verhouden tot de overige activiteiten. In de regels bij de bestemming 'Recreatie' is toegevoegd dat het uitvoeren van agrarische activiteiten in de vorm van grondgebonden teelt mogelijk is als nevenactiviteit. Ad. 3: In de regels is in de algemene gebruiksregels een bepaling opgenomen die permanente bewoning uitsluit. 64
Ad. 4: De regels zijn nog eens goed nagelopen. Eventuele overbodige bepalingen zijn daarbij geschrapt/De betreffende bepalingen zijn rechtstreeks overgenomen uit het geldende bestemmingsplan en maken daarmee niet meer mogelijk dan in de huidige situatie. Ad. 5: Het landschappelijk inrichtingsplan is aangepast, waarbij de inrinchtingsmaatregelen daarin verder zijn uitgewerkt. In het landschappelijk inrichtingsplan is dit nu beter uitgewerkt en geduid. Het aangepaste landschappelijk inrichtingsplan en de daarin opgenomen motivatie met betrekking tot dit punt is met de provincie nader besproken en door de provincie akkoord bevonden. Het gewijzigd landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Ad. 6: In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing, waarbij nadrukkelijk wordt verwezen naar het landschappelijk inrichtingsplan. De fysieke kwaliteitsverbetering wordt behaald door de in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen landschappelijke inpassing. Omdat de in de regels opgenomen voorwaardelijke verplichting specifiek leidt tot een verplichting tot realisatie en instandhouding van de in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen landschappelijke inpassing is de fysieke kwaliteitsverbetering juridisch geborgd.
Op basis van het voorgaande is in voldoende mate tegemoet gekomen aan de vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant. 5.2.2 Omgevingsdialoog Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gevoerd. Gedurende deze dialoog zijn omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd over de plannen van de initiatiefnemer, waarbij zij tevens de gelegenheid kregen om eventuele zorgen en/of aandachtspunten kenbaar te maken. Naast de algemene omgevingsdialoog met de omgeving heeft er tevens een aparte omgevingsdialoog plaatsgevonden met de directe buren, naar aanleiding van een ingediende zienswijze van deze betrokken partijen. Naar aanleiding van dit overleg zijn er enkele aanpassingen in het plan doorgevoerd om tegemoet te komen aan de belangen van de directe buren. Op deze wijze heeft de voorgenomen ontwikkeling, na twee omgevingsdialogen, voldoende draagvlak verkregen vanuit de omgeving. Voor een gedetailleerd verslag van de dialoog met de omgeving wordt verwezen naar bijlage 12 van deze toelichting. Vanwege privacyoverwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt.
5.3
Zienswijze
In het kader van de ruimtelijke procedure volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het voorliggend plan van 15 februari 2023 tot en met 26 maart 2023 als ontwerp ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van ter inzage legging is er één zienswijze ingebracht op het voorliggend plan. De ingediende zienswijze is samengevat, beoordeeld en voorzien van een gemeentelijke reactie in bijlage 13 ‘Nota van zienswijzen‘.
5.4
Handhaving
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Meierijstad vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding 65
van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
66
Hoofdstuk 6 6.1
Wijze van bestemmen
Doel en reikwijdte
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.
het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
6.2
Onderdelen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 67
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.