CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

C17c Bijlage 2 SKIP jij (2024) - monitorrapport

Raadsvergadering 18 september 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Brieven van inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven25.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

18

20 15

12

10

14 10 10

12

15 12 5

5

1

0 Cannabis

Xtc

Poes/miauw

1

7 0

0

Lachgas

Man Vrouw Anders

4

3

Cocaïne

Ketamine

Figuur 8.1: recent gebruik (laatste maand), uitgesplitst naar gender

35 30 25 20

32 27 21

15

11

10 5

4

0

15 15

14

8

6

6 1

1

0

1

3

2

4

16 en 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar

Figuur 8.2: recent gebruik (laatste maand), uitgesplitst naar leeftijd

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

27

Tabel 8.2 laat de verschillen in recent gebruik zien tussen 2021 en 2024. Xtc en cocaïne zijn iets minder gebruikt dan in 2021 (respectievelijk gedaald van 12% naar 10% en van 6% naar 4%). Het recent gebruik van lachgas is opvallend sterk afgenomen, van 2% naar 0,6%. Daarentegen is het gebruik van designer drugs (inclusief poes/miauw) gestegen van 7% naar 12%. Belangrijk om te vermelden is dat poes/miauw in 2024 apart is uitgevraagd en daarom voor de vergelijking met 2021 is samengevoegd met de categorie ‘designer drugs’.

In vergelijking met het ooit-gebruik is het laatste jaar gebruik van lachgas laag. Zo heeft bijvoorbeeld 24% ooit lachgas gebruikt, maar slechts 4% deed dit nog in het afgelopen jaar.

Tabel 8.2: recent gebruik (laatste maand), vergelijking 2021 en 2024 Recent gebruik

2021 %

2024 %

Cannabis

24

22

Xtc

12

10

Lachgas

2

0,6

Cocaïne

6

4

Ketamine

6

5

Paddo’s

1

0,8

Amfetamine

3

2

2C-B

1

0,8

Geneesmiddelen

2

2

0,5

0,3

7

12

LSD Designer drugs

8.2 Laatste jaar gebruik Tabel 8.3 laat zien welk percentage jongvolwassenen een bepaald middel het afgelopen jaar heeft gebruikt, uitgesplitst per wervingsmethode. Cannabis is daarbij de meest gebruikte drug: 42% van de jongvolwassenen geeft aan dit middel het afgelopen jaar te hebben gebruikt. Ook xtc (32%) en poes/miauw (26%) worden relatief vaak genoemd, waarmee deze drie middelen duidelijk het meest gangbaar zijn in het laatste jaar gebruik.

GHB

0,8

0,5

Heroïne

0,2

0,2

In de vergelijking van het middelengebruik in het laatste jaar tussen 2021 en 2024 zijn enkele opvallende verschuivingen zichtbaar (tabel 8.4). Het percentage jongvolwassenen dat in het afgelopen jaar cannabis gebruikte is licht gedaald, van 43% naar 38% dit geldt ook voor cocaïne (van 15% naar 11%) en ketamine (van 15% naar 12%). Voor lachgas is er sprake van een duidelijke afname, van 11% naar 4%. Tegelijkertijd valt op dat het gebruik van designer drugs (inclusief poes/miauw) aanzienlijk is toegenomen, van 13% in 2021 naar 23% in 2024. Voor de overige middelen blijven de verschillen klein en niet significant. Het gebruik van xtc is vrijwel stabiel gebleven.

Tabel 8.4: laatste jaar gebruik, vergelijking 2021 en 2024 Laatste jaar gebruik

2021 %

2024 %

Cannabis

43

38

Xtc

29

28

Lachgas

11

4

Cocaïne

15

11

Ketamine

15

12

Paddo’s

10

8

Amfetamine

8

6

2C-B

10

5

Geneesmiddelen (niet medisch gebruik)

5

4

LSD

3

2

Designer drugs

13

23

GHB

2

0,8

0,6

0,7

Heroïne

8.3 Frequentie gebruik Figuur 8.3 laat zien hoe vaak jongvolwassenen in het afgelopen jaar verschillende drugs hebben gebruikt. Het gebruik van de meeste middelen is voornamelijk incidenteel. Cannabis onderscheidt zich echter van de andere middelen

14%

Cannabis

doordat het ook regelmatig gebruikt wordt. Naast de incidentele gebruikers geeft een aanzienlijk deel van de jongvolwassenen aan cannabis maandelijks, wekelijks of zelfs (bijna) dagelijks te gebruiken. Dit maakt cannabis het enige middel waarbij frequent gebruik een substantiële rol speelt. Ook het gebruik van poes/miauw heeft een relatief hoge gebruiksfrequentie vergeleken met andere middelen. Een groter deel van de gebruikers geeft aan dit middel niet alleen af en toe, maar ook maandelijks of zelfs wekelijks te gebruiken. Xtc wordt daarentegen vooral een paar keer per jaar gebruikt, en dit patroon geldt voor de meeste gebruikers. Voor lachgas, cocaïne en ketamine blijft het gebruik doorgaans beperkt tot incidenteel: één of enkele keren per jaar. Regelmatig, wekelijks of dagelijks gebruik van deze middelen komt nauwelijks voor. Deze cijfers benadrukken dat, hoewel veel jongvolwassenen ervaring hebben met drugs, het merendeel van hun ervaring beperkt blijft tot sporadisch gebruik, met cannabis als duidelijke uitzondering.

40%

14%

18%

Xtc

18%

73%

9%

Tabel 8.3: laatste jaar gebruik verschillende drugssoorten, totale groep jongvolwassenen Wervingsmethode

Via Social Media %

Via brief* %

Via andere (lokale) netwerken %

Totaal %

16%

Poes/miauw

53%

50%

Lachgas

Cannabis

60

17

33

42

Xtc

52

9

19

32

Poes/miauw

41

9

15

26

Lachgas

6

1

4

4

Cocaïne

21

4

7

13

Ketamine

24

4

9

15

51%

28%

Ketamine 10%

één keer

7%

58%

20%

7%

50%

42%

Cocaïne

0%

*referentiecategorie

24%

30%

een paar keer

40%

50%

maandelijks

60% wekelijks

14%

70%

80%

90%

100%

(bijna) dagelijks

Figuur 8.3: frequentie drugsgebruik afgelopen jaar, voor laatste jaar gebruikers van betreffend middel

28

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

29

8.4 Setting gebruik De setting waarin drugs gebruikt wordt verschilt sterk per middel (zie tabel 8.5). Cannabis wordt het vaakst gebruikt in huiselijke settingen: 34% van de gebruikers geeft aan het thuis of bij vrienden thuis te gebruiken, gevolgd door alleen thuis (16%) en buiten op straat of in het park (20%). Ook huisfeesten (16%) zijn populair voor cannabisgebruik.

Poes/miauw kent eveneens een hoog gebruik op festivals (22%) en in clubs/discotheken (12%). Ook huisfeesten (11%) en thuis bij vrienden (9%) worden relatief vaak genoemd. Opvallend is dat poes/miauw ook in cafés/kroegen (8%) iets vaker wordt genoemd dan de andere drugs. Cocaïne wordt het vaakst gebruikt op festivals (7%), in een club, discotheek (6%), café of kroeg (5%) en bij huisfeesten (5%).

% Café/kroeg Club/discotheek Festival Tentfeest/dorpsfeest Poppodium/muziekconcert Huisfeest of feest bij vrienden Keet/schuur/caravan/hok Club- of verenigingsgebouw Thuis (alleen) Thuis of bij vrienden thuis Op werk Op school In de auto Buiten op straat of in het park Overig

3 3 7 1 2 16 5 0,6 16 34 1 4 3 20 1

% 0,8 5 29 0,5 2 6 0,6 0,1 1 5 0,1 0,4 0,1 1 0,3

%

%

8 12 22 3 2 11 2 0,9 2 9 0,9 0,6 0,5 2 0,3

5 6 7 1 1 5 0,7 0,2 0,8 3 0,2 0,1 0,1 0,4 0,1

Cellen gemarkeerd op basis van hoogte percentage: ≥ 5% ≥ 10% ≥ 20%

"Sociale invloed omvat verschillende factoren en omgevingsniveaus"

Ketamine

Cocaïne

9. Dimensie 4

Poes/miauw

Tabel 8.5: drugsgebruik in verschillende settingen, totale groep jongvolwassenen

Xtc

Voor ketamine geldt dat 10% het thuis of bij vrienden thuis gebruikt; dit is het hoogste percentage voor dit middel, gevolgd door festivals (7%).

Cannabis

Voor xtc is het gebruik op festivals het meest prominent: 29% van de gebruikers heeft het daar gebruikt. Andere veelgenoemde settingen voor xtc zijn huisfeesten (6%) en clubs/discotheken (5%).

% 0,6 2 7 0,4 0,6 4 0,7 0,1 2 10 0,1 0 0,1 1 0,7

Sociale accommodatie Bij sociale accommodatie draait het om de attitude die jongvolwassenen zelf hebben ten aanzien van drugs­gebruik én om de sociale invloed van hun directe omgeving, zoals ouders en vrienden. Er is onderzocht hoe jongvolwassenen zelf aankijken tegen het gebruik van verschillende soorten drugs en hoe zij denken dat hun ouders/verzorgers en vrienden hierover oordelen. De attitude verwijst naar de houding van mensen ten opzichte van drugsgebruik: met andere woorden, wat iemand van het gebruik van drugs vindt (Brug, Van Assema, & Lechner, 2017). Een positieve attitude ten aanzien van drugs vergroot de kans op zowel het starten met middelengebruik (Bessie, Kaur, & Kalra-Ramjoo, 2018) als een hogere frequentie van gebruik (Barkin, Smith, & DuRant, 2002). Sociale invloed omvat verschillende factoren en omgevingsniveaus (Brug, Van Assema, & Lechner, 2017). Binnen deze monitor zijn zowel injunctieve als descriptieve normen bij ouders, vrienden en leeftijdsgenoten uitgevraagd. De injunctieve norm betreft de perceptie van goedkeuring of afkeuring van middelengebruik door belangrijke anderen. De descriptieve norm gaat over de perceptie of anderen daadwerkelijk middelen gebruiken (Eisenberg, Toumbourou, Catalano, & Hemphill, 2014).

Daarnaast wordt gekeken naar de perceptie van risico’s en de motieven om al dan niet drugs te gebruiken.

is het relevant om specifiek te kijken naar de attitude van jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt. Zoals verwacht is de attitude sterk afhankelijk van de eigen gebruikservaring (tabel 9.1). Ooit-gebruikers hebben veel vaker een positieve houding ten opzichte van drugsgebruik dan nooit-gebruikers. Jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt, hebben vrijwel altijd een negatieve houding ten aanzien van drugsgebruik.

9.1 Attitude Jongvolwassenen staan overwegend negatief tegenover het gebruik van de meeste drugs, met cannabis als duidelijke uitzondering waar een meerderheid juist een positieve attitude heeft (figuur 9.1). De meerderheid (61%) van de jongvolwassenen vindt het (helemaal) oké om cannabis te gebruiken, terwijl slechts 21% het (helemaal) niet oké vindt. Ook bij tripmiddelen is de houding relatief mild: 26% vindt het (helemaal) oké. Bij de andere middelen overheerst een negatieve houding. Zo vindt een grote meerderheid het gebruik van lachgas (79%), cocaïne (76%), ketamine (72%) en amfetamine (72%) (helemaal) niet oké. Slechts een klein deel vindt het (helemaal) oké (variërend tussen 6% en 11%). Opvallend is verder dat bij poes/miauw en designer drugs een deel van de jongvolwassenen aangeeft er nog nooit van gehoord te hebben (respectievelijk 9% en 21%), wat wijst op minder bekendheid met deze middelen.

Vooral bij cannabis is het verschil groot: 79% van de ooit-gebruikers vindt cannabisgebruik (helemaal) oké, tegenover 22% van de nooit-gebruikers. Ook voor xtc zien we een groot verschil (52% ooit-gebruikers vs. 4% nooit-gebruikers). Bij middelen als lachgas, poes/miauw, cocaïne, ketamine, amfetamine, tripmiddelen en designer drugs zijn de percentages positieve attitudes onder nooit-gebruikers zeer laag (meestal tussen 1-3%). Dit bevestigt dat een negatieve attitude veel vaker voorkomt bij jongvolwassenen zonder gebruikservaring. Zelfs onder ooit-gebruikers is het aandeel dat gebruik van bijvoorbeeld lachgas (7%), cocaïne (12%) en designer drugs (8%) oké vindt, relatief beperkt. Bij deze middelen overheerst dus ook onder gebruikers een kritische houding.

De attitude ten aanzien van drugsgebruik hangt voor alle drugs samen met het ooit gebruiken van drugs. Daarom

Wat vind jij van het gebruik van de volgende drugs?

21%

Cannabis

17%

61%

45%

Xtc

17%

37%

56%

Poes/miauw

17% 17%

17%

Lachgas

79%

Cocaïne

76%

18%

17%

15%

6%

15%

15%

9%

15%

Ketamine

72%

14%

11%

14%

Amfetamine

72%

14%

11%

14%

52%

Tripmiddelen

18% 66%

Overige designer drugs 0%

10%

20%

(helemaal) niet oke

30% neutraal

40% (helemaal) oké

18%

26% 8%

50%

60%

70%

80%

4% 90%

8% 100%

nooit van gehoord

Figuur 9.1: attitude, totale groep gebruikers 30

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

31

Tabel 9.2: waargenomen attitude ouders, uitgesplitst naar ooit-gebruik.

Tabel 9.1: attitude, uitgesplitst naar nooit- en ooit-gebruik Heeft nooit drugs gebruikt %

Heeft ooit drugs gebruikt %

Cannabis

22

79

Xtc

4

52

Poes/miauw

2

27

Jongvolwassene denkt dat ouder/verzorger het (helemaal) niet oké vindt als hij/zij de volgende drugs gebruikt:

Lachgas

2

7

Cannabis

85

42

Cocaïne

1

12

Xtc

98

73

Ketamine

1

16

Poes/miauw

99

93

Amfetamine

1

15

Lachgas

98

94

Tripmiddelen

3

37

Cocaïne

100

97

Overige designer drugs

1

8

Ketamine

100

96

Amfetamine

99

95

Tripmiddelen

98

81

Overige designer drugs

100

98

Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % %

Vindt het gebruik (helemaal) oké:

9.2 Injunctieve norm ouders Over het algemeen denken jongvolwassenen dat ouders een zeer afkeurende houding hebben tegenover het gebruik van de meeste drugs (figuur 9.2).

Opvallend is dat bij cannabis het oordeel van ouders minder negatief wordt ingeschat: 55% denkt dat ouders het (helemaal) niet oké vinden, terwijl 21% denkt dat ze neutraal zouden zijn en 23% denkt dat ouders het (helemaal) oké zouden vinden. Dit wijst erop dat cannabisgebruik door ouders minder zwaar wordt afgekeurd dan andere middelen.

Voor middelen als cocaïne (98%), amfetamine (95%), lachgas (95%) en ketamine (96%) geeft een grote meerderheid van de jongvolwassenen aan dat ouders het gebruik ervan (helemaal) niet oké zouden vinden. Ook bij designer drugs (89%), tripmiddelen (85%) en xtc (81%) wordt een sterke afkeuring verwacht.

Over het algemeen denken jongvolwassenen dat hun ouders of verzorgers weinig acceptatie tonen ten aanzien van drugsgebruik, waarbij nooit-gebruikers de afkeuring van hun ouders het hoogst inschatten (tabel 9.2). Vrijwel alle nooit-gebruikers (>98%) denkt dat ouders het gebruik van bijna alle soorten drugs (helemaal) niet oké zouden vinden. Een kleine groep nooit-gebruikers denkt dat ouders het gebruik van cannabis niet expliciet afkeuren.

55%

Tabel 9.3: waargenomen attitude ouders, vergelijking 2021 en 2024 2021 %

2024 %

Voor de meeste andere middelen verwachten jong­ volwassenen echter overwegend negatieve reacties. Zo denkt een ruime meerderheid dat vrienden het gebruik van lachgas (60%), amfetamine (63%), cocaïne (67%) en ketamine (63%) (helemaal) niet oké zouden vinden. Slechts een minderheid verwacht positieve reacties op het gebruik van deze middelen (variërend tussen 11% en 21%).

Jongvolwassene denkt dat ouder/ verzorger het (helemaal) niet oké vindt als hij/zij de volgende drugs gebruikt: Cannabis

59

58

Xtc

85

82

Lachgas

92

95

Cocaïne

98

98

Amfetamine

97

96

Cannabis

23%

21%

11% 3%

8%

Xtc

5%

Poes/miauw

19%

66%

14% 38%

90%

Lachgas

95%

Cocaïne

98%

2%

Cocaïne

Ketamine

96%

2%

Ketamine

63%

Amfetamine

95%

3%

Amfetamine

63%

5%

Tripmiddelen

9%

Overige designer drugs

Tripmiddelen

85%

Overige designer drugs

89% 10%

20%

(helemaal) niet oke

30% neutraal

40%

4%

8%

50%

(helemaal) oké

60%

70%

80%

90%

47%

nooit van gehoord

Figuur 9.2: waargenomen attitude ouders, totale groep jongvolwassenen

17%

(helemaal) niet oke

neutraal

13% 40%

50%

(helemaal) oké

60%

21%

1%

18%

1% 1%

31%

19%

30%

1%

18%

15%

64% 20%

21% 15%

48%

10%

4%

21%

67%

0%

1%

31%

17% 60%

Lachgas

100%

46%

16%

Poes/miauw

0%

32

9.3 Injunctieve norm vrienden Figuur 9.3 laat zien hoe zij inschatten wat hun vrienden zouden vinden van het gebruik van verschillende soorten drugs. De houding van vrienden varieert sterk per middel. Met name bij cannabis verwachten jongvolwassenen dat hun vrienden het (helemaal) oké zouden vinden als zij cannabis gebruiken (66%). Ook voor xtc is de inschatting relatief positief: 46% denkt dat vrienden dit gebruik (helemaal) oké vinden.

Wat vinden je vrienden van het gebruik van de volgende drugs?

81%

Xtc

Ten opzichte van 2021 zijn de resultaten vergelijkbaar (tabel 9.3). Alleen voor lachgas zie je dat meer jong­ volwassenen aangeven dat ze denken dat ouders het gebruik zouden afkeuren.

Ooit-gebruikers verwachten minder afkeuring van hun ouders, bij cannabis. Slechts 42% van de ooit-gebruikers denkt dat ouders cannabisgebruik (helemaal) niet oké vinden. Ook bij middelen zoals xtc en tripmiddelen

Wat zouden jouw ouders ervan vinden als je de volgende drugs gebruikt? Cannabis

schatten ooit-gebruikers de ouderlijke afkeuring aan­ zienlijk lager in dan nooit-gebruikers.

70%

11% 80%

13% 90%

100%

nooit van gehoord

Figuur 9.3: waargenomen attitude vrienden, totale groep jongvolwassenen RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

33

Wat betreft de mening van vrienden zien we een duidelijke stijging (tabel 9.5): in 2024 denken significant meer jong-

Tabel 9.4: waargenomen attitude vrienden, uitgesplitst voor ooit-gebruik Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % % Jongvolwassene denkt dat vrienden het (helemaal) niet oké vinden als hij/zij de volgende drugs gebruikt: Cannabis

48

6

Xtc

75

21

Poes/miauw

81

35

Lachgas

77

53

Cocaïne

89

57

Ketamine

88

52

Amfetamine

87

53

Tripmiddelen

80

34

Overige designer drugs

90

65

34

100% Eigen attitude Attitude ouders Attitude vrienden

90% 80% 70% 60% 50%

Tabel 9.5: waargenomen attitude vrienden, vergelijking 2021 en 2024 2021 %

40% 30%

2024 %

Jongvolwassene denkt dat vrienden het (helemaal) niet oké vinden als hij/zij de volgende drugs gebruikt:

20% 10%

9.4 Vergelijking van attitudes In deze paragraaf wordt beschreven hoe de attitude van de jongvolwassenen zich verhoudt tot die van hun ouders en hun vrienden. In figuur 9.4 worden de verschillen in (veronderstelde) attitudes ten aanzien van negen verschillende drugs­ soorten weergegeven tussen jongvolwassenen zelf, hun ouders/verzorgers en hun vrienden. Uit de figuur blijkt dat alle jongvolwassenen de houding van hun vrienden structureel positiever inschatten dan hun eigen houding, ongeacht de drugssoort. Ten aanzien van de ouders/ verzorgers ontstaat een ander beeld: jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt, geven in meerderheid aan dat hun ouders/verzorgers het gebruik (helemaal) niet acceptabel zouden vinden. Ook onder jongvolwassenen die wél ooit drugs hebben gebruikt, wordt de attitude van vrienden positiever ingeschat dan de eigen houding, zij het dat de verschillen (vooral bij de meest gebruikte drugssoorten) aanzienlijk kleiner zijn dan bij nooit-gebruikers. Daarnaast liggen voor deze groep de percentages die een positieve attitude rapporteert (zowel voor zichzelf als voor hun vrienden en ouders/verzorgers) over de gehele linie hoger.

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

Tripmiddelen

Ooit-gebruiker

Overige designer drugs

Nooit-gebruiker

Amfetamine

66

Ketamine

70

61

Cocaïne

66

Amfetamine

Lachgas

Cocaïne

Poes/miauw

62

Xtc

46

Cannabis

Lachgas

Overige designer drugs

43

Tripmiddelen

39

Amfetamine

Xtc

Ketamine

21

Cocaïne

19

Lachgas

Cannabis

Poes/miauw

0% Xtc

Ooit-gebruikers daarentegen verwachten aanzienlijk meer acceptatie van hun vrienden. De percentages die aangeven dat vrienden het gebruik (helemaal) niet oké zouden vinden, liggen bij deze groep veel lager. Met name bij cannabis zien we een groot verschil: slechts 6% van de ooit-gebruikers denkt dat vrienden het gebruik van cannabis afkeuren, tegenover 48% van de nooit-gebruikers. Ook voor xtc, lachgas en tripmiddelen zijn de verschillen fors: bij deze middelen denkt een aanzienlijk kleiner deel van de ooit-gebruikers dat hun vrienden het gebruik negatief beoordelen.

volwassenen dat hun vrienden het gebruik van xtc (43% versus 39%), amfetamine (66% versus 61%), lachgas (62% versus 46%) en cocaïne (70% versus 66%) niet oké vinden. Dit wijst mogelijk op een strengere houding onder jongvolwassenen ten opzichte van drugsgebruik binnen de vriendengroep.

Cannabis

Jongvolwassenen die zelf nooit drugs hebben gebruikt, verwachten veel meer sociale afkeuring van hun vrienden dan degenen die wel ervaring hebben met drugsgebruik (tabel 9.4). Nooit-gebruikers denken over het algemeen dat hun vrienden veel afkeuring tonen ten aanzien van drugsgebruik. Zo verwacht een grote meerderheid dat vrienden het gebruik van cocaïne (89%), amfetamine (87%), ketamine (88%) en andere designer drugs (90%) (helemaal) niet oké vinden. Ook voor middelen als lachgas (77%), xtc (75%) en tripmiddelen (80%) verwachten nooit-gebruikers een overwegend negatieve houding van hun vrienden.

Figuur 9.4: vergelijking positieve attitudes: eigen attitude, waargenomen attitude vrienden en waargenomen attitude ouders, uitgesplitst naar ooit-gebruik 9.5 Descriptieve norm Gemiddeld denken jongvolwassenen dat 51% van hun leeftijdsgenoten in het afgelopen jaar cannabis heeft gebruikt. Voor xtc wordt het gemiddelde gebruik ingeschat op 41%. Beide cijfers liggen hoger dan de daadwerkelijke gebruikscijfers zoals gemeten in deze monitor, namelijk respectievelijk 42% en 32%. Tabel 9.6 laat zien hoeveel jongvolwassenen het gebruik door leeftijdsgenoten overschatten. De helft van de jongvolwassenen overschat het gebruik van cannabis (54%) en xtc (49%) door leeftijdsgenoten. Deze overschatting is sterker onder jongvolwassenen die zelf ooit drugs hebben gebruikt. Zo overschat 61% van de gebruikers het cannabisgebruik van anderen, tegenover 40% van de nooitgebruikers. Voor xtc ligt dit verschil op respectievelijk 55% (gebruikers) en 36% (nooit-gebruikers). In tabel 9.7 wordt weergegeven hoeveel jongvolwassenen het drugsgebruik door leeftijdsgenoten overschatten in 2021 en 2024. Zowel voor cannabis als voor xtc wordt in 2024 het daadwerkelijke gebruik minder vaak overschat.

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

Tabel 9.6: overschatting gebruik door leeftijdsgenoten, totale groep jongvolwassenen en uitgesplitst naar ooit-gebruik. Heeft nooit drugs gebruikt %

Heeft ooit drugs gebruikt %

Totale groep

Overschatting cannabisgebruik door leeftijdsgenoten

40

61

54

Overschatting xtc-gebruik door leeftijdsgenoten

36

55

49

Tabel 9.7: overschatting gebruik door leeftijdsgenoten, vergelijking 2021 en 2024 2021 %

2024 %

Cannabis

68

53

Xtc

55

47

35

0%

10%

20%

30%

5%

60%

70%

Beetje schadelijk

Nogal schadelijk

Erg schadelijk

100%

15%

35%

30%

18%

90% 4%

35%

43%

Regelmatig Xtc gebruiken

80% 25%

45%

Eén of twee keer Xtc gebruiken

Niet schadelijk

50%

67%

Eén of twee keer cannabis gebruiken

Regelmatig cannabis gebruiken

40%

15%

5%

Ooit-gebruikers zien het gebruik van deze middelen over het algemeen als minder schadelijk dan nooit-gebruikers. Zo denkt 98% van de ooit-gebruikers dat één of twee keer cannabis proberen niet of slechts een beetje schadelijk is, tegenover 83% van de nooit-gebruikers. Ook over regelmatig cannabisgebruik verschillen de groepen: 59% van de ooit-gebruikers ziet dit als niet of slechts een beetje schadelijk, terwijl dit bij nooit-gebruikers 27% is.

46%

Ik weet het niet

Tabel 9.8: redenen om geen drugs te gebruiken, groep niet-gebruikers Belangrijkste redenen van jongvolwassenen om geen drugs te gebruiken:

Figuur 9.5: risicoperceptie cannabis en xtc, totale groep jongvolwassenen

9.6 Risicoperceptie Incidenteel gebruik van cannabis of xtc wordt relatief vaak als weinig schadelijk gezien, terwijl regelmatig gebruik als aanzienlijk schadelijker wordt ingeschat. Figuur 9.5 laat zien hoe jongvolwassenen de schadelijkheid van cannabis- en xtc-gebruik inschatten. Eén of twee keer cannabis gebruiken wordt door de meerderheid (67%) als niet schadelijk gezien. Regelmatig cannabisgebruik wordt daarentegen door veel meer jongvolwassenen als schadelijk ingeschat: 36% vindt het nogal schadelijk en 14% beschouwt het als erg schadelijk.

Bij xtc zijn de inschattingen duidelijk anders. Eén of twee keer xtc gebruiken wordt door 43% als niet schadelijk gezien, maar regelmatig gebruik wordt veel ernstiger beoordeeld: 48% vindt dit erg schadelijk en nog eens 30% beoordeelt het als nogal schadelijk. Er zijn duidelijke verschillen zichtbaar tussen jongvol­ wassenen die nooit drugs hebben gebruikt en degenen die dit wel hebben gedaan in hoe zij de schadelijkheid van cannabis- en xtc-gebruik inschatten. Figuur 9.6 laat het verschil zien in perceptie tussen nooit- en ooit-gebruikers.

Past niet bij zijn/haar leven

76

Wil gezond leven

62

Wil controle hebben over het leven

59

Wil niet onder invloed zijn

52

Helder willen nadenken

48

Sociale omgeving (vrienden)

47

Eng om drugs te gebruiken

43

De meeste mensen in zijn/haar omgeving gebruiken geen drugs

39

Verwacht klachten door het gebruik van drugs

37

Schamen voor gebruik

33

Wil (meer) energie hebben

25

Gebruik van drugs houdt criminaliteit in stand

22

Gezien dat anderen problemen hadden door hun drugsgebruik

18

Vindt zichzelf een leuk(er) persoon als hij/zij niet gebruikt

17 17

100%

Anderen willen niet dat hij/zij gebruikt

16

90%

Gebruik van drugs is slecht voor het milieu

14

80%

Drugs zijn te duur

13

Om aan zichzelf te laten zien dat hij/zij het kan (geen drugs gebruiken)

11

Om aan anderen te laten zien dat hij/zij het kan (geen drugs gebruiken)

7

Past niet binnen geloofsovertuiging

6

Andere redenen

5

Anderen vinden hem/haar een leuk(er) persoon als hij/zij niet gebruikt

5

Drugs zijn lastig te verkrijgen

4

Geen reden (meer) om drugs te gebruiken

4

(Zorgen maken om) problemen met justitie

4

Negatieve ervaring gehad met drugs

3

60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Denkt dat het proberen van cannabis niet tot een beetje schadelijk is

Denkt dat het regelmatig gebruiken van cannabis niet tot een beetje schadelijk is Nooit gebruikers

Denkt dat het regelmatig gebruiken van xtc niet tot een beetje schadelijk is

Denkt dat het regelmatig gebruiken van xtc niet tot een beetje schadelijk is

Ooit gebruikers

Kortom, jongvolwassenen die ervaring hebben met drugsgebruik schatten de risico’s van zowel cannabis- als xtc-gebruik aanzienlijk lager in dan hun leeftijdsgenoten die nog nooit drugs hebben gebruikt.

%

Meer gedaan willen krijgen gedurende de dag

70%

Een vergelijkbaar patroon is zichtbaar bij xtc. Van de ooit-gebruikers vindt 88% het proberen van xtc niet of slechts een beetje schadelijk, tegen 58% van de nooitgebruikers. Voor regelmatig xtc-gebruik vindt 28% van de ooit-gebruikers dit niet of weinig schadelijk, terwijl dit bij nooit-gebruikers slechts 5% is.

9.7 Redenen om geen drugs te gebruiken Jongvolwassenen noemen uiteenlopende redenen waarom zij geen drugs gebruiken. Een overzicht van alle genoemde redenen vind je in tabel 9.8. Over het algemeen geven jongvolwassenen aan dat ze geen drugs gebruiken omdat het niet past bij hun levensstijl en omdat ze waarde hechten aan een gezond leven en zelfcontrole. Ook het helder willen blijven nadenken en geen behoefte hebben om onder invloed te zijn, spelen een grote rol. Daarnaast beïnvloedt de sociale omgeving hun keuze: de houding van vrienden en het idee dat de meeste mensen om hen heen geen drugs gebruiken, dragen bij aan het besluit om af te zien van drugsgebruik. Angst voor de effecten en zorgen over mogelijke negatieve gevolgen, zoals gezondheidsklachten, worden eveneens genoemd. Tussen 2021 en 2024 is er een daling te zien voor bijna alle gerapporteerde redenen waarom jongvolwassenen geen drugs gebruiken. “Past niet bij zijn/haar leven”, “Wil gezond leven”, “Wil controle hebben over het leven” en “Drugs zijn te duur” laten de sterkste daling zien.

"Jongvolwassenen die ervaring hebben met drugsgebruik schatten de risico’s van zowel cannabis- als xtc-gebruik aanzienlijk lager in dan hun leeftijdsgenoten die nog nooit drugs hebben gebruikt"

Figuur 9.6: risicoperceptie cannabis en xtc, uitgesplitst naar ooit-gebruik 36

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

37

Tabel 9.9: redenen om geen drugs te gebruiken, totale groep, vergelijking 2021 en 2024 Belangrijkste redenen van jongvol­ wassenen om geen drugs te gebruiken: N.v.t., gebruikt wel eens drugs

2021 %

2024 %

66

65

Past niet bij zijn/haar leven

39

26

Wil gezond leven

30

22

Wil controle hebben over het leven

29

21

Wil niet onder invloed zijn

21

19

Helder willen nadenken

21

17

Eng om drugs te gebruiken

19

15

Verwacht klachten door het gebruik van drugs

19

13

Schamen voor gebruik

13

12

Wil (meer) energie hebben

12

9

Gebruik van drugs houdt criminaliteit in stand

12

8

Anderen willen niet dat hij/zij gebruikt

7

6

Vind zichzelf een leuk(er) persoon als hij/zij niet gebruikt

10

6

Daarnaast komen ook copingmotieven regelmatig voor, waarbij drugs worden ingezet om met negatieve gevoelens of stress om te gaan. Zo gebruikt 16% drugs om stress te verminderen, 12% om afleiding te vinden van nare gevoelens, en 10% om beter te kunnen slapen. Een kleiner deel van de jongvolwassenen noemt instrumentele of functionele motieven, zoals beter kunnen functioneren of focussen (7%) of het doorbreken van de sleur (7%).

Tabel 9.10: redenen om drugs te gebruiken, totale groep gebruikers Redenen van jongvolwassenen om wel drugs te gebruiken:

%

Gezellige en/of fijne tijd met (nieuwe) vrienden

43

Fijn gevoel/ blij/ vrolijk/ lachen/ genieten

43 38

Meer gedaan willen krijgen gedurende de dag

10

6

Nieuwsgierigheid bevredigen

Gezien dat anderen problemen hadden door hun drugsgebruik

12

6

Rustig worden / relaxen / chillen / ontspannen

28

Oppeppende werking / langer door kunnen gaan

27

Gebruik van drugs is slecht voor het milieu

9

5

Avontuur/gekke dingen meemaken

27

Om aan zichzelf te laten zien dat hij/zij het kan (geen drugs gebruiken)

8

4

Losser worden / remmingen vallen weg

26

Drugs zijn te duur

12

4

Dingen anders waarnemen / geest verruimen / trippen

22

Om aan anderen te laten zien dat hij/zij het kan (geen drugs gebruiken)

5

3

Het is goedkoper dan alcohol

16

Verminderen van stress

16

Past niet binnen geloofsovertuiging

2

2

Afleiding van rotte/nare gevoelens

12

Anderen vinden hem/haar een leuk(er) persoon als hij/zij niet gebruikt

3

2

Niet nuchter zijn

12

Beter slapen

10

Andere redenen

5

2

Beter functioneren / beter focussen

7

(Zorgen maken om) problemen met justitie

3

1

Doorbreken van de sleur

7

Drugs zijn lastig te verkrijgen

3

1

Betere seks hebben

7

Geen reden (meer) om drugs te gebruiken

4

1

Een lekkere smaak

6

Negatieve ervaring gehad met drugs

4

0,8

Andere reden

3

10. Dimensie 5

Culturele accommodatie De dimensie ‘culturele accommodatie’ richt zich op de mate waarin drugsgebruik wordt geaccepteerd op samenlevingsniveau. Uit onderzoek naar sociale normen blijkt dat gedrag mede wordt beïnvloed door de manier waarop mensen normen waarnemen en interpreteren (Curvers, 2021). Eén van de manieren waarop jongvolwassenen in aanraking komen met drugs(gebruik) is via verschillende mediakanalen. Wanneer drugs regelmatig en openlijk aan bod komen in bijvoorbeeld televisieprogramma’s, films, muziek of op sociale media, kan dit bijdragen aan de perceptie dat drugsgebruik normaal is. In deze monitor is daarom onderzocht in hoeverre jongvolwassenen denken dat drugsgebruik (helemaal) geaccepteerd wordt, zowel in de Nederlandse samenleving als in de media (figuur 10.1).

"Slechts 21% van de jongvolwassenen denkt dat het gebruik van xtc wordt geaccepteerd in de samenleving" Cannabis springt eruit: 61% van de jongvolwassenen denkt dat cannabisgebruik (helemaal) wordt geaccepteerd in de samenleving. In de media wordt de acceptatie van cannabis lager ingeschat, met 31%. Voor de andere middelen is de waargenomen acceptatie aanzienlijk lager. Slechts 21% van de jongvolwassenen denkt dat het gebruik van xtc (helemaal) wordt geaccepteerd in de samenleving,

38

In tabel 10.1 is te zien dat jongvolwassenen die ooit drugs hebben gebruikt, vaker denken dat het gebruik van bepaalde middelen geaccepteerd wordt in zowel de Nederlandse samenleving als in de media.

100% Denkt dat het gebruik (helemaal) geaccepteerd wordt in de Nederlandse samenleving Denkt dat het gebruik (helemaal) geaccepteerd wordt in de media

80% 60%

9.8 Redenen om drugs te gebruiken Uit tabel 9.1 blijkt dat de meest genoemde redenen voor drugsgebruik onder jongvolwassenen voornamelijk sociaal van aard zijn en gericht op het ervaren van plezier. De twee meest voorkomende motieven zijn: “een fijne tijd met vrienden” (43%) en “een fijn gevoel” (43%). Ook nieuwsgierigheid (38%) en het zoeken naar ontspanning of rust (28%) worden veel genoemd.

en 9% denkt dat dit het geval is in de media. De acceptatie van ketamine gebruik wordt nauwelijks waargenomen: slechts 3% denkt dat dit geaccepteerd is in de samenleving en 2% in de media. Ook cocaïne- en lachgasgebruik worden door slechts een kleine minderheid als geaccepteerd gezien (respectievelijk 10% in de samenleving en 6% in de media voor cocaïne, en 10% in de samenleving en 5% in de media voor lachgas).

40%

61%

31% 21%

20%

9%

10%

5%

10%

6%

0% Cannabis

Xtc

Lachgas

Cocaïne

3%

2%

Ketamine

Figuur 10.1 ervaren acceptaties van verschillende soorten drugsgebruik op samenlevingsniveau en in de media, totale groep jongvolwassenen RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

39

en ketamine. De mate van normalisering is uitgewerkt aan de hand van vijf dimensies: beschikbaarheid, experimenteren, recent gebruik, sociale accommodatie en culturele accommodatie. Beschikbaarheid is gebaseerd op het aandeel jongvolwassenen dat aangeeft (heel) makkelijk aan een bepaald middel te kunnen komen. Experimenteren is gemeten aan de hand van het ooit-gebruik van het middel, en recent gebruik verwijst naar gebruik in de afgelopen maand. De sociale accommodatie geeft het percentage nooit-gebruikers weer dat drugsgebruik (helemaal) oké vindt, en culturele accommodatie betreft het aandeel jongvolwassenen dat aangeeft dat drugsgebruik (helemaal) geaccepteerd is op samenlevingsniveau.

Tabel 10.1 acceptatie in de samenleving en in de media, uitgesplitst naar ooit-gebruik Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % % Denkt dat het gebruik van cannabis (helemaal) geaccepteerd wordt in de Nederlandse samenleving

45

in de media

25

33

in de Nederlandse samenleving

11

25

in de media

7

9

Denkt dat het gebruik van lachgas (helemaal) geaccepteerd wordt

Xtc komt als tweede naar voren in termen van normalisering. Hoewel het middel minder beschikbaar is dan cannabis (64%) en minder recent wordt gebruikt (11%), wordt er relatief vaak mee geëxperimenteerd (44%) en is het in enige mate cultureel geaccommodeerd (21%). Op sociale accommodatie scoort xtc echter laag (4%), wat erop wijst dat het gebruik sociaal minder wordt geaccepteerd. Lachgas, cocaïne en ketamine scoren laag op alle dimensies, wat erop duidt dat het gebruik niet is genormaliseerd.

Dimensies van normalisering Beschikbaarheid 100 90 80

68

Denkt dat het gebruik van xtc (helemaal) geaccepteerd wordt

70

De waargenomen acceptatie in de media laat een vergelijkbaar patroon zien, al liggen de percentages hier lager. Zo denkt 33% van de gebruikers dat cannabisgebruik in de media wordt geaccepteerd, tegenover 25% van de nooit-gebruikers. Opvallend is dat lachgas als enig middel juist iets minder geaccepteerd wordt geacht in de media door jongvolwassenen die zelf drugs gebruiken.

60 50 40

Culturele accommodatie

Experimenteren

30 20 10 0

in de Nederlandse samenleving

11

9

in de media

7

4

in de Nederlandse samenleving

6

12

in de media

5

6

Denkt dat het gebruik van cocaïne (helemaal) geaccepteerd wordt

Denkt dat het gebruik van ketamine (helemaal) geaccepteerd wordt in de Nederlandse samenleving

3

3

in de media

2

2

40

Het verschil is het meest uitgesproken bij cannabis: 68% van de jongvolwassenen met gebruikservaring denkt dat cannabisgebruik (helemaal) wordt geaccepteerd in de samenleving, tegenover 45% van de jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt. Ook het gebruik van xtc wordt vaker als geaccepteerd gezien door gebruikers (25%) dan door nooit-gebruikers (11%).

Zoals weergegeven in figuur 11.1 blijkt dat cannabis het meest genormaliseerde middel is binnen deze doelgroep. Cannabis scoort het hoogst op alle vijf dimensies.

Met name de beschikbaarheid is groot (92%), en ook op het gebied van experimenteren (63%) en culturele accommodatie (61%) valt op dat cannabis breed geaccepteerd en ingebed lijkt. Het recente gebruik (25%) en sociale accommodatie (22%) liggen ten opzichte van de andere middelen ook hoog.

In 2021 is de culturele accommodatie op een andere manier uitgevraagd, waardoor de resultaten niet vergelijkbaar zijn met de meting van 2024. Om die reden is er voor dit onderdeel geen trend beschikbaar.

11. Mate van normalisering aan

de hand van de vijf dimensies

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de mate van normalisering van vijf verschillende middelen onder jongvolwassenen, namelijk cannabis, xtc, lachgas, cocaïne

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

Sociale accommodatie Cannabis

Recent gebruik Xtc

Lachgas

Cocaïne

Ketamine

Figuur 11.1: mate van normalisering van cannabis, xtc, lachgas, cocaïne en ketamine onder jongvolwassenen, weergegeven aan de hand van vijf dimensies RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

41

12. Mate van subjectieve

de 50%. Binnen deze groep worden de tripmiddelen (43%) en poes/miauw (41%) door redelijk wat jongvolwassenen normaal gevonden.

normalisering

12.1 Subjectieve normalisering Naast de verschillende dimensies van normalisering is ook uitgevraagd in hoeverre jongvolwassenen het normaal vinden als een middel af en toe of regelmatig wordt gebruikt (tabel 12.1). Alcoholgebruik is vrijwel universeel genormaliseerd: 98% van de jongvolwassenen geeft aan dit als normaal te beschouwen. Ook tabaksgebruik (83%) en vapen (74%) worden door een ruime meerderheid als normaal beschouwd. Van de drugssoorten scoort cannabis het hoogst met 79%. Opvallend is dat cannabis ongeveer even normaal wordt gevonden als legale producten zoals tabak en vapen. Het gebruik van xtc bevindt zich in de midden categorie, waarbij 56% van de jongvolwassenen het gebruik normaal acht. Dit wijst op een zekere mate van normalisering, maar zonder brede maatschappelijke consensus. Voor de overige middelen, waaronder lachgas, cocaïne, ketamine, amfetamine en designer drugs, ligt het percentage jongvolwassenen dat gebruik als normaal beschouwt onder

Tabel 12.1: percentage jongvolwassenen dat het gebruik van drugs normaal vindt, totale groep jongvolwassenen % Alcohol

98

Tabak

83

Vapen

74

Drugs (tenminste één soort)

82

Cannabis

79

Xtc

56

Poes/Miauw

41

Lachgas

22

Cocaïne

28

Ketamine

30

Amfetamine

27

Tripmiddelen

43

Overige designer drugs

19

≥ 50% vindt het gebruik normaal ≥ 70% vindt het gebruik normaal ≥ 90% vindt het gebruik normaal 42

Hoewel de algemene cijfers inzicht geven in de mate van normalisering van middelengebruik onder jongvolwas­ senen, bieden zij geen volledig beeld. De perceptie van wat als ‘normaal’ wordt beschouwd, verschilt namelijk sterk tussen jongvolwassenen die zelf ervaring hebben met middelengebruik en degenen die dat niet hebben. Jongvolwassenen die ooit drugs hebben gebruikt vinden vrijwel alle middelen in veel hogere mate normaal dan degenen die nog nooit hebben gebruikt (tabel 12.2). Zo beschouwt 94% van de ooit-gebruikers cannabis­ gebruik als normaal, tegenover slechts 47% van de nooit-gebruikers. Dit patroon zet zich voort bij middelen als xtc (75% versus 14%), ketamine (41% versus 4%) en tripmiddelen (58% versus 10%).

"Wat als ‘normaal’ wordt beschouwd, verschilt sterk tussen jongvolwassenen die zelf ervaring hebben met middelengebruik en degenen die dat niet hebben" Het verschil is het grootst bij cocaïne, ketamine, amfetamine en designer drugs. Bij deze middelen zijn de percentages onder nooit-gebruikers uitzonderlijk laag (rond de 4 à 5%), terwijl deze bij ooit-gebruikers aanzienlijk hoger liggen (tussen 26% en 41%). Zelfs voor tabak en vapen zien we aanzienlijke verschillen (respectievelijk 89% vs. 70%, en 80% vs. 62%). Deze cijfers illustreren dat normalisering geen universeel gegeven is, maar eerder een subjectief oordeel dat nauw verweven is met persoonlijke ervaring. Wanneer we de perceptie van normalisering van drugsgebruik vergelijken tussen 2021 en 2024 (tabel 12.3), valt op dat de meeste cijfers nagenoeg gelijk zijn gebleven. Zowel onder nooit-gebruikers als onder ooit-gebruikers zien we slechts minimale verschuivingen in de mate waarin het gebruik van drugs als ‘normaal’ wordt beschouwd. RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

Tabel 12.2: percentage jongvolwassenen dat het gebruik van drugs normaal vindt uitgesplitst naar ooit gebruik Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % % Alcohol

96

Tabel 12.3: percentage jongvolwassenen dat het gebruik van drugs normaal vindt uitgesplitst naar ooit-gebruik en vergelijking 2021 en 2024 Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % %

99

Tabak

70

89

Vapen

62

80

Drugs (tenminste één soort)

50

97

Cannabis

47

2021 %

2024 %

2021 %

2024 %

Drugs

49

49

95

97

94

Cannabis

49

47

94

94

13

14

73

75

Xtc

14

75

Xtc

Poes/miauw

8

56

Lachgas

14

10

55

28

Lachgas

10

28

Cocaïne

4

4

39

39

Cocaïne

4

39

Ketamine

4

41

Amfetamine

5

38

Tripmiddelen

10

58

Overige designer drugs

4

26

≥ 50% vindt het gebruik normaal ≥ 70% vindt het gebruik normaal ≥ 90% vindt het gebruik normaal

De enige uitzondering hierop vormt lachgas, hier zien we een daling in de perceptie van normalisering, zowel onder nooit-gebruikers als onder ooit-gebruikers. Tussen deze twee metingen is in Nederland een verbod op lachgas ingevoerd, dat op 1 januari 2023 van kracht werd en waarbij lachgas op lijst II van de Opiumwet is geplaatst. 12.2 Factoren die samenhangen met subjectieve normalisering Op basis van een logistische regressieanalyse zijn verschillende achtergrondkenmerken en gedragingen geïdentificeerd die samenhangen met de opvatting dat het (af en toe of regelmatig) gebruiken van drugs normaal is. Figuur 12.1 geeft een overzicht van deze factoren met de bijbehorende Odds Ratio (OR). Zoals al vaker beschreven in voorgaande hoofdstukken is het al dan niet gebruiken van drugs een belangrijke voorspeller. Jongvolwassenen die aangeven ooit drugs te hebben gebruikt, vinden het veel vaker normaal als iemand af en toe of regelmatig drugs gebruikt dan jongvolwassenen die nog nooit drugs hebben gebruikt (OR = 12,39). Ook gender speelt een rol: jongvolwassenen die zich RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

identificeren als ‘anders dan man of vrouw’, vinden drugsgebruik vaker normaal dan mannen (OR = 2,91), terwijl vrouwen het juist minder vaak normaal vinden. Daarnaast valt op dat jongvolwassenen die via social media zijn benaderd voor deelname aan het onderzoek drugsgebruik vaker normaal vinden dan degenen die via een gemeentelijke brief zijn bereikt (OR = 2,35). Jongvolwassenen die zich niet-Nederlands voelen, vonden drugsgebruik minder vaak normaal dan jongvolwassenen die zich volledig Nederlands voelen (OR = 0,53). Oudere jongvolwassenen vinden drugsgebruik vaker normaal dan de jongste groep (OR18t/m22 jaar = 1,52; OR 23 t/m 27 jaar = 1,62). Ook jongvolwassenen met een hogere opleiding zien drugsgebruik vaker als normaal (ORmbo = 1,30; ORhavo/vwo = 1,49; ORhbo/universiteit = 1,68). Verder is de woonsituatie van invloed, jongvolwassenen die in een studentenhuis of met huisgenoten wonen, vindt drugsgebruik vaker normaal dan jongvolwassenen die thuis wonen (OR = 1,63). Ten slotte blijkt dat jongvolwassenen die regelmatig (ten minste maandelijks) uitgaan, op straat hangen, tijd met vrienden doorbrengen en gamen, een grotere kans hebben om drugsgebruik als normaal te beschouwen (OR van 1,43 tot 1,51). Deelname aan een georganiseerde sport via een club of vereniging werkt juist beschermend; deze jongvolwassenen vinden drugsgebruik significant minder vaak normaal (OR=0,71). 43

Gedifferentieerde normalisering

OR 0.75

Vrouw (OR = 0.75)

2.91

Anders (OR = 2.91)

23 t/m 27 jaar (OR=1.62)

1.62

Mbo (OR=1.3)

1.3

Havo/vwo (OR=1.49)

1.49

Hbo/universiteit (OR=1.68)

1.68 0.87

Met partner (en evt. kinderen) (OR=0.87)

Lachgas Lachgas

Cocaïne Cocaïne

Ketamine Ketamine

Amfetamine Amfetamine

Tripmiddelen Tripmiddelen

Overige designer Overige designerdrugs drugs

0.53 0.92

Vaste baan (OR=0.92)

1.0

Gender

2.35

Via social media (OR=2.35) 1.33

Via andere manier (OR=1.33)

Leeftijd

1.43

Vrijetijdbesteding (v.s. niet) Uitgaan (OR=1.43)

1.46

Buiten hangen (OR=1.46)

0.71

Sport bij club of vereniging (OR=0.71)

0.96

Sport zelf (OR=0.96)

1.51

Brengt tijd met vrienden door (OR=1.51)

1.05

Andere hobby’s thuis (OR=1.05)

12.39

Ooit drugs gebruikt (OR=12.39)

Beschermende factor (OR < 1) Risicofactor (OR > 1) Niet significant

0 0 Risicofactor (OR > 1)

1 1

2 2

3 3

13 13

Niet significant

Figuur 12.1: logistische regressie: factoren die samenhangen met 'normaal vinden van drugsgebruik' Figuur 12.1: logistische regressie: factoren die samenhangen met 'normaal vinden van drugsgebruik'

13. Gedifferentieerde normalisering Waar vroeger vaak gesproken werd over normalisering van drugsgebruik in algemene zin, is tegenwoordig steeds duidelijker dat dit proces genuanceerder verloopt. Niet alle jongvolwassenen vinden het gebruik van middelen even normaal, en niet alle middelen zijn in dezelfde mate universeel genormaliseerd. In plaats van één uniforme houding onder jongvolwassenen, zien we dat de normalisering van middelen afhankelijk is van diverse factoren zoals leeftijd, opleidingsniveau, leefstijl, woonsituatie en vrijetijdsbesteding (zie hoofdstuk 13). 51

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

Man Vrouw Anders

72 77 71 81 76 71

84 74 74 67 80 83

60 51 53 29 54 65

43 38 31 20 41 47

25 18 29 25 21 22

32 24 20 15 25 36

34 24 33 16 26 38

31 23 31 13 23 36

50 34 62 30 41 49

22 16 16 10 16 25

16 en 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Nederlands Nederlands en andere nationaliteit Andere nationaliteit

98 83 74 79 95 82 79 83 92 83 67 77 95 89 80 74 Vmbo 98 88 79 77 Opleidings- Mbo niveau 98 81 73 72 Havo/vwo 99 80 72 83 Hbo/universiteit 98 83 75 79 Volgt onderwijs Werksituatie 98 82 73 80 Heeft een vaste baan 98 83 75 74 Thuis bij ouders of verzorgers 97 78 66 79 Met partner en evt. kinderen Woonsituatie Studentenhuis of met huisgenoten 99 86 78 94 98 83 77 89 Woont alleen 98 83 78 86 Anders 98 81 73 76 Club of vereniging 98 81 73 83 Gamen 97 90 81 87 Buiten hangen Vrijetijds98 81 72 79 Andere hobby's besteding 99 88 80 86 Uitgaan 99 83 75 81 Tijd doorbrengen met vrienden 98 81 72 80 Zelf sporten ≥ 50% vindt het gebruik normaal ≥ 70% vind het gebruik normaal Nationaliteit

1.5

Gamen (OR=1.5)

44

Poes/miauw Poes/miauw

Deels Nederlands (OR=0.88)

Beschermende factor (OR < 1)

82 83 85 84 86 80

1

0.88

Bijbaan (OR=1.0)

Gebruik drugs (v.s. nooit):

Xtc Xtc

0.86

Niet Nederlands (OR=0.53)

Ten minste maandelijks

98 98 99 98 98 98

1.09

Anders (OR=0.86)

Werving (v.s. brief)

Tabel 13.1: percentage jongvolwassenen die het vindt normaal vindt als af en toegebruikt of regelmatig Tabel 13.1: percentage jongvolwassenen dat het normaal als iemand af eniemand toe of regelmatig uitgesplitst gebruikt uitgesplitst voor drugssoorten, gender, leeftijd, nationaliteit, opleidingsniveau, woonsituatie en voor drugssoorten, gender, leeftijd, nationaliteit, opleidingsniveau, woonsituatie en vrijetijdsbesteding vrijetijdsbesteding.

1.63

Alleen (OR=1.09)

Werkstituatie (v.s. niet)

is.

1

Studentenhuis of huisgenoten (OR=1.63)

Etniciteit (v.s. Nederlands):

duidelijker dat dit proces genuanceerder verloopt. Niet sering van middelen afhankelijk is van diverse factoren In tabel 13.1 is op basis gegevens onderzocht middelen inleefstijl, welkewoonsituatie mate alle jongvolwassenen vindenvan het kwantitatieve gebruik van middelen zoals leeftijd,welke opleidingsniveau, en genormaliseerd zijn onder jongvolwassenen, en in welke contexten of subgroepen dit vooral zichtbaar even normaal, en niet alle middelen zijn in dezelfde mate vrijetijdsbesteding (zie hoofdstuk 12).

Cannabis Cannabis

Woonsituatie (v.s. thuis)

1.52

Vapen Vapen

Opleiding (v.s. geen/vmbo)

18 t/m 22 jaar (OR=1.52)

Tabak Tabak

Leeftijd (v.s. 16-17 jaar)

Alcohol Alcohol

Geslacht (v.s. man)

Deze ontwikkeling wordt ook wel aangeduid als ‘gedifferentieerde normalisering’: de mate waarin 13. middelengebruik als normaal wordt gezien, verschilt per subgroep, per context en per type middel. Zo kunnen sommige vormen van gebruik binnen bepaalde sociale of culturele omgevingen als Waar vroeger vaak gesproken werd over normalisering universeel genormaliseerd. In plaats van één uniforme vanzelfsprekend worden beschouwd, terwijl hetzelfde gebruik in andere groepen juist als afwijkend of van drugsgebruik in algemene zin, is tegenwoordig steeds houding onder jongvolwassenen, zien we dat de normaliongewenst wordt gezien.

≥ 50% vindt het gebruik normaal

57 42 22 28 30 28 50 34 25 28 24 24 36 25 25 31 24 24 43 34 29 30 30 26 48 38 21 27 27 25 41 26 24 22 20 19 64 46 22 30 33 30 54 40 22 25 27 24 61 44 23 34 33 33 45 34 22 22 22 21 60 38 17 31 31 30 79 58 24 38 44 35 73 54 26 41 44 43 73 57 26 45 51 49 52 38 22 25 26 24 54 39 24 30 32 28 60 44 31 33 35 31 54 38 21 27 29 27 68 53 27 36 37 34 58 43 23 29 30 28 59 43 21 28 30 28 ≥ 90% vindt gebruik normaal

43 42 39 41 36 39 47 43 44 34 44 62 58 62 39 47 57 44 50 44 44

19 14 16 19 17 12 21 16 23 14 23 24 30 29 17 20 20 19 24 20 19

≥ 70% vindt het gebruik normaal

≥ 90% vindt het gebruik normaal

Op basis van de tabel valt op dat alcohol veruit het meest genormaliseerd is onder jongvolwassenen. In alle subgroepen vindt RESULTATEN SKIP MONITOR 2024tussen de 90% en 99% van de jongvolwassenen het normaal als iemand af 45 en toe of regelmatig alcohol gebruikt. Het gebruik ervan is vrijwel universeel genormaliseerd en maakt duidelijk deel uit van het alledaagse sociale leven van jongvolwassenen. Tabak is eveneens voor de

Deze ontwikkeling wordt ook wel aangeduid als ‘gedifferentieerde normalisering’: de mate waarin middelengebruik als normaal wordt gezien, verschilt per subgroep, per context en per type middel. Zo kunnen sommige vormen van gebruik binnen bepaalde sociale of culturele omgevingen als vanzelfsprekend worden beschouwd, terwijl hetzelfde gebruik in andere groepen juist als afwijkend of ongewenst wordt gezien. In tabel 13.1 is op basis van kwantitatieve gegevens onderzocht welke middelen in welke mate genormaliseerd zijn onder jongvolwassenen, en in welke contexten of subgroepen dit vooral zichtbaar is.

"De mate waarin middelengebruik als normaal wordt gezien, verschilt per subgroep, per context en per type middel"

Op basis van de tabel valt op dat alcohol veruit het meest genormaliseerd is onder jongvolwassenen. In alle subgroepen vindt tussen de 90% en 99% van de jongvol­ wassenen het normaal als iemand af en toe of regelmatig alcohol gebruikt. Het gebruik ervan is vrijwel universeel genormaliseerd en maakt duidelijk deel uit van het alledaagse sociale leven van jongvolwassenen. Tabak is eveneens voor de meeste groepen breed genormaliseerd (70-89%). Ook onder jongeren van 16 en 17 jaar is het gebruik relatief normaal (84%), wat opvallend is gezien de wettelijke leeftijdsgrenzen en gezondheidsrisico’s. Voor vapen geldt dat het over het algemeen als redelijk genormaliseerd (50-70%) wordt beschouwd. In enkele contexten stijgt de normalisatie tot het niveau van sterk genormaliseerd, zoals onder jongeren van 16-17 jaar (81%) en bewoners van studentenhuizen (78%).

Xtc laat een gemengd beeld zien. In het algemeen vindt minder dan 50% het normaal, waarmee het middel niet genormaliseerd is in brede zin. Toch zijn er contexten waarin het gebruik duidelijk normaal gevonden wordt. Zo vindt 68% van de jongvolwassenen die uitgaan xtcgebruik normaal en ligt het percentage onder bewoners van studentenhuizen op 58%. In die gevallen kan gesproken worden van redelijk genormaliseerd, maar alleen binnen die specifieke subculturen of settingen. Voor middelen als lachgas, poes/miauw, cocaïne, ketamine, amfetamine en tripmiddelen geldt dat ze over het algemeen duidelijk niet genormaliseerd zijn, met normalisering­ percentages onder de 50%. Toch zijn ook hier contextuele uitzonderingen. Zo vindt 58% van de studentenhuis­ bewoners het gebruik van poes/miauw normaal en ligt de normalisering van tripmiddelen bij deze groep zelfs op 62%. Ook bij vrijetijdsbestedingen zoals uitgaan of gamen zijn bepaalde middelen (zoals amfetamine en ketamine) beperkt genormaliseerd, met percentages die tussen de 30% en 50% liggen. Dit wijst op normalisering binnen subculturen of specifieke levensstijlen, zonder dat dit breder maatschappelijk gedragen wordt. Ten slotte zijn designer drugs (m.u.v. poes/miauw) het minst genormaliseerd. Bij geen enkele groep ligt dit percentage hoger dan 30%.

Er bestaat een duidelijke hiërarchie in de normalisering van middelengebruik onder jongvolwassenen. Alcohol, tabak, vapes en cannabis zijn breed tot zeer sterk genormaliseerd, terwijl het gebruik van andere middelen zoals xtc, ketamine en designer drugs alleen in specifieke subgroepen enige normalisering kent. De woonsituatie (zoals alleen wonen of het wonen in een studentenhuis) en vrijetijdsbesteding (zoals uitgaan of buiten hangen) blijken hierin bepalende factoren te zijn voor verhoogde normalisering.

Het gebruik van cannabis is gemiddeld redelijk genormaliseerd, met percentages tussen de 50% en 70% in veel subgroepen. In specifieke contexten is de normalisering echter veel hoger: onder bewoners van studentenhuizen vindt 94% cannabisgebruik normaal, en onder jongvolwassenen die vaak "buiten hangen" of uitgaan liggen de percentages ruim boven de 80%.

46

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

3 l e e D r e e k r e V

14. Verkeer

14.1 Gebruik in het verkeer Figuur 14.1 toont de percentages voor (tenminste eenmalig) gebruikte verkeersvoertuigen na alcohol- (meer dan twee glazen) of drugsgebruik in het laatste jaar. Voor ieder type vervoer is te zien dat jongvolwassenen ongeveer twee keer zo vaak aangeven alcohol te hebben gedronken voorafgaand aan verkeersdeelname, dan drugs te hebben gebruikt. De fiets is het meest gebruikte vervoer, zowel onder alcoholgebruikers (77%) als onder drugsgebruikers (37%), gevolgd door openbaar vervoer (na alcoholgebruik: 68%, na drugsgebruik: 31%) en als passagier in een auto of ander gemotoriseerd voertuig (na alcoholgebruik: 53%, na drugsgebruik: 21%). Jongvolwassenen geven ongeveer vier tot vijf keer vaker aan passagier te zijn van een auto of ander gemotoriseerd voertuig, dan bestuurder te zijn (na alcoholgebruik: 11%, na drugsgebruik: 5%). Het gebruik van de auto of ander gemotoriseerd voertuig als bestuurder is daarbij ook een van de minst genoemde vorm van verkeersdeelname na middelengebruik, net als de scooter, snorfiets of brommer (na alcoholgebruik: 9%, na drugsgebruik: 5%).

In dit hoofdstuk komt deelnemen aan het verkeer onder invloed van alcohol of drugs aan de orde. In de vragenlijst is gevraagd naar hoe vaak jongvolwassenen in de laatste 12 maanden bepaalde vervoersmiddelen hebben gebruikt nadat ze “meer dan 2 (standaard) glazen alcohol hebben gedronken” en “terwijl ze onder invloed waren van drugs”. Eerst brengen we het aandeel ‘deelname aan het verkeer onder invloed van alcohol' en ‘deelname aan het verkeer onder invloed van drugs’ van alle verkeersdeelnemers in kaart. Vervolgens kijken we naar de attitude van mensen ten opzichte van drugs- en alcoholgebruik in het verkeer. Dan beschrijven we hoe groot jongvolwassenen de kans inschatten dat ze een verkeersongeval veroorzaken of gepakt worden door de politie of handhaving tijdens het gebruik van drugs en/of alcohol in het verkeer. Tot slot laten we zien in welke mate drugs- en alcoholgebruik in het verkeer wordt geaccepteerd op samenlevingsniveau.

"De fiets is het meest gebruikte vervoer, zowel onder alcoholgebruikers als onder drugsgebruikers"

In tabel 14.1 is het drugs- en alcoholgebruik in het verkeer uitgesplitst naar gender en leeftijd. Voor bijna ieder type vervoer geven meer mannen aan alcohol of drugs te hebben gebruikt voorafgaand aan verkeersdeelname, vergeleken met vrouwen en jongvolwassenen die zich identificeren als ‘anders’. Alcoholgebruik voorafgaand aan gebruik van de elektrische fiets, auto of ander gemotoriseerd voertuig als passagier en het openbaar vervoer zijn hierop uitgezonderd; hier is geen significant verschil te zien tussen mannen en vrouwen. Ook het drugsgebruik voorafgaand aan het nemen van een taxi/Uber verschilt niet tussen mannen en vrouwen.

Cannabis is de meest gebruikte drug voorafgaand aan het rijden in een gemotoriseerd voertuig (tabel 14.2). Dit komt vaker voor bij mannen en bij 16- en 17-jarigen. Bij deze vraag kan het naast een auto ook gaan over andere gemotoriseerde voertuigen, zoals een brommer of scooter. Andere drugs worden zelden genoemd en blijven onder alle groepen beperkt tot zeer lage percentages (meestal 0–3%).

Tussen leeftijdsgroepen zijn duidelijke verschillen zichtbaar (tabel 14.1). Oudere jongvolwassenen (18 t/m 27 jaar) nemen vaker de fiets na alcohol- of drugsgebruik dan 16- en 17jarigen. De jongste groep gebruikt daarentegen vaker de elektrische fiets na gebruik van middelen. Ook maken oudere jongvolwassenen vaker gebruik van auto, taxi of openbaar vervoer na middelengebruik dan de jongste groep.

Tabel 14.1: drugs- en alcoholgebruik in het verkeer per vervoersmiddel, uitgesplitst naar gender en leeftijd Gender

37%

Fiets

77% 31%

Openbaar vervoer

68%

53% 16%

Taxi / Uber

10%

Elektrische fiets (ook Speed pedelec of fatbikeAuto of ander

43%

26%

11% 5%

Scooter, snorfiets of brommer

9% 0%

vrouw

anders

%

%

%

16 en 17 jaar* %

18 t/m 22 jaar %

23 t/m 27 jaar %

%

Fiets

81

74

50

68

80

78

77

Elektrische fiets (ook speed pedelec of fatbike)

26

26

5

34

27

23

26

Scooter, snorfiets of brommer

12

6

0,5

11

11

7

9

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als bestuurder)

15

7

7

2

10

15

11

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als passagier)

55

52

29

40

56

55

53

Openbaar vervoer

69

66

39

43

71

72

68

Taxi/ Uber

45

41

12

17

46

49

43

Gebruikte het laatste jaar tenminste één keer drugs voorafgaand aan gebruik van:

5%

gemotoriseerd voertuig (als bestuurder)

man*

Totaal

Dronk laatste jaar tenminste één keer meer dan 2 glazen alcohol voorafgaand aan gebruik van:

21%

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als passagier)

Leeftijd

10%

20%

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

Gebruikte laatste jaar tenminste één keer drugs voorafgaand aan het gebruik van... Dronk laatste jaar tenminste één keer meer dan twee glazen alcohol voorafgaand aan het gebruik van...

Fiets

45

29

26

30

36

40

37

Elektrische fiets (ook speed pedelec of fatbike)

13

7

4

15

10

8

10

Scooter, snorfiets of brommer

8

2

0,6

8

6

3

5

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als bestuurder)

7

4

3

1

7

5

5

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als passagier)

23

18

16

15

23

21

21

Openbaar vervoer

36

26

42

21

31

34

31

Taxi/ Uber

18

14

0

5

16

20

16

*referentiecategorie

Figuur 14.1: drugs- en alcoholgebruik in het verkeer, totale groep jongvolwassenen

48

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

49

Tabel 14.2: drugsgebruik voorafgaand aan gemotoriseerd verkeer als bestuurder, uitgesplitst naar gender en leeftijd Gender

Leeftijd

man*

vrouw

anders

%

%

%

16 en 17 jaar* %

18 t/m 22 jaar %

Totaal 23 t/m 27 jaar %

2% 5%

je je weer nuchter voelt je passagiers je helpen bij het opletten

2% 2%

je een goede bestuurder bent

2%

je een verantwoordelijke bestuurder bent

2%

het rustig is

2%

er maar weinig kwetsbare deelnemers zoals fietsers en voetgangers zijn

2%

het maar een kort stukje is

2%

je de route goed kent

2%

%

Soort drugs die een jongere gebruikte voordat hij/zij in een auto of een ander gemotoriseerd voertuig reed: Cannabis

9

2

4

9

7

3

6

Xtc

2

1

0

0,7

2

1

2

Lachgas

0,6

0,3

0

0

0,8

0,3

0,5

Cocaïne

2

0,8

0,6

0,6

1

2

1

Ketamine

0,9

0,1

0

0

0,8

0,4

0,5

Tripmiddelen

0,6

0

0

1

0,2

0,2

0,3

Amfetamine

0,7

0,5

0,6

0

0,5

0,9

0,6

Ghb

0

0

0,3

0

0

0

0

Poes/miauw

3

2

0,3

0,8

3

3

3

0,2

0,1

0

0

0,1

0,1

0,1

Heroïne

0

0

0,3

0

0

0

0

Anders

0,6

0,6

0

0,5

0,8

0,4

0,6

Overige designer drugs

1%

je vrienden zeggen dat je wel kunt rijden

0%

10%

4% 3% 4% 4% 6% 3%

2%

4%

6%

8%

10%

12%

Vindt autorijden na het gebruiken van drugs (helemaal) oke als... Vindt autorijden na het drinken van meer dan 2 glazen alcohol (helemaal) oke als...

Figuur 14.2: attitude drugs- en alcoholgebruik in het verkeer, totale groep jongvolwassenen

*referentiecategorie

Tabel 14.3: attitude drugs- en alcoholgebruik in het verkeer uitgesplitst naar gender en leeftijd 14.2 Attitude Figuur 14.2 geeft de attitude van jongvolwassenen weer over het autorijden na drugs- en (twee of meer glazen) alcoholgebruik in verschillende situaties. Jongvolwassenen vinden autorijden na drugs- of alcoholgebruik zelden acceptabel. De situatie waarin men zich ‘weer nuchter voelt’ wordt nog het vaakst als oké beoordeeld, vooral na alcoholgebruik. Jongeren van 16 en 17 jaar, en mannen, staan hier over het algemeen positiever tegenover dan oudere leeftijdsgroepen en vrouwen (tabel 14.3).

Gender

Leeftijd

man*

vrouw

anders

%

%

%

Totaal

16 en 17 jaar* %

18 t/m 22 jaar %

23 t/m 27 jaar %

%

Vindt autorijden na het drinken van meer dan 2 glazen alcohol (helemaal) oké als…

Autorijden als het maar een kort stukje is’ wordt eveneens vaker als acceptabel gezien door 16- en 17-jarigen en mannen. De situatie waarin vrienden aangeven dat je nog kunt rijden wordt het minst geaccepteerd, ongeacht leeftijd of gender.

je de route goed kent

5

2

1

7

3

3

3

het maar een kort stukje is

7

4

2

14

5

3

6

er maar weinig kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers en voetgangers zijn

5

2

1

7

3

2

4

het rustig is

5

2

1

8

3

3

4

je een verantwoordelijke bestuurder bent

5

2

1

8

3

3

3

je een goede bestuurder bent

6

3

1

9

4

3

4

je passagiers je helpen bij het opletten

3

2

8

7

2

1

2

je je weer nuchter voelt

12

7

21

22

9

6

10

je vrienden zeggen dat je wel kunt rijden

2

1

7

3

2

1

2

1

7

3

2

1

2

Vindt autorijden na het gebruiken van drugs (helemaal) oké als… je de route goed kent

Jongvolwassenen die ooit drugs hebben gebruikt, nemen vaker deel aan het verkeer na het drinken van meer dan 2 glazen alcohol en vinden autorijden na middelengebruik vaker acceptabel dan degenen die nooit drugs hebben gebruikt (tabel 14.4).

2

het maar een kort stukje is

3

1

7

4

3

2

2

er maar weinig kwetsbare verkeersdeelnemers zoals fietsers en voetgangers zijn

2

0,8

0,4

3

2

1

2

het rustig is

3

1

0,4

4

2

1

2

je een verantwoordelijke bestuurder bent

3

0,9

7

3

2

1

2

je een goede bestuurder bent

3

1

7

4

2

2

2

je passagiers je helpen bij het opletten

3

1

0,8

5

2

0,8

2

je je weer nuchter voelt

6

3

9

11

4

3

5

je vrienden zeggen dat je wel kunt rijden

2

0,4

0,9

3

1

0,6

1

*referentiecategorie 50

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

RESULTATEN SKIP MONITOR 2024

51

Tabel 14.4: (attitude) middelengebruik in het verkeer, uitgesplitst naar ooit- en nooit-gebruikers.

Tabel 14.5: risico verkeersongeval / handhaving, uitgesplitst naar gender, leeftijd en totale groep jongvolwassenen Gender

Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % % Dronk laatste jaar tenminste één keer meer dan 2 glazen alcohol voorafgaand aan gebruik van:

Leeftijd

man*

vrouw

anders

%

%

%

Totaal

16 en 17 jaar* %

18 t/m 22 jaar %

23 t/m 27 jaar %

%

Fiets

61

85

Risico verkeersongeval / handhaving

Elektrische fiets (ook speed pedelec of fatbike)

19

29

20

15

12

19

19

16

17

Scooter, snorfiets of brommer

3

12

Jongere schat kans om een verkeersongeval te veroorzaken onder invloed van alcohol of drugs (heel) klein in

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als bestuurder)

4

15

37

27

32

31

30

34

32

Auto of ander gemotoriseerd voertuig (als passagier)

38

60

Jongere schat kans om gepakt te worden door politie of handhaving tijdens het rijden onder invloed van alcohol of drugs (heel) klein in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=a5c912a0-2d6f-4cd2-a388-92ce83af8e27