C17c Bijlage 2 SKIP jij (2024) - monitorrapport
Tekst van het document
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024 NORMALISERING VAN DRUGSGEBRUIK Boukje Dijkstra, Mieke van Duijnhoven, Daniëlle Ketelaars, Joyce van Arendonk
Projectgegevens
Inhoudsopgave
Opdrachtgever Danielle van Pareren, projectleider SKIP
Deel 1 Opzet monitor 1. Inleiding 1.1 Achtergrond 1.2 Normalisering 1.3 Regioproject SKIP 1.4 Indeling rapport 2. Methode 2.1 Doelgroep 2.2 Vragenlijst 2.3 Procedure werving monitor 2024 2.4 Verwerking vragenlijst: databewerking en analyses 2.5 Leeswijzer resultaten 3. Respons en representativiteit 3.1 Respons 3.2 Werving 4. Kenmerken respondenten 4.1 Leeftijd en gender 4.2 Woonsituatie 4.3 Opleiding en werk 4.4 Subjectieve etniciteit 4.5 Vrijetijdsbesteding 4.6 Belangrijkste verschillen
4 5 5 5 6 6 6 6 7 8 9 9 10 10 11 13 13 13 13 14 14 16
9.2 Injunctieve norm ouders 9.3 Injunctieve norm vrienden 9.4 Vergelijking van attitudes 9.5 Descriptieve norm 9.6 Risicoperceptie 9.7 Redenen om geen drugs te gebruiken 9.8 Redenen om drugs te gebruiken 10. Dimensie 5: Culturele accommodatie 11. Mate van normalisering aan de hand van de vijf dimensies 12. Mate van subjectieve normalisering 12.1 Subjectieve normalisering 12.2 Factoren die samenhangen met subjectieve normalisering 13. Gedifferentieerde normalisering Deel 3 Verkeer 14. Verkeer 14.1 Gebruik in het verkeer 14.2 Attitude 14.3 Risico verkeersongeval/handhaving 14.4 Culturele accommodatie
47 48 48 50 52 53
Deel 2 Normalisering 5. Inleiding 6. Dimensie 1: Toegang en beschikbaarheid 6.1 Verkrijgbaarheid 6.2 Aanbod 6.3 Handhaving 7. Dimensie 2: Uitproberen en experimenteren 7.1 Ooit-gebruik 7.2 Intentie tot gebruik van middelen 7.3 Startleeftijd 8. Dimensie 3: Recent en regelmatig gebruik 8.1 Recent en regelmatig gebruik 8.2 Laatste jaar gebruik 8.3 Frequentie gebruik 8.4 Setting gebruik 9. Dimensie 4: Sociale accommodatie 9.1 Attitude
18 19 20 20 21 21 21 22 24 25 26 26 28 29 30 30 31
Deel 4 Conclusie en aanbevelingen 15. Conclusie 15.1 Respons en representativiteit 15.2 Uitgelichte resultaten 15.3 Is drugsgebruik onder jongvolwassenen genormaliseerd? 16. Aanbevelingen 16.1 Aanbevelingen voor preventie 16.2 Aanbevelingen voor monitoring
54 55 55 55
Projectgroep Boukje Dijkstra, Novadic-Kentron verslavingszorg, voorzitter/coördinator Mieke van Duijnhoven, GGD Brabant-Zuidoost, projectlid Daniëlle Ketelaars, Novadic-Kentron verslavingszorg, projectlid Joyce van Arendonk, GGD Hart voor Brabant, projectlid Financiering Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Uitvoering GGD Brabant-Zuidoost GGD Hart voor Brabant Novadic-Kentron 39 gemeenten (in Noord-Brabant en Limburg) Duur van het onderzoek Dataverzameling monitor 1: oktober 2021 – december 2021 Dataverzameling monitor 2: oktober 2024 – december 2024 Dataverwerking en rapportage: januari 2025 – mei 2025 Klankbordgroep Jacqueline Vink (Radboud Universiteit) Karin Monshouwer (Trimbos Instituut) Ruben van Beek (Trimbos Instituut)
2
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Deel 5 Bronnen en bijlagen Bronnen Bijlage 1 – Samenhang achtergrondkenmerken met drugsgebruik 4. Resultaten en activiteiten
32 33 34 35 36 37 38 39 40 42 42 43 45
56 58 59 60 61 62 64
3
1 l e e D O
r o t i n o pzet m
1. Inleiding 1.1 Achtergrond Drugsgebruik gaat gepaard met risico’s, zoals de kans op gezondheidsklachten op korte en lange termijn en verslaving. Naast de invloed op het individu heeft drugsgebruik ook veel maatschappelijke gevolgen, denk bijvoorbeeld aan (huiselijk) geweld, overlast, verkeersongevallen en het dumpen van drugsafval (Van Laar et al., 2021; Goossens, 2012). Uit literatuuronderzoek (Dijkstra, et al., 2021) uitgevoerd in het kader van het regioproject SKIP in Oost-Brabant blijkt dat het drugsgebruik vooral hoog is onder jongvolwassenen en dan met name onder jong volwassenen die uitgaan. Het drugsgebruik neemt in de tienerjaren toe met de leeftijd, maar neemt vanaf 30 jaar geleidelijk weer af. Nederland heeft het hoogste percentage laatste-jaar-gebruikers van xtc en cocaïne onder 15- t/m 34-jarigen. Ook voor cannabis en amfetamine ligt het gebruik in Nederland ruim boven het Europees gemiddelde (Nationale drugsmonitor, editie 2025). 1.2 Normalisering Er zijn duidelijke signalen vanuit de bevolking, professionals en media in Oost-Brabant dat drugsgebruik steeds normaler wordt gevonden. De aanname is dat door deze normalisering van drugs het gebruik toeneemt, net als de problematiek die hiermee samenhangt, zoals criminaliteit, veiligheid, ondermijning en een toenemende zorgvraag.
Het begrip normalisering is echter een breed begrip en valt niet eenduidig te definiëren. Er zijn verschillende opvattingen over de betekenis en definitie van normalisering. Oorspronkelijk werd het als wenselijke situatie geschetst om stigma te voorkomen en de toegang tot zorg een voudiger te maken. Tegenwoordig krijgt het begrip een meer negatieve lading als verklaring voor mogelijk toegenomen gebruik en maatschappelijke problemen rondom drugsgebruik. Doordat mensen er makkelijker en meer over praten, kan het ook lijken alsof het gebruik is toegenomen. In elk geval zijn de meningen verdeeld over het al dan niet plaatsvinden van normalisering van drugsgebruik.
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Wanneer het gaat over normalisering van drugsgebruik, wordt het feitelijke gebruik vaak als (enige) maat genomen. Hierbij wordt uitgegaan van de aanname dat bij toename van gebruik de mate van normalisering toeneemt. De werkelijkheid is echter complexer en naast het recent en regelmatig gebruik zijn er nog meer factoren die invloed hebben op de mate van normalisering. Puur op basis van het feitelijke gebruik lijkt in elk geval geen conclusie te kunnen worden getrokken.
Monitoren van normalisering Er zijn verschillende monitors die het gebruik van drugs monitoren. Vaak wordt dit gedaan in een bepaalde setting, zoals het trendonderzoek Antenne in Amsterdam (Hogeschool van Amsterdam), Het Grote Uitgaansonderzoek (Trimbos), de Monitor Zwangerschap en Middelengebruik en EXPLORE (kwetsbare groepen). Maar ook nationale monitors komen voor, zoals de Nationale Drug Monitor (NDM, Trimbos). Daarnaast zijn er monitors die zich richten op allerlei gezondheidsdomeinen, waarbij drugsgebruik een klein onderdeel uitmaakt, zoals de GGD Gezondheids-
5
monitors, de Leefstijlmonitor (LSM)/Peilstationsonderzoek Scholieren (PEIL) en Monitor Mentale gezondheid en Middelengebruik Studenten hoger onderwijs (VZinfo.nl). Er komt veel kijken bij het uitvoeren van dergelijke monitors en keuzes dienen gemaakt te worden over wie bevraagd wordt en wat uitgevraagd kan worden. Dit zorgt ervoor dat er vaak weinig ruimte is voor verdiepende vragen. Om normalisatie beter te kunnen begrijpen is het echter belangrijk om drugsgebruik in relatie tot mogelijk beïnvloedende en samenhangende factoren te onderzoeken. De SKIP monitor draagt hieraan bij door op lokaal niveau inzicht te krijgen in het gebruik van verschillende soorten drugs in relatie tot normalisering van drugsgebruik. Hiervoor kijken we naar de dimensies van normalisering (Parker, 2002) en naar gedifferentieerde normalisering (Shildrick, 2002; Patton, 2018). Zie voor meer informatie Hoofdstuk 5.
"Om drugsgebruik te verminderen is het van belang om meer zicht te krijgen op de factoren die het huidige drugsgebruik beïnvloeden" 1.3 Regioproject SKIP Op 1 september 2020 is het regioproject SKIP gestart. In dit project werken inmiddels 39 gemeenten in de regio’s Midden-Brabant, Oost-Brabant en Noord-Limburg, GGD Hart voor Brabant, GGD Brabant-Zuidoost en NovadicKentron samen om de (veronderstelde) normalisering van drugsgebruik in de regio tegen te gaan. Het project heeft op korte termijn de doelstelling om met elkaar in gesprek te gaan over denormalisering van drugs. De doelstelling op lange termijn is het tegengaan van normalisering van drugsgebruik (‘use reduction’) onder inwoners in de regio’s Midden-Brabant, Oost-Brabant en gemeente Venray, door het stellen en versterken van de norm dat het gebruik van drugs niet normaal is (denormalisering). De doelgroep van het project bestaat uit jongeren en jongvolwassenen tussen 16 en 27 jaar. Om drugsgebruik te verminderen is het van belang om meer zicht te krijgen op de factoren die het huidige drugsgebruik beïnvloeden. Daarom heeft de stuurgroep besloten
6
om als onderdeel van het project periodiek een monitor uit te voeren. De monitor wordt gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) en heeft als doel input te leveren voor de ontwikkeling van interventies om drugsgebruik te verminderen, het efficiënter inzetten van bestaande interventies en om het verloop van (de-)normalisatie op lange termijn te kunnen volgen. De monitor brengt in kaart hoe het staat met de huidige normalisatie van drugs met behulp van de vijf dimensies van Parker, maar ook door te kijken naar de subjectieve normalisering en de gedifferentieerde normalisering. Aanvullend wordt gekeken naar de relatie alcohol en drugsgebruik en deelname aan het verkeer. 1.4 Indeling rapport Dit rapport beschrijft de resultaten van SKIP monitor 2024. In deel 1 wordt ingegaan op de opzet van de monitor, de respons en representativiteit, en de kenmerken van de jongvolwassenen. Vervolgens beschrijft deel 2 het concept van normalisering van drugsgebruik, de resultaten uitsplitst in de verschillende dimensies en ten aanzien van gedifferentieerde normalisering. Deel 3 behandelt drugsgebruik in het verkeer. In deel 4 volgen de algemene conclusies en aanbevelingen op basis van de resultaten. Tot slot bevat deel 5 een overzicht van de gebruikte bronnen en bijlagen.
2. Methode Voor de dataverzameling van de monitor is een online vragenlijst verspreid onder jongvolwassenen in de deelnemende gemeenten van het regioproject SKIP. Monitor 2021 heeft plaats gevonden van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021, monitor 2024 vond plaats van 1 september 2024 tot en met 31 december 2024. 2.1 Doelgroep De monitor richt zich op 16- t/m 27-jarige jongvolwassenen. In 2021 is data verzameld in 32 gemeenten uit Oost-Brabant, in 2024 in 40 gemeenten uit Midden-, Oost-Brabant en gemeente Venray.
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Oss
's-Hertogenbosch Heusden
Waalwijk
Vught
Loon op Dongen Zand
SintMichielgestel
Maashorst
Bernheze
Land van Cuijk
Boekel Gilze en Rijen
Meijerijstad
Boxtel
Tilburg Oisterwijk Goirle Hilvarenbeek
Oirschot
Best
Son en Breugel
Nuenen Eindhoven
Bladel
Waalre
Eersel
Gemert-Bakel Venray
Helmond Deurne
GeldropMierlo
Veldhoven
ReuselDe Mierden
Laarbeek
HeezeLeende
Someren
Asten
Valkenswaard Bergeijk
Cranendonck
Oorspronkelijk onderzoeksgebied (sinds 2021) Toegevoegd in 2024
Figuur Plattegrond 2.1: deelnemende van de gemeenten gemeenten dieSKIP deelnemen monitoraan de SKIP monitor. De kaart is onderverdeeld in twee kleuren: donkerblauw en lichtblauw. De lichtblauwgekleurde gemeenten vormen het oorspronkelijke onderzoeksgebied sinds 2021. De donkerblauwe gemeenten zijn in 2024 toegevoegd. De nieuw toegevoegde gemeenten zijn: Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Venray en Waalwijk. De gemeenten uit het oor2.2spronkelijke Vragenlijst onderzoeksgebied zijn: Asten, Bergeijk, De Bernheze, vragenlijst Best, is in 2021 Bladel, ontwikkeld Boekel, op Boxtel, basisCranendonck, van bestaande werd dat een bepaalde drug niet gebruikt wordt, vervielen monitors, Deurne, vragenlijsten, Eersel, Eindhoven, onderzoeksresultaten Geldrop-Mierlo, enGemert-Bakel, literatuur Heeze-Leende, verdere vragenHelmond, over het gebruik Heusden, vanLaarbeek, deze drug.Land van over Cuijk, (problematisch) Maashorst, Meierijstad, drugsgebruik, Nuenen, determinanten, Oirschot, Oisterwijk,De Oss, antwoordmogelijkheden Reusel-De Mierden, 's-Hertogenbosch, verschilden per type Sint-Mivraag: normen, chielsgestel, gevolgen Someren, en interventies. Son en Breugel, De vragenlijst Valkenswaard, is voor- Veldhoven van meerkeuzevragen en Waalre.
Een legenda met éénrechtsonder antwoordmogelijkheid in de afbeelgelegd dingaan verduidelijkt onder meer dede kleurcodering. GGD, Novadic-Kentron, het tot vragen waarbij meerdere antwoordmogelijkheden Trimbos Instituut, de Radboud Universiteit en het ‘euPrevent konden worden geselecteerd. De vragenlijst is te vinden Social Norms Approach’-project. op de website van SKIP monitor 2. De vragenlijst die gebruikt is in 2024 bestaat uit 111 vragen en verzamelt informatie over demografische kenmerken, houding en normen, middelengebruik (waaronder frequentie, locatie, intentie), motieven, beschikbaarheid, sociale acceptatie en verkeersdeelname onder invloed. Jongvolwassenen kunnen pas door naar het volgende item als het voorgaande item was ingevuld. Niet alle jongvolwassenen vulden alle 111 items in: wanneer ingevuld
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Verschillen in de vragenlijst tussen monitor 2021 en monitor 2024 De vragenlijst is voor de meting in 2024 herzien op basis van de evaluatie van monitor 2021 en recente trends in middelengebruik. De vragenlijst is ingekort door overbodige of minder relevante items te verwijderen. Daarnaast zijn bij enkele vragen de antwoordcategorieën uitgebreid om meer verdieping en nuance in de gegevens te verkrijgen.
7
Zo zijn ketamine en poes/miauw voortaan apart uitgevraagd, in plaats van onder de bredere categorieën van respectievelijk tripmiddelen en designer drugs. De tabakscategorie is opgesplitst in roken en vapen. Daarnaast is de uitvraag naar hoe normaal iemand drugsgebruik op specifieke locaties vindt geschrapt. Normaliseringsvragen zijn gesteld voor de meest gebruikte middelen: cannabis, xtc, cocaïne, lachgas en ketamine. Daarnaast zijn items over ouderlijke afspraken, gebruik van vrienden en uitkomstverwachtingen verwijderd. Toegevoegd zijn onder meer risicoperceptie, startleeftijd en motieven voor gebruik. Ook is de culturele accommodatie (in 2021 alleen bevraagd voor drugs in het algemeen) in deze editie per specifiek middel uitgevraagd voor de meest gebruikte middelen. Een geheel nieuw onderdeel is toegevoegd over verkeersdeelname, waarin wordt ingegaan op de waargenomen risico’s van gebruik in relatie tot verkeer, de handhaving en het gebruik van vervoersmiddelen onder invloed. 2.3 Procedure werving monitor 2024 De werving van jongvolwassenen is uitgezet op twee hoofdlijnen: werving door de gemeenten met behulp van het lokale netwerk en een campagne via social media. Jongvolwassenen die deelnamen aan het onderzoek maakten kans op een bol.com bon ter waarde van €20. Deze prijzen zijn na afloop van de wervingsperiode verloot onder de respondenten.
Deelnemende gemeenten ontvingen aan het begin van de wervingsperiode een e-mail met informatie over de monitor en een toolkit. De toolkit voor gemeenten bestond uit: flyers, posters, berichten voor social media en videomateriaal. Hierin werden jongvolwassenen geworven met teksten als: ‘blowen tijdens schooltijd?’, ‘sleutel miauw om de nacht door te halen?’ en ‘xtc op een festival?’. Aanvullend zijn kant-en-klare berichten ter beschikking gesteld die de gemeente kon doorsturen naar relevante netwerkpartners. Gemeenten werden op de hoogte gehouden door middel van een nieuwsbrief. De vragenlijst is vervolgens op verschillende manieren uitgezet bij de doelgroep. Jongeren en jongvolwassenen zijn gevraagd de vragenlijst in te vullen via het jongerenwerk, scholen, 8
verenigingen en andere organisaties. Er zijn berichten verspreid via WhatsApp en andere social mediakanalen en er is op lokaal niveau aandacht geweest vanuit de reguliere media. Daarnaast zijn er gemeenten die de uitnodiging per post verstuurd hebben naar het huisadres. Bovenop deze activiteiten is er door een extern communicatiebureau een social mediacampagne uitgevoerd. De doelgroep is door middel van betaalde advertenties benaderd op Facebook, Instagram en Snapchat.
De werving in 2024 is op dezelfde manier gedaan als in 2021, waarbij dezelfde instructies zijn gebruikt en dezelfde materialen. Er is op twee punten afgeweken van de werving: in 2021 werd aanvullend gebruik gemaakt van een campagne bus waarbij deelnemers op straat en bij scholen werden geworven. Deze investering woog niet op tegen het aantal deelnemers dat hiermee geworven werd. Daarnaast is een mail met link van de vragenlijst gestuurd aan alle deelnemers die bij monitor 2021 toestemming hebben gegeven hen opnieuw te mogen benaderen. Om zicht te hebben op de verdeling tussen deze wervingsmethoden en te kunnen onderzoeken of deze van invloed zijn op de resultaten, is een vraag opgenomen over de wijze waarop de jongvolwassene bij de vragenlijst terecht is gekomen: via social media (X, Facebook, Instagram etc.), een uitnodigingsbrief van de gemeente, uitnodiging via e-mail, door jongerenwerk, Whatsapp, vereniging, school, een bericht in de krant, een bericht op straat of in een gebouw, zelf op zoek gegaan naar de vragenlijst, vrienden, een actie op straat of op een andere manier. RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
2.4 Verwerking vragenlijst: databewerking en analyses Verwerking en selectie van data Nadat alle informatie was verzameld, werd met behulp van syntaxen het databestand ‘opgeschoond’ door de verkregen informatie te labelen, te coderen, vragen te spiegelen die andersom werden gesteld en nieuwe (samengestelde) variabelen te maken. Vragenlijsten van jongvolwassenen die niet tot de inclusiecriteria behoorden zijn verwijderd uit het databestand. De geïncludeerde jongvolwassenen die niet alle vragen tot en met de eerste vraag over middelengebruik hebben beantwoord zijn eveneens niet meegenomen in de resultaten. Voor het vergelijken van de resultaten van SKIP monitor 2024 met die van SKIP monitor 2021 is enkel gebruik gemaakt van data van respondenten uit Oost-Brabant, omdat deze regio ook in 2021 aan het onderzoek heeft deelgenomen.
Bewerking van de data Om ervoor te zorgen dat onze respondenten representatief zijn per gemeente, hebben we een weegfactor berekend. Hiermee corrigeren we voor verschillen tussen de samenstelling van onze respondenten en de daadwerkelijke bevolkingssamenstelling per gemeente. De weegfactor is gebaseerd op twee kenmerken: leeftijd (in drie categorieën) en geslacht (man/vrouw). Om te voorkomen dat individuele respondenten een onevenredig grote invloed krijgen, zijn extreme waarden van de weegfactor begrensd op een minimum van 0,2 en een maximum van 5. Vervolgens zijn de gewichten herschaald zodat de totale gewogen respons per gemeente gelijk is aan het daadwerkelijke aantal respondenten uit die gemeente.
"In de praktijk worden vaak verschillende benamingen, straatnamen of afkortingen gebruikt voor dezelfde of verwante stoffen" Analyses Alle vragen zijn geanalyseerd met behulp van beschrijvende statistiek (gemiddelden, percentages) en getoetst op significantie. Om te kijken welke achtergrondkenmerken samenhangen met het gebruik van middelen, is een logistische regressieanalyse uitgevoerd met de volgende kenmerken: gender, leeftijd, woonsituatie, (subjectieve) RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
etniciteit, werksituatie, vrijetijdsbesteding en opleiding. Aanvullend is de manier van werven aan deze logistische regressieanalyse toegevoegd. Eenzelfde analyse is uitgevoerd op het al dan niet normaal vinden van drugsgebruik. Er is gebruik gemaakt van de statistische software Statistical Package for the Social Sciences (SPSS) en RStudio. 2.5 Leeswijzer resultaten Bij het beschrijven van de resultaten van de SKIP monitor 2024 wordt onderscheid gemaakt tussen jongvolwassenen die ooit drugs gebruikt hebben en zij die nooit drugs gebruikt hebben. Daarnaast worden de cijfers vergeleken met de SKIP monitor 2021 en worden trends gepresenteerd. De cijfers die gebruikt worden om trends te beschrijven wijken af van de eerdergenoemde cijfers over 2024, omdat ze gebaseerd zijn op een ander (kleiner) onderzoeksgebied. Als er in de beschrijving de term ‘verschil’ wordt gebruikt, dan betekent dit dat er sprake is van een statistisch significant verschil tussen de beschreven groepen. Vetgedrukte cijfers in tabellen geven een statistisch significant verschil aan tussen de vergeleken groepen of tussen de monitors van 2021 en 2024. Als er meer dan twee categorieën zijn, wordt één categorie genomen als zogenaamde referentiecategorie. Dat betekent dat alle categorieën worden getoetst ten opzichte van deze referentie.
In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de respons en representativiteit van de respondenten. Voor een uitgebreid overzicht van alle cijfers wordt verwezen naar het tabellenboek. Deze is online beschikbaar via de website van SKIP monitor 2.
Gebruikte termen Voor de leesbaarheid gebruiken we in dit rapport de volgende termen: • Jongvolwassenen Hiermee verwijzen we naar de 16- tot en met 27-jarigen in Midden- en Oost-Brabant en Venray die hebben deelgenomen aan het onderzoek. • Drugs en middelen Onder drugs worden de volgende middelen verstaan: cannabis, xtc, poes/miauw, lachgas, cocaïne, ketamine, paddo’s, amfetamine, 2C-B, niet medisch gebruik van geneesmiddelen, LSD, designer drugs, GHB en heroïne. Onder middelen worden alle bovengenoemde drugs verstaan, aangevuld met roken, vapen en alcohol. 9
Tabel 2.1: toelichting gebruikte termen voor middelen Gebruikte term
is deze groep relatief het meest vertegenwoordigd. Bijna alle jongvolwassenen (92%) voelen zich Nederlands, slechts een klein percentage voelt zich ook een andere nationaliteit (5%, n = 657), of voelt zich niet Nederlands (3%, n = 357).
Andere benamingen, verwante middelen of werkzame stoffen
Alcohol Roken
Sigaretten, tabak
Vapen
E-sigaret
Cannabis
Wiet en hasj
Xtc
MDMA
Poes/miauw
Synthetische cathinonen zoals 2-mmc, 3-mmc en 4-mmc
Lachgas
Distikstofmonoxide (N2O)
Cocaïne Ketamine Paddo’s
Truffels
Amfetamine
Speed
2C-B Geneesmiddelen
Niet-medisch gebruik van geneesmiddelen zoals Ritalin, Concerta, Modafinil
LSD Designer drugs
Research chemicals of Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS) zoals 4-FA. Exclusief poes/miauw
GHB
GBL
Heroïne
Of andere opiaten zonder doktersrecept zoals methadon, fentanyl of oxycodon
Omdat de vragenlijst niet door alle 16- t/m 27-jarigen is ingevuld, zijn de gepresenteerde percentages en aantallen een schatting van de totale doelgroep in het onderzoeksgebied. Rondom de gepresenteerde percentages en aantallen zit daarom altijd een marge. Groepen jong volwassenen die onvoldoende zijn vertegenwoordigd in de onderzoekspopulatie (gebaseerd op leeftijd, geslacht en woongemeente) worden met weegfactoren, zoals beschreven in hoofdstuk 2.4, ‘zwaarder’ meegeteld in het totaalresultaat. De resultaten geven hierdoor een beter beeld van de werkelijke situatie in de deelnemende gemeenten in het onderzoeksgebied. Op andere kenmerken dan leeftijd en geslacht kan niet gewogen worden, omdat we niet beschikken over accurate populatiegegevens.
Kenmerken respondenten per wervingsmethode Tabel 3.1 laat zien dat respondenten die via een brief van de gemeente aan de vragenlijst hebben deelgenomen zich relatief vaker identificeren als man of vrouw. Jongvolwassenen die zich als ‘anders’ identificeren zijn minder vaak via een brief bij de vragenlijst gekomen, en vaker via social media of andere (lokale) netwerken. De 16- en 17-jarigen en jongvolwassenen op havo/vwo, zijn minder vaak via social media geworven (72%). Dit is te verklaren omdat de 16- en 17-jarigen niet gericht benaderd mogen worden met advertenties via social media. Voor subjectieve etniciteit zijn er geen substantiële verschillen te zien tussen de groepen. Respondenten die zich zowel Nederlands en een andere nationaliteit voelen zijn vaker via social media geworven.
Tabel 3.1: manier van werven naar achtergrondkenmerk, totale groep jongvolwassenen* Via brief %
Via social media %
Via andere (lokale) netwerken %
76
12
9
Man
76
13
8
Vrouw
77
11
9
Anders
66
17
14
16 t/m 17 jaar
79
7
11
18 t/m 22 jaar
76
13
9
23 t/m 27 jaar
77
13
8
Vmbo
75
12
10
Mbo
79
11
7
Havo/vwo
78
7
13
Hbo/universiteit
75
14
9
Ander middel Tripmiddelen
Drugs met een waarneming veranderende werking zoals 2C-B, LSD en paddo’s
In de praktijk worden vaak verschillende benamingen, straatnamen of afkortingen gebruikt voor dezelfde of verwante stoffen. Het is van belang om duidelijkheid te scheppen over wat met welke term wordt bedoeld. Daarom vind je in tabel 2.1 een overzicht van de gebruikte termen in het rapport, inclusief de middelen waar deze termen naar verwijzen. • Nooit-gebruikers, ooit-gebruikers Onder nooit-gebruikers verstaan we jongvolwassenen die nooit drugs gebruikt hebben. Bij ooit-gebruikers verwijzen we naar jongvolwassenen die ten minste één keer drugs hebben gebruikt, ongeacht de soort drugs en wanneer. • Frequentie laatste jaar gebruik Bij frequentie gebruik maken we onderscheid in dagelijks gebruik, wekelijks gebruik, maandelijks gebruik, paar keer per jaar of één keer per jaar. Regelmatig gebruik wordt gedefinieerd als ‘ten minste maandelijks gebruik’.
10
3. Respons en representativiteit 3.1 Respons Er zijn in 2024 25.425 jongvolwassenen gestart met het invullen van de online vragenlijst. Hiervan voldeden 17.031 jongvolwassenen aan de inclusiecriteria. Voor de analyses zijn 4.002 jongvolwassenen geëxcludeerd die niet alle vragen over sociodemografische gegevens, normalisering en de eerste vraag over middelengebruik hadden beantwoord. In totaal zijn de antwoorden van 13.029 jongvolwassenen uit de SKIP-regio meegenomen voor de analyses, waarvan iets meer vrouwen (n = 7.609) dan mannen (n = 5.319) en 101 personen die ‘anders’ aangaven bij de vraag naar gender. In totaal heeft 6% van alle jongvolwassenen van 16 t/m 27 jaar woonachtig in de SKIP-regio de vragenlijst ingevuld. De meeste jong volwassenen (43%) zijn tussen de 18 en 22 jaar oud (range 5 jaar), gevolgd door 36% die 23 t/m 27 jaar is (range 5 jaar). De kleinste groep (21%) bestaat uit jongeren van 16 of 17 jaar (range 2 jaar), maar gezien de kleine leeftijd range
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
3.2 Werving Zoals beschreven in paragraaf 2.3 zijn de jongvolwassenen op verschillende manieren geworven. In figuur 3.1 is te zien dat het merendeel van de respondenten via een brief van de gemeente bij de vragenlijst is gekomen (79%). Eén op de acht jongvolwassenen heeft de vragenlijst ingevuld naar aanleiding van de campagne op social media. Van de 5924 jongvolwassenen die een uitnodiging via e-mail ontvangen heeft, hebben uiteindelijk 549 respondenten (9%) gereageerd. In totaal hebben 257 respondenten via school de vragenlijst ingevuld. Uitnodigingsbrief gemeente
79%
Social media
13%
Gender
Leeftijd
Opleiding (hoogst afgerond of huidig)
4%
Subjectieve etniciteit
School
2%
Voelt zich alleen Nederlands
77
12
9
16
10
4%
Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit
71
Anders
Voelt zich niet Nederlands
74
12
12
Figuur 3.1: manier waarop jongvolwassenen bij de vragenlijst zijn uitgekomen (waarbij het mogelijk is dat één persoon meerdere manieren heeft aangegeven), totale groep jongvolwassenen RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
* 3% van de respondenten heeft meerdere wervingsstrategieën aangekruist en zijn niet opgenomen in deze tabel.
11
Drugsgebruik in het laatste jaar in de gehele groep jongvolwassenen Manier van werven Alleen via social media Alleen via brief van de gemeente (referentiecategorie) Alleen via andere (lokale) netwerken Gender Man* Vrouw Anders Leeftijd 16 en 17 jaar* 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar Opleiding (hoogst afgerond of huidig) Vmbo* Mbo Havo/vwo Hbo/universiteit (Subjectieve) etniciteit Voelt zich alleen Nederlands* Voelt zich Nederlands en een andere nationaliteit Voelt zich niet Nederlands * referentiecategorie 12
42
32
26
4
13
15
60 17 33
52 9 19
41 9 15
6 1 4
21 4 7
24 4 9
50 32 40
35 30 23
27 24 22
5 3 0
15 10 15
18 11 16
45 45 38
13 32 39
12 26 30
7 4 3
5 11 17
6 13 19
51 42 44 40
22 26 18 39
24 25 13 29
11 5 2 3
13 12 9 14
13 14 6 17
40 55 59
33 23 18
27 20 14
4 10 4
13 12 9
15 8 11
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Leeftijd
Figuur 4.1: leeftijdsverdeling jongvolwassenen Anders 1%
Man 52%
Vrouw 47%
Figuur 4.2: verdeling gender jongvolwassenen
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
27 jaar
26 jaar
25 jaar
Ketamine %
24 jaar
Cocaïne %
6%
23 jaar
Lachgas %
9% 9%
8%
22 jaar
Poes/ miauw %
9%
21 jaar
Xtc %
7% 7%
8% 8% 8%
20 jaar
Cannabis %
10% 10%
19 jaar
Tabel 3.2: gewogen percentages drugsgebruik in het laatste jaar naar achtergrondkenmerken, totale groep jongvolwassenen
4.1 Leeftijd en gender Na weging is de gemiddelde leeftijd van de jongvol wassenen 21,6 jaar. Figuur 4.1 laat de leeftijdsverdeling van de jongvolwassenen in de hele SKIP-regio zien. Figuur 4.2 toont de genderverdeling: er zijn iets meer mannen (52) dan vrouwen (47%), en 1% van de jong volwassenen identificeert zich als ‘anders’.
18 jaar
We verwachten dat het effect op gender, leeftijd en opleidingsniveau daarom beperkt zal zijn. Wat niet beperkt is, is de invloed op de mate van drugsgebruik. Daarom hebben we ervoor gekozen om daar waar het gaat over de prevalentie van drugsgebruik deze uit te splitsen per wervingsmethode.
In dit hoofdstuk staan de belangrijkste achtergrond kenmerken van de onderzoekspopulatie beschreven. De genoemde percentages zijn gewogen, tenzij anders aangegeven.
17 jaar
Invloed respons en wervingsmethode Op basis van de cijfers kan geconcludeerd worden dat wervingsmethode invloed heeft op de bereikte doelgroep en de hoeveelheid drugsgebruik. Dit betekent dat als we kijken naar prevalentiecijfers er een mogelijke bias bestaat door de manier van werven in relatie tot gender (anders), leeftijd (16- en 17-jarigen), en opleidingsniveau (havo/vwo).
4. Kenmerken respondenten
16 jaar
Heel specifiek kan dit betekenen dat jongvolwassenen die zich niet als man of vrouw identificeren hogere prevalentiecijfers laten zien doordat ze minder vaak via brief geworven zijn, en dat 16- en 17-jarigen en jongeren op havo/vwo gemiddeld lagere prevalentiecijfers laten zien omdat ze minder vaak via social media zijn geworven. De cijfers in tabel 3.2 laten dit echter niet zien: respondenten die zich niet identificeren als man of vrouw hebben het laatste jaar gemiddeld niet vaker drugs gebruikt dan mannen en of vrouwen. Voor 16- en 17-jarigen zien we dat zij ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen enkele soorten drugs minder gebruikt hebben het afgelopen jaar, maar niet als we kijken naar cannabis en lachgas. Ditzelfde zien we terug bij jongeren op havo/vwo, al zien we daar voor wat betreft lachgas een uitschieter voor jongeren op vmbo.
Gewogen percentage
Drugsgebruik per wervingsmethode Het drugsgebruik in het afgelopen jaar is het hoogst bij respondenten die via social media geworven zijn (zie tabel 3.2). Ten opzichte van andere (lokale) netwerken varieert dit tussen 1,5 keer (lachgas) tot 3 keer zoveel (cocaïne), ten opzichte van werving via gemeentelijke brief varieert dit tussen 3,5 (cannabis) tot 6 keer (lachgas/ ketamine) zo zoveel. In een logistische regressieanalyse is onderzocht welke achtergrondkenmerken samenhangen met middelengebruik (zie bijlage 1). Uit deze analyse blijkt dat werving via sociale media de sterkste voorspeller is van drugsgebruik, zelfs wanneer gecontroleerd wordt voor andere factoren zoals gender, leeftijd, woonsituatie, (subjectieve) etniciteit, werksituatie, opleidingsniveau en vrijetijdsbesteding.
4.2 Woonsituatie Bijna zes op de tien jongvolwassenen (59%) woont bij zijn of haar ouders (verzorgers of pleegouders), 15% woont met partner (eventueel met kinderen), 13% woont in een studentenhuis of met andere huisgenoten, 10% woont alleen en 3% woont anders. Figuur 4.3 laat zien dat jongeren van 16 en 17 jaar bijna allemaal thuis wonen (96%) en dat dit percentage afneemt naarmate de leeftijd toeneemt. Jongvolwassenen tussen de 18 en 22 jaar wonen vaak samen in een studentenhuis met andere huisgenoten (17%), terwijl jongvolwassenen tussen de 23 en 27 jaar vaak met hun partner en eventuele kinderen wonen (29%) of alleen (19%). 4.3 Opleiding en werk De meeste jongvolwassenen volgen een hbo- of universitaire opleiding of hebben deze al afgerond (54%). Daarna volgt het mbo met 27% en het voortgezet onderwijs met 16%. Eenenveertig procent van de jongvolwassenen heeft een (vaste) baan, terwijl 39% een bijbaan heeft. Iets meer dan de helft (57%) volgt (daarnaast) onderwijs. Naarmate de leeftijd toeneemt, groeit het aandeel met een (vaste) baan. Tegelijkertijd neemt het aandeel dat een bijbaan heeft of onderwijs volgt juist af met de leeftijd. Tabel 4.1 laat zien dat het merendeel van de groep 16- en 17-jarigen zoals verwacht een middelbare schoolopleiding als hoogst afgeronde opleiding heeft, of deze op dit moment volgt (18% vmbo, 39% havo/vwo).
13
96% Thuis (met ouder(s)/verzorger(s) en/of broer(s)/zus(sen))
Zelf sporten (niet bij club of vereniging)
12%
31%
13%
Sport of activiteit bij een club of vereniging
9%
38%
5%
34% 0% 5%
Woont met partner (en evt. kinderen) 1%
14%
Gamen
1% 4%
Woont alleen
19% 2% 2% 5%
Woont anders
Leeftijdscategorie 16 en 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar
Buiten hangen
Figuur 4.3: woonsituatie jongvolwassenen, uitgesplitst naar leeftijd Tabel 4.1: opleiding en werksituatie, deelnemende jongvolwassenen 16 en 17 jaar * %
18 t/m 22 jaar %
23 t/m 27 jaar %
Geen opleiding of alleen bo
1
2
1
Vmbo
18
5
3
Mbo
34
30
22
Opleiding (hoogst afgerond of huidig)
Havo/vwo
39
8
3
Hbo/universiteit
7
54
70
Andere opleiding
1
1
1
Werksituatie (meerdere antwoorden mogelijk) Heeft een (vaste) baan
6
23
68
Heeft een bijbaan
69
52
17
Volgt onderwijs
87
73
31
Heeft geen baan en volgt geen onderwijs
2
3
3
* referentiecategorie
14
3
2
18%
5% 8%
8%
10%
10%
27%
21% 15%
21% 59%
32% 20%
30%
40%
14% 50%
60%
16% 70%
80%
Figuur 4.4: frequentie vrijetijdsactiviteiten in het laatste jaar, totale groep jongvolwassenen
4.4 Subjectieve etniciteit Onder subjectieve etniciteit wordt verstaan met welk land iemand zich het meest verwant voelt. Er is hierbij dus géén uitvraag gedaan naar het geboorteland (of dat van de ouders). Negen op de tien jongvolwassenen voelt zich uitsluitend Nederlands, 7% voelt zich naast Nederlands óók een andere nationaliteit en 3% voelt zich niet Nederlands. Onder de jongvolwassenen die zich zowel Nederlands als iets anders voelen, geeft 16% aan zich ook Surinaams te voelen, 15% Turks, 13% Pools, 10% Antilliaans, 9% Marokkaans en 50% anders. Bij de anders categorie worden onder andere Indonesisch, Chinees, Syrisch en Italiaans genoemd. Binnen de groep die zich niet Nederlands voelt, voelt 17% zich Pools, 9% Turks, 8% Marokkaans, 6% Surinaams, 5% Antilliaans en 60% anders. In deze anders categorie worden hier onder andere Syrisch en Roemeens als subjectieve etniciteit genoemd.
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
14% 90%
100%
(bijna) dagelijks wekelijks maandelijks een paar keer (bijna) nooit
Uit de gendervergelijking (figuur 4.5) blijkt dat vrouwen minder vaak gamen, buiten hangen of zelf sporten, maar juist vaker tijd besteden aan hobby’s thuis. Jongvol wassenen die zich als ‘anders’ identificeren zijn minder vaak actief op zowel sociaal, sportief als uitgaansvlak.
61% 52%
Zelf sporten (niet bij club of vereniging)
32% 50%
Sport of activiteit bij een club of vereniging
56%
29% 56%
Uitgaan
51%
27%
Tijd doorbrengen met vrienden
Buiten hangen
92% 92%
74% 59%
21%
Gamen
4.5 Vrijetijdsbesteding Om te kunnen onderzoeken of bepaalde vormen van vrijetijdsbesteding in relatie staan tot het gebruik van drugs, is nagegaan wat de jongvolwassenen doen in hun vrije tijd (figuur 4.4). Bijna alle jongvolwassenen (92%) brengen maandelijks tijd door met hun vrienden en een vijfde doet dit ook wel eens buiten op straat. Daarnaast is ruim twee derde regelmatig bij een club of vereniging te vinden, sport 56% regelmatig zelf en gaat 53% minstens maandelijks uit. Populaire uitgaansgelegenheden zijn festivals, huisfeesten, cafés en clubs of discotheken.
6%
38%
19%
24%
Andere hobby's thuis
38%
59%
13%
0%
3
23%
10%
30%
18%
Tijd doorbrengen met vrienden
17%
Woont in studentenhuis of met andere huisgenoten
22%
Uitgaan
29%
Heeft een andere werksituatie
21%
72%
52% 15%
27% 32% 67%
Andere hobby's thuis
Figuur 4.5: vrijetijdsactiviteiten in het laatste jaar (tenminste maandelijks), uitgesplitst naar gender
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
73% 77% man vrouw anders
15
Uit de leeftijdsvergelijking (figuur 4.6) blijkt dat jongeren van 16 en 17 jaar vaker buiten hangen, naar een club of vereniging gaan en vaker gamen dan de oudere leeftijdsgroepen, maar minder vaak uitgaan, zelf sporten of thuis een hobby uitvoeren.
Tabel 4.2: verschillen in achtergrondkenmerken, vergelijking 2021 en 2024 2021 % Opleidingsniveau
48% 55%
Zelf sporten (niet bij club of vereniging)
52% 51%
Sport of activiteit bij een club of vereniging
60% 62%
52%
58% 90% 92% 93%
Tijd doorbrengen met vrienden 41% 39%
Gamen
48%
1
2
Vmbo
5
6
Mbo
28
28
Havo/vwo
12
10
Hbo/universiteit
53
53
Anders
nb
0,8
Thuis (met ouder(s)/verzorger(s) en/of broer(s)/zus(sen))
60
62
Woont met partner (en evt kinderen)
17
15
Woont in studentenhuis of met andere huisgenoten
14
10
Woont alleen
9
10
0,8
3
92
90
Heeft een (vaste) baan
38
42
Heeft een bijbaan
44
38
Volgt onderwijs
60
55
Heeft geen baan en volgt geen onderwijs
2
3
Anders
2
3
Gamen
42
41
Club of vereniging (sport of andere activiteiten)
69
54
Buiten hangen
20
21
Tijd doorbrengen met vrienden
93
92
Uitgaan
51
51
Andere hobby’s (bijvoorbeeld boek lezen, puzzelen, bespelen instrument)
67
70
Anders (Subjectieve) etniciteit
50%
Voelt zich alleen Nederlands
24% 10% 56%
Andere hobby's thuis
Geen opleiding of alleen basisschool
Woonsituatie
41% Uitgaan
Buiten hangen
2024 %
Werksituatie 68% 75%
Figuur 4.6: vrijetijdsactiviteiten in het laatste jaar (tenminste maandelijks), uitgesplitst naar leeftijd
16 en 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar
Activiteiten in vrije tijd (tenminste maandelijks)
4.6 Belangrijkste verschillen In deze paragraaf worden de belangrijkste sociodemografische verschillen uiteengezet tussen de huidige monitor en die uit 2021. Daarnaast wordt de groep ook vergeleken met cijfers van de GGD-monitor en het CBS.
Vergelijking monitor 2021 en 2024 In 2024 zijn jongvolwassenen vaker bereikt via een brief van de gemeente, terwijl andere wervingskanalen, zoals scholen, minder vaak zijn ingezet. Waar in 2021 nog 8% van de jongvolwassenen uitsluitend via school werd geworven, is dit in 2024 gedaald naar 2%. Ook de campagne bus, waarbij deelnemers op straat en bij scholen werden geworven, is in 2024 niet ingezet. De daling in huisfeesten als uitgaansvorm en de toename van bezoeken aan festivals en concerten kunnen mogelijk verklaard worden door het lagere aandeel jongvolwassenen dat in studentenhuizen woont, waardoor er minder gelegenheid is voor huisfeesten.
16
Daarnaast is het denkbaar dat de coronaperiode, waarin huisfeesten een alternatief vormden voor formeel uitgaan, tijdelijk leidde tot een verschuiving in uitgaanspatronen die na de pandemie weer is teruggedraaid. Tabel 4.2 geeft de verschillen in achtergrondkenmerken weer van de jongvolwassenen in Oost-Brabant uit 2021 en 2024.
"Er blijkt wél een significante samenhang te bestaan tussen opleidingsniveau en drugsgebruik"
Om te kijken welke achtergrondkenmerken samenhangen met het gebruik van middelen, is voor beide monitors een logistische regressieanalyse uitgevoerd. De kenmerken die zijn toegevoegd aan de analyse zijn gender, leeftijd,
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Gaat wel eens uit naar: Café/ kroeg
69
63
Club/ discotheek
52
49
Festival
57
62
Tentfeest/ dorpsfeest
25
25
Poppodium/ muziekconcert
20
27
Huisfeest of een feest bij vrienden thuis
76
62
Keet/ schuur/ caravan/ hok
19
13
Club of verenigingsgebouw
21
18
Andere locatie
6
5
Gaat nooit uit
9
10
Is bij vragenlijst terecht gekomen (enkel) via social media
41
42
Is bij vragenlijst terecht gekomen (enkel) via brief van de gemeente
27
40
Is bij vragenlijst terecht gekomen via andere (lokale) netwerken
32
18
Wervingsmethode
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
woonsituatie, (subjectieve) etniciteit, werksituatie, opleiding, vrijetijdsbesteding en manier van werving. Op werksituatie en subjectieve etniciteit na, hangen alle achtergrondkenmerken significant samen met middelengebruik (zie bijlage 1). In tegenstelling tot de monitor van 2021 blijkt er nu wél een significante samenhang te bestaan tussen opleidingsniveau en drugsgebruik. Jongvolwassenen die havo of vwo volgen of hebben afgerond, evenals degenen met een (lopende of afgeronde) hbo- of universitaire opleiding, gebruiken minder vaak drugs dan jongvolwassenen zonder opleiding of met alleen basisonderwijs of vmbo als hoogst afgeronde of huidige opleiding.
Vergelijking monitor 2024 met GGD- en CBS cijfers In vergelijking met de GGD Gezondheidsmonitor Jong volwassenen wonen de SKIP respondenten minder vaak thuis (59% tegenover 75%) en juist vaker met anderen (13% tegenover 9%) of een partner (15% tegenover 9%) (Brabantse GGD-en, 2024). Ook zijn zij gemiddeld iets hoger opgeleid: 54% heeft een hbo- of universitaire opleiding gevolgd of afgerond, tegenover 41% in de GGD-monitor. Daarentegen volgen SKIP-respondenten minder vaak nog een opleiding dan de jongvolwassenen in de GGD-monitor (57% tegenover 65%). Beide monitors geven een benadering van de werkelijkheid, en de verschillen tussen de twee bronnen kunnen daarom niet zonder meer als juist of onjuist worden geïnterpreteerd. De GGD-respondenten zijn via sociale media geworven en de resultaten zijn gewogen (naar leeftijd en geslacht), vergelijkbaar met de aanpak van deze SKIP monitor. Het verschil in opleidingsniveau met de GGD Gezondheidsmonitor kan deels verklaard worden door het leeftijdsverschil tussen de monitors: de GGD-groep is jonger (16 t/m 25 jaar), terwijl oudere jongvolwassenen vaker een hogere opleiding hebben afgerond en minder vaak nog onderwijs volgen. Het aandeel jongvolwassenen dat nog onderwijs volgt in de SKIP-monitor komt overeen met cijfers van het CBS uit 2022, waarin 57% van de 15- tot en met 27-jarigen in Noord-Brabant nog onderwijs volgde (CBS, 2025).
Een vergelijking van het opleidingsniveau met CBS-cijfers is echter niet mogelijk, aangezien het CBS uitsluitend het hoogst behaalde opleidingsniveau registreert en geen informatie biedt over het huidige opleidingsniveau.
17
2 l e e D g n i r e s i l Norma
5. Inleiding Om inzicht te krijgen in normalisering van drugsgebruik wordt er in dit rapport gekeken naar de verschillende dimensies van normalisering en naar een gedifferentieerde normalisering. Dimensies van normalisering Parker e.a. (2002) heeft vijf dimensies geformuleerd om de mate van normalisering te meten: toegang en beschikbaarheid, experimenteren, recent en regelmatig gebruik, sociale accommodatie en culturele accommodatie. In figuur 5.1 worden de dimensies uitgebreider toegelicht.
Enerzijds zijn het factoren die bij kunnen dragen aan het ontstaan van normalisering, anderzijds geven de dimensies inzicht in de mate van normalisering. Op basis van de bestaande literatuur is er geen oorzakelijke relatie vast te stellen. Het is waarschijnlijk dat het een circulair proces is waarbij wederzijdse beïnvloeding plaatsvindt.
Vijf dimensies van normalisering (Parker, Williams, & Aldridge, 2002) 1. Toegang en beschikbaarheid De beschikbaarheid van drugs vormt een voorwaarde voor het kunnen ontstaan van normalisering van drugsgebruik. Ook de prijzen van verschillende drugssoorten spelen een rol; de toegang tot goedkopere middelen is gemakkelijker, waardoor deze eerder zullen normaliseren dan de duurdere middelen. 2. Uitproberen/experimenteren Hoe gebruikelijk is het om verschillende drugssoorten uit te proberen? De ‘ooit-prevalentie’ is indicatief voor de mate van uitproberen van bepaalde middelen. 3. Recent en regelmatig middelengebruik In welke mate wordt er door gebruikers op regelmatige basis drugs gebruikt en in hoeverre is dit veranderd in de loop der tijd? Recent en regelmatig drugsgebruik kan bijvoorbeeld worden gemeten door middel van de ‘laatste-maandprevalentie’. 4. Sociale accommodatie van middelengebruik Hierbij gaat het om de attitude van met name niet-gebruikers ten aanzien van recreatief drugsgebruik. In welke mate denken zij bijvoorbeeld dat drugsgebruik voorkomt en in hoeverre wordt het geaccepteerd door hun omgeving? Onderzoek wijst uit dat jongeren de prevalentiecijfers rondom drugsgebruik vaak sterk overschatten. Bovendien geldt er een samenhang tussen de 'sociale norm' die men hanteert en het eigen gebruik (Lombaert, 2010). 5.
Culturele accommodatie van middelengebruik Normen worden mede bepaald door de frequentie en wijze waarop middelengebruik wordt neergezet in de reguliere media. Vaak wordt in bijvoorbeeld films en muziek openlijk en niet afwijzend gesproken over het gebruik van drugs, wat kan bijdragen aan het ontstaan van een norm waarin drugsgebruik normaal wordt gevonden. Volgens Taylor (2000) is het zelfs deze culturele representatie van drugsgebruik die ten grondslag ligt aan de normalisering ervan.
Figuur 5.1: beschrijving van de vijf dimensies van normalisering
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
19
Gedifferentieerde normalisering Daarnaast is het belangrijk om onderzoek naar normalisering gedifferentieerd te benaderen. Hiermee wordt bedoeld dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende soorten drugs, de verschillende settingen waarin gebruikt wordt en de verschillende subgroepen jongeren en jongvolwassenen (Shildrick, 2002; Patton, 2018).
6. Dimensie 1
Toegang en beschikbaarheid De beschikbaarheid van een middel vormt een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin het gebruik ervan als genormaliseerd wordt ervaren. Wanneer een drug eenvoudig te verkrijgen is, vergroot dit de kans dat het gebruik als normaal of acceptabel wordt beschouwd binnen sociale groepen (Parker, Williams, & Aldridge, 2002).
Om inzicht te krijgen in deze dimensie van normalisering, is deelnemers gevraagd in hoeverre zij bepaalde middelen toegankelijk achten en of zij deze middelen ooit aangeboden hebben gekregen. Dit is onderzocht voor de middelen cannabis, xtc, lachgas, cocaïne en ketamine. 6.1 Verkrijgbaarheid De waargenomen verkrijgbaarheid is weergegeven in figuur 6.1. Jongvolwassenen die ooit drugs hebben gebruikt, schatten de verkrijgbaarheid van vrijwel alle middelen aanzienlijk hoger in dan hun leeftijdsgenoten die geen ervaring met drugs hebben. Cannabis (98%) en xtc (73%) worden door veel ooit-gebruikers als (heel) makkelijk verkrijgbaar ervaren. Ook bij ketamine (55%), cocaïne (54%) en lachgas (49%) denkt een meerderheid van de ooit-gebruikers dat deze drugs makkelijk of heel makkelijk verkrijgbaar zijn. Onder jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt, is de inschatting van de verkrijgbaarheid van drugs aanzienlijk lager, met uitzondering van cannabis (80%) dat ook in deze groep nog steeds als relatief bereikbaar wordt gezien. Voor andere middelen zijn de percentages aanmerkelijk lager: slechts 44% denkt gemakkelijk aan xtc te kunnen komen, 29% aan cocaïne en 24% aan ketamine. Lachgas vormt een uitzondering: de inschatting van toegankelijkheid ligt bij deze groep gelijk aan die van ooit-gebruikers (50%).
"Onder jongvolwassenen die nooit drugs hebben gebruikt, is de inschatting van de verkrijgbaarheid van drugs aanzienlijk lager"
Tussen 2021 en 2024 is de ervaren toegankelijkheid van cannabis en xtc toegenomen (zie tabel 6.1).
Tabel 6.1: waargenomen verkrijgbaarheid, vergelijking 2021 en 2024 2021 %
2024 %
Ervaren toegankelijkheid Jongere denkt (heel) makkelijk aan drugs te komen:
nb
94
Tabel 6.3: aanbod van drugs, vergelijking 2021 en 2024
• Cannabis
86
92
• Xtc
54
61
• Lachgas
53
50
6.2 Aanbod Ruim driekwart van alle jongvolwassenen (77%) heeft wel eens drugs aangeboden gekregen. Dit varieert per drugssoort en is verschillend voor ooit- en nooit-gebruikers. Tabel 6.2 laat zien dat jongvolwassenen die ooit drugs hebben gebruikt aanzienlijk vaker drugs aangeboden hebben gekregen dan jongvolwassenen die nooit gebruikt hebben. Vooral cannabis (90%) en xtc (68%) zijn vaak aangeboden aan ooit-gebruikers. Onder nooit-gebruikers is het aanbod niet verwaarloosbaar: bijna de helft (48%) heeft ooit drugs aangeboden gekregen, met cannabis (41%) als meest genoemde middel.
Tabel 6.2: aanbod van drugs, uitgesplitst naar ooit-gebruik Denkt (heel) makkelijk aan de volgende drugs te kunnen komen
Heeft nooit drugs gebruikt %
Heeft ooit drugs gebruikt %
Heeft ooit drugs aangeboden gekregen:
48
90
• Cannabis
41
81
• Xtc
18
68
• Lachgas
10
40
• Cocaïne
12
57
• Ketamine
6
49
• Andere drugs (geen alcohol)
4
17
98%
100% 90% 80%
80%
Aanbod van drugs
73%
70% 60% 50%
50%
55%
54%
49%
44%
40% 29%
30%
24%
20% 10%
In vergelijking met 2021 (tabel 6.3) zien we een afname in het percentage jongvolwassenen dat aangeeft ooit lachgas aangeboden te hebben gekregen: van 39% in 2021 naar 29% in 2024. Tussen deze twee metingen is in Nederland een verbod op lachgas ingevoerd, dat op 1 januari 2023 van kracht werd en waarbij lachgas op lijst II van de Opiumwet is geplaatst. In monitor 2021 is aanbod enkel uitgevraagd voor cannabis, xtc en lachgas.
2021 %
2024 %
Aanbod van drugs Heeft ooit drugs aangeboden gekregen:
76
75
Cannabis
69
67
Xtc
51
49
Lachgas
39
29
6.3 Handhaving Veel jongvolwassenen (63%) denken dat de kans (heel) klein is om gepakt te worden voor bezit of gebruik van (illegale) drugs door politie of handhaving. Dit percentage is afgenomen sinds 2021 (69%). Jongvolwassenen die in het verleden wel eens drugs hebben gebruikt schatten de pakkans kleiner in dan degenen die nog nooit drugs hebben gebruikt. De helft van de groep nooit-gebruikers (54%) schat in dat het risico om gepakt te worden klein is.
7. Dimensie 2
Uitproberen en experimenteren De dimensie ‘uitproberen en experimenteren’ gaat over hoe gebruikelijk het is om verschillende drugssoorten uit te proberen. De ooit-prevalentie is indicatief voor de mate van experimenteren en is gemeten door jongvolwassenen te vragen welke middelen ze ooit gebruikt hebben. Daarnaast wordt gekeken naar de intentie tot gebruik van middelen en de startleeftijd.
0% Cannabis
Xtc
Lachgas
Cocaïne
Figuur 6.1: waargenomen verkrijgbaarheid, uitgesplitst naar ooit-gebruik
20
Ketamine
Nooit-gebruiker Ooit-gebruiker
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
21
Deze monitor is niet opgezet als prevalentieonderzoek. De resultaten kunnen niet geïnterpreteerd worden als een exacte weergave van het middelengebruik binnen de gehele doelgroep in de regio. Bij de interpretatie van de cijfers over gebruik moet rekening worden gehouden met de representativiteit van de onderzoeksgroep. Zie hoofdstuk 3 voor een uitgebreide toelichting op de samenstelling van de respondenten en de mogelijke invloed hiervan op de resultaten.
Figuur 7.1 en 7.2 laten zien hoe het ooit-gebruik per drug verschilt naar gender en leeftijdscategorie voor de meest gebruikte drugssoorten. Het percentage mannen dat ooit drugs heeft gebruikt is voor alle getoonde drugssoorten hoger dan dat van vrouwen. Voor alle drugs geldt dat het ooit-gebruik toeneemt met de leeftijd. In het digitale tabellenboek SKIP monitor 2.0: (Tabel 3a) zijn deze uitsplitsingen ook voor andere middelen getoond.
7.1 Ooit-gebruik Voor een zo betrouwbaar mogelijke weergave van de cijfers over gebruik zijn de cijfers uitgesplitst op basis van wervingsmethode, zoals weergegeven in tabel 7.1. Cannabis is onafhankelijk van de wervingsmethode de meest gebruikte drugs onder jongvolwassenen, gevolgd door xtc en poes/miauw.
100 Man Vrouw Anders
90
Tabel 7.1: ooit gebruik verschillende middelen, uitgesplitst naar wervingsmethode.
80
Wervingsmethode
Via brief* %
Via Social Media %
Via andere (lokale) netwerken %
Totaal %
70
68 56
60
47
50
Ooit gebruik 89
98
92
94
Roken
46
80
54
65
30
Vapen
46
79
53
64
20
Heeft ooit drugs gebruikt:
43
89
58
69
10
Cannabis
38
82
52
63
0
Xtc
18
66
29
44
Poes/miauw
14
51
20
34
Lachgas
12
34
18
24
Cocaïne
9
36
15
24
Ketamine
8
35
17
24
Paddo’s
7
30
16
20
Amfetamine
6
27
12
18
2C-B
5
26
10
17
Geneesmiddelen
4
20
9
13
LSD
2
11
4
7
Overige designer drugs
2
10
3
6
60
GHB
1
4
2
3
50
Heroïne
0.5
2
2
2
40
1
4
2
3
30
*referentiecategorie
41
40
Alcohol
Ander middel
69
44 37 30 23
28
28 21
20
25
28
29 18
10
Cannabis
Xtc
Poes/miauw
Lachgas
Cocaïne
Ketamine
Figuur 7.1: ooit-gebruik van drugs, uitgesplitst naar gender
100 16 en 17 jaar 18 t/m 22 jaar 23 t/m 27 jaar
90 80 69
70 61
55
49 41
40 34
33
20
16
14
10
34
19 11
33 20
19 8
8
0 Cannabis
Xtc
Poes/miauw
Lachgas
Cocaïne
Ketamine
Figuur 7.2: ooit-gebruik van drugs, uitgesplitst naar leeftijd
22
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
23
7.2 Intentie tot gebruik van middelen De gedragsintentie is de mate waarin iemand van plan is om een gedrag uit te voeren. De intentie tot een bepaald gedrag is de sterkste voorspeller van het gedrag, maar geen garantie voor het gedrag (Brug, van Assema, & Lechner, 2017).
"Er is een stijging te zien in het gebruik van designer drugs" In tabel 7.2 wordt een vergelijking gemaakt tussen het ooit-gebruik van verschillende middelen in de monitors van 2021 en 2024. Het ooit gebruik van de meeste drugssoorten is gelijk gebleven. Het ooit-gebruik van lachgas, amfetamine, 2C-B en GHB is afgenomen ten opzichte van 2021. Daarentegen is een stijging te zien in het gebruik van designer drugs. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat poes/miauw in 2024 apart is uitgevraagd, terwijl dit middel in 2021 nog onder de bredere categorie ‘designer drugs’ viel. Voor de vergelijking zijn de cijfers voor poes/miauw en designer drugs in 2024 daarom samengevoegd.
De intentie om komend jaar drugs te gaan gebruiken hangt sterk samen met het ooit gebruiken van enige drug. Twee derde van de jongvolwassenen die ooit drugs hebben gebruikt, heeft de intentie om komend jaar drugs te gaan gebruiken. Het is met name interessant om te gaan kijken naar de groep die nooit drugs gebruikt heeft, slechts 2% van deze groep heeft de intentie om drugs te gaan gebruiken. Een overzicht van de intenties uitgesplitst naar ooit gebruik vind je in tabel 7.3.
2024 %
Heeft nooit Heeft ooit drugs gebruikt drugs gebruikt % % Cannabis Xtc
Heeft ooit drugs gebruikt:
2
44
0,5
45
Cannabis
61
59
Poes/miauw
0
2
Xtc
39
39
Lachgas
0,1
3
Lachgas
34
23
Cocaïne
0,1
12
Cocaïne
23
22
Ketamine
0
17
Ketamine
22
21
Paddo’s
0,3
17
Paddo’s
21
19
Amfetamine
0
8
Amfetamine
18
15
2C-B
0
9
2C-B
17
14
0
4
Geneesmiddelen (niet-medisch gebruik)
12
12
Geneesmiddelen (niet-medisch gebruik)
LSD
6
6
0,3
6
Designer drugs (inclusief poes/miauw)
18
31
Overige designer drugs
0
2
GHB
6
3
GHB
0,1
0,8
Heroïne of andere opiaten
1
2
LSD
Tussen 2021 en 2024 (tabel 7.4) zijn verschuivingen zichtbaar in de intentie van jongvolwassenen om het komende jaar drugs te gebruiken. Voor de meeste middelen is een daling in gebruiksintentie waarneembaar, waarbij de afname het meest opvalt voor lachgas, cocaïne, paddo’s, 2C-B en LSD.
24
Voor de overige middelen zijn de percentages tussen beide meetmomenten relatief stabiel.
Tabel 7.4: intentie tot gebruik, vergelijking 2021 en 2024 2021 %
2024 %
Cannabis
31
27
Xtc
31
27
Lachgas
5
2
Cocaïne
11
7
Ketamine
12
10
Paddo’s
14
10
Amfetamine
7
5
2C-B
10
5
Geneesmiddelen (niet-medisch gebruik)
3
2
LSD
6
3
Designer drugs (inclusief poes/miauw)
10
18
GHB
1
0,6
0,4
0,3
Tabel 7.3: intentie tot gebruik, uitgesplitst naar ooit-gebruik.
Tabel 7.2: ooit-gebruik van drugs, vergelijking 2021 en 2024 2021 %
Tegelijkertijd is er sprake van een sterke toename in de intentie om designer drugs (inclusief poes/miauw) te gebruiken. Waar in 2021 nog 10% van de jongvolwassenen aangaf het komende jaar dit type middelen te willen gebruiken, is dit in 2024 gestegen naar 18%. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat poes/miauw in 2024 apart is uitgevraagd, terwijl dit middel in 2021 nog onder de bredere categorie ‘designer drugs’ viel. Voor een juiste vergelijking zijn de cijfers voor poes/miauw en designer drugs in 2024 daarom samengevoegd.
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
Heroïne
7.3 Startleeftijd Het gebruik van middelen is nooit zonder risico, maar het gebruik op jonge leeftijd brengt extra risico’s met zich mee. Zo kan alcohol- en drugsgebruik negatieve effecten hebben op de hersenen die nog in ontwikkeling zijn tot het 24e levensjaar (Squeglia, Jacobus, & Tapert, 2009). Ook zijn de effecten van deze middelen bij een jong persoon sterker dan bij een volwassene, doordat een jong persoon een lager lichaamsgewicht en minder lichaamsvocht en bloed heeft (Windle & Zucker, 2010). De concentraties van drugs of alcohol in het bloed zijn daardoor groter bij een gelijke dosis. Daarnaast vergroot gebruik op jonge leeftijd de kans op probleemgebruik later in het leven (Hingson, Heeren, & Winter, 2006).
RESULTATEN SKIP MONITOR 2024
In de huidige meting is onderzocht op welke leeftijd jongvolwassenen zijn gestart met het gebruik van de door hen gebruikte drugs. In 2021 is dit niet uitgevraagd. Tabel 7.6 laat zien dat de gemiddelde startleeftijd verschilt per middel, waarbij duidelijk een opbouw in leeftijd te zien is tussen de eerste kennismaking met gangbare middelen als alcohol en tabak, en het latere gebruik van zwaardere of minder gangbare drugs. Jongvolwassenen starten gemiddeld het vroegst met alcohol, namelijk op 15,1 jaar, gevolgd door tabak (16,2 jaar) en cannabis (16,9 jaar). Lachgas wordt gemiddeld iets later voor het eerst gebruikt, op 17,9 jaar. De gemiddelde startleeftijd van vapen in de monitor is 18,4 jaar. Hierbij is het belangrijk om te realiseren dat vapen pas sinds enkele jaren populair is geworden. Hierdoor is de gemeten startleeftijd mogelijk vertekend: het is aannemelijk dat de daadwerkelijke gemiddelde startleeftijd van vapen in werkelijkheid lager ligt. Uit het Peilstationsonderzoek blijkt dat 36% van de scholieren van 12 tot en met 15 jaar in 2023 aangaf ooit een vape te hebben gebruikt (Rombouts, Morren, Dorsselaer, Tuithof, & Monshouwer, 2023). Daarna volgen middelen als xtc (19,0 jaar), paddo’s (19,4 jaar), amfetamine en LSD (beide 19,6 jaar), en cocaïne (19,8 jaar).
De middelen poes/miauw, overige designer drugs, ketamine, 2C-B en GHB worden gemiddeld rond het 20ste jaar voor het eerst gebruikt. Opvallend is dat heroïne of andere opiaten, ondanks de zwaarte van het middel, gemiddeld op 17,8 jaar voor het eerst worden gebruikt — een relatief vroege leeftijd in vergelijking met andere zware middelen. Personen ouder dan 27 jaar zijn niet geïncludeerd in de huidige monitor. Hierdoor is de gemiddelde startleeftijd voor de meeste middelen lager dan op bevolkingsniveau verondersteld mag worden, omdat personen die na deze leeftijd starten met een middel niet zijn meegenomen.
25
Tabel 7.5: gemiddelde startleeftijd, voor de groep die het middel ooit heeft gebruikt. Gemiddelde startleeftijd (in jaren)
en 9%. Voor xtc ligt het percentage recent gebruik op 11%, terwijl slechts 3% het middel regelmatig gebruikt. Andere middelen, zoals cocaïne en ketamine, worden door een kleiner deel van de jongvolwassenen gebruikt. Het gebruik van lachgas komt slechts sporadisch voor, zowel recent als op regelmatige basis. Tabel 8.1 toont een overzicht van het percentage jongvolwassenen dat recent en/of regelmatig verschillende drugs heeft gebruikt, uitgesplitst per wervingsmethode.
Tabel 8.1: recent en regelmatig gebruik, totale groep jongvolwassenen Wervingsmethode
8
38
19
25
2
19
6
11
Poes/miauw
4
22
9
13
Lachgas
0,2
1
0,7
0,7
Cocaïne
0.8
6
3
4
Ketamine
1
9
4
6
5
31
14
20
0,5
5
4
3
Poes/miauw
3
14
5
9
Lachgas
0,1
0,3
0,1
0,2
16,2
Vapen (n = 6606)
18,4
Cannabis (n = 5267)
16,9
Xtc (n = 2859)
19,0
Poes/miauw (n = 2198)
20,2
Lachgas (n = 1804)
17,9
Cocaïne (n = 1465)
19,8
Ketamine (n = 1391)
20,0
Paddo’s (n = 1121)
19,4
Amfetamine (n =993)
19,6
2C-B (n = 875)
20,0
Geneesmiddelen (niet-medisch gebruik) (n = 735)
18,7
LSD (n = 358)
19,6
Overige designer drugs (n = 355)
20,1
GHB (n = 187)
20,0
35
Heroïne (n = 101)
17,8
30
Regelmatig gebruik Cannabis Xtc
Cocaïne
0,3
2
2
1
Ketamine
0,4
4
0,9
3
*referentiecategorie
32 24
25
8.1 Recent en regelmatig gebruik Cannabis is het meest gebruikte middel: 25% van de jongvolwassenen heeft dit recent gebruikt, en 20% gebruikt het regelmatig. Poes/miauw volgt met respectievelijk 13% 26
Totaal %
Xtc
Roken (n = 6409)
Binnen de dimensie ‘recent en regelmatig gebruik’ is onderzocht in welke mate er sprake is van drugsgebruik op regelmatige basis en in hoeverre dit gebruik is veranderd in de loop der tijd. Recent gebruik is gemeten aan de hand van het gebruik in de afgelopen maand en voor regelmatig gebruik wordt gekeken naar maandelijks gebruik. Daarnaast wordt ook gekeken naar het laatste jaar gebruik en de frequente van (laatste jaar) gebruik. Verder wordt gekeken naar de setting waarin het gebruik plaatsvindt, om zo meer inzicht te krijgen in de context waarin het middelengebruik zich afspeelt.
Via andere (lokale) netwerken %
Cannabis
15,1
Recent en regelmatig gebruik
Via Social Media %
Recent gebruik
Alcohol (n = 11511)
8. Dimensie 3
Via brief* %
Het recent gebruik van enkele middelen verschilt duidelijk naar gender (figuur 8.1) en leeftijd (figuur 8.2). Zo gebruikten mannen het vaakst cannabis in de laatste maand, gevolgd door jongvolwassenen die zich identificeren als ‘anders’ en vervolgens vrouwen. Ook cocaïne en ketamine werden de laatste maand vaker gebruikt door mannen dan door vrouwen. Ketamine werd naar verhouding het vaakst maandelijks gebruikt door jongvolwassenen die zich als ‘anders’ identificeren. Wat betreft leeftijd is recent gebruik van cannabis het hoogst onder 16- en 17-jarigen en neemt het gebruik af naarmate de leeftijd toeneemt. Voor xtc geldt juist het omgekeerde: het recent gebruik stijgt met de leeftijd. Ook bij poes/miauw is een duidelijk verschil zichtbaar: 6% van de 16- en 17-jarigen heeft dit middel gebruikt de laatste maand, tegenover 15% in de oudere leeftijds categorieën. Voor lachgas is het recent gebruik in alle leeftijdsgroepen vergelijkbaar. Ketamine en cocaïne zijn de laatste maand het meest gebruikt door jongvolwassenen van 23 t/m 27 jaar. RESULTATEN SKIP MONITOR 2024