BP.TOE.Kloosterkwartier Veghel.2021-03-08.pdf
Tekst van het document
Rode draad in de structuurvisie is de ontwikkelingsgerichte benadering. Dit komt enerzijds tot uiting doordat de provincie haar doelen wil bereiken door zelf actief aan de slag te gaan met provinciale gebiedsontwikkeling. Anderzijds biedt de provincie ruimte aan ontwikkelingen als deze bijdragen aan een versterking van Brabant en van de ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteiten binnen de provincie Noord-Brabant zijn sturend bij de te maken ruimtelijke keuzes. Het plangebied is gelegen in binnen het 'stedelijk concentratiegebied'. Voor deze gebieden geldt: 1. Concentratie van verstedelijking; 2. Inspelen op demografische ontwikkelingen; 3. Zorgvuldig ruimtegebruik; 4. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;
42
5. Betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; 6. Versterking van de economische clusters. Toetsing Met het plan is sprake van transformatie van vrijkomend vastgoed en inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een behoefte aan woningbouw binnen de gemeente Meierijstad en de kern Veghel in het bijzonder. Door de voorgenomen ingrepen wordt het huidige gesloten karakter van het gebied geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het plangebied en de cultuurhistorische waarde ervan wordt daardoor beter beleefbaar gemaakt. Het bestemmingsplan is in lijn met de uitgangspunten van de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Interim Omgevingsverordening In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2022 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening.
De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze. Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. De Interim omgevingsverordening bestaat uit rechtstreeks werkende regels voor activiteiten, regels inzake faunabeheer en vaarwegbeheer en instructieregels voor gemeenten, waterschappen en de provincie zelf. Voor het plan zijn de onderwerpen 'Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies' (paragraaf 3.1.2), 'Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit' (afdeling 3.5) en 'Normering wateroverlast (paragraaf 4.1.2) van belang. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c.
meerwaardecreatie.
43
Zorgvuldig ruimtegebruik Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing2, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van overige bepalingen in de omgevingsverordening; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in de omgevingsverordening is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking; c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit Duurzame stedelijke ontwikkeling Het plangebied is op basis van de kaart van de omgevingsverordening aangemerkt als 'Stedelijk gebied'. Om die reden is artikel 3.42 van toepassing. In dit artikel is aangegeven dat een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen is in 'Stedelijk gebied' en dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen een onderbouwing bevat dat: a.
de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken voor deze functies; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
44
a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Normering wateroverlast Voor het aspect wateroverlast geldt het voor het plangebied een norm voor een 'Stedelijk gebied'. De norm betreft een inspanningsverplichting voor het Waterschap. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. Toetsing Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. De herontwikkeling ziet toe op functieverandering van een deel van de bestaande leegstaande dan wel vrijkomende bebouwing. De nieuwe te realiseren bebouwing vindt plaats binnen een bestaande bouwvlak.
De bebouwing ter plaatse van het Buitenbosje vindt plaats op een locatie, waar in het verleden ook bebouwing aanwezig is geweest. Uit de uitgevoerde toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat er in kwantitatieve en kwalitatieve zin een grote behoefte is aan de woningen (zie paragraaf 3.2.2). Het bestemmingsplan heeft onder meer tot doel om het plangebied te herontwikkelen tot een veilig en gezond woon-, zorg-, werk-, leer- en leefgebied. Met de ontwikkeling volgens het Leefgoed concept wordt een moderne en door de gebruikers gedragen woon- en leefomgeving gerealiseerd waar zorg, werk, leren en ontmoeten samenkomen. Eén van de andere doelen van het bestemmingsplan is om de bestaande cultuurhistorische waarden van de bebouwing en de tuin duurzaam voor de toekomst te behouden. Dit wordt onder meer gedaan door een toekomstbestendige en flexibele bestemming aan de bebouwing te geven. De realisatie van de nieuwe bebouwing zorgt voor een economische drager voor het behoud van de (monumentale) bebouwing en de tuin. De nieuwe gebouwen worden hydrologisch neutraal ontwikkeld. Dit betekent dat de nieuwe gebouwen afgekoppeld. Ook de nieuwe verhardingen in de openbare ruimte worden afgekoppeld. Het initiatief is in overeenstemming met de regels uit de provinciale verordening. Brabantse Agenda Wonen 2017 De provinciale Brabantse Agenda Wonen, d.d.
september 2017, is een agenda op hoofdlijnen en stippelt een koers uit voor (verdere) regionale samenwerking en vernieuwing van de woningbouwafspraken. De versnelling van de woningbouwproductie, vernieuwing en verduurzaming van de bestaande
45
woningvoorraad en het ombouwen van leegstaand vastgoed naar woningen zijn daarbij belangrijke doelstellingen. Vanuit deze ambitie is het van provinciaal belang dat regionale woningmarkten goed functioneren en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Brabant. Vanuit deze insteek markeert en agendeert de Brabantse Agenda Wonen een aantal belangrijke opgaven voor de woningmarkt en nodigt ze gemeenten en andere bij het bouwen en wonen betrokken partijen uit om samen met de provincie een impuls te geven aan de (verdere) versterking en vernieuwing van de regionale samenwerking. Ten behoeve van de verwezenlijking van het Brabantse woonbeleid wordt een viertal actielijnen geformuleerd en een zestal richtinggevende principes. Deze actielijnen betreffen: Accent op duurzame verstedelijking; Meer nadruk op bestaande woningmarkt; Inzetten op vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen; Versterken van regionale samenwerking en vernieuwen regionale woningbouwafspraken. Toetsing Met de herontwikkeling van het Kloostercomplex is sprake van een binnenstedelijke transformatie opgave waarbij leegstaand vastgoed wordt herbestemd voor wonen, zorg en maatschappelijke functies. Met het concept Leefgoed ontstaat in het hart van Veghel een uniek woonmilieu dat voorziet in nieuwe woonvormen.
Het plan is in overeenstemming met de Brabantse Agenda Wonen. Wonen in regionaal perspectief 2018 De Brabantse Agenda Wonen beschrijft dat een sterke regionale woningmarkt belangrijk is om een aantrekkelijke regio te blijven, zowel op gebied van wonen als in economisch opzicht. In de regionale notitie 'Wonen in Regionaal Perspectief', november 2018 is de regionale woningmarkt voor Noordoost Brabant West verkend. Inwoners verhuizen binnen deze regio, en in de Brabantse Agenda Wonen spreekt de provincie over een regionale woningmarkt. De regio Noordoost Brabant West heeft op het gebied van wonen nog geen intensieve traditie van regionaal samenwerken. Uitzondering daarop is de subregio Land van Cuijk, waar de gemeenten intensiever samenwerken en al een eigen sub-regionaal perspectief op wonen hebben gevormd. In de rest van de regio wordt ad-hoc op basis van concrete vraagstukken of onderwerpen tussen gemeenten afgestemd en informeel contact gezocht. De subregio 's-Hertogenbosch e.o. en de subregio As50 (waar de gemeente Meierijstad toe behoort) hebben sinds een paar jaar ieder een eigen informeel Regionaal Portefeuillehouders overleg Wonen (Poho Wonen). Deze Poho's werden, afhankelijk van de actualiteit, 2-6 keer per jaar gehouden. Om de samenwerking te versterken wordt gewerkt aan een gezamenlijk beeld van de regionale woningmarkt op basis van een gezamenlijke analyse.
Op grond van deze regionale woningmarktmonitor (bestaand) en de matrices (bestaand). Dit gezamenlijk beeld wordt gevormd door het samenvoegen van cijfers (o.a. van de bestaande sociale- en middeldure huursector, verhuisbewegingen, en de woningbouwplannen) en kennis die er is per gemeente. Er is gekozen om regionaal, in eerste instantie, op vier thema's te focussen. Deze thema's zijn relevant voor alle gemeenten uit de (sub)regio, en sluiten aan bij de vier actielijnen en zes richtinggevende
46
principes uit de Brabantse Agenda Wonen. De thema's zijn: Sociale huursector; Middeldure huursector; Transformatie leegstaand vastgoed; Energietransitie. Toetsing De beoogde herontwikkeling van het kloostercomplex betreft de transformatie van leegstaand vastgoed enerzijds, maar voorziet ook vooral in een uniek woonprogramma met een goede mix van sociale- als middeldure huurwoningen. Met de herbestemming en verduurzaming van de bestaande kloostergebouwen wordt een bijdrage geleverd aan een verlaagd energieverbruik. Het bestemmingsplan is in lijn met de regionale notitie 'Wonen in Regionaal Perspectief'. 3.2.4
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Veghel 2030: Menu voor de toekomst Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. Veghel doet dat voor de periode tot 2030 voor het gehele grondgebied van de gemeente. Veghel is een gemeente met twee gezichten. Rond de A50, de Zuid-Willemsvaart en de N279 is Veghel vooral een werkstad. Een werkstad die grootschalig is, onderdak biedt aan toonaangevende bedrijven en die (inter)nationaal meetelt. Het andere gezicht van Veghel is juist kleinschalig en dorps en wordt vooral gedragen door het landschap en de woongebieden binnen de gemeente. In die combinatie van kleinen grootschaligheid, van woondorpen en werkstad, daarin schuilt de grote kracht van Veghel. De structuurvisie kiest er heel nadrukkelijk voor om voort te bouwen op deze typisch Veghelse kwaliteiten. Dat betekent dat de inspanningen erop gericht moeten zijn om Veghel als ‘werkstad’ op de kaart te houden en als ‘woondorp(en)’ juist meer op de kaart te zetten.
47
Op de structuurvisiekaart is deelgebied Kloostercomplex aangeduid als 'Ontwikkelen centrum met twee polen: oostzijde Aa'. Deelgebied Kloostertuin en deelgebied Buitenbosje zijn aangemerkt als bestaand 'Bos, park en natuur'. Bij het beter op de kaart zetten van Veghel als woongemeente horen de volgende uitgangspunten: stedelijke voorzieningen concentreren; dagelijkse voorzieningen in de buurt; bouwen met dorpse kwaliteiten; investeren in openbaar vervoer, fiets en leefbaarheid; groenblauwe ruggengraat versterken; een gedifferentieerd buitengebied.
48
Om Veghel als werkstad op de kaart te houden worden in deze structuurvisie de volgende uitgangspunten gehanteerd: investeren in hoofdinfrastructuur; differentiatie van bedrijventerreinen. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de uitgangspunten voor stedelijke voorzieningen en woningbouw met dorpse kwaliteiten van belang. Stedelijke voorzieningen De kern Veghel heeft al van oudsher aan beide zijden van de Aa een centrale pool. In die polen kwam een spinnenweb van wegen vanuit het achterland samen met een centrale as die over de Aa voerde. Na het graven van de Zuid-Willemsvaart en de insteekhaven (1822/1826) ontwikkelde rond de westelijke pool het agrarisch industriële complex dat van Veghel zo’n vooraanstaande ‘Foodstad’ heeft gemaakt. De gebouwen zijn hier soms zeer grootschalig en de uitstraling is stedelijk. Aan de oostzijde leveren kerk, winkels, supermarkten en horeca nog steeds een veel kleinschaliger dorps beeld. Beide polen van het centrum zijn dus op verschillende manieren beeldbepalend en moeten zowel ruimtelijk als functioneel complementair aan elkaar worden ontwikkeld. De opgave voor de oostelijke centrumpool is vooral een kwalitatieve. Het programma ligt met winkels, supermarkten, wonen en horeca min of meer vast en de opgave richt zich met name op verbetering van het verblijfsklimaat.
De opgave voor de westelijke pool is exact omgekeerd en ligt met name in het benutten van de vrijkomende ruimte op de Noordkade voor het realiseren van een programma dat past bij de schaal en dynamiek van deze plek. Daarbij wordt gedacht aan bedrijvigheid, op bedrijvigheid gericht onderwijs, cultuur en vermaak. In het Masterplan voor het CHV-terrein is de keuze gemaakt dat een cluster van kunst, cultuur en food hier deel van uitmaakt. De Hoogstraat vormt de verbinding tussen de beide polen, zonder daarmee de intentie te hebben één samenhangend centrumgebied te creëren. Het draagvlak voor met name niet dagelijkse winkelvoorzieningen staat onder druk. De verwachting is dat het aantal vierkante meters winkelvloeroppervlak de komende jaren verder af zal nemen. Stedelijke voorzieningen worden daarom zo veel mogelijk geclusterd op een beperkt aantal plekken, met een herkenbaar profiel. Binnen het Veghelse centrumgebied wordt ingezet op de ontwikkeling van een centrum met twee polen. Ten oosten van de Aa is ruimte voor winkelen, een markt, supermarkten, horeca en cultuur in een kleinschalige setting. Ten westen van de Aa, rond het Heilig Hartplein en de Noordkade, is ruimte voor de ontwikkeling van een nieuwe centrumpool, die in tegenstelling tot de bestaande centrumpool rond de Markt juist plaats kan bieden aan grootschalige, of geclusterde centrumvoorzieningen.
Woningbouw met dorpse kwaliteiten Veghel wil zich blijven richten op het versterken van de dorpse woonkwaliteiten. Dat betekent niet dat er vanaf nu alleen nog maar vrijstaande woningen op ruime kavels kunnen worden gebouwd. ‘Dorps’ is zonder meer te vertalen naar gevarieerde woonmilieus, die aansluiten op de veranderende woonwensen van een snel vergrijzende en ontgroenende bevolking. De bijbehorende woningbouwstrategie moet zich richten op het creëren van een goed verblijfsklimaat, een gevarieerde woningbouw en een zo evenwichtig mogelijke sociale structuur in wijken en dorpen. Daarbij hoort ook het - waar mogelijk - ontwikkelen van woonservicezones in alle kernen. Dorpse woonmilieus hebben wél een aantal zaken gemeen. Of er nu sprake is van gestapelde of
49
grondgebonden bouw, de setting is altijd groen en kleinschalig en de dichtheden zijn relatief laag. Dat geldt zowel voor grondgebonden als gestapelde woningen en zowel voor inbreidings- als uitleglocaties. Bij gestapelde woningen is het belangrijk dat het aantal bouwlagen past in het beeld van het dorp en bij de directe omgeving van de locatie. De kerktoren moet in ieder geval het dorpsgezicht blijven domineren! Veel lopende plannen zijn de laatste jaren al teruggebracht naar een meer dorpse schaal en ook op toekomstige locaties liggen kansen om invulling te geven aan de veranderende woonvraag en de wens de groene en dorpse uitstraling van de kernen te versterken. Vraaggestuurd ontwikkelen Verschillende ontwikkelingen op de woningmarkt maken het noodzakelijk om meer en meer vraaggestuurd en te ontwikkelen. Uiteraard vormt de aanhoudende crisis op de woningmarkt een belangrijke drijfveer. Ontwikkeling van een woningbouwlocatie zal namelijk alleen plaatsvinden als de afzet gegarandeerd is. Maar ook zonder de invloed van de crisis biedt vraaggestuurd ontwikkelen grote kansen. Kansen bijvoorbeeld om in te kunnen spelen op de woonwensen van een veranderende bevolking. Kansen om levensloopbestendig te bouwen, of woonzorggebieden te ondersteunen. En kansen om in te kunnen spelen op de dalende bevolkingsomvang.
In aanvulling hierop zullen de mogelijkheden voor organische gebiedsontwikkeling en functiemenging binnen gemeentelijke grondexploitaties bezien worden. Vraaggestuurd ontwikkelen zal over het algemeen leiden tot meer diversiteit en kleinschaligheid en sluit daarmee naadloos aan op de wens om meer ‘dorps’ te bouwen. De volgende zaken hebben daarbij voorrang, waarbij kwaliteitswinst altijd een eerste vereiste is: het aanhelen van linten en/of het versterken van identiteitsbepalende ruimtelijke structuren; het versterken van de kwaliteiten van de dorpscentra; verbreding van het aanbod aan dorpse en landelijke woonmilieus. Kloostertuin Deelgebied Kloostertuin en deelgebied Buitenbosje zijn aangemerkt als bestaand 'Bos, park en natuur'. Hiervoor zijn in de structuurvisie geen specifieke uitgangspunten opgenomen. Wel wordt aangegeven dat de openbare toegankelijkheid van de kloostertuin een nog onbenutte kans is. Toetsing Het plan voorziet in de herontwikkeling van het kloostercomplex in het centrum van Veghel. Het bestemmingsplan heeft onder meer tot doel om het plangebied te herontwikkelen tot een veilig en gezond woon-, zorg-, werk-, leer- en leefgebied. Met de ontwikkeling volgens het Leefgoed concept wordt een moderne en door de gebruikers gedragen woon- en leefomgeving gerealiseerd waar zorg, werk, leren en ontmoeten samenkomen.
Eén van de andere doelen van het bestemmingsplan is om de bestaande cultuurhistorische waarden van de bebouwing en de tuin duurzaam voor de toekomst te behouden. Dit wordt onder meer gedaan door een toekomstbestendige en flexibele bestemming aan de bebouwing te geven. De realisatie van de nieuwe bebouwing zorgt voor een economische drager voor het behoud van de (monumentale) bebouwing en de tuin. Door de voorgenomen ingrepen wordt het huidige gesloten karakter van het gebied geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het plangebied en de cultuurhistorische waarde ervan wordt daardoor beter beleefbaar gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. Masterplan 2030 Veghel Centrum
50
Het Masterplan beschrijft de gewenste ontwikkeling van het centrumgebied van Veghel voor een periode tot 2030. Het Masterplan is in 2011 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel. Het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het Veghelse centrum vormt de belangrijkste ambitie van het Masterplan. De gewenste kwaliteitsslag van het centrum zal zich vooral toespitsen op verbetering en vergroening van de openbare ruimte en het toevoegen van aansprekende architectuur. Cultuurhistorische waarden zullen behouden moeten worden en waar mogelijk versterkt. De Deken van Miertstraat en de Meester van Coothstraat worden als een dragende structuurelementen gezien. Voor deze dragende structurelementen zijn de volgende wensbeelden, verbeterpunten en strategieën geformuleerd.
51
Toetsing In het Masterplan 2030 Veghel Centrum wordt onder meer ingegaan op de bestaande kwaliteiten van de kloostertuin, het ensemble kerk en klooster, het benutten van de bestaande structuren van het aanwezige groen, het toevoegen van wonen en de mogelijke koppeling met zorg. Het opwaarderen van de Franciscanessenlaan tot een hoogwaardig groen aangeklede belevingsstraat zal de route en de koppeling naar het kloosterpark sterk verbeteren. De nieuw te realiseren bebouwing aan de Deken van Miertstraat wordt niet hoger dan vijf bouwlagen. Een uitzondering hierop vormt gebouw E. Deze wordt zes bouwlagen hoog. Gebouw E heeft een markante positie tussen het Moederhuis en het hoekgebouw. Gebouw E moet een echt kop en poortgebouw worden en geeft toegang tot de kloostertuin via de nieuw aan te leggen hoven en paden. Gebouw E mag daarom met zijn hoogte de derde telg worden naast de kerk en de kapel. Door de sloop van het Zigzag-gebouw en de herbouw van gebouw E wordt de zijgevel van het Moederhuis volledig vrijgemaakt.
52
De planontwikkeling en het ontwerp van de openbare ruimte borduren voort op de kansen en verbindingen die genoemd zijn in het Masterplan 2030. Centrumvisie gemeente Meierijstad De centrumvisie Meierijstad is een gedragen visie waarin de drie grootste centra en de relatie tot elkaar naar voren komen. De visie zal moeten leiden tot compacte, vitale en kwalitatief complete en aantrekkelijke centra voor de inwoners en ondernemers. De centrumvisie vormt de kapstok voor het actualiseren van overige beleidsstukken (o.a. horecavisie en detailhandelsvisie). Veghel heeft een duidelijk hoofdcentrum voor het eigen verzorgingsgebied en functioneert solitair ten opzichte van de centra in Schijndel en Sint Oedenrode. Veghel Centrum sluit qua profilering aan bij het eigen verzorgingsgebied (leefstijlen) en het dorpse karakter (historie, ruimtelijke kwaliteit). Uit analyse blijkt dat het niet dagelijks winkelaanbod te groot is voor het lokale verzorgingsgebied. Naast het terugdringen van leegstand, ligt er een saneringsopgave om het winkelgebied fors te verkleinen. Ruimtelijk kenmerkt het centrum zich door een sterke westzijde met historische kwaliteit. Daarnaast zijn de historische en landschappelijke kwaliteiten (de Aa) weinig zichtbaar.
In het masterplan wordt aangegeven dat zowel de historische kloostergebouwen als de achterliggende kloostertuin een monumentale uitstraling hebben die momenteel echter niet beleefd wordt (of kan worden). Door de vele achtergevels aan het parkeerterrein en de naoorlogse toevoegingen aan het klooster gaat hier helaas enige ruimtelijke kwaliteit verloren. In het masterplan is als uitgangspunt geformuleerd dat het monumentale ensemble van kerk, klooster en achterliggende kloostertuin in de toekomst een nadrukkelijke positie krijgt als identiteitsdrager binnen het centrum. Toetsing Door de voorgenomen herontwikkeling wordt het huidige gesloten karakter van het kloostercomplex geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het plangebied wordt daardoor beter beleefbaar gemaakt. Door de sloop van het Zigzag-gebouw en de herbouw van gebouw E wordt de zijgevel van het Moederhuis volledig vrijgemaakt en het Moederhuis komt daardoor prominenter naar voren in het straatbeeld van de Deken van Miertstraat. Herstructurering centrum Veghel 2019 Naar aanleiding van de centrumvisie Meierijstad, is de visie voor het centrum van Veghel verder uitgewerkt. Een hoofdstructuur met als basis de Hoofdstraat van Markt tot Meijerijplein vormde daarbij het uitgangspunt.
In de visie Herstructurering centrum Veghel is aangegeven welke keuzes we maken en welke perspectieven er zijn voor deelgebieden die in de toekomst geen deel uitmaken van de centrumstructuur. Bij het opstellen van de visie zijn centrummanagement, ondernemers en vastgoedeigenaren nauw betrokken. Naast de visie is ook opgenomen wat de rollen van de gemeente zijn bij het realiseren van de ambities en welke acties en maatregelen daarvoor nodig zijn. Voor het kloostercomplex is aangegeven dat de wens bestaat om deze te herontwikkelen met een ambitie voor een groene verbinding met de kloostertuin en hergebruik van monumentale gebouwen.
53
Kaart huidig centrumgebied en overige ontwikkelingen Toetsing Door de voorgenomen herontwikkeling wordt het huidige gesloten karakter van het kloostercomplex geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het opwaarderen van de Franciscanessenlaan tot een hoogwaardig groen aangeklede belevingsstraat zal de route en de koppeling van het centrumgebied naar het kloosterpark sterk verbeteren. Horecavisie In december 2018 heeft de gemeenteraad de centrumvisie voor Meierijstad vastgesteld. Deze centrumvisie vormde de basis voor een horecavisie en breed en toekomstgericht integraal horecabeleid. De horecavisie geeft aan hoe we aankijken tegen onze horecavoorzieningen, waar en hoe de verschillende soorten horeca kunnen inspelen op behoeften en motieven van diverse bezoekersgroepen en hoe horeca kan bijdragen aan een aantrekkelijk woon- en leefklimaat, vitale centra en een aantrekkelijk buitengebied. De beleidskaders hebben we nodig bij de beoordeling van ontwikkelingen (vanuit een economisch perspectief) en ze scheppen duidelijkheid voor zowel ondernemers als inwoners. Horeca-categorieën in de bestemmingsplannen Het is wenselijk om in bestemmingsplannen onderscheid te kunnen maken tussen lichte en zware vormen van horeca. Een ontwikkeling die door het lichte karakter gewenst is, kan anders door bestemmingsplannen worden tegengehouden.
Door bij herziening van bestemmingsplannen categorieën aan te geven kan ruimte worden geboden waar dat kan en sturen waar dit wenselijk is. Navolgen is een overzicht van de verschillende horeca-categorieën weergegeven.
54
In principe is er binnen het gehele publieksgerichte centrumgebied in Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel ruimte voor (versterking van) horeca-activiteiten. Vermenging van horeca met bijvoorbeeld detailhandel of dienstverlening is hier mogelijk, mits passend binnen de Drank- en Horecawet. In de centrumvisie zijn tevens kansrijke verblijfs- en horecalocaties aangegeven waar bundeling of uitbreiding van horeca-activiteiten met name gewenst is ten behoeve van een aantrekkelijk en compleet dorpscentrum. Deze concentratiegebieden helpen daarnaast de overlast van het (uitgaans)publiek tot een kleiner gebied te beperken. In de overige centrumstraten is alleen een lichtere vorm van (dag)horeca gewenst. Toetsing In het plangebied wordt alleen horeca in de categorie 1a en 1b mogelijk gemaakt. Op basis van de horecavisie is lichte horeca in publieksgerichte gebieden altijd mogelijk. Woonvisie Meierijstad 2018 Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad van Meierijstad de woonvisie voor Meierijstad vastgesteld. Met de visie wil de gemeente richting geven aan het woonbeleid, waarbij er voldoende flexibiliteit moet
55
blijven bestaan om goed in te kunnen spelen op de veranderingen die de komende jaren komen. Om die reden worden ontwikkelingen jaarlijks gemonitord en waar nodig wordt het woonbeleid bijgesteld, hiervoor wordt de Woonagenda vastgesteld. De woonvisie is opgebouwd rondom de volgende vier thema's: de dynamiek van de woningmarkt: een continue afstemming van de vraag naar passende woningen en het aanbod (bestaand en nieuw) in relatie tot de behoefte op de langere termijn onder wisselende omstandigheden; Wonen, welzijn en zorg: de samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Toetsing Met de ontwikkeling wordt voorzien in een behoefte aan woningbouw binnen de gemeente Meierijstad en de kern Veghel in het bijzonder (zie hiervoor tevens Bijlage 4). Voor de ontwikkeling is het basisidee voor de toekomst van het klooster ontwikkeld, het concept Leefgoed.
Met het concept kan het gedachtengoed van de zusters worden voortgezet in een nieuwe, eigentijdse vorm. Die vorm is de realisatie van het maatschappelijk hart van Veghel, een moderne en door de gebruikers gedragen woonen leefomgeving waar zorg, werk, leren en ontmoeten samenkomen. De ontwikkeling sluit hiermee naadloos aan op de uitgangspunten van de woonvisie Meierijstad 2018.
3.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1, onder f dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een (ruimtelijk) besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3.2 Algemene Wet Bestuursrecht). Aanmeldnotitie Voorheen kon worden volstaan met de conclusie dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
56
Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 5 bijgevoegd. Op grond van de kenmerken van het plan en de ligging, kan het initiatief in potentie de volgende milieueffecten hebben: verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving; invloed op omliggende beschermde natuurgebieden. In de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op het gebied van luchtkwaliteit en omliggende beschermde natuurgebieden als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Daarnaast geldt dat op basis van de navolgende paragrafen van Hoofdstuk 3 kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatief effect veroorzaakt op het gebied van overige milieuaspecten. Besluitvorming Op 23 juni 2020 is ter voorbereiding van het bestemmingsplan de aanmeldingsnotitie in het kader van de herontwikkeling van het Kloosterkwartier ingediend. De aanmeldnotitie is getoetst aan de criteria van de Wet milieubeheer. Burgemeester en wethouders hebben op 20 oktober 2020 besloten dat voor het voorliggende project en locatie geen milieueffectrapportage behoeft te worden opgesteld, omdat beoordeeld is dat de voorgenomen activiteiten niet tot onevenredige nadelige milieugevolgen leiden.” Het 'Chw bestemmingsplan Kloosterkwartier Veghel' kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
3.4
Milieu
3.4.1
Bodem
Algemeen In het kader van een bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Toetsing Verkennend bodemonderzoek 2017 In oktober van 2017 is er door Bodeminzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd3. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bijgevoegd. In het onderzoek zijn over het algemeen zowel in de boven- als in de ondergrond gehaltes aan zware metalen aangetoond boven de achtergrondwaarden (lichte verontreinigingen). Daarnaast zijn plaatselijk gehaltes aan minerale olie, PCB en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden. In de bovengrond zijn lokaal verontreinigingen aangetroffen die aanleiding vormen voor nader onderzoek. Het gaat om een matige verontreiniging met PCB's ter plaatse van een boring aan de zuidzijde van het Moederhuis, een sterke verontreiniging met nikkel ten oosten van het oostelijke appartementengebouw en sterke verontreinigingen met zink ter plaatse van een pad aan de noordwestzijde van het buitenbosje en in het midden van het grasveld in de kloostertuin.
57
In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond met barium. Dit betreft naar alle waarschijnlijkheid regionaal verhoogde achtergrondconcentraties. Tijdens de veldwerkzaamheden is een grondmengmonster samengesteld van de baksteenhoudende bodem. In het mengmonster zijn analytisch geen asbestvezels aangetoond. Nader bodemonderzoek 2018 Vanwege de genoemde lokale verontreinigingen met PCB's, nikkel en zink is door Buro Ontwerp & Omgeving in november 2018 nader bodemonderzoek uitgevoerd4. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd. PCB verontreiniging Moederhuis De matige PCB verontreiniging aan de zuidzijde van het Moederhuis is in het nader onderzoek zowel in de omliggende boringen als in de onderliggende bodemlagen en ter plaatse van de oorspronkelijke boring niet aangetoond. In de omliggende bovengrond is lokaal ten hoogste sprake van een lichte verontreiniging met PCB. Gelet op de resultaten van onderhavig onderzoek is er naar alle waarschijnlijkheid sprake van een toevalstreffer en geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging. De eerder aangetoonde PCB verontreiniging is naar alle waarschijnlijkheid te relateren aan de bijmenging met baksteen. Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er bij een ongewijzigde situatie geen sprake is van een locatie die met spoed gesaneerd moet worden.
Sanering kan daarom plaatsvinden op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld bij grondroerende werkzaamheden). Nikkelverontreiniging oostelijk appartementengebouw Uit het nader onderzoek komt naar voren dat de sterke nikkelverontreiniging ten oosten van het oostelijke appartementengebouw zich beperkt tot de locatie van de oorspronkelijke boring waarin nikkel werd aangetroffen. Uitgaande van een oppervlakte van circa 12 m2 en een verontreinigingsdiepte van minimaal 1,0 m -mv is er sprake van minimaal 12 m3 aan sterk met nikkel verontreinigde grond. Echter, aangezien de verontreiniging verticaal niet is afgeperkt is het niet mogelijk een totaalvolume te bepalen waardoor het niet mogelijk is te beoordelen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Gelet op het aangetoonde nikkelgehalte in de ondergrond is de verwachting dat de sterke verontreiniging niet veel dieper aanwezig zal zijn dat 1,0 m -mv. Onbekend is wat de exacte oorzaak is van de nikkelverontreiniging. Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er met de bekende verontreinigingssituatie en bij het huidige gebruik geen sprake is van een verontreiniging die met spoed gesaneerd moet worden.
Zinkverontreiniging Buitenbosje In het nader onderzoek naar de zinkverontreiniging in deelgebied Buitenbosje is een sterke zinkverontreiniging onder, en direct langs het pad, in de overwegend baksteen-, puin- en kolengruishoudende bodem aangetoond in het bodemtraject tot gemiddeld 0,5 m -mv en lokaal tot maximaal 1,0 m -mv. Opvallend is dat de hoogst gemeten waarden zijn aangetoond aan de noordzijde van het pad. Het afperkend onderzoek is op verzoek stopgezet tot bekend is of en zo ja, waar grondroerende werkzaamheden plaats zullen gaan vinden. Hierdoor is de zinkverontreiniging richting het oosten zowel horizontaal als verticaal niet afgeperkt. Vermoedelijk bevindt de verontreiniging zich direct naast en onder de verharding en strekt zich uit richting het oosten tot aan een bruggetje. Hiervan uitgaande is er
58
sprake van een oppervlakte van circa 250 m2 sterk met zink verontreinigde grond. Uitgaande van een verontreinigingsdiepte van circa 0,5 m is daarmee sprake van sterke bodemverontreiniging met zink van circa 125 m3. De exacte oorzaak van de verontreinigingen is niet te duiden. Mogelijk is in het verleden, voordat de weg was voorzien van een klinkerverharding, aangevuld/geëgaliseerd met (baksteen)puin en kolengruis. Hierdoor wordt er vanuit gegaan dat er hoogstwaarschijnlijk sprake van een historische verontreiniging (ontstaan voor 1 januari 1987). Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er geen sprake is van onaanvaardbare humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Hiervan uitgaande, alsmede van de mate en het volume van de geconstateerde verontreinigingen (meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond), wordt gesteld het hier in het kader van de Wet bodembescherming een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, dat niet met spoed hoeft te worden gesaneerd. Zinkverontreiniging Kloostertuin De sterke zinkverontreiniging is in de omliggende boringen en in de onderliggende bodemlagen niet aangetoond. De sterke verontreiniging is met onderhavig onderzoek zowel in horizontale als verticale richting afgeperkt. Er is aan de zuidwestzijde van voorgaande boring ten hoogste sprake van een matige verontreiniging met zink.
Uitgaande aan een oppervlakte van circa 28 m2 en een diepte van 0,3 m -mv is er sprake van een bodemvolume van circa 8 m3 sterk met zink verontreinigde grond. Derhalve is er geen sprake van een geval van ernstige verontreiniging. De aangetoonde verontreiniging is naar alle waarschijnlijkheid te relateren aan de tijdens het voorgaande onderzoek aangetoonde bijmenging met kolengruis. Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er bij het huidige gebruik geen sprake is van een locatie die met spoed gesaneerd moet worden. Verkennend en nader bodemonderzoek Buitenbosje 2020 In juli 2020 is door Buro Ontwerp & Omgeving een verkennend bodemonderzoek en nader bodemonderzoek ter plaatse van deelgebied Buitenbosje uitgevoerd5. Het nader onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding de aangetroffen sterk verhoogde gehalten zink uit het onderzoek van 2018. Deze verontreiniging was in dat onderzoek nog niet volledig afgeperkt. De rapportage van beide onderzoeken is als Bijlage 8 bijgevoegd. Zowel op het maaiveld als in de bodem zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Tot een diepte varieerden van circa 0,5 m –mv tot 0,9 m -mv zijn een bijmengingen met diverse bodemvreemde materialen zoals baksteen, kolengruis en sintels waargenomen. Plaatselijk zijn in de grond licht tot sterk verhoogde gehaltes (hoofdzakelijk) zink, koper en lood gemeten.
In de ondergrond zijn gehaltes zink boven de achtergrondwaarde gemeten. Uit het verkennend en nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van deelgebied Buitenbosje drie vlekken met sterke verontreinigingen met lood, koper en/of zink aanwezig zijn. De vlekken bevinden zich op de noordelijke, westelijke en oostelijk grens van deelgebied Buitenbosje. In de sterk verontreinigde grond zijn geen gehaltes PFAS gemeten boven de achtergrondwaarde.
59
Op basis van de resultaten wordt geschat dat circa 680 m3 sterk verontreinigde grond aanwezig is binnen de onderzoekslocatie waardoor sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met koper, lood en zink. Op basis van de historie van het terrein wordt verwacht dat de verontreiniging ontstaan is voor 1987 en te maken heeft met de aangetroffen bijmengingen. Gezien vermoedelijke oorzaak van de verontreiniging en de situering van de verontreiniging welke middels licht en matige verhoogde gehalten met elkaar in verbinding staan, wordt er vanuit gegaan dat het één geval van bodemverontreiniging betreft. In het grondwater is een concentratie barium boven de streefwaarde gemeten. In de bovengrond is geen asbestverdacht materiaal in de fractie > 20 mm waargenomen. In de mengmonsters is in de fractie < 20 mm geen asbest geconstateerd. Vervolgstappen bodem PCB verontreiniging Moederhuis De matige PCB verontreiniging aan de zuidzijde van het Moederhuis is in het nader onderzoek zowel in de omliggende boringen als in de onderliggende bodemlagen en ter plaatse van de oorspronkelijke boring niet aangetoond. In de omliggende bovengrond is lokaal ten hoogste sprake van een lichte verontreiniging met PCB. Gelet op de resultaten van onderhavig onderzoek is er naar alle waarschijnlijkheid sprake van een toevalstreffer en geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging.
Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er bij een ongewijzigde situatie geen sprake is van een locatie die met spoed gesaneerd moet worden. Ter plaatse van de aantroffen matige PCB verontreiniging zijn vooralsnog geen bodemingrepen voorzien. Om die reden is er geen aanleiding om de spot met PCB verontreiniging te saneren. Nikkelverontreiniging ten oosten van oostelijk appartementengebouw De verontreinigingscontour van de nikkelverontreiniging is weergegeven op navolgende afbeelding. De nikkelverontreiniging is nog niet verticaal afgeperkt. Daarom is het totaalvolume aan verontreiniging nog niet bekend. Om die reden zal de verontreiniging door middel van nader onderzoek verticaal worden afgeperkt. Gelet op het aangetoonde nikkelgehalte in de ondergrond is echter de verwachting dat de sterke verontreiniging niet veel dieper aanwezig zal zijn dat 1,0 m -mv en daardoor een omvang hebben van 12 m3. Daarmee zou geen sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er met de bekende verontreinigingssituatie en bij het huidige gebruik geen sprake is van een verontreiniging die met spoed gesaneerd moet worden. Gezien het voorgaande vormt de nikkelverontreiniging geen belemmering voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.
60
Verontreinigingscontour nikkel ten oosten van oostelijk appartementengebouw Zinkverontreiniging Kloostertuin De verontreinigingscontour van de zinkverontreiniging is weergegeven op navolgende afbeelding. Er is sprake van een bodemvolume van circa 8 m3 sterk met zink verontreinigde grond. Derhalve is er geen sprake van een geval van ernstige verontreiniging. Uit een indicatieve bepaling van de spoedeisendheid is gebleken dat er bij het huidige gebruik geen sprake is van een locatie die met spoed gesaneerd moet worden. In de Kloostertuin zijn geen ontwikkelingen voorzien. Om die reden is er geen aanleiding om de spot met zinkverontreiniging te saneren.
61
Verontreinigingscontour zink Kloostertuin Sterke verontreiniging zink, koper en lood Buitenbosje Het volume sterk verontreinigde grond ter plaatse van de deelgebied Buitenbosje bedraagt circa 680 m3. De verontreinigingscontouren zijn weergegeven op navolgende afbeelding. Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging, welke op basis van de huidige inrichting (groen met natuurwaarde) en toekomstige inrichting (wonen zonder tuin) niet spoedeisend is. De verontreiniging zal op een natuurlijk moment, zoals de realisatie van de appartementengebouwen, gesaneerd moeten worden.
62
Verontreinigingscontouren zink, koper en lood Buitenbosje Sanering kan uitgevoerd worden door het ontgraven en afvoeren van de verontreinigde grond, door het afdekken van de verontreinigde grond (middels een leeflaag of duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) of een combinatie hiervan. Vanwege het feit dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging is de Provincie Noord-Brabant bevoegd gezag. Gezien de voorgenomen ontwikkeling van het perceel zal het noodzakelijk zijn de bodem voorafgaand aan de ontwikkeling te saneren om deze geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Hiervoor wordt een BUS-melding verricht. Conclusie
63
De aangetroffen verontreiniging sterke verontreiniging met zink, koper en lood in deelgebied Buitenbosje zal worden gesaneerd. Hiervoor zal een BUS-melding worden gedaan bij de provincie. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de kosten voor de sanering kan worden geconcludeerd dat de saneringskosten de uitvoering van het plan niet belemmeren. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.4.2
Geluid
Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting. Toetsing Voor het initiatief is door Buro Ontwerp & Omgeving in juli 2020 een akoestisch onderzoek uitgevoerd6. Het onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich alleen wegen. Spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen zijn nabij de locatie niet aanwezig. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidhinder afkomstig van de Stationsstraat en de omliggende 30 km-wegen (Deken van Miertstraat en De Hermey). Stationsstraat De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Stationsstraat bedraagt 43 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Omliggende 30 km-wegen (Deken van Miertstraat en De Hermey) De omliggende 30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone.
Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de omliggende 30 km-wegen bedraagt 61 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden, echter de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel. Cumulatieve geluidsbelastingen De cumulatieve geluidsbelasting is van belang voor de berekening van de vereiste gevelisolatie. Volgens
64
het Bouwbesluit 2012 moet een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij nieuwbouw bij wegverkeerslawaai worden gegarandeerd. Voor transformatie kan worden aangesloten bij de binnenwaarde van 41 dB, welk gaat gelden in de nieuwe Omgevingswet. De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering per gevel zijn weergegeven in de navolgende tabel.
De hoogste cumulatieve geluidsbelasting (LCUM,plus) bedraagt 61 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De optredende cumulatieve geluidsbelasting is hiermee lager dan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh, daarmee zijn de optredende geluidsbelastingen op basis van de Wgh acceptabel. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Voor het nieuwe gebouw E, het Moederhuis en het Internaatgebouw is bij de verdere uitwerking van het plan aandacht nodig voor de benodigde gevelwering. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 3.4.3
Milieuzonering
Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met
65
matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en het buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van het gebiedstype 'rustig woongebied'. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. Toetsing In en in de omgeving van het plangebied is sprake van een menging van woon-, detailhandel-, maatschappelijke, en centrumfuncties. Om die reden maakt het plangebied deel uit van een 'gemengd gebied'. Deelgebied Kloostercomplex Hinderveroorzakende functies in het deelgebied De toekomstige maatschappelijke functies in het deelgebied kunnen worden aangemerkt als hinderveroorzakende functies. Het gaat om functies zoals kantoorruimte voor maatschappelijke organisaties, kinderopvang, ontmoetingsplekken, zorgverlening. Deze functies zijn op basis van het geldende bestemmingsplan reeds mogelijk. Een horecavoorziening ter plaatse van het Ontmoetingsgebouw is op basis van het geldende bestemmingsplan nog niet mogelijk. Het bestemmingsplan laat horecafuncties toe in de categorie 1a en 1b, lichte horeca. Voor deze functie geldt op basis van de VNG-brochure een richtafstand van 10 m. Omdat sprake is van een gemengd gebied, kan de richtafstand met één stap worden verminderd tot 0 m. De afstand tussen de horecavoorziening en omliggende hindergevoelige functies is daarmee voldoende groot.
Hindergevoelige functies in het deelgebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het deelgebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in en in de omgeving van het deelgebied. In de toekomstige situatie biedt het deelgebied ruimte aan reguliere woningen en zorgwoningen. Deze functies worden aangemerkt als hindergevoelige functies. Zorgwoningen zijn op basis van het geldende bestemmingsplan reeds toegestaan in het deelgebied. Zoals eerder aangegeven wordt het deelgebied en haar omgeving kenmerkt door een menging van verschillende functies. Het gaat hierbij om woon-, detailhandel-, maatschappelijke, en centrumfuncties. De hinderveroorzakende functies vallen op basis van de VNG-brochure in de categorieën 1 en 2. De grootste richtafstand voor deze categorieën bedraagt 10 m (op basis van een gemengd gebied). Het plangebied wordt herontwikkeld volgens het Leefgoed concept. Het plangebied wordt daarmee een nieuw maatschappelijk centrum waar de functies wonen, zorg, leven en werken samenkomen. Er wordt daarmee bewust functiemenging nagestreefd. De verschillende functies in het deelgebied zelf zijn goed verenigbaar met elkaar. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. De dichtstbijzijnde hinderveroorzakende functie buiten het deelgebied betreft de Sint Lambertuskerk met bijbehorende begraafplaats.
De afstand tot het deelgebied (Gasthuisvleugels) bedraagt 5 m. Aangezien de Sint Lambertuskerk qua functie en bebouwing passend bij de bebouwing en functies in het deelgebied wordt geacht en in de bestaande situatie reeds sprake is van een woonfunctie in de Gasthuisvleugels) wordt deze afstand acceptabel geacht.
66
Schaduwwerking Ten behoeve van de ontwikkeling is een schaduwstudie uitgevoerd om te bezien welke schaduwwerking op de omliggende omgeving ptreedt als gevolg van deze ontwikkeling. De schaduwstudie is als Bijlage 10 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Deelgebied Buitenbosje Hinderveroorzakende functies in het deelgebied De toekomstige (mogelijke) maatschappelijke functies in het deelgebied kunnen worden aangemerkt als hinderveroorzakende functies. Het gaat om functies zoals kantoorruimte voor maatschappelijke organisaties, kinderopvang, ontmoetingsplekken, zorgverlening. Deze hinderveroorzakende functies vallen op basis van de VNG-brochure in de categorieën 1 en 2. De grootste richtafstand voor deze categorieën bedraagt 10 m (op basis van een gemengd gebied). In de omgeving van het deelgebied zijn hindergevoelige functies aanwezig in de vorm van het appartementengebouw aan de Meester van Coothstraat, ten westen van het deelgebied. De afstand tussen het appartementengebouw en de nieuwe bebouwing in het deelgebied bedraagt 14 m. De afstand tussen beide functies is daarmee voldoende groot. Hindergevoelige functies in het deelgebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het deelgebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in en in de omgeving van het deelgebied.
In de toekomstige situatie biedt het deelgebied ruimte aan reguliere woningen en zorgwoningen. Deze functies worden aangemerkt als hindergevoelige functies. Zoals eerder aangegeven wordt het deelgebied en haar omgeving kenmerkt door een menging van verschillende functies. Voor deelgebied Buitenbosje gaat het voornamelijk om woon- en maatschappelijke functies. De hinderveroorzakende functies vallen op basis van de VNG-brochure in de categorieën 1 en 2. De grootste richtafstand voor deze categorieën bedraagt 10 m (op basis van een gemengd gebied). Het plangebied wordt herontwikkeld volgens het Leefgoed concept. Het plangebied wordt daarmee een nieuw maatschappelijk centrum waar de functies wonen, zorg, leven en werken samenkomen. Er wordt daarmee bewust functiemenging nagestreefd. De verschillende functies in het deelgebied zelf zijn goed verenigbaar met elkaar. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. De dichtstbijzijnde hinderveroorzakende functies buiten het deelgebied betreft de begraafplaats ten zuiden van het deelgebied en een uitvaartonderneming ten noorden van het deelgebied. Voor beide functies geldt een richtafstand van 0 m (op basis van een gemengd gebied). De afstand tussen de hindergevoelige functies in het deelgebied en de omliggende hinderveroorzakende functies is daarmee voldoende groot.
Deelgebied Kloostertuin In deelgebied Kloostertuin zijn geen nieuwe ontwikkelingen beoogd.
67
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. 3.4.4
Luchtkwaliteit
Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Het initiatief ziet toe op het mogelijk maken van maximaal 387 (zorg)wooneenheden. Op basis van het geldende planologische bestemmingsplan zijn reeds 117 woningen mogelijk. Per saldo is sprake van een toename van 270 woningen. Daarnaast zal het plangebied ruimte bieden aan diverse maatschappelijke