BP.TOE.Kloosterkwartier Veghel.2021-03-08.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Kloosterkwartier Veghel
Gemeente Meierijstad
Projectnummer: 2814.03 Datum: 8 maart 2021 Versie: vastgesteld IMRO-idn: NL.IMRO.1948.VHL001BP0032020P-VG01
Toelichting
3
4
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding
6
Aanleiding Plangebied Geldend bestemmingsplan Chw bestemmingsplan Leeswijzer
6 6 8 10 11
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3
Het plan
12
Ontstaansgeschiedenis Bestaande situatie Toekomstige situatie
12 17 28
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
Haalbaarheid
38
Inleiding Beleid Vormvrije m.e.r.-beoordeling Milieu Water Archeologie en cultuurhistorie Flora en fauna Verkeer en parkeren Economische haalbaarheid
38 38 56 57 74 76 80 83 86
Hoofdstuk 4 4.1 4.2
Juridische planaspecten
Algemeen Dit bestemmingsplan
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3
3
Procedure
Vooroverleg Participatie Zienswijzen
87 87 88 92 92 92 93
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In het centrum van Veghel ligt het kloostercomplex van de Zusters Franciscanessen. Vanwege het teruglopende aantal zusters is de bebouwing binnen het complex in de loop der tijd grotendeels leeg komen te staan. Om de monumentale bebouwing en het gedachtegoed van de zusters voor de toekomst te behouden en voort te zetten, bestaat het voornemen om het kloostercomplex te herontwikkelen tot een nieuw maatschappelijk centrum waar de functies wonen, zorg, leven en werken samenkomen. De afgelopen periode hebben de zusters van het kloostercomplex, Zenzo Maatschappelijk Vastgoed, de gemeente, de provincie en omwonenden in een participatieproces toegewerkt naar een gezamenlijke visie op het gebied. De visie heeft betrekking op de toekomstige functie van een gebouw en het gebruik op basis van het concept Leefgoed (zie paragraaf 2.3.2). De visie vormt de basis voor dit bestemmingsplan en is als Bijlage 1 bijgevoegd. De herontwikkeling van het kloostercomplex is niet geheel mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om die reden is voorliggende herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
1.2
Plangebied
De locatie ligt in het centrum van Veghel. Direct ten westen van het plangebied ligt de Sint Lambertuskerk met begraafplaats. Ten noordoosten bevindt zich het terrein van het voormalige ziekenhuis Bernhoven dat momenteel herontwikkeld wordt en deel uitmaakt van het Leefgoed concept. Ten noorden van het plangebied ligt een tuin die in het verleden ook deel uitmaakte van de kloostertuin, maar tegenwoordig in particulier bezit is. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de woonpercelen van de Stationsstraat en de Monseigneur van den Tillaartstraat en de Franciscanessenlaan. Ten zuiden van het plangebied is het centrumgebied van Veghel gesitueerd. Op circa 350 m ten westen van het plangebied stroomt de rivier de Aa. Het plangebied heeft een omvang van circa 5,3 hectare. In de navolgende afbeeldingen wordt globaal de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij voorliggend bestemmingsplan.
6
Globale ligging plangebied
7
Globale begrenzing plangebied In voorgaande afbeelding is het gehele plangebied met een gele omlijning weergegeven. Het plangebied is op te delen in drie deelgebieden: deelgebied Kloostercomplex, deelgebied Buitenbosje en deelgebied Kloostertuin. De begrenzingen van de deelgebieden zijn globaal weergegeven met een witte lijn. Deelgebied Kloostercomplex betreft het deel van het plangebied, waarin in de huidige situatie de bebouwing is gesitueerd. Deelgebied Buitenbosje betreft een stuk bosperceel waar twee nieuwe (zorg)woongebouwen zijn beoogd. Het overige deel van het plangebied betreft deelgebied Kloostertuin. Dit betreft de huidige kloostertuin met uitzondering van deelgebied Buitenbosje.
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan 'Vijverwijk-Burgmeester De Kuijperlaan', dat op 21 januari 2010 is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel en het bestemmingsplan 'Centrumgebied Veghel', dat op 18 april 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel.
8
Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Vijverwijk-Burgmeester De Kuijperlaan' met globale aanduiding plangebied (paarse contour) Het bebouwde deel van het plangebied (deelgebied Kloostercomplex) is bestemd als 'Maatschappelijk' en is bestemd voor maatschappelijke voorzieningen. In de begripsbepalingen zijn maatschappelijke voorzieningen omschreven als "educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen". Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen gebouwen mogen worden opgericht. Het bouwvlak kan voor 75% worden bebouwd en de toegestane bouwhoogte betreft 12 m. Een uitzondering hierop vormt de kapel, hiervoor is een grotere bouwhoogte toegestaan (33 m).
9
De huidige kloostertuin (deelgebied Kloostertuin en deelgebied Buitenbosje) zijn voornamelijk bestemd als 'Groen'. De gracht en de vijver zijn bestemd als 'Water'. De begraafplaats aan de oostzijde van de kloostertuin is bestemd als 'Maatschappelijk' waarbij de aanduiding 'begraafplaats' is opgenomen. De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen en ter plaatse van de aanduiding 'landschapspark' voor de instandhouding van landschappelijke, beeldbepalende en cultuurhistorische waarden. Voor een groot deel van de kloostertuin is overigens geen aanduiding opgenomen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd en ter plaatse van de aanduiding 'landschapspark' tot een maximum van 100 m2 en een hoogte van maximaal 4 meter. De gronden met de bestemming 'Water' zijn met name bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder watergangen en waterberging. Verder is voor het hele plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen waarbij archeologisch onderzoek verplicht is voor bodemingrepen groter dan 100 meter en dieper dan 30 cm. Ook zijn de kronen van de monumentale en beeldbepalende bomen, die binnen de gronden van de bestemming 'Maatschappelijk' zijn geprojecteerd, bestemd als 'Waarde - Natuur'. In deze dubbelbestemming is een beschermende regeling opgenomen voor de betreffende bomen.
Voor het plangebied is ook het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeren' (vastgesteld op 31 januari 2019) van toepassing. Dit bestemmingsplan betreft een thematische herziening om het parkeerbeleid van de gemeente Meierijstad te borgen in een bestemmingsplan. Een deel van de beoogde herontwikkeling van het plangebied is op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Het gaat met name om de realisatie van twee (zorg)woongebouwen in deelgebied Buitenbosje. In deelgebied Kloostercomplex zijn de nieuwe (zorg)woongebouwen wel toegestaan. Daarnaast geldt dat regulier wonen, zonder dat daar een maatschappelijke dan wel zorgcomponent bij aanwezig is, niet is toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de herontwikkeling van het plangebied in zijn geheel mogelijk te maken, is voorliggende herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. In deelgebied Kloostertuin zijn slechts beperkte, in het bestemmingsplan passende, ontwikkelingen beoogd. Dit deelgebied is dan ook beheersgericht opgenomen in dit bestemmingsplan.
1.4
Chw bestemmingsplan
1.4.1
Crisis- en herstelwet
Het doel van de Crisis- en herstelwet (Chw) is doelgericht werken aan werkgelegenheid en duurzaamheid, door middel van procedurele versnellingen voor bepaalde besluiten en via experimenteerbepalingen. De Crisis- en herstelwet bevat een grondslag voor het aanwijzen van plangebieden waarvoor een zogenaamd bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kan worden vastgesteld. De daadwerkelijke aanwijzing van het plangebied gebeurt in het Besluit uitvoering Crisisen herstelwet.
10
1.4.2
Artikel 7c
Voor dit bestemmingsplan wordt gebruikt gemaakt van het innovatieve experiment artikel 7c van de Chw. Dit artikel geeft, vooruitlopend op de Omgevingswet, de mogelijkheid om (op onderdelen) af te wijken van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 7c biedt de mogelijkheid om naast het regels over een goede ruimtelijke ordening (ruimtelijke relevantie), ook regels ten behoeve van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit op te nemen in een bestemmingsplan. In paragraaf 4.2.1 wordt nader ingegaan op de regels die in aanvulling op de reguliere bestemmingsregels zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. In artikel 7c staan plangebieden genoemd waarop het experiment van toepassing is. Voorliggend plangebied is ook aangemeld om deel te nemen aan het experiment en in de zogenaamde zesde tranche toegevoegd aan het experiment. Op 22 juni 2020 is het besluit tot wijziging en aanvulling van de Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (Regeling uitvoering Crisis- en herstelwet (zesde tranche)) genomen. Het besluit is als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
1.5
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen en bevat eveneens de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (hoofdstuk 4) en de uitkomsten van de gevolgde procedure (hoofdstuk 5).
11
Hoofdstuk 2
Het plan
2.1
Ontstaansgeschiedenis
2.1.1
Historische stedenbouwkundige ontwikkeling
Het historische gebruik van het plangebied begint op de locatie van de huidige Sint Lambertuskerk. Deze kerk dateert van 1858, maar al ver voor 1850 stond er op de plaats al een rooms-katholieke schuurkerk. Een kerk dus die er niet zo uitziet, aangezien na de Vrede van Munster (1648) het katholicisme lange tijd verboden was in Brabant. Zo verborgen als het katholieke geloof lange tijd was, zo prominent werd het halverwege de negentiende eeuw zichtbaar. Met dank aan de neogotische Lambertuskerk, het kerkhof achter die kerk en de vestiging van de congregatie van de Zusters Franciscanessen. De zusters betrokken in 1869 het klooster naast de kerk en breidden dat in 1898 uit met een gasthuis en een kapel, schoollokalen, een boerderij en een washuis. Het resultaat is nog altijd zichtbaar in de vorm van een imposant complex aan de Deken van Miertstraat. Vanuit die straat bepaalt de uit twee lagen bestaande aaneengesloten gevelwand het beeld.
Situatie bebouwing Deken van Miertstraat omstreeks 1919 In 1890 werd aan de Mr. Van Coothstraat de congregatiekapel gebouwd. Later volgden de rooms-katholieke scholen en het St. Jozefziekenhuis aan de noordkant. Het terrein tussen de gebouwen kreeg de bestemming van kloostertuin en -kerkhof. De parkachtige tuin, die ook open stond voor patiënten van het St. Jozefziekenhuis, werd opnieuw aangelegd in de twintiger jaren van de vorige eeuw. De tuin werd toen aan de zijde van de Gasthuis- en Stationsstraat begrensd door de langgerekte lintbebouwing in die straten. Eerder al, in 1902 en 1903, verscheen aan de Burg. de Kuyperstraat (op de hoek met de Mr. van Coothstraat) een zeer grote pastorie. Samen vormen deze gebouwen en andere elementen een coherente groep in een gebied dat niet door wegen wordt doorsneden. In deelgebied Buitenbosje was in het verleden het 'Patronaatsgebouw' gesitueerd, wat gediend heeft als (huishoud)school. Dit gebouw is in de jaren '20 van de vorige eeuw gebouwd. Ten zuiden van het gebouw was een tuin aanwezig. Na de sloop van het gebouw (circa 1985) is het terrein beplant met bomen.
12
Luchtfoto 1938 ter hoogte van het Patronaatsgebouw (geel omcirkeld) 2.1.2
Historische landschappelijke ontwikkeling
Bepalend voor de indeling en vorm van het plangebied is de natuurlijke ondergrond. Het dorp Veghel is ontstaan als een kampontginning aan een doorwaadbare plaats in de rivier de Aa. Het rivierdal van de Aa werd gebruikt voor beweidingen en als hooiland, terwijl op de hogere gronden akkerbouw plaatsvond. Van daaruit vonden vervolgens weer nieuwe ontginningen plaats. Dat gebeurde in eerste instantie parallel aan de rivier, maar later ook landinwaarts op de woestere gronden. De doorgaande wegenstructuur Middegaal – Gasthuisstraat – Stationsstraat – Molenstraat en ook de Deken van Miertstraat volgt de contouren van die hogere gronden. Het kloostercomplex ligt deels in het voormalige beekdal van de Aa en deels op de hogere gronden. De eerste gebouwen werden gerealiseerd op hogere gronden aan de Deken van Miertstraat, die toen nog Nieuwstraat heette. Het gebied waar de zusters in de jaren twintig van de vorige eeuw de kloostertuin tot ontwikkeling brachten, maakte in 1832 deel uit van een gebied dat De Molenbeemd heet en een onderdeel was van het beekdal van de Aa. 'Molen' verwijst naar de Korenwindmolen die hier ooit stond en 'Beemd' is een aanduiding voor hooiland. Hooilanden worden meestal dichtbij waterlopen
13
aangetroffen, in dit geval dus de Aa die ten westen stroomt. Meestal zijn het laag gelegen en daardoor natte gronden, ongeschikt voor landbouw.
Luchtfoto kloostertuin, kort na eerste aanleg In 1832 zijn de meeste kavels nog als hooiland in gebruik. Op een historische kaart van 1832 is een gracht te zien die van de Aa naar de pastorie voert. Niet alleen de gracht bestaat niet meer, ook de pastorie werd gesloopt – dat gebeurde om plaats de maken voor de Lambertuskerk. De gracht is vermoedelijk veel ouder dan de pastorie en is waarschijnlijk onderdeel van het kasteel Frisselstein dat hier ooit stond. De gracht markeert de overgang van de hoger gelegen bouwlanden naar de lagergelegen Molenbeemd. Ook is op de kaart te zien dat de kloostertuin aan de oostzijde exact de kavelgrenzen volgt, die in 1832 al bestaan. Aan de kant van de Aa wordt de oude kavelstructuur bij de begrenzing van de tuin grotendeels gevolgd. Door de aanleg van de Sint Lambertuskerk en het bijbehorende kerkhof zijn vermoedelijk nieuwe kavelgrenzen ontstaan. De rivier de Aa is in de jaren dertig van de vorige eeuw genormaliseerd (recht getrokken). De Aa kwam meer westelijk te liggen en meanders verdwenen. Hierdoor ontstond ruimte om grote delen van de voormalige Molenbeemd te bebouwen. Er kwamen huizen en de afwatering van dit lagergelegen deel moest werd gereguleerd. De huidige kloostertuin had daarbij een belangrijke rol, net als later de tuin Franciscushof en de vijver Moedersgat (ten oosten van het plangebied).
Dat Franciscushof ontstond pas tachtig jaar na de oplevering van het klooster. Toen pas werd dit terrein gekocht, ontgonnen en tot een hof getransformeerd. Het was de tijd van ‘het rijke roomse leven’, een periode van ongekende groei voor de kerk. Het Veghelse klooster barstte uit haar voegen en vele uitbreidingen van gebouwen en grondbezit volgden. Dat gebeurde eerst op de hoger gelegen gronden rond het Moederhuis en noordelijker aan de Gasthuisstraat (het Sint Jozefgast huis) en aan het Middegaalpad (scholen). Dat pad is waarschijnlijk ergens halverwege de 19e eeuw aangelegd als dijkje, dwars door de beemdgronden heen. Tussen al deze met elkaar verbonden functies lag een restant van de Molenbeemd. In die tijd zijn waarschijnlijk verbindingen tussen en door diverse voorzieningen gemaakt. Het omvormen van de beemdgronden naar vruchtbare tuin- en parkgrond is door de zusters ter hand genomen. Daar waren verschillende redenen voor. Zo stelden de zusters vast dat het onwenselijk was dat het Jozefgasthuis en het Rochushuis aan de beemd grensden. Dat gebied was erg zompig en voor het herstel van de zieken bleek dat niet bevorderlijk. Sowieso was er vanwege de groei van het klooster
14
behoefte aan meer groente en ander voedsel. De tuin werd verder zinvol gevonden voor het onderwijs aan de kinderen en het welzijn van de zieken. Het omvormen van drassige grond tot tuingrond was geen eenvoudige taak. Zo moest de grond worden opgehoogd en diende de afwatering te worden geregeld. Het leidde tot de aanleg van grachten en een vijver – de grond die zo vrijkwam werd gebruikt voor het verhogen van het terrein. Dat was lang niet genoeg en dus werd ten westen van de Burgemeester de Kuijperlaan een grote vijver gegraven die de naam ‘Moedersgat’ kreeg, refererend aan de moeder-overste die de opdracht hiertoe gaf. Het hof werd tot 1,20 m opgehoogd. De grachten, vijver en Moedersgat werden onderling verbonden en waterden af op de rivier de Aa. 2.1.3
Chronologische ontwikkeling van het gebied
Om een goed beeld te krijgen van de totstandkoming van het kloostercomplex is de groei en ontwikkeling ervan op de navolgende afbeeldingen chronologisch weergegeven.
1841
1866
1887
1910
15
1920
1940
1960
1980
16
1990
huidige situatie
2.2
Bestaande situatie
2.2.1
Deelgebied Kloostercomplex
Dit deelgebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit bebouwing die in de loop der jaren is gebouwd. De bebouwing in dit deelgebied biedt in de huidige situatie ruimte aan diverse maatschappelijke voorzieningen (levensbeschouwelijk, verenigingsleven, kinderopvang) en als woonruimte voor de zusters. Op de navolgende afbeelding is schematisch de huidige situatie in het deelgebied weergeven. De verschillende bebouwing is daarop met een nummer aangeduid.
17
De navolgende afbeelding betreft een vogelvluchtbeeld van de huidige situatie in het plangebied. Hierop is tevens de Sint Lambertuskerk te zien.
18
Vogelvluchtbeeld van de huidige situatie in het deelgebied, gezien vanuit het zuidwesten De meest prominente bebouwing in het plangebied betreft ook gelijk de oudste bebouwing. Het gaat om het Moederhuis met de Gasthuisvleugels (omstreeks 1870) en de Kapel (omstreeks 1939). Deze bebouwing heeft de status van Rijksmonument. Tussen de bebouwing is een binnentuin aanwezig.
19
(1) Moederhuis met links de Sint Lambertuskerk, gezien vanaf de Deken van Miertstraat
(1) en (2) Achtergevel Moederhuis met op de voorgrond de binnentuin en aan weerszijden de Gasthuisvleugels (gezien vanuit het noorden)
20
(3) Voorgevel Kapel met op de voorgrond de binnentuin (links) en voorportaal van de Kapel (rechts) Naast de Rijksmonumentale bebouwing is bebouwing aanwezig die later is bijgebouwd (tussen circa 1940 en 1955). Elk gebouw had daarbij een specifieke functie. Het gaat bijvoorbeeld om een wasserij, een schoolgebouw (ULO) en een internaatgebouw. Het zogenaamde Zigzag-gebouw is van duidelijk latere periode (omstreeks 1988) en doet dienst als woonruimte voor de zusters. Ten noorden van de Wasserij zijn twee appartementengebouwen aanwezig. Deze gebouwen zijn redelijk recent (1999) en zijn eveneens in gebruik als woonruimte voor de zusters. Nabij de kapel is het Ontmoetingsgebouw gesitueerd. Dit gebouw stamt uit 2013. Tussen de diverse gebouwen in het deelgebied is een tuin aanwezig met diverse plantvakken, grasveldjes, beelden en verharding. Tevens is een waterbron aanwezig. 2.2.2
Deelgebied Buitenbosje
Deelgebied Buitenbosje bestaat in de huidige situatie uit groen, met met name relatief jonge bomen. Deze bomen zijn aangeplant na de sloop van het 'Patronaatsgebouw' (circa 1985). Door de bomen slingert een smal onverhard schorspad van een poortje tot aan de brug richting de Meester van Coothstraat. 2.2.3
Deelgebied Kloostertuin
De kloostertuin was in het verleden in gebruik als een tuin van nut. Zo werd er vee gehouden en groente en bloemen verbouwd. Deelgebied Kloostertuin wordt in de huidige situatie gekenmerkt door verschillende elementen/onderdelen. Navolgend is een schematische weergave van de huidige situatie van dit deelgebied weergegeven.
21
Schem atische overzichtskaart huidige situatie deelgebied Kloostertuin. Navolgend wordt per element/onderdeel een korte beschrijving gegeven. Boogstructuur De boogstructuur is in de voorgaande afbeelding niet specifiek aangeduid. Het betreft het wandelpad dat vanaf de zuidoostzijde van de wandelbosjes in een boog richting de noordzijde van de vijver loopt. Deze historische lijn is net als de plataanlaan een belangrijk structuurelement voor de kloostertuin. Gracht Deelgebied Kloostercomplex wordt van deelgebied Kloostertuin afgescheiden door een een gracht. Deze gracht loopt aan de rand van deelgebied Kloostertuin en is aangelegd in 1923-1924. Eind jaren negentig van de vorige eeuw is als gevolg van afstoting van het voormalige noordelijke deel van de parktuin een nieuw grachtgedeelte gegraven. Het profiel van dit grachtgedeelte wijkt duidelijk af van de
22
oorspronkelijke gracht, die beduidend breder is. Deelgebied Klostertuin is vanaf Deelgebied Kloostercomplex te bereiken door middel van twee bruggen.
Huidige situatie oostelijke brug, met op de achtergrond het begin van de Platanenlaan (midden), de parkeerplaats en het grote grasveld (links), de begraafplaats (rechts) Plataanlaan De plataannlaan behoort tot de oorspronkelijke aanleg die in 1923-1924 werd gerealiseerd. De laan heeft in de vorm van een brug over de gracht een duidelijk beginpunt en strekt van oudsher ongeveer tot bijna aan de Stationsstraat ten noorden van het plangebied. De bomen zijn met name aan de oostzijde behoorlijk scheef gegroeid, met extremen daar waar de bomen kort op de gracht staan.
23
Scheve platanen van de laan hangen over de gracht Begraafplaats Ten oosten van de plataanlaan bevindt zich de begraafplaats voor de zusters van het klooster. Deze werd 1939-1940 ingericht en is later in noordelijke richting uitgebreid. De begraafplaats was daarvoor in gebruik als bloementuin voor versieringen in de kerk en kapel. De nieuwe graven zijn alle gemarkeerd met een wit kruis.
24
Toegangshek van de begraafplaats met een stenen muur bij het oudste deel en een heg bij de uitbreiding
Eenvoudige kruizen en de muur langs de oudere platanenlaan Vijver
25
De vijver is als het ware het hart van het ontwerp voor de tuin. De vorm (kommavorm) lijkt mede bepaald te zijn op de knik in de gracht aan de oostzijde en het halfronde hoofdpad. In de vijver is in 1923-1924 een thans nog bestaand (vogel)eilandje gebouwd. Om de vijver zijn verschillende monumentale bomen aanwezig.
De vijver met rietkragen, (vogel)eilandje en een groot aantal monumentale bomen langs de vijverranden Dierenkamp Ten westen van de vijver bevindt zich een dierenweide. In deze dierenweide is een dierenhuisje aanwezig met een duiventil in de vorm van een kapelletje.
Dierenweide met dierenhuis, met rechts de bomenrij langs het pad dat de vijvervorm volgt Wandelbosjes In het deelgebied zijn vier wandelbosjes aanwezig. Drie hiervan bevinden zich aan de westzijde. Deze bosjes hebben volwassen bomen, veelal met onderbegroeiing. Binnen deze bosjes zijn monumentale bomen aanwezig. Naast de reguliere paden, bevinden zich in een deel van de bosjes tevens enkele
26
overwoekerde of overplantte wandelpaden.
Splitsing bij de aan het begin van de wandelbosjes vanaf het zuiden Het vierde wandelbosje is gesitueerd ten noorden van de vijver, Dit deel van de tuin heeft een dichte, volle beplanting en maakt daardoor een besloten indruk. In dit bosje is een slingerende padenstructuur aanwezig met in elkaar overgaande rotonden, die typisch is voor een kloostertuin. Hier konden de kloosterlingen afgeschermd en in gedachten bij de Heer een eindeloze wandeling ondernemen zonder afleiding. Langs de zuidwestzijde van deze bosjes leidt de toegangsweg die door autoverkeer wordt benut om de parkeerplaats in de tuin te bereiken. Grasveld Tussen de platanenlaan en de wandelbosjes is een groot open grasveld aanwezig. Ten zuiden hiervan bevindt zich een parkeerplaats.
27
Zicht op het grasveld vanaf de parkeerplaats over een haagbeuk. Rechts op de foto de plataanlaan, in de achtergrond een tweede haagbeuk waarachter zich de vijver bevindt.
2.3
Toekomstige situatie
2.3.1
Transformatiekader
Voor de herontwikkeling van het plangebied is een masterplan opgesteld. Dit masterplan is als Bijlage 1 bijgevoegd. Het startpunt voor masterplan is een onderzoek naar de historie van de bebouwing in het plangebied en de kloostertuin. Hiervoor is een bouwhistorische verkenning en een tuinhistorische verkenning uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken is een transformatiekader opgesteld. Met dit kader is vastgesteld wat de mogelijkheden en voorwaarden zijn om bij de herontwikkeling de cultuur- en historische waarden te respecteren. Dit transformatiekader heeft grote toegevoegde waarde bovenop de eerdergenoemde historische onderzoeken en de feitelijke waardering. Die meerwaarde zit in de interpretatie van de gegevens. Het transformatiekader is opgesteld door deskundigen vanuit diverse disciplines: een stedenbouwkundige, architect en een landschapsarchitect. Naast deze deskundigen waren tevens de zusters, Zenzo, de Provincie en de gemeente Meierijstad betrokken. Het transformatiekader maakt duidelijk wat de te koesteren essentie van het gehele complex is en welke bewegingsruimte er is bij het realiseren van nieuwe bestemmingen. De uitkomst van het transformatiekader is vervat in een kaart waarop het transformatiepotentieel van de verschillende elementen van het plangebied worden uitgedrukt in drie gradaties: een hoog, beperkt en gemengd transformatiepotentieel.
Hoog transformatiepotentieel Hoog transformatiepotentieel betekent mogelijkheden voor ontwikkeling door middel van interventie, transformatie, herontwerp of reconstructie. Het maakt daarbij niet uit wat de huidige functies zijn en wat de nieuwe toepassingen worden. Dat komt omdat cultuurhistorische waarden of oorspronkelijke karakteristieken zijn verdwenen of sterk zijn aangetast. Juist het, vast en zekere spijtige, verlies van wat ooit was, maakt het dus mogelijk om relatief vrij nieuwe bestemmingen te vinden. Overigens kan het
28
ook leiden tot een reconstructie, een herstel. Beperkt transformatiepotentieel Beperkt transformatiepotentieel wil zeggen dat door de cultuurhistorische waarde of het behouden karakter er beperkingen zijn voor wat er mogelijk is. Wat er ook gebeurt: die waarde en dat karakter dienen te worden behouden, mogelijk zelfs versterkt. Het betekent niet dat ingrijpen, verandering, een nieuw ontwerp of aanpassing uitgesloten is. Wel betekent het dat er zwaarwegende argumenten nodig zijn om tot verandering te komen en dat het van belang is essentiële kwaliteiten te behouden. Gemengd transformatiepotentieel Gemengd transformatiepotentieel is van toepassing op net zo gemengde zones. Die zijn niet meer zo gaaf als voorheen en daardoor ligt behoud of restauratie niet direct voor de hand, al is het wel degelijk mogelijk. Aanpassingen zijn bespreekbaar, zolang ze passen binnen de gestelde kaders. Gemengd transformatiepotentieel heeft soms betrekking op zones waar hoog en beperkt door elkaar lopen. Een voorbeeld is een waardevolle ruimte met een allesbehalve waardevolle afwerking.
Kaart transformatiepotentieel met van links naar rechts een overzicht van elementen met een beperkt, gemengd en hoog transformatiepotentieel. Het transformatiepotentieel is verder uitgewerkt in een stedenbouwkundig plan. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 2.3.3. In het stedenbouwkundig plan zijn uiteindelijk keuzes gemaakt ten aanzien van het behoud, dan wel de sloop van gebouwen. Gebouwen met een hoog transformatiepotentieel zijn doorgaans jong en kennen nog een hoge economische waarde en zijn eenvoudig om te vormen naar nieuwe functie. Dit terwijl oudere gebouwen vaak moeilijker om te vormen zijn naar hedendaagse normen en eisen op het gebied van wooncomfort. Ook bevatten veel van de oude gebouwen asbest, hetgeen gesaneerd dient te worden. Om die reden is er voor gekozen om sommige gebouwen met een gemengd transformatiepotentieel te slopen en hiervoor nieuwbouw te realiseren.
29
2.3.2
Leefgoed concept
Parallel aan het transformatiekader is het basisidee voor de toekomst van het klooster ontwikkeld, het concept Leefgoed. In de meest bondige versie kan het omschreven worden als "een eigentijdse versie van wat de Zusters Franciscanessen de afgelopen 175 jaar deden". Anders geschreven: de participatiemaatschappij op lokaal, Veghels niveau vormgeven. Met het concept kan het gedachtengoed van de zusters worden voortgezet in een nieuwe, eigentijdse vorm. Die vorm is de realisatie van het maatschappelijk hart van Veghel, een moderne en door de gebruikers gedragen woon- en leefomgeving waar zorg, werk, leren en ontmoeten samenkomen. De naam van dat hart, van dat concept: Leefgoed. Leefgoed brengt wonen, werken, leren en (be)leven, ontmoeten, ondersteunen en verbinden samen. Op het eerste gezicht is het een woonomgeving, zij het een woonomgeving met een opvallende diversiteit van bewoners: arm en rijk, oud en jong, "met en zonder bagage", theoretisch en/of praktisch opgeleid of nog in opleiding of ontwikkeling. Leefgoed is er voor mensen die zichzelf prima staande houden en voor mensen die daar juist hulp bij nodig hebben. Bij wonen, leren of werken. En die deze hulp graag dicht bij huis vinden. Zo beschouwd is Leefgoed geschikt voor iedereen in Veghel. Er komen ook maatschappelijke voorzieningen voor vrijetijdsbestedingen, een aantal daarvan is in de huidige situatie reeds aanwezig.
Binnen Leefgoed maken gemeenschappelijke ruimten en de buitenruimte het mogelijk dat mensen elkaar ontmoeten. Hoewel vanzelfsprekend niets hoeft, worden activiteiten nadrukkelijk gestimuleerd. Het kan leiden tot initiatieven zoals een gezamenlijke moestuin, sportgroepen of eetclubs – allemaal afhankelijk van wat mensen bedenken en wensen. De basis voor het concept Leefgoed is de intentieovereenkomst die in september 2019 is ondertekend door vertegenwoordigers van elf (maatschappelijke) organisaties. 2.3.3
Stedenbouwkundig plan
Algemeen Aan de hand van het bouwhistorisch onderzoek en het transformatiekader is bepaald welke bebouwing behouden dient te blijven, welke bebouwing goed te transformeren is en welke bebouwing het beste gesloopt kan worden om zo ruimte te bieden aan nieuwe bebouwing. Vervolgens zijn enkele stedenbouwkundige modellen voor de toekomstige situatie gemaakt, die in een participatief proces met omwonenden en belanghebbenden is besproken. Hieruit is de navolgende stedenbouwkundige schets voortgekomen die als onderlegger voor dit bestemmingsplan is gebruikt. De bestaande, te behouden gebouwen zijn aangeduid met een getal en de nieuw te realiseren gebouwen met letter. Het aantal bouwlagen en de bouwhoogtes van de nieuwe gebouwen zijn in onderstaand schema opgenomen.
30
Stedenbouwkundige opzet toekomstige situatie
Schema bouwlagen en bouwhoogtes Deelgebied Kloostercomplex
31
De rijksmonumentale bebouwing in deelgebied Kloostercomplex (het Moederhuis met de Gasthuisvleugels (3) en de Kapel (2)) blijft uiteraard behouden. Dit geldt ook voor het Ontmoetingsgebouw (4), het Internaatgebouw (5) en de bestaande Appartementengebouwen (7 en 8). De overige bestaande bebouwing in dit deelgebied wordt gesloopt. Deze gebouwen hebben een ongunstige positie op het terrein of massa voor een nieuwe functie en verkeren tevens niet allemaal meer in een goede bouwkundige staat. De te slopen gebouwen maken ruimte voor nieuwe gebouwen. Het kloostercomplex neemt samen met de Sint Lambertuskerk een prominente plek in de kern van Veghel in. Vanuit alle kanten komen routes aan op het kloostercomplex. Het kloostercomplex heeft vanwege haar functie echter een besloten karakter. Het Moederhuis, het Zigzag-gebouw en het Internaatgebouw vormen een lange gesloten wand aan de Deken van Miertstraat. Daarnaast is de Franciscanessenlaan in de huidige situatie voor de helft afgesloten met een hek. Hierdoor is er een duidelijke fysieke scheiding tussen de bebouwing van het kloostercomplex en de omliggende bebouwing aan de oostzijde van de Franciscanessenlaan en de Monseigneur van den Tillaartstraat. Het belangrijkste stedenbouwkundige uitgangspunt is het openen en laten aansluiten van het complex op de omgeving.
Het Zigzag-gebouw zal daarom verdwijnen waardoor het kloostercomplex zich opent. Daarnaast kan het deelgebied via deze route worden ontsloten voor autoverkeer. Aan weerszijden van de ontsluitingsweg zijn haaksparkeerplaatsen voorzien. Onder de parkeerplaatsen op het maaiveld zijn tevens parkeerplaatsen in een parkeerkelder voorzien. De toegang tot de kelder is aan de Deken van Miertstraat beoogd aan de zijde van het Internaatgebouw. De Franciscanessenlaan zal de grootste verandering ondergaan. Het hek midden door de straat verdwijnt en het wordt een mooie route richting de kloostertuin. Het ULO-gebouw en de Wasserij worden gesloopt. Dit biedt de mogelijkheid om de lijn van de Monseigneur van den Tillaartstraat op het deelgebied te laten aansluiten. Dit zorgt er tevens voor dat het deelgebied een meer open karakter krijgt. De Franciscanessenlaan wordt ingericht als een voetgangersgebied. De nieuwe gebouwen in het deelgebied krijgen een bouwhoogte die aansluit bij de bestaande bebouwing van het Kloostercomplex en haar omgeving. De gebouwen bestaan uit vier bouwlagen met een plat dak, waarbij de maximale bouwhoogte van 14 m. Een uitzondering hierop vormt gebouw E. Vanwege de ligging aan de Deken van Miertstraat en de functie als toegangspoort tot het deelgebied, zal dit gebouw uit zes bouwlagen bestaan met een maximale bouwhoogte van 21 m.
De navolgende afbeeldingen geven een beeld van de toekomstige situatie qua hoogte, massa en locatie van de nieuwe gebouwen in deelgebied Kloostercomplex. Het betreft een globale impressie waarbij uitstraling van de gebouwen ter inspiratie dient. De definitieve uitstraling van de gebouwen wordt in later stadium nader uitgewerkt.
32
Vogelvlucht impressie toekomstige situatie, gezien vanuit het zuiden
Impressie toekomstige bouwmassa en toegang tot het deelgebied, gezien vanaf de Deken van Miertstraat Openbare ruimte Voor de inrichting van de openbare ruimte in het deelgebied zijn de de thema's ontmoeten en verbinden belangrijke uitgangspunten. Bij het thema's gaat het om verbinden van oud en nieuw (bebouwing), maar ook jong en oud (mensen). Verbinden vindt in ruimtelijke zin plaats, maar ook op sociaal niveau.
33
Tussen de bestaande en de nieuwe gebouwen ontstaan als het ware een aantal binnenplaatsen of hofjes. Deze sluiten aan bij de maat van de binnenplaats van het Moederhuis. Twee hiervan, in de directe nabijheid, bieden de kans om een belangrijke maatschappelijke rol te vervullen voor de omgeving. Wanneer men vanaf de Deken van Miertstraat het gebied betreedt, wordt men direct ontvangen in het eerste hof. Omarmd door een groene haag en uitgerust met natuurlijke speelaanleidingen en bloeiende beplanting biedt dit hof de mogelijkheid aan kinderen (van onder andere het kinderdagverblijf) om te spelen in een natuurlijke omgeving. Ook is dit een educatieve omgeving waarin jong en oud wat kan leren over natuur. Als men doorloopt betreedt men het tweede hof. Gelegen naast het ontmoetingscentrum, in het hart van het gebied, biedt dit hofje de ruimte voor (spontane) ontmoeting tussen passanten. Met jeu de boules-banen voorzien van zitgelegenheden en omarmd door hagen, bloeiende beplanting en met enkele monumentale bomen, is dit straks een aangename plek om te verblijven. Er zijn meerder microklimaten aanwezig, dus willen bewoners lekker in de zon zitten of in de schaduw, de hele dag door is dit mogelijk. Zo kunnen mensen optimaal van het buitenleven genieten. Wanneer men de route vervolgt komt men steeds dichterbij de kloostertuin.
De verschijningsvorm van de terreininrichting neemt daarom een steeds vrijere vorm aan. De bestaande zichtlijnen zijn ook van belang. Vanaf de Deken van Mierstraat is de Plataanlaan in de kloostertuin al goed te zien wanneer men over de Fransiscanessenlaan kijkt. Vanaf de Stationsstraat is de kapel te zien wanneer men over de Monseigneur van den Tillaartstraat kijkt. Deze visuele verbindingen zijn vanuit de geschiedenis altijd belangrijk geweest ter oriëntatie. In het ontwerp zijn deze zichtlijnen daarom geaccentueerd door bomen strategisch langs deze lijnen te plaatsen. Deze zichtlijnen kruisen elkaar op een open plek waar de mogelijkheid zich voordoet om de eerste ontmoetingen te faciliteren. Een ruime, open plek waar verschillende stromen elkaar kruisen en waar men even kan gaan zitten of een praatje kan maken. Omdat het hek op de Fransiscanessenlaan verdwijnt, ontstaat er de mogelijkheid om het straatprofiel aan te passen. Een autovrije straat met een centraal wandelpad en aan weerszijde groen in de vorm van beplanting en meerstammige heesters. Hierdoor hebben de appartementen op de begane grond iets meer privacy, blijft de Plataanlaan zichtbaar en ontstaat er een prettig leefklimaat. Beeldkwaliteit De bestaande bebouwing in het deelgebied vormen een belangrijk uitgangspunt voor de beeldkwaliteit van de nieuwe gebouwen.
De nieuwe gebouwen moeten de monumentale gebouwen niet overschreeuwen en mogen er niet mee concurreren. Tegelijkertijd mogen en moeten het eigentijdse gebouwen zijn die een eigen plek opeisen. Wat daarbij helpt is historische elementen gebruiken als inspiratie en die met enige bescheidenheid toe te passen. In Bijlage 3 is het nieuwe beeldkwaliteitplan voor het plangebied opgenomen. Deze vormt met de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan het toekomstige toetsingskader voor welstand. Deelgebied Buitenbosje Op de locatie waar in het verleden het Patronaatsgebouw heeft gestaan worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd. Een deel van de bomen in het deelgebied zal daarvoor worden gekapt. Deze gebouwen hebben net als gebouw E uit deelgebied Kloostercomplex een poortfunctie voor de toegang tot de Kloostertuin. De gebouwen worden tegenover elkaar gesitueerd en spiegel-symmetrisch uitgevoerd. Daarmee maken ze duidelijk dat ze toegang geven tot een bijzondere tuin dat achter deze gebouwen ligt en toegankelijk is via een langzaam verkeersroute tussen deze gebouwen in. De
34
gebouwen zullen qua uitstraling aansluiten bij de beeldkwaliteit van de nieuw gebouwen in Deelgebied Kloostercomplex. De gebouwen in dit deelgebied (G en H) worden op palen gezet, zodat de begane grond kan worden gebruikt voor het parkeren van auto's van de bewoners. De gebouwen krijgen vier en deels vijf bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 20 m. Deelgebied Kloostertuin In dit deelgebied zijn in juridisch-planologisch opzicht geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Dit deelgebied wordt dan ook beheersgericht in dit bestemmingsplan opgenomen. Het kloosterpark blijft in haar opzet behouden zoals deze nu is, waarbij de bescherming van de huidige opzet het uitgangspunt is. De tuin zal wel her en der aangepast worden en de nodige onderhoudsmaatregelen ondergaan. Zo zal het huidige parkeerterrein in het deelgebied verdwijnen. In de huidige situatie is de kloostertuin alleen voor de zusters toegankelijk. In het kader van de herontwikkeling van het terrein en het concept Leefgoed wordt de tuin opengesteld voor de Veghelse gemeenschap, zodat iedereen kan genieten van het prachtige park. Het is de doelstelling de huidige sfeer van de kloostertuin te behouden, een zogenaamde bezinningstuin. Een deel van de aantrekkelijkheid van de kloostertuin ligt in het verborgen karakter ervan.
De nieuwe toegangen naar de kloostertuin, die in deelgebied Kloostercomplex en deelgebied Buitenbosje worden gerealiseerd, worden als poorten vormgegeven. Het gevoel dat men een andere wereld betreedt, blijft daarmee zoveel mogelijk behouden. 2.3.4
Functioneel programma
Het Kloosterkwartier (het totale plangebied) wordt een nieuw maatschappelijk centrum waar de functies wonen, zorg, leven en werken samenkomen. Hiervoor is het concept Leefgoed ontwikkeld (zie paragraaf 2.3.2). De maatschappelijke functies (zorg, leven en werken) zijn beoogd in de bestaande gebouwen aan de zuidzijde van deelgebied Kloostercomplex. Deze gebouwen hebben in de huidige situatie ook al een maatschappelijke functie en liggen het dichtst bij de overige centrumfuncties van Veghel. Het gaat om het Moederhuis met Gasthuisvleugels, het Ontmoetingsgebouw en het Internaatgebouw. Daarnaast zullen in gebouw E ook maatschappelijke functies komen. De gebouwen bieden werk- en verblijfsplekken aan de Leefgoed-partners. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld eerstelijns gezondheidszorgfuncties, WYzorg, Join Us en andere welzijnsorganisaties. Ook biedt het plein ruimte aan de nu al aanwezige functies zoals de biljartvereniging. Naast de maatschappelijke functies biedt het Kloosterkwartier voornamelijk ruimte aan woningen. Alle woningen bestaan uit appartementen, die voornamelijk in de nieuw te realiseren gebouwen worden gehuisvest. Ook de bestaande appartementengebouwen blijven hun bestaande functie behouden. Mogelijk worden er ook (deels) woningen in het Moederhuis met Gasthuisvleugels en het Internaatgebouw gerealiseerd.
De woningen kunnen zelfstandig bewoond worden, maar men heeft ook de mogelijkheid om zorg te
35
ontvangen. De woningen zijn gericht op starters, senioren, gezinnen en mensen met een zorgvraag. Er zal tevens sprake zijn van een mix van huur- en koopwoningen en verschillende prijsklassen. In de navolgende tabellen wordt voor elk van de bestaande en de toekomstige gebouwen het beoogde programma weergegeven.
In totaal worden 387 (zorg)woningen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. In dit programma is een minimum aantal van 75 zorgwoningen opgenomen, hetgeen ook is opgenomen in de planregels. Voor de definiering van een zorgwoning wordt in de regels verwezen naar de 'Regeling gebruik wooneenheden binnen bestemming Maatschappelijk' die als bijlage is toegevoegd. In de regeling zijn de voorkomende soorten van zorgwonen nader gedefinieerd. 2.3.5
Parkeren
Aan weerszijden van de nieuwe ontsluiting in deelgebied Kloostercomplex worden haaksparkeerplaatsen op het maaiveld aangelegd. Daarnaast zal onder de ontsluiting en de parkeerplaatsen een kelder worden aangelegd, die tevens voor parkeerdoeleinden zal worden gebruikt. In totaal gaat het om 220 parkeerplaatsen, verdeeld over het maaiveld en de parkeerkelder. In deelgebied Buitenbosje worden 75 parkeerplaatsen gerealiseerd deels onder de nieuwe gebouwen en voor het overige langs de weg. De gebouwen komen daarmee zelf op palen te staan. In totaal zal het plangebied ruimte bieden aan 295 parkeerplaatsen. Voor de onderbouwing van het aantal parkeerplaatsen wordt verwezen naar paragraaf 3.8.3. 2.3.6
Duurzaamheid (people, planet, profit)
Het doel is om voor de herontwikkeling van het kloosterterrein integraal naar duurzaamheid te kijken: people, planet, profit, ofwel sociale, fysieke en economische duurzaamheid.
36
Voor het sociale aspect is het concept Leefgoed uitgewerkt. Leefgoed brengt wonen, werken, leren en (be)leven, ontmoeten, ondersteunen en verbinden samen. Binnen Leefgoed maken gemeenschappelijke ruimten en de buitenruimte het mogelijk dat mensen elkaar ontmoeten. Wat betreft het fysieke aspect geldt dat de nieuwe gebouwen zullen voldoen aan de eisen voor BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) en gasloos worden uitgevoerd. Daarnaast zullen de nieuwe gebouwen hydrologisch neutraal worden ontwikkeld. Dit betekent dat de nieuwe gebouwen afgekoppeld. Ook de nieuwe verhardingen in de openbare ruimte worden afgekoppeld. Omdat de bestaande gebouwen een nieuwe bestemming krijgen, worden deze (deels) verbouwd en verduurzaamd. Dit zorgt voor een verlaging van het energieverbruik van deze gebouwen. Wat betreft het economische aspect van duurzaamheid zet het plan in op hergebruik van bestaande bebouwing en functionele flexibiliteit. Een groot deel van de bestaande (monumentale) gebouwen wordt van een nieuwe functie voorzien. Daarnaast bieden de gebruiksregels de mogelijkheid om verschillende functies is de gebouwen te huisvesten. De nieuwe gebouwen worden dusdanig gebouwd dat binnen het casco verschillende functies mogelijk zijn zonder dat hiervoor grote ingrepen nodig zijn. 2.3.7
Conclusie
Voorliggend initiatief ziet toe op de herontwikkeling van een kloostercomplex tot een nieuw maatschappelijk centrum. Vanwege het teruglopende aantal zusters, is gezocht naar nieuwe functies die recht doet aan de bestaande maatschappelijke functie, het gedachtegoed van de zusters en de cultuurhistorische waarde van het kloostercomplex en de kloostertuin. De herontwikkeling zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied. Door de voorgenomen ingrepen wordt het huidige gesloten karakter van het gebied geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het plangebied wordt daardoor beter beleefbaar gemaakt. Met het toevoegen van nieuwe woningen wordt voorzien in een deel van de actuele woningbehoefte binnen Veghel. Daarnaast zorgen de woningen voor een nieuwe economische drager om renovatie van de Rijksmonumenten binnen het plangebied mogelijk te maken en deze ook te onderhouden in de toekomst. Ditzelfde geldt voor de cultuurhistorische kloostertuin.
37
Hoofdstuk 3 3.1
Haalbaarheid
Inleiding
Ten behoeve van de bestemmingsplanherziening moet de uitvoerbaarheid van het plan worden aangetoond. Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, water, externe veiligheid, archeologie en economische haalbaarheid. De beoogde ontwikkeling is op deze aspecten getoetst. In dit hoofdstuk is aangegeven wat hiervan de resultaten zijn. In dit hoofdstuk wordt voornamelijk de ontwikkelingen in deelgebied Kloostercomplex en deelgebied Buitenbosje getoetst. In deelgebied Kloostertuin zijn geen ontwikkelingen voorzien. Dit deelgebied is dan ook beheersgericht in dit bestemmingsplan opgenomen. In de meeste paragrafen wordt het plangebied in zijn geheel getoetst. In een aantal paragrafen wordt voor de duidelijkheid echter een onderscheid gemaakt. Dit is aangegeven in de betreffende paragrafen.
3.2
Beleid
3.2.1
Algemeen
In deze paragraaf wordt een analyse gegeven van het relevante beleidskader. De beleidsnota's die direct of indirect doorwerken in voorliggend bestemmingsplan, worden in deze paragraaf behandeld. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is het relevante beleid op Europees niveau buiten beschouwing gelaten en op Rijksniveau beperkt gehouden. Per bestuurslaag is een korte samenvatting gegeven van de meest relevante aspecten uit de verschillende beleidsnota's, alsmede de consequenties voor het voorliggende plan. 3.2.2
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig gebleken omdat de verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit gedateerd zijn door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden, zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder invloed van groei, stagnatie en krimp, die gelijktijdig plaatsvinden. Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de visie worden ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden. De structuurvisie vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De Structuurvisie Nationaal Waterplan blijft in zijn huidige vorm als uitwerking van de SVIR bestaan.
38
In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn). De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk 'concurrerend', 'bereikbaar' en 'leefbaar&veilig'. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelstellingen en dertien nationale belangen zijn: 1. Concurrerend = Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: - Nationaal belang 1: een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; - Nationaal belang 2: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; - Nationaal belang 3: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; - Nationaal belang 4: Efficiënt gebruik van de ondergrond; 2. Bereikbaar = Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.
Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: - Nationaal belang 5: Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; - Nationaal belang 6: Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarweg; - Nationaal belang 7: Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 3. Leefbaar & veilig = Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn: - Nationaal belang 8: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; - Nationaal belang 9: Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling; - Nationaal belang 10: Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; - Nationaal belang 11: Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; - Nationaal belang 12: Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk belang opgenomen: -
Nationaal belang 13: Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid.
39
Toetsing In dit plan is nationaal belang 10, te weten ruimte voor behoud en versterking van (inter) nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, van toepassing. Het kloostercomplex met de kloostertuin is in algemene zin van grote cultuurhistorische waarde. Daarnaast geldt in het bijzonder de cultuurhistorische waarde van het Moederhuis met Gasthuisvleugels en de Kapel die als Rijksmonument zijn aangewezen. In paragraaf 3.6 wordt weergegeven hoe in dit bestemmingsplan met dit belang wordt omgegaan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bepaalt dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.
Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het Natuurnetwerk Nederland en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Voor deze onderwerpen voorziet het besluit ook niet in de (definitieve) begrenzing. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen. Toetsing Het plangebied is in één van de aangewezen projectgebieden (Defensie) van het Barro gelegen. Het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel (met een straal van 15 kilometer) ligt over het grondgebied van de gemeente Meierijstad. Binnen het radarverstoringsgebied is een maximale hoogte opgenomen voor bouwwerken.
De in artikel 2.4 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) opgenomen maximale hoogtebeperking start op een hoogte 49 meter (hoogte van de radarinstallatie) en loopt op met een hoek van 0,25º tot een hoogte van 114 meter op een afstand van 15 kilometer van de installatie. De hoogte van de bebouwing die mogelijk gemaakt wordt binnen het plangebied blijft daar ruimschoots onder. Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid)
40
In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening. Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juni 2020 een toets aan de Lader voor duurzame verstedelijking uitgevoerd1. Deze toets is als Bijlage 4 bijgevoegd.
Uit de toets komt naar voren dat in het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de locatie is sprake van een grote behoefte aan nieuwe woningen van verschillende typen. Meer specifiek bestaat er voor de periode tot 2028 een behoefte aan 3.940 woningen in de gemeente Meierijstad. Meer concreet is er binnen Veghel behoefte aan 1.934 woningen, waarvan reeds 1.137 in harde plancapaciteit is voorzien. Derhalve is er een restbehoefte van 797 woningen. Voor het kloostercomplex zijn 100 woningen opgenomen in de inventarisatielijst. Het aantal te realiseren nieuwe woningen van 387 is meer dan het aantal dat aan het kloostercomplex is toegekend. Derhalve moeten op basis van kwalitatieve criteria nog 287 woningen aan het kloostercomplex worden toegekend. Uit de toets komt naar voren dat de herontwikkeling van het Kloostercomplex in alle opzichten voldoet aan de kwalitatieve wooncriteria. Het unieke woonconcept, aandacht voor sociale en middeldure huur en koopwoningen en de transformatie van leegstaand vastgoed op een van de belangrijkste inbreidingslocaties in Veghel maakt het plan tot een plan dat op vrijwel alle kwalitatieve aspecten goed scoort.
Conform richtinggevende principes uit de provinciale woonagenda: "ruim baan voor goede plannen" en "inbreiden en herbestemmen leegstaand vastgoed voor uitbreiding" zal dan ook in het kader van de eerste volgende monitoring van het woonbeleid in de woonagenda extra capaciteit aan het kloostercomplex moeten worden toegekend. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte aan woningen binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de (her)ontwikkellocatie. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant' De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende
41
jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de structuurvisie (zie navolgende paragraaf), vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Toetsing Het plan voorziet in de herontwikkeling van een kloostercomplex.
Het bestemmingsplan heeft onder meer tot doel om het plangebied te herontwikkelen tot een veilig en gezond woon-, zorg-, werk-, leeren leefgebied. Met de ontwikkeling volgens het Leefgoed concept wordt een moderne en door de gebruikers gedragen woon- en leefomgeving gerealiseerd waar zorg, werk, leren en ontmoeten samenkomen. De herontwikkeling van het plangebied zorgt voor een positief effect op de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De Rijksmonumentale bebouwing wordt van een toekomstbestendige functie voorzien. De nieuwe bebouwing en functies zorgen daarnaast voor een nieuwe economische drager om de renovatie van de Rijksmonumentale bebouwing en herstel van de Kloostertuin mogelijk te maken en deze ook duurzaam te onderhouden in de toekomst. Door de voorgenomen ingrepen wordt het huidige gesloten karakter van het gebied geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het plangebied en de cultuurhistorische waarde ervan wordt daardoor beter beleefbaar gemaakt. Het plan draagt bij aan de provinciale doelstellingen. Structuurvisie ruimtelijke ordening Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant in werking getreden. Deze structuurvisie is in 2014 partieel herzien. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening is het provinciaal ruimtelijk beleid vastgelegd tot 2025, met een doorkijk naar 2040.