CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

BP.TOE.Kloosterkwartier Veghel.2021-03-08.pdf

Raadsvergadering 29 april 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Bijlage 2: Vast te stellen BP 'Kloosterkwartier Veghel' met bijlagen waaronder het Masterplan 'Klooster Franciscanessen Veghel'26.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

68

voorzieningen. Deze voorzieningen zijn op basis van het geldende bestemmingsplan eveneens reeds grotendeels mogelijk. In paragraaf 3.8.2 wordt nader ingegaan op de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling. Uit het onderzoek komt naar voren dat de verkeersgeneratie voor de toekomstige functies in het plangebied tussen de 2.574 tot 2.728 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de berekening is echter uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de gehele toekomstige situatie is beschouwd. In de huidige situatie is ook al sprake van verkeersbewegingen, vanwege de huidige functies in het plangebied. Voor het aspect luchtkwaliteit wordt er vanuit gegaan dat de toename van het aantal verkeersbewegingen gelijk kan worden gesteld aan het aantal verkeersbewegingen die de functies in de nieuw te bouwen gebouwen genereren. De nieuw te bouwen gebouwen betreffen gebouwen A t/m H. Op basis van het programma in paragraaf 2.3.4 worden in deze gebouwen in totaal 270 (zorg)woningen gerealiseerd. Daarnaast biedt één gebouw ruimte aan 900 m2 aan maatschappelijke functies. De bijbehorende verkeersgeneratie is opgenomen in de navolgende tabel. omvang 108 46 116 900 m2 Totaal

functie sociale (zorg)woningen middeldure (zorg)woningen dure (zorg)woningen maatschappelijke functie

verkeersgeneratie 3,7 3,9 5,6 14,2

totaal 400 179 650 128 1.357

Op basis van het voorgaand neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief met 1.357 toe. Hiervan zal naar verwachting bij maximaal 2% sprake zijn van een vrachtwagen. Met behulp van de NIBM rekentool7 (versie maart 2020) is bepaald dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging (zie navolgende afbeelding). Deze tool gaat uit van een worstcase situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is op grond van de Wet milieubeheer niet noodzakelijk.

69

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool8 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2018 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2018, 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Een fragment van de kaart uit de monitoringstool is onderstaand opgenomen.

Fragment kaartbeeld NSL tool In het plangebied worden gevoelige functies beoogd, zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige

70

bestemmingen', in de vorm van zorgwoningen. Het plangebied ligt echter op meer dan 50 m van een provinciale weg en meer dan 300 m van een rijksweg. Zoals eerder aangegeven vindt er overigens geen overschrijding van de grenswaarden plaats. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 3.4.5

Niet gesprongen explosieven

Algemeen In de Tweede Wereldoorlog hebben in Nederland oorlogshandelingen plaatsgevonden. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat er in en om het plangebied nog niet gesprongen explosieven (NGE) in de (water)bodem aanwezig zijn. Toetsing Om de risico's op het aantreffen van NGE's binnen het plangebied in kaart te brengen is door Explosive Clearance Group een vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven uitgevoerd9. Dit onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld. Op basis van het uitgevoerde onderzoek dient geconcludeerd te worden dat er binnen een deel van het onderzoeksgebied een verhoogde kans is op het aantreffen van verschoten geschutsmunitie van Duitse nationaliteit in de niet-naoorlogs geroerde bodem. Nadere specificering omtrent hoeveelheden is op basis van feitelijke gegevens niet mogelijk. Wanneer er binnen het als verdacht aangemerkte gebied grondroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden in de niet naoorlogs geroerde grond, wordt geadviseerd de verdachte locaties waar bodemroeringen gepland zijn, nader te onderzoeken op de aanwezigheid van Duitse munitie van artillerie. De maximale diepte die hierbij aangehouden kan worden is circa 2,5 m -mv. Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 3.4.6

Externe veiligheid

Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te

71

bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Plaatsgebodnen risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi).

Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Toetsing Het initiatief ziet toe op het mogelijk maken van maximaal 400 (zorg)wooneenheden. Daarnaast zal het plangebied ruimte bieden aan diverse maatschappelijke voorzieningen.

Deze voorzieningen zijn op basis van het geldende bestemmingsplan reeds grotendeels mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van

72

de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met een blauw kader.

Uitsnede Risicokaart Nederland Stationaire risicobronnen In de omgeving van het plangebied zijn geen stationaire risicobronnen aanwezig. Mobiele bronnen Op circa 1,4 km ten noorden van het plangebied ligt de rijksweg A50. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De 10-6 contour van deze weg bedraagt 0 m voor het plaatsgebonden risico. Het invloedsgebied van deze weg bedraagt 880 m. Een nadere beoordeling van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.

73

3.5

Water

3.5.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. 3.5.2

Beleid

Waterschap Aa en Maas: Waterbeheerplan 2016-2021 Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het beleid van het waterschap Aa en Maas is vastgesteld in het Waterbeheersplan 2016 - 2021. Dit plan kent de volgende missie: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten”. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het waterschap een aantal beleidsuitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder en waaraan invulling gegeven moet worden: gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; doorlopen van de afwegingsstappen 'hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer'; hydrologisch neutraal bouwen; water als kans; meervoudig ruimtegebruik; voorkomen van vervuiling. Waardevol Water in Meierijstad (VGRP+ 2017-2022) De gemeente Meierijstad heeft in september 2017 een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) vastgesteld. In het plan streeft de gemeente nieuwbouwplannen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. 3.5.3

Situatie plangebied

Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juni 2020 een waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd10. Deze analyse is als Bijlage 12 bijgevoegd. Afvoer hemelwater In de waterhuishoudkundige analyse is de toename van verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling in beeld gebracht. Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak in de nieuwe situatie met circa 2.620 m2 toenemen. De gemeente en het waterschap hanteren als uitgangspunt om hydrologisch neutraal te bouwen bij nieuwbouw. De voorkeursvolgorde is infiltreren, bergen, afvoeren naar oppervlaktewater of afvoeren naar riolering. Bij een toename van verhard oppervlak tot 10.000 m² is de bergingseis 60 mm. Dat betekent dat er voor dit plan een minimale waterberging van (2.620 * 0,06=) 157 m³ gerealiseerd moet worden.

74

Omdat alle nieuwe gebouwen, volgens het beleid van gemeente en waterschap, niet mogen lozen op het gemengd rioolstelsel wordt er vanuit gegaan dat deze ook afgekoppeld worden. Hetzelfde geldt voor verhardingen die worden aangelegd bij de herinrichting van de openbare ruimte in het plangebied. Het totale afvoerend oppervlak bedraagt daarmee circa 1,4 ha. De bijbehorende berging bedraagt (14.000 * 0,06)= 840 m3. Een deel van het hemelwater afkomstig van het verharde oppervlakte kan worden geborgen in de vijver in deelgebied Kloostertuin. In de huidige situatie fungeert de gracht al als berging voor het plangebied en omliggende percelen. Op basis van aannames beschikt de gracht over een restcapaciteit van 140 m3 aan berging. De overige berging (700 m3) zal moeten worden gevonden in bergingsvijver 'Moedersgat' ten westen van het plangebied. In deze bergingsvijver is reeds 900 m3 aan berging gereserveerd voor de ontwikkeling in het plangebied. Bij de verder planuitwerking zal de wijze van afvoer van hemelwater afkomstig van verhard oppervlakte in het plangebied richting de gracht en de bergingsvijver 'Moedersgat' nader worden uitgewerkt. Grondwater en ontwatering Ter plaatse van de lager gelegen delen van het plangebied is sprake van een hoge gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Om grondwateroverlast te voorkomen is het aanlegniveaus voor gebouwen van belang.

Door de gemeente wordt geadviseerd een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter voor woningen met kruipruimte en woonstraten aan te houden. Bij bouwen zonder kruipruimte kan een geringere ontwateringsdiepte worden aangehouden. Geadviseerd wordt een drempelhoogte van 0,2 meter boven het straatpeil aan te houden. Dit betekent dat het noordelijk deel (gebouwen G en H) binnen deelgebied Kloostercomplex naar verwachting opgehoogd dient te worden. Oppervlaktewater In het plangebied is geen watergang van het waterschap gelegen. De dichtstbijzijnde primaire watergang is de Aa op circa 125 m ten (zuid)westen van het plangebied. In deelgebied Kloostertuin is een gracht en een vijver gelegen. Bij de aanleg van de kloostertuin stond de gracht in verbinding met het Moedersgat. Later is deze verbinding verdwenen. Inmiddels is er weer een verbinding tot stand gebracht door middel van duikers. De vijver met gracht dient voor de stedelijke afwatering. Er vinden geen ingrepen plaats ter plaatse van de gracht of de vijver die zorgen voor een afname van de bergingscapaciteiten van deze wateren. Riolering De Droog Weer Afvoer (DWA) zal op basis van de beschreven ontwikkeling meer dan 10 m³/uur zijn. Dit betekent een toename van het DWA.

Als er in de ontwikkeling ook bestaand oppervlak afgekoppeld wordt van de riolering, levert de toename in het DWA naar verwachting geen problemen met de afvoercapaciteit op. Waterkwaliteit Bij de bouw van de nieuwe gebouwen worden uitsluitend duurzame (niet-uitlogende) materialen toegepast waardoor de waterkwaliteit op peil blijft.

75

3.5.4

Watertoets

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat er waterbelangen zijn11. Deze belangen zijn zodanig van aard en omvang dat overleg met het waterschap gewenst is. De watertoets is als bijlage 3 bij de waterhuishoudkundige analyse (Bijlage 12) gevoegd. Het bestemmingsplan ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling inclusief de waterhuishoudkundige analyse wordt aan het waterschap toegezonden om het waterschap in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. 3.5.5

Overleg Waterschap Aa en Maas

PM overleg 3.5.6

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

3.6

Archeologie en cultuurhistorie

3.6.1

Algemeen

Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. 3.6.2

Archeologie

Archeologisch advies Door Hamaland Advies is oktober 2018 een archeologisch advies uitgebracht over het aspect archeologie in relatie tot de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied12. In het adviesdocument wordt een samenvatting gegeven van de onderzoeksresultaten uit eerder uitgevoerde onderzoeken (van RAAP13, Bodeminzicht14 en BAAC15 en 16). Daarnaast is een advies opgesteld met betrekking tot eventueel vervolgonderzoek. Het adviesdocument is als Bijlage 13 bijgevoegd. Op basis van de eerder uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd. De locatie kent een tweedeling qua bodemopbouw. De noordelijke helft (deelgebied Buitenbosje en deelgebied Kloostertuin) is oorspronkelijk een beekdal met beekeerdgronden behorend bij de Aa. Vanaf de late Middeleeuwen zijn deze gronden in gebruik als hooilanden, later in gebruik als Molenbeemd. De gebieden waren in de winter te nat voor permanente menselijke bewoning, omdat ze geregeld onder water stonden. De zuidelijke helft (deelgebied kloostercomplex) bestaat uit hoger gelegen droge gronden (dekzand), waarop vanaf de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd door plaggenbemesting een eerdlaag (hoge zwarte enkeerd) is gevormd. Dit waren hoofdzakelijk landbouwgronden tot de komst van het Klooster.

76

Uit het verkennend onderzoek van zowel RAAP als Bodeminzicht blijkt dat de bovengrond in het plangebied in bijna alle boringen bestaat uit een pakket relatief recent opgebracht puin, dat waarschijnlijk diende om het gebied bouw- en inrichtingsrijp te maken. De dikte van dit pakker varieert van circa 50 tot 220 cm. De grond bestaat vrijwel overal uit matig fijn zwak tot sterk siltig zand. Onder de puinlaag bevindt zich in het natte noordelijke deel in de meeste gevallen een matig tot sterk siltige, moerige, vochtige tot natte donkergrijze tot zwarte organische laag. De dikte van de laag ligt tussen de circa 20 cm en 150 cm. Onder deze laag bevindt zich een licht- tot donkergrijze C-horizont. In enkele boringen is bij zowel het onderzoek van RAAP als van Bodeminzicht onder de toplaag een veenpakket van wisselende dikte aangetroffen. Uit de vergelijking met de oudste plattegronden van de kloostertuin en de kadastrale kaart van 1811-1832 blijkt dat het vermoedelijk gaat om de vulling van inmiddels verdwenen delen van de oorspronkelijke grachtstructuren van de kloostertuin uit de jaren ‘20 van de vorige eeuw en slotenpatronen uit de periode daarvoor.

Uit het tuinhistorisch onderzoek van BAAC en de verslagen van Zuster Josepho van de aanleg van de kloostertuin blijkt dat het noordelijke parkgedeelte van het plangebied ontstaan is door ophoging met 120 cm grond die met kipkarren uit het Moedersgat (ten oosten van het plangebied) is aangevoerd in 1922/1923. Dit zou betekenen dat de zwarte iets humeuze organische laag die zowel door RAAP als Bodeminzicht zijn aangetoond in het verkennend booronderzoek, van subrecente datum is en van elders (Moedersgat) afkomstig is (ex situ). Daarmee is dit pakket naar niet te kwalificeren als een archeologisch waardevol niveau. De bodem onder de puinophoging en onder de tuinophoging is mogelijk nog wel intact en kan derhalve wel archeologische resten bevatten die te relateren zijn aan het beekdal van de Aa. De natuurlijke ondergrond is een relevant potentieel archeologisch niveau en bevindt zich op een diepte variërend van minimaal 100 cm-mv en maximaal 330 cm -mv. Een boring (boring 1 van RAAP) ligt op de overgang van het hoge naar het lage deel (hier is de C-horizont op 70 cm -mv aangetroffen). Daarmee is deze boring niet representatief voor het noordelijke lage deel van het plangebied.

Uit de onderzoeken van RAAP, Bodeminzicht en BAAC blijkt dat de natuurlijke ondergrond in het deelgebied Kloostercomplex ter plaatse van de aanwezige bebouwing sterk verstoord is door de bouw van het kloostercomplex en alle bijgebouwen. Buiten de bebouwing is onder een puinverharding een dikke laag subrecente puinhoudende grond aangetroffen op een ondergrond van dekzand. De dikte van het puinpakket bedraagt tussen de 100 en 220 cm. Eventuele archeologische resten kunnen zich nog hieronder bevinden in de top van het dekzandpakket. Daarbij gaat het gezien de verstoring door het puinpakket alleen ondiepe sporen zoals funderingen en water - en beerputten. De top van het dekzandpakket bevindt zich in het deelgebied op diepte variërend van minimaal 90 cm -mv en maximaal 220 cm -mv. Selectieadvies Deelgebied Kloostercomplex Dit hoger gelegen deelgebied van het plangebied is op te delen in een bebouwd deel en een onbebouwd deel. Op grond van het bouwhistorisch onderzoek en het tuinhistorisch onderzoek van BAAC kan herleid worden dat de aanwezige bebouwing (fundering) gezorgd heeft voor een verstoring tot in het natuurlijke dekzandpakket. De kans dat daarmee ter plaatse van de bebouwing nog potentiële archeologisch niveaus, sporen of vondsten aanwezig zijn is daarmee nihil. Vervolgonderzoek ter plaatse van de te slopen bebouwing wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Ter plaatse van de onbebouwde delen van het deelgebied is een dik subrecent puinpakket aangetoond

77

met een dikte variërend van 100 cm tot 220 cm. De top van het dekzandpakket bevindt zich op dieptes variërend van minimaal 90 cm -mv en maximaal 220 cm -mv. Omdat de top van het dekzandpakket vermoedelijk bij de aanleg van het kloostercomplex vergraven is, wordt geadviseerd om bij bodemingrepen dieper dan 120 cm-mv (bodemingrepen dieper dan het aanwezige puinpakket) verspreid over het deelgebied op de te nieuw te verstoren delen enkele proefsleuven te graven om te controleren of zich in de top van de natuurlijke ondergrond (C-horizont, dekzandpakket) nog archeologisch sporen en/of vondsten bevinden. Hierbij kan volstaan worden met een dekkingsgraad van 5% van het onderzoeksgebied (de te verstoren delen van het plangebied), omdat de trefkans op intacte archeologische vindplaatsen laag ingeschat wordt. Deelgebied Buitenbosje en deelgebied Kloostertuin Deze deelgebieden hebben deel uitgemaakt van het beekdal van de Aa. De bodem is in 1922/23 opgehoogd met 120 cm grond van buiten het plangebied (Moedersgat). Deze ophogingslaag komt vermoedelijke overeen met de door RAAP waargenomen matig tot sterk siltige, moerige, vochtige tot natte donkergrijze tot zwarte organische laag. Uit het historisch onderzoek van BAAC blijkt dat deze laag niet ouder is dan 1922 en van elders afkomstig is (ex situ).

Daarmee is dit pakket, omschreven als beekeerdgrond in het onderzoek van RAAP, niet meer archeologisch relevant. Om die reden wordt geadviseerd om het selectieadvies van RAAP bij te stellen. Proefsleuvenonderzoek wordt pas noodzakelijk geacht indien dieper gegraven wordt dan 100 cm-mv. Dit is diepte waarop de top van het dekzand (C-horizont) aangetroffen is in drie boringen van het verkennend onderzoek door RAAP. Selectiebesluit gemeente Meierijstad Het adviesdocument is beoordeeld door het bevoegd gezag. De gemeente heeft ingestemd met het voorgenoemde selectieadvies. Vervolgonderzoek Deelgebied Kloostercomplex In dit deelgebied wordt een parkeerkelder aangelegd. De bodemingrepen zullen daarbij dieper dan 120 cm -mv reiken. Om die reden is vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek benodigd. Deelgebied Buitenbosje In dit deelgebied worden twee nieuwe (zorg)woongebouwen gerealiseerd. Daarbij zal mogelijk de parkeervoorziening verdiept worden aangelegd. De bodemingrepen kunnen daarbij dieper dan 100 cm -mv reiken. Om die reden is vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek benodigd. Deelgebied Kloostertuin In dit deelgebied worden geen bodemingrepen uitgevoerd. Om die reden is vervolgonderzoek niet noodzakelijk.

Juridisch planologische bescherming archeologische waarden Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied is het gemeentelijk archeologiebeleid in dit bestemmingsplan verwerkt. Op de verbeelding en in de regels is een passende dubbelbestemming voor archeologie opgenomen. Op deze manier wordt gewaarborgd dat voorafgaand aan (diepe) bodemingrepen in deelgebied Kloostercomplex en deelgebied Buitenbosje eerst proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd. Voor deelgebied Kloostertuin geldt dat de dubbelbestemming er voor zorgt dat mogelijke archeologische waarden in de bodem beschermd tegen

78

eventuele bodemingrepen in de toekomst. 3.6.3

Cultuurhistorie

In paragraaf 2.1 is reeds ingegaan op historie van het plangebied. Het plangebied kent een bijzondere geschiedenis. Dit weerspiegelt zich in de overgebleven bebouwing en de kloostertuin. Om de cultuurhistorische waarde van de bebouwing en de kloostertuin in beeld te brengen is een bouwhistorische verkenning en een tuinhistorische verkenning uitgevoerd. Bouwhistorische verkenning van de gebouwen De bouw van het kloostercomplex begon in 1841 aan wat nu de Deken van Miertstraat heet en bestond uit een gesticht en het pand dat later het moederhuis werd. Vanaf 1853 volgden uitbreidingen. Er kwam een kostschool, een bewaarschool, een kapel (ontwerp: Pierre Cuypers) en het moederhuis. Ook daarna volgden in hoog tempo aanpassingen en uitbreidingen. Zo werden rond 1878 twee (gasthuis-)vleugels aan het voorhuis toegevoegd. In de periode van 1940 tot 1955 werden naar ontwerp van architect Van Halteren een nieuwe kapel, het ULO-gebouw en een internaat gerealiseerd op het complex. In 1988 werd het moederhuis ingrijpend verbouwd en het zogeheten Zigzag-gebouw gerealiseerd. Het Moederhuis met Gasthuisvleugels en de Kapel zijn inmiddels rijksmonumenten. Met name de kapel is van hoge monumentale waarde, zo leert de bouwhistorische verkenning van BAAC. Dat bureau spreekt van ‘een hoge mate van authenticiteit en zeldzaamheid’.

Dit geldt niet voor het moederhuis, dat in de jaren '80 van de vorige eeuw ingrijpend is veranderd. Kloostertuin De structurele hoofdopzet van de tuin is goed zichtbaar op een oude luchtfoto (zie afbeelding paragraaf 2.1.2), gemaakt kort na de oplevering van de kloostertuin (Sint Franciscushof genoemd). De vorm van de tuin werd vrijwel geheel bepaald door de grenzen van de kavels uit die tijd. Die grenzen vormen de basis voor de ‘omgrachting’ van de hele hof. De gracht heeft rechte stukken en hoeken die corresponderen met de kavellijnen. De platanenlaan is de ruggengraat van de hof. Het einden beginpunt van de laan zijn de aanzet van een hoofdpad in de vorm van een boog. Hiermee wordt een binnenterrein omsloten met in het hart een vijver. Vanuit de verschillende gebouwen in de periferie leiden routes over bruggen via de centraal gelegen vijver naar het klooster. De overige paden in de tuin hadden een secundaire functie. De hoofdstructuur is in de loop der jaren nogal eens veranderd, onder meer als gevolg van de uitbreiding van het ziekenhuis. Die veranderingen en de veranderende behoefte aan groente, fruit of bloemen zorgde ook voor een wijziging in het gebruik van de hof en daardoor tot een gewijzigde zonering en verdeling van de zogeheten kamers, de vlakken tussen paden.

Elke kamer kende doorgaans een eigen monocultuur en was louter boomgaard, gasveld, bloementuin of groentetuin. De hoofdelementen van de tuin zijn de ‘omgrachting’, de vijver, de platanenlaan, de begraafplaats, de dierenweide, wandelbosjes, de grote weide en het Buitenbosje (op de plaats waar eerder het Patronaatsgebouw/de huishoudschool stond). In de hof staan verschillende elementen zoals een prieel, een poort, heiligenbeelden en devotieplekken. De oude kavelstructuren en de relatie daarvan met de vorm van de gronden (in het algemeen en die van tuin en vijver) zijn belangrijk, zeker in combinatie met het patroon van paden. Dat geldt ook voor de diversiteit van functies, de devotierelicten en de structuren van water en groen. De tuin en het ontwerp van de paden kan niet los worden gezien van het grotere ensemble waarvan de tuin onderdeel is. Bij dat ensemble moet met name worden gedacht aan de gebouwen aan de Deken van Miertstraat en aan de Meester van Coothstraat. De tuin is ernstig aangetast toen de nutstuin een begraafplaats werd. Ook de uitbreiding van het ziekenhuis en de afscheiding van een stuk grond ten behoeve van een woonhuis droegen bij aan die aantasting. Er zijn echter nog altijd verschillende groenstructuren, boomgroepen en solitairen met monumentale waarde. Dat is vooral te

79

danken aan het feit dat ze dateren van de allereerste aanleg of vlak daarna. Cultuurhistorische waardering De cultuurhistorische waarden in het plangebied zijn een belangrijk uitgangspunt geweest bij de herontwikkeling. Op basis van de eerder genoemde onderzoeken van BAAC is een transformatiekader opgesteld. Met dit kader is vastgesteld wat de mogelijkheden en voorwaarden zijn om bij de herontwikkeling de cultuur- en historische waarden te respecteren. Het transformatiekader is opgesteld door deskundigen vanuit diverse disciplines: een stedenbouwkundige, architect en een landschapsarchitect. Naast deze deskundigen waren tevens de zusters, Zenzo, de Provincie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeente Meierijstad betrokken. Het transformatiekader maakt duidelijk wat de te koesteren essentie van het gehele complex is en welke bewegingsruimte er is bij het realiseren van nieuwe bestemmingen. Het transformatiekader vormde de basis van het masterplan voor de herontwikkeling (zie Bijlage 1). In het masterplan is, aan de hand van het bouwhistorisch onderzoek en het transformatiekader, bepaald welke bebouwing behouden dient te blijven, welke bebouwing goed te transformeren is en welke bebouwing het beste gesloopt kan worden om zo ruimte te bieden aan nieuwe bebouwing. die op zijn beurt weer de basis vormt voor dit bestemmingsplan.

De Rijksmonumenten in het plangebied blijven uiteraard behouden. Eén van de drijfveren achter de herontwikkeling van het klooster is immers de renovatie en het behoud van de rijksmonumenten. De wijze van renovatie wordt verder uitgewerkt en vindt plaats in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De herontwikkeling van het plangebied zorgt voor een positief effect op de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De Rijksmonumentale bebouwing wordt van een toekomstbestendige functie voorzien. De nieuwe bebouwing en functies zorgen daarnaast voor een nieuwe economische drager om de renovatie van de Rijksmonumentale bebouwing en herstel van de Kloostertuin mogelijk te maken en deze ook te onderhouden in de toekomst. Door de voorgenomen ingrepen wordt het huidige gesloten karakter van het gebied geopend en meer bij de rest van de stad getrokken. Het plangebied en de cultuurhistorische waarde ervan wordt daardoor beter beleefbaar gemaakt. Overleg De herontwikkeling van het plangebied vindt plaats in samenspraak met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In het kader van het vooroverleg wordt dit bestemmingsplan eveneens voorgelegd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Provincie Noord-Brabant. 3.6.4

Conclusie

De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

3.7

Flora en fauna

3.7.1

Algemeen

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten.

80

3.7.2

Toetsing

Quickscan natuurtoets Door Staring Advies is in oktober 2018 een quickscan natuurtoets uitgevoerd17. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna behandeld. Het onderzoek is als Bijlage 14 bijgevoegd. Gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming zijn de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland van belang. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kampina en Oisterwijkse vennen' ligt op ruim 17,6 kilometer afstand van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden, liggen op een nog grotere afstand, vanaf 27 km. Door de aard en de omvang van de activiteiten en door de ruime afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 'Kampina en Oisterwijkse vennen' en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Door de aard en omvang van de activiteiten, de grote afstand en het ontbreken van een ecologische binding zijn ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring op voorhand uit te sluiten. De extra (tijdelijke) stikstofdepositie die ontstaat als gevolg van de sloopwerkzaamheden is, gezien de relatief grote afstand tot de gevoelige habitattypen, verwaarloosbaar.

De Aa stroomt door Veghel heen en is aangewezen als ecologische verbindingszone (evz). Aangrenzend aan deze beek liggen enkele percelen die zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het Brabants natuurnetwerk. De afstand tussen de desbetreffende percelen en het plangebied bedraagt meer dan 700 meter. Zodoende worden er geen effecten verwacht ten aanzien van de kavels die behoren tot het Brabants natuurnetwerk. Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming is een literatuur- en veldonderzoek verricht. Uit het onderzoek komt naar voren dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is voor de volgende gebouwbewonende soorten: Huismus; Gierzwaluw; Steenmarter; Gebouwbewonende vleermuizen. Daarnaast is aanvullend onderzoek noodzakelijk voor de volgende boombewonende soorten: Roek; Boombewonende vleermuizen; Buizerd en Sperwer; Eekhoorn. Verder is (voor de kloostertuin) aanvullend onderzoek noodzakelijk gericht op vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.

81

Voor overige soort(groep)en is aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Nader ecologisch onderzoek Naar aanleiding van de quick scan is door Buro Ontwerp & Omgeving in september 2020 een nader onderzoek naar de soorten Roek, Gierzwaluw, Huismus, gebouwbewonende vleermuizen en Steenmarter uitgevoerd ter plaatse van deelgebieden Kloostercomplex en Buitenbosje18. Het nader onderzoek is als Bijlage 15 bijgevoegd. Navolgend wordt ingegaan om de uitkomsten van het onderzoek. In de quickscan werd ook aangegeven dat nader onderzoek naar Buizerd, Sperwer, boombewonende vleermuizen en vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen noodzakelijk was. Deze soorten komen (mogelijk) voor in deelgebied Kloostertuin. In deelgebied Kloostertuin zijn echter geen nieuwe ontwikkelingen beoogd. Om die reden is nader onderzoek naar deze soorten in dit deelgebied niet noodzakelijk. Roek In het buitenbosje zijn in totaal 39 roekennesten waargenomen, wat betekent dat deze plek functioneert als vaste rust- en verblijfplaats, evenals voortplantingsplaats. Een deel van de bomen waar de roekennesten zich bevinden worden gekapt. Om die reden dient voor deze soort een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

Gierzwaluw Op basis van het onderzoek is één nest van de Gierzwaluw geconstateerd in het ULO-gebouw. Omdat dit gebouw wordt gesloopt, moet een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Huismus Tijdens de veldbezoeken zijn er geen huismussen waargenomen in of rondom het onderzoeksgebied. Negatieve effecten op de Huismus als gevolg van de werkzaamheden kunnen daarom worden uitgesloten. gebouwbewonende vleermuizen In totaal zijn er vijf zomerverblijven en drie paarverblijven van vleermuizen waargenomen. Deze bevinden zich in het Zigzag-gebouw, de Wasserij, het ULO-gebouw en het Internaatgebouw. Aangezien deze gebouwen, met uitzondering van het Internaatgbouw worden gesloopt, moet een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Steenmarter Op basis van het nader onderzoek naar de Steenmarter wordt uitgesloten dat de te slopen bebouwing een vaste rust- en verblijfplaats vormt voor de Steenmarter. Negatieve effecten op de Steenmarter kunnen daarom worden uitgesloten. Nader onderzoek Eekhoorn In het najaar van 2020 wordt nader onderzoek uitgevoerd naar de Eekhoorn. De uitkomsten van het

82

nader onderzoek alsmede een eventuele ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming zal naar verwachting voor vaststelling van het bestemmingsplan bekend zijn dan wel worden verleend. Effectbeoordeling stikstofdepositie In de Quickscan natuurtoets is aangegeven dat de afstand tussen het plangebied en de voor stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden relatief groot is. Eventuele stikstofdepositie op deze gebieden wordt daarom verwaarloosbaar geacht. Om inzicht te krijgen in deze stikstofdepositie is door Buro Ontwerp & Omgeving een effectbeoordeling stikstofdepositie uitgevoerd19. De effectbeoordeling is als Bijlage 16 bijgevoegd. Uit de uitgevoerde effectbeoordeling blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van het kloostercomplex zowel in de bouwfase (de bouw van de nieuwe (zorg)woningen) als in de gebruiksfase (bewoning) geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr oplevert. Verder is in 2024 sprake van zowel een bouwfase als 50% van het programma in de gebruiksfase. Ook deze gecombineerde fase zorgt niet voor een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op omliggende Natura2000-gebieden. Er is geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Ontheffing Wet natuurbescherming Roeken In verband met de aanvraag van de ontheffing voor de Roeken is een activiteitenplan voor de verplaatsing van de Roeken opgesteld.

De aanvraag van de ontheffing is begin september 2020 bij de provincie ingediend. Deze zal naar verwachting voor vaststelling van het bestemmingsplan worden verleend. Ontheffing Wet natuurbescherming Gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen In verband met de aanvraag van de ontheffing voor de Roeken is een activiteitenplan opgesteld. De aanvraag van de ontheffing is eind september 2020 bij de provincie ingediend. Deze zal naar verwachting voor vaststelling van het bestemmingsplan worden verleend. 3.7.3

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt naar verwachting geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

3.8

Verkeer en parkeren

3.8.1

Algemeen

Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. 3.8.2

Verkeer

Door Goudappel Coffeng is september 2020 een berekening van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling gemaakt20. Tevens zijn de effecten van de verkeersgeneratie in beeld gebracht. Het rapport is als Bijlage 17 bijgevoegd.

83

De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van kencijfers van landelijk kennisinstituut CROW (publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’). Er zit een verband tussen de hoogte van de parkeernorm en het verkeersgeneratiekencijfer. Hoe hoger de parkeernorm, des te meer verkeersbewegingen zullen er zijn. In het rapport wordt ingegaan op de verkeersgeneratie aan de hand van de de parkeernormen van de gemeente Meijerijstad en de verkeersgeneratie op basis van de specifieke doelgroep. In de huidige situatie is ook al sprake van verkeersbewegingen, vanwege de huidige functies in het plangebied. Voor de berekening is echter uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de gehele toekomstige situatie is beschouwd. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van 2.728 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal als het aantal parkeerplaatsen conform de gemeentelijke norm wordt aangelegd. Opgemerkt wordt dat gerekend is met een worst-case situatie, aangezien onderbouwd is dat op deze locatie een lagere parkeernorm gehanteerd kan worden (zie navolgende paragraaf). In de praktijk zal de verkeersdruk dus ook lager zijn.

Het verkeer vanuit het plangebied (2.728 motorvoertuigbewegingen) verdeelt zich over verschillende wegen: verkeer van/naar ’s-Hertogenbosch/Schijndel/Utrecht/Rotterdam: via de Frisselsteinstraat; verkeer van/naar Eindhoven/Helmond: via de Markt; verkeer van/naar Uden/Nijmegen: via de Burgemeester De Kuijperlaan. Uit berekeningen in een verkeersmodel komt naar voren dat op alle wegen sprake is van een acceptabele verkeersdruk in 2030 zonder de functies in het plangebied. Als gevolg van de (toekomstige) functies in het plangebied zal de verkeersdruk per wegvak toenemen met circa 909 motorvoertuigbewegingen. Binnen de bestaande wegvakcapaciteit van de wegen kan de groei van het verkeer op een verkeersveilige wijze afgewikkeld worden. 3.8.3

Parkeren

Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Door Goudappel Coffeng is in september 2020 een parkeeronderzoek uitgevoerd21. Het onderzoek is als Bijlage 18 bijgevoegd. Gemeentelijke parkeernormen Op basis van de parkeernormen van de gemeente is er op het moment dat de aanwezigheidspercentages het hoogst zijn een parkeerbehoefte van 509 tot 513 parkeerplaatsen. Het is onwenselijk om in het plangebied veel ruimte aan parkeren toe te kennen. Dit vermindert drastisch de stedenbouwkundige kwaliteit van het plan. Om die reden is de norm inhoudelijk onderzocht in relatie tot het Leefgoed concept en omgeving ter vaststelling van de daadwerkelijke parkeerbehoefte. Opgave Leefgoed concept: parkeerplaatsen en daarmee autoritten verminderen Een doel van de ontwikkeling is om het centrum van Veghel een sociale en ruimtelijke impuls te geven ter verbetering van de levendigheid van het centrum. Meer autobewegingen in het centrum reduceren

84

echter de leefbaarheid. Daarom is het doel om het aantal motorvoertuigbewegingen tot een haalbaar minimum te beperken. Om die reden wordt ingezet op duurzame mobiliteit (goede fietsenstallingen en bouwen in de directe nabijheid van voorzieningen) en door bewust een lagere parkeernorm te hanteren. Het beperken van de parkeerplaatsen leidt tot een vermindering van het aantal verkeersbewegingen. Dit komt de leefbaarheid, verkeersveiligheid en bereikbaarheid ten goede. Daarnaast is de ervaring dat de verwachte doelgroep minder gevoelig is voor een auto in bezit, zeker als de voorzieningen op loopafstand liggen. De parkeernormen van Veghel zijn hoger dan het gemiddelde kencijfer van landelijk kennisinstituut CROW (‘Toekomstbestendig parkeren’). Het aanbieden van de parkeerplaatsen volgens de norm leidt tot meer autogebruik in het centrum (‘een parkeerplaats zal in de praktijk ook gebruikt gaan worden’), wat leidt tot een averechts effect met betrekking tot de leefbaarheidsdoelstelling. Op basis van de verwachte specifieke doelgroep is de verwachting, dat de parkeerbehoefte substantieel lager is dan de 570 – 604 parkeerplaatsen op basis van de parkeernorm. Specifieke doelgroep In het parkeeronderzoek is onderbouwd welke parkeerbehoefte reëel is, kijkend naar de specifieke doelgroepen en het huidige autobezit van de centrumbewoner.

Navolgend is een minimum en maximum variant van de parkeerbalans op basis van doelgroepenanalyse opgenomen.

Parkeerbalans op basis van doelgroepenanalyse (minimum variant)

Parkeerbalans op basis van doelgroepenanalyse (maximum variant) Op basis van de parkeernormen is er op het moment dat de aanwezigheidspercentages het hoogst zijn (zaterdagavond) een parkeerbehoefte van 279 - 281 parkeerplaatsen. Parkeeraanbod Aan weerszijden van de nieuwe ontsluiting in deelgebied Kloostercomplex worden haaksparkeerplaatsen op het maaiveld aangelegd. Daarnaast zal onder de ontsluiting en de

85

parkeerplaatsen een kelder worden aangelegd, die tevens voor parkeerdoeleinden zal worden gebruikt. In totaal gaat het om 220 parkeerplaatsen, verdeeld over het maaiveld en de parkeerkelder. In deelgebied Buitenbosje worden 75 parkeerplaatsen gerealiseerd deels onder de nieuwe gebouwen en voor het overige langs de straat. De gebouwen komen daarmee zelf op palen te staan. In totaal zal het plangebied ruimte bieden aan 295 parkeerplaatsen. Er is daarmee sprake van voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling binnen het plangebied zelf op te lossen. In het rapport is tevens een parkeerdrukmeting in de omgeving van het plangebied uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat 390 tot 399 van de 780 parkeerplaatsen binnen 250 m van het plangebied (acceptabele loopafstand voor bezoekers) beschikbaar zijn in de avonduren. Dit betekent dat in de omgeving tevens voldoende restcapaciteit beschikbaar is om incidentele pieken in de parkeerbehoefte op te vangen. 3.8.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.

3.9

Economische haalbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van kosten anderszins is verzekerd, en tevens locatie-eisen niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd. De gemeente neemt niet deel aan de ontwikkeling van het plan. De gemeente verzorgt de planologische kaders na toetsing van de planontwikkeling. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd via de legesverordening en een anterieure overeenkomst. In deze anterieure overeenkomst wordt tevens vastgelegd dat mogelijke planschade voor rekening van de initiatiefnemer is. Het vaststellen van een exploitatieplan is hiermee niet noodzakelijk. De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

86

Hoofdstuk 4 4.1

Juridische planaspecten

Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 4.1.1

Chw bestemmingsplan

Voor dit bestemmingsplan wordt gebruikt gemaakt van het innovatieve experiment artikel 7c van de Chw. Dit artikel geeft, vooruitlopend op de Omgevingswet, de mogelijkheid om (op onderdelen) af te wijken van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 7c biedt de mogelijkheid om naast het regels over een goede ruimtelijke ordening (ruimtelijke relevantie), ook regels ten behoeve van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit op te nemen in een bestemmingsplan. De basis van dit bestemmingsplan betreffen de regels voor een goede ruimtelijke ordening. Daar zijn de regels ten behoeve van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit aan toegevoegd. 4.1.2

Hoofdstukindeling van de regels

De regels van dit bestemmingsplan zijn verdeeld over vijf hoofdstukken: 1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Regels doelstellingen In dit hoofdstuk zijn de regels ten behoeve van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit opgenomen. In dit hoofdstuk zijn, in aanvulling op de reguliere regels voor het plangebied, regels opgenomen die bijdragen aan de doelstelling van het bestemmingsplan. 3. Bestemmingsregels In dit derde hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de

87

bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 4. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 5. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. 4.1.3

Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.

4.2

Dit bestemmingsplan

Navolgend wordt ingegaan op de bijzonderheden in dit bestemmingsplan. 4.2.1

Regels doelstellingen

In Artikel 3 zijn de doelstellingen van het bestemmingsplan opgenomen. De doelstelling is om het Leefgoed concept (zie paragraaf 2.3.2) in het plangebied toe te passen. Om dit doel te bewerkstellingen zijn regels opgenomen die toezien op: een veilig en gezond woon-, zorg-, werk-, leer- en leefgebied (Veilige en gezonde fysieke leefomgeving, artikel 3.2.1); het versterken en behouden van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van het plangebied (Cultuurhistorie, artikel 3.2.2);

88

Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Voor het eerste punt is opgenomen dat nieuwe functies en activiteiten de veilige en gezonde fysieke leefomgeving niet mogen aantasten. Daarvoor is onder andere bepaald dat de functies en activiteiten in het plangebied moeten passen bij het Leefgoed concept. Functies die niet passen bij het concept zijn om die reden niet toegestaan Cultuurhistorie Voor het tweede punt is opgenomen dat binnen de bestaande (cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen ook functies zijn toegestaan die op basis van de bestemmingsregels aan de gebouwen zijn toegekend (zie beschrijving bestemming 'Maatschappelijk') niet zijn toegestaan. Een voorwaarde hierbij is wel dat de functies passen bij het Leefgoed concept. Met deze regeling wordt beoogd dat aan de bestaande bebouwing een andere invulling kan worden gegeven, zodat leegstand wordt voorkomen. Leegstand kan namelijk een risico zijn voor de duurzame instandhouding van de gebouwen. 4.2.2

Bestemmingsregels

In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Groen', 'Maatschappelijk', 'Water en dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Natuur' opgenomen.

de

Groen Deelgebied Kloostertuin is grotendeels bestemd als 'Groen'. Daarnaast is ook het zuidelijke deel van deelgebied Buitenbosje met deze bestemming bestemd. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, gazons, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, evenementen, waterlopen en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen. Ondergeschikt aan deze functies zijn de gronden ook bestemd voor voorzieningen van algemeen nut, verhardingen en parkeervoorzieningen. De gronden binnen de bestemming zijn tevens aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapspark'. Voor deze aanduiding geldt dat de gronden tevens bestemd zijn voor de instandhouding van landschappelijke, beeldbepalende en cultuurhistorische waarden. Ter bescherming van deze waarden is in de regels van de bestemming 'Groen' een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Binnen deze bestemming zijn gebouwen toegestaan met een de maximale oppervlakte van 100 m2 en een maximale goothoogte van 4 m. Daarnaast geldt dat de gebouwen op minimaal 3 m afstand tot de bestemmingsgrens moeten worden gebouwd. Naast deze gebouwen zijn tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld erfafscheidingen) toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels.

Maatschappelijk Deelgebied Kloostercomplex en Deelgebied Buitenbosje zijn (grotendeels) bestemd als 'Maatschappelijk'. Ook de begraafplaats in deelgebied Kloostertuin heeft deze bestemming en is hiervoor op de verbeelding specifiek aangeduid. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, wonen in woningen en wonen in zorgwoningen, de uitoefening van een beroep aan huis in (zorg)woningen. Voor de woningen en zorgwoningen geldt dat

89

binnen deze bestemming in totaal maximaal 387 woningen dan wel zorgwoningen zijn toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca' is horeca toegestaan. Deze aanduiding is opgenomen ter plaatse van het Ontmoetingsgebouw en de Kapel. Naast de voorgenoemde functies zijn tevens tuinen, erven en terreinen, groenvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, wegen, straten en paden, parkeervoorzieningen, waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. In de regels van de bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toestaan van een bedrijf aan huis. Voor de afwijking gelden aanvullende voorwaarden voordat deze kan worden verleend. Op de verbeelding is ter plaatse van zowel deelgebied Kloostercomplex als deelgebied Buitenbosje een bouwvlak opgenomen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen deze bouwvlakken worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij een maximum bebouwingspercentage is aangegeven. In dat geval geldt het aangegeven bebouwingspercentage als maximum. Op de verbeelding zijn plaatselijk aanduidingen opgenomen van een maximum goot- en/of bouwhoogte. Ter plaatse van deze aanduidingen geldt de aangegeven goot- en/of bouwhoogte als maximum. Binnen het bouwvlak zijn ook ondergrondse bouwwerken toegestaan. De ondergrondse bouwdiepte van deze bouwwerken bedraagt maximaal 6 m onder peil.

Naast de gebouwen en ondergrondse bouwwerken, zijn tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld erfafscheidingen) toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn opgenomen in de bouwregels. Water De vijver en de gracht in deelgebied Kloostertuin zijn bestemd als 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder watergangen en waterberging, met de daarbij behorende taluds, bermen, oevers, beschoeiingen en onderhoudspaden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken, kademuren, bruggen, steigers, dammen en/of duikers. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 m. Voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden (zoals het dempen van oppervlaktewater) geldt een omgevingsvergunningsplicht. Waarde - Archeologie Het gehele plangebied is bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De voor 'Waarde Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Waarde - Natuur

90

De (kronen van de) monumentale bomen dit niet binnen de bestemming 'Groen' vallen, zijn bestemd met de dubbelbestemming ‘Waarde - Natuur'. De als ‘Waarde - Natuur' aangeduide gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van monumentale en beeldbepalende waarden van bomen. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd. Daarnaast geldt voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden (zoals het het rooien of vellen van bomen) een omgevingsvergunningsplicht. 4.2.3

Algemene regels

Naast de doelstellingsregels en bestemmingsregels bevat het plan een aantal overige algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.

91

Hoofdstuk 5 5.1

Procedure

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg wordt dit bestemmingsplan onder meer voorgelegd voorgelegd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Provincie Brabant en Waterschap Aa en Maas. Te zijner tijd worden in deze paragraaf de uitkomsten van het vooroverleg verwerkt.

5.2

Participatie

5.2.1

Participatie in het kader van het masterplan

Ten behoeve van het masterplan zijn meerdere participatieavonden gehouden. Navolgend wordt ingegaan op de inhoud van verschillende avonden. 21 november 2019, eerste avond: ideeëngeneratie/-toetsing De Zusters Franciscanessen, de initiatiefnemers van Leefgoed en rijksbouwmeester en Meierijstedeling Floris Alkemade lichtten de plannen toe en dan vooral de doelen die beoogd worden. Verder is het transformatiekader gepresenteerd en kregen de gasten de vraag om met ideeën en/of meningen te komen. Daarbij was zo ongeveer elk thema bespreekbaar: stedenbouwkundige ideeën, functies, verkeer, logistiek en leefbaarheid kwamen bijvoorbeeld voorbij. 16 december 2019, tweede avond: toetsing uitwerking op basis van input avond 1 Na een korte samenvatting van de eerste avond, gaf Floris Alkemade een toelichting op de concepten die nadien op stedenbouwkundig gebied zijn ontwikkeld. In groepen en plenair volgde een discussie en daaruit bleek dat er enthousiasme bestaat over het concept Leefgoed en dat twee bedachte woontorens van tien en elf lagen werden afgewezen door veel aanwezigen. Daarnaast kwamen er veel individuele belangen aan de orde. Avonden voor kleine groepen De voorgaande avonden leidden tot het besluit om extra avonden te organiseren voor steeds andere deelgebieden rond het complex.

Het zou de kans bieden om dieper op individuele belangen in te gaan en tegelijkertijd aanwezigen niet vermoeien met onderwerpen die voor hen amper interessant zijn. De volgende avonden zijn georganiseerd: 14 januari 2020 1e sessie Molenbeemden 21 januari 2020 1e sessie Deken van Miertstraat en centrum Veghel 28 januari 2020 2e sessie Molenbeemden 4 februari 2020 2e sessie Deken van Miertstraat en centrum Veghel 10 februari 2020 3e sessie Molenbeemden 12 februari 2020 3e sessie Deken van Miertstraat en centrum Veghel 3 februari 2020 1e sessie Stationsstraat 18 februari 2020 1e sessie Kloosterkwartier (Bernhoven-terrein) 20 februari 2020 2e sessie Stationsstraat, met wandeling in kloostertuin 4 maart 2020 1e sessie Mgr. Van den Tillaartstraat De ingelaste avonden droegen bij aan de kwaliteit van de dialoog, het wederzijds begrip en het draagvlak voor de gecreëerde oplossingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b4c00e9c-c0f4-4979-8798-ebc970c636a3