BP Schijndel Hoofdstraat 154 Toelichting
Tekst van het document
Uit de quickscan flora en fauna en het aanvullend soortenonderzoek blijkt dat door de sloop van de woning aan de Hoofdstraat 152, de zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wordt vernietigd. Ook wordt een nestlocatie van de gierzwaluw vernietigd. Om het planvoornemen alsnog mogelijk te maken zullen mitigerende maatregelen worden getroffen. Voor 1 juni 2021 zijn, minimaal 4, alternatieve verblijfplaatsen voor de gewone Dwergvleermuis aangebracht. Met de daadwerkelijke sloop van de woning kan dan vanaf 1 september 2021 worden gestart. Minimaal 2 weken voor de start van de sloop, en in de laatste maand van de gewenningsperiode, kan aangevangen worden met het langzamerhand ongeschikt maken van de oorspronkelijke verblijfplaatsen. In het geval van de gierzwaluw dient de sloop plaats te vinden buiten de periode van voortplanting van gierzwaluw, dit is de periode van half april tot half-eind augustus. Gierzwaluwen trekken na het broeden weg uit Nederland. De nesten zijn echter jaarrond beschermd. Ontheffing kan worden verleend als er mitigerende
38/73
maatregelen worden getroffen. De mitigerende maatregelen voor de gierzwaluw bestaan uit het plaatsen van minimaal 10 alternatieve verblijfplaatsen binnen een afstand van 100-200 meter van de huidige locatie. De maatregelen welke precies noodzakelijk zijn, zijn in een activiteitenplan opgenomen. In dat plan is onder andere een planning uitgewerkt en wordt bekeken waar alternatieve verblijfplaatsen worden aangebracht. Het plan dient als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag. De ontheffingsaanvraag is 2 maart 2021 ingediend. Na verlening van een ontheffing wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld voor de uit te voeren voorgenomen ruimtelijke ingreep. Alternatieve verblijfplaatsen en nestplaatsen zijn al voor de ontheffingsverlening aangeboden, waardoor alvast met de gewenningsperiode wordt rekening gehouden. In het kader van de te doorlopen bestemmingsplanprocedure is het aspect ecologie zorgvuldig en voldoende onderzocht. De ontheffingsaanvraag voor de gewone dwergvleermuis en gierzwaluw doorloopt een separate procedure. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is daarmee aangetoond.
6.2
Voorwaarden gemeente
De gemeente heeft enkele voorwaarden verbonden aan de ontwikkeling van de Aldi ter plaatse. De knotlinden aan de oostzijde van de Napoleonskerk hebben een beschermde status. Aangezien de nieuwe bebouwing op korte afstand van deze wordt gerealiseerd, is bescherming van deze bomen noodzakelijk. Er is een Boom Effect Analyse (hierna: BEA) uitgevoerd. De rapportage daarvan is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Uit de BEA blijkt dat de 7 knotlinden in goede conditie zijn en een redelijke kwaliteit hebben. De voorgenomen werkzaamheden zijn van beperkte invloed op een duurzame instandhouding van de bomen mits aan de volgende algemene voorwaarden wordt voldaan: Er dient een boomtechnisch toezichthouder (bomenwacht) te worden aangesteld. De toezichthouder beoordeeld of gemaakte afspraken worden nageleefd en dient als vraagbaak bij het ontstaan van knelpunten. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een gesloten herwerk te worden geplaatst ter hoogte van opsluitband van de huidige verharding; Het gebied binnen het gesloten hekwerk wordt aangegeven als 'Beschermd boomgebied'. Binnen de hekwerken mag geen opslag van grond of bouwmaterialen plaatsvinden en is lozen van (afval)water verboden. Het gebruik van zware machines op het wortelpakket (kwetsbare zone) is niet toegestaan. Dit leidt tot ernstige verdichting van de bodem.
Machines moeten dan ook zo opgesteld worden dat er zo min mogelijk over het wortelpakket gereden wordt. Indien tijdelijk de grondwaterstand omlaag gebracht dient te worden, dan dient dit te gebeuren in de periode oktober - maart. Grondwaterwijzigingen in de bladhoudende periode enkel onder toezicht en met een onderbouwd bewateringsplan opgesteld door een European Tree Technician (ETT) of aantoonbaar gelijkwaardig deskundig persoon; Routing bouwverkeer, leveringen en opslag materiaal en materieel gedurende de bouw afstemmen met Bomenwacht. De inrichting van het plangebied en het aangrenzende terrein (Catharinaplein) is in samenspraak met de
39/73
gemeente vormgegeven. De volgende afspraken zijn gemaakt: Er worden vogelvoorzieningen/neststenen (voor bijvoorbeeld de gierzwaluw en huismus) in of aan het gebouw gerealiseerd; De linker zijgevel aan het Catharinaplein krijgt een groene aankleding; Er wordt een doorlopende haag tussen de beschermde knotlindes geplant; Er worden (blok)hagen rondom de parkeervakken aangeplant; de parkeerkoffer direct ten westen van de nieuwbouw zal groen worden omzoomd door een blokhaag; Aan het parkeerplein (parkeervak 80 t/m 106) worden 4 nieuwe bomen aangeplant. Deze afspraken zijn ook terug te vinden in de anterieure overeenkomst die is afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Meierijstad. Op figuur 3.2 zijn de groenvoorzieningen ook conform het bovenstaande ingetekend.
40/73
Hoofdstuk 7 7.1
WATER
Inleiding
7.1.1 Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plan en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NWP) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) Verordening water Verordening ruimte Noord-Brabant Waterschapsbeleid In het gebied van het project is waterschap Aa en Maas de waterbeheerder. In het Waterbeheerplan beschrijft het waterschap haar strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het 'Waterbeheerplan 2016-2021 Werken met water, Voor nu en later' beschrijft het waterschap de hoofdlijnen van haar beleid uitgewerkt in verschillende thema's. Het huidige waterbeheerplan beschrijft de plannen voor de periode 2016 – 2021. De langetermijnstrategie uit het voorgaande beheerplan wordt voortgezet voor de verschillende thema's, zoals waterkwaliteitsverbetering,
41/73
vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding. Middels de Keur van Waterschap Aa en Maas is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregelen getroffen moeten worden. De Keur schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.
Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m²-10.000 m² en meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen' wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat.
7.2
Huidige situatie
Het plangebied bestaat momenteel uit de oude vestiging van Aldi en een woning. Het plangebied is in de bestaande situatie vrijwel geheel verhard. Alleen ter plaatse van het woonperceel zijn enkele plekken niet verhard. De voortuin is echter geheel verhard en in de achtertuin zijn terrassen en paden aangelegd. Alleen het gazon, met een oppervlakte van 300 m² is niet verhard. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging in de bebouwde kom is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Ten noorden van het plangebied bestaat de grond uit sterk lemig fijn zand op (kei-)leem. Met betrekking tot grondwater is ten noorden van het plangebied sprake van grondwatertrap V. Dit betekent dat de hoogste gemiddelde grondwaterstand (GHG) op 40 centimeter onder maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 10 meter +NAP. Waterkwantiteit Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt ook niet binnen de kern- en/of beschermingszone van een waterkering. In figuur 7.1 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de
42/73
informatie beschikbaar via de Legger Oppervlaktewateren van het waterschap Aa en Maas.
Figuur 7.1 Uitsnede Legger Waterschap Aa en Maas Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet in de kernzone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel.
7.3
Toekomstige situatie
Het plan is om de huidige Aldi uit te breiden. Dit zal onder andere gebeuren op de plek van de bestaande woning, die hiervoor gesloopt zal worden. Ook zal het Catharinaplein worden heringericht en wordt er een nieuw gebouw gerealiseerd met appartementen en op de begane grond commerciële ruimte.
43/73
Waterkwantiteit Momenteel is de locatie al volledig verhard. Met de ontwikkelingen zal de verharding niet toenemen. Het waterschap Aa en Maas stelt als eis dat de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. De gemeente Meierijstad heeft haar beleid echter vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2017-2022 (hierna: VGRP). Ontwikkelplannen kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden. Hierdoor ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater, met mogelijk overbelasting van het ontvangend oppervlaktewater en/of het rioleringssysteem. Bij dergelijke ontwikkelingen hanteren we als uitgangspunt dat plannen hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. Conform het VGRP dient een uitbreiding van verhard oppervlak gecompenseerd te worden met 60 mm berging / infiltratie. Het plangebied is circa 3.865 m² groot. In de bestaande situatie is ongeveer 3.515 m² verhard. Alleen de achtertuin bij de woning aan de Hoofdstraat 152 is met een oppervlakte van (worst-case) 350 m² niet verhard. In de nieuwe situatie worden nieuwe blokken groen gerealiseerd.
De parkeerkoffer aan de westzijde van het plangebied wordt groen ingepast en op de hoeken van de nieuwe parkeerplaatsen worden groenblokken gerealiseerd. Het planvoornemen voorziet in 200 m² nieuw groen. Per saldo zal dus 150 m² extra verharding als gevolg van het planvoornemen ontstaan. In het kader van het gemeentelijk beleid dient derhalve 9 m³ (150 x 0,06) berging te worden gerealiseerd.
44/73
7.2: Beoogde locatie waterberging
Aan de westzijde van het plangebied is een door groen omzoomde parkeerkoffer geprojecteerd. Direct ten westen van deze parkeerkoffer zal een waterberging worden gerealiseerd. Dit gedeelte binnen het plangebied heeft een oppervlakte van ruim 100 m². Door de gronden hier 20 à 30 centimeter met een oppervlakte van 80 m² (rode stippellijn figuur 7.2) af te graven en groen in te richten wordt een waterberging gerealiseerd met een capaciteit van 20 m³. Het is ook mogelijk om hier, onder eventuele parkeerplaatsen, infiltratiekratten aan te brengen. De beoogde infiltratiekratten hebben de volgende afmetingen: 2,4 meter lang x 0,6 meter breed x 0,42 meter diep: 0,6048 m³. Er zijn dus in totaal 15 infiltratiekratten nodig hetgeen een oppervlakten van circa 22 m² beslaat. De beoogde locatie is voldoende groot voor de realisatie van voldoende infiltratiekratten. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan het beleid zoals vastgelegd in de VGRP. Het planvoornemen wordt hydrologisch neutraal uitgevoerd. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame,
45/73
niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De in deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.
7.4
Conclusie
De ontwikkeling wordt plannen hydrologisch neutraal uitgevoerd. Het aspect water vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
46/73
Hoofdstuk 8 8.1
FYSIEKE BELEMMERINGEN
Kabels en leidingen
8.1.1 Beleid en normstelling Planologische relevante kabels en leidingen Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Hoofdtransportleidingen zijn buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen; aardgas hoofdtransportnet Gasunie, of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47,5 cm); defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47,5 cm) aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar. Overige leidingen kunnen planologisch relevant zijn als deze een onmisbare functie vervullen voor een groot gebied of voor kwetsbare functies of bedrijfsprocessen of als deze een veiligheidscontour hebben. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.
Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 8.1.2 Onderzoek In paragraaf 9.7 wordt geconcludeerd dat zich in of nabij het plangebied, op basis van de risicokaart, geen planologisch relevante leidingen bevinden. Ook zijn hier geen hoogspanningslijnen aanwezig. Het geldende bestemmingsplan voorziet ook niet in specifieke bestemmingen voor leidingen in de nabijheid van het plangebied. 8.1.3 Conclusie In of nabij het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen aanwezig welke planologische bescherming behoeven.
47/73
Hoofdstuk 9 9.1
MILIEUHYGIENISCHE VERANTWOORDING
Inleiding
Ruimtelijke Ordening en Milieubeleid hebben de zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving als gemeenschappelijke doelstelling. Alleen in een zorgvuldig afwegingsproces kan een optimale afstemming plaatsvinden tussen aan gebieden toegekende functies en het veilig stellen van een beschermingsniveau van het leefmilieu. Bestaande en nieuwe bestemmingen in een gebied zijn niet altijd op voorhand verenigbaar. Milieudoelstellingen en randvoorwaarden worden derhalve integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het ruimtelijke planvormingsproces meegewogen, zodat het gebruik van de schaars beschikbare ruimte niet leidt tot conflictsituaties.
9.2
M.e.r.-beoordeling
De beoogde ontwikkeling betreft de uitbreiding van de Aldi naar een winkel met een bruto vloeroppervlak van 1.380 m² en een winkelvloeroppervlak van 1.082 m². Gezien de omvang van het project wordt de ontwikkeling gezien als een stedelijke ontwikkelingsproject (categorie D.11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m2 of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan. De betreffende Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling is opgenomen als separate bijlage behorende bij dit bestemmingsplan.
Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen uitgebreide plan-of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning een besluit genomen moeten worden op de m.e.r.-beoordeling.
48/73
9.3
Bodem
9.3.1 Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 9.3.2 Onderzoek In het verleden zijn ter plaatse van het plangebied diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Door middel van een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is in eerste instantie bekeken of er redenen zijn om op de locatie (nader) bodemonderzoek uit te voeren. De rapportage van dat onderzoek is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. Op basis van de voormalige bebouwing op de onderzoekslocatie en de zintuiglijke verontreinigingen (puin en matig baksteenhoudend) in de boringen uit het archeologisch onderzoek (zie paragraaf 5.2) wordt de gehele onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd. Geadviseerd wordt een verkennend onderzoek asbest in bodem uit te voeren in verband met het aangetroffen puin.
Onder het asfalt en klinkers van het parkeerterrein aan de noordzijde van de Aldi is een puinlaag aanwezig die separaat onderzocht dient te worden op asbest. Conform het advies is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. De bodem ter plaatse bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus en ter plaatse van boring 05 zwak gleyhoudend. Plaatselijk is de boven- en ondergrond zwak grindig. De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk gleyhoudend. Vanaf 3,5 m -mv bevindt zich een zwak tot sterk siltige klei laag ter plaatse van boring 01. De bovengrond is zwak puinhoudend en ter plaatse van boring 14 sterk puinhoudend. Verder is de bovengrond zwak koolhoudend ter plaatse van boring 11. De bovengrond ter plaatse van boring 01 en 09 bestaat volledig uit puin. De ondergrond ter plaatse van boring 07 is zwak baksteenhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Boring 03 is gestuit op een leiding. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.
Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A1: gehele terrein NEN 5740 Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de
49/73
onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. De bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, koper, kwik en lood. De ondergrond ter plaatse van boring 07 is licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Deellocatie A2: asbest Verkennend bodemonderzoek asbest in bodem en puin NEN 5707/NEN 5897 Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden wel aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In het asbestmengmonster ASB-MM5 is analytisch in de bovengrond een verhoogd gehalte aan hechtgebonden asbest aangetoond in de fijne fractie. Het verhoogde asbestgehalte is hoogstwaarschijnlijk te relateren, gelet op de analyseresultaten, aan de aanwezigheid van een enkel stukje plaatmateriaal in het grondmengmonster. Het asbestgehalte in ASB-MM5 bedraagt 7,5 mg/kg d.s.. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren an een nader onderzoek asbest in bodem.
In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie, met uitzondering van mobiel zeven, behoeven ter ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Deellocatie A3: PFAS In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectielimiet aangetroffen. In de ondergrond zijn de gehalten PFOS en PFOA eveneens boven de detectielimiet aangetroffen. Getoetst aan het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” voldoet de onderzochte bovengrond voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De onderzochte ondergrond voldoet op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de egels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. 9.3.3 Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem en puin kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie.
De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek.
50/73
9.4
Akoestiek
9.4.1 Toetsingskaders en onderzoek Industrielawaai/grote lawaaimakers De locatie maakt geen deel uit van een terrein dat op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is gezoneerd en valt evenmin binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Bovendien is geen sprake van geluidgevoelige functies. Het aspect industrielawaai is daarmee niet relevant. Activiteitenbesluit/inrichtingsgeluid De nieuwe supermarkt is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm). De toetsing aan het activiteitenbesluit is opgenomen in paragraaf 11.1. Wegverkeerslawaai Een supermarkt is geen geluidgevoelige functie op grond van de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer. In zoverre is het aspect wegverkeerslawaai niet relevant. Wel dient uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te worden beoordeeld of de beoogde ontwikkelingen zorgen voor een hoorbare toename van de geluidbelasting op de gevel van de langs omliggende wegen. Daarvan is sprake indien de geluidbelasting met 2 dB toeneemt. Een dergelijke toename zal zich pas voor kunnen doen indien de verkeersintensiteiten op deze wegen met 25% of meer toenemen. In dat geval is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (uitstralingseffecten) noodzakelijk. Op basis van de verkeerstoename zoals onderzocht in hoofdstuk 12, wordt de 25% drempel niet wordt overschreden. In dat kader is er dus geen akoestisch onderzoek nodig.
Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is wel uitgevoerd in het kader van de realisatie van de 2 nieuwe appartementen. Het betreffende onderzoek is opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting. Op basis van het uitgevoerde onderzoek geldt voor de 30 km/uur wegen Hoofdstraat / Kloosterstraat dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde met maximaal 9 dB overschrijdt. Echter kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde. Gezien de overschrijding van de richtwaarde is wel een akoestisch onderzoek gevelwering uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting. Op basis van dat onderzoek dienen er maatregelen getroffen te worden aan de beglazing en kierdichting en er dienen maatregelen getroffen te worden aan het hellend dak en dakkapel. Het bouwplan is hier op aangepast en voldoet aan de genoemde maatregelen. In de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd dat het toevoegen van nieuwe woningen alleen is toegestaan indien is aangetoond dat aan de maatregelen wordt voldaan.
51/73
9.4.2 Conclusie Industrielawaai en railverkeerslawaai zijn niet relevant. De locatie maakt geen deel uit van een terrein dat op grond van de Wet geluidhinder is gezoneerd. De supermarkt is geen geluidgevoelige functie. De nieuw te realiseren woningen zijn wel nieuwe geluidsgevoelige functies. De geluidsbelasting op de gevels van deze woningen is onderzocht. De richtwaarde wordt met maximaal 9 dB overschreden. In dat kader is een akoestisch onderzoek gevelwering uitgevoerd op basis waarvan de gevelwering ter plaatse van de appartementen wordt gerealiseerd. Daarmee wordt in de woningen voldaan aan de geldende normen.
9.5
Luchtkwaliteit
9.5.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de tabel 9.1. weergegeven. Tabel 9.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) ) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (Besluit nibm) In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.
52/73
9.5.2 Onderzoek In paragraaf 12.4 is berekend dat de verkeergeneratie op een werkdag met koopavond of een weekeinde circa 693 mvt/etmaal bedraagt. Omdat het gaat om een verplaatsing van een functie en om nieuwe mogelijkheden voor PDV/GDV (kenmerk: laag frequente aankopen) zal de omvang van het vrachtverkeer nauwelijks toenemen. De extra verkeersgeneratie is daarmee dusdanig beperkt dat het effect op de luchtkwaliteit in geen geval meer dan 3% bedraagt van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. In de NIBM-tool (versie 31-08-2020) is 2021 als jaar van planrealisatie aangehouden en 1% voor vrachtverkeer. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,56 µg/m³ en van fijnstof van 0,11 µg/m³ (figuur 9.1). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³.
Figuur 9.1. Bijdrage verkeer op luchtkwaliteit Op het plan is daarom het Besluit nibm van toepassing. Nader onderzoek is dan ook niet nodig.
53/73
Figuur 9.2 Maatgevende rekenpunt In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Hoofdstraat, direct ten zuiden van het plangebied (figuur 9.2). Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat voor de prognose in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020; 20,6 µg/m³ voor NO2, 19,1 µg/m³ voor PM10 en 11,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,9 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 9.5.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg.
9.6
Geur en gezondheid
Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 km van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de Provincie sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 km van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. Binnen een straal van 2 km van het plangebied liggen twee geitenhouderijen:
54/73
• Oetelaarsestraat 29, 480 geiten (circa 2.000 meter). • Boxtelseweg 10, 525 geiten (circa 1.600 meter). De gemeente wil meewerken aan kleinschalige private initiatieven indien de initiatiefnemers expliciet verklaren het (gezondheids)risico van ontwikkelen en bouwen binnen een straal van 2 kilometer en het procesrisico te aanvaarden. De betreffende verklaring is inmiddels door initiatiefnemer ondertekend. Het planvoornemen voorziet per saldo in de toevoeging van slechts 1 woning. In plaats van de woning aan de Hoofdstraat 152 worden binnen het plangebied 2 nieuwe appartementen gerealiseerd. Gelet op de ruime afstanden en de kleinschaligheid van het planvoornemen is sprake van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico en zijn er wat dit aspect betreft geen belemmering voor het (bestemmings)plan. De geurbelasting en fijn stof concentraties voldoen aan de geldende normen. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemmingen en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. In de omgeving bevinden zich geen bedrijven met pluimvee en varkens waardoor een verhoogde kans op zoonosen aanwezig is.
9.7
Externe veiligheid
9.7.1
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor
55/73
het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.
56/73
9.7.2
Onderzoek
Figuur 9.7 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied rood omcirkeld Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 9.7). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, het water of de weg en bevindt het plangebied zich niet in de veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit of effectafstanden uit de Circulaire effectafstanden LPG-tankstations. Ten zuiden op een afstand van circa 824 meter bevinden zich de buisleidingen Z-544-03 en Z-544-04. De buisleiding Z-544-03 heeft een diameter van 4 inch en een werkdruk van 40 bar. Dit geeft een invloedsgebied van 45 bar. Buisleiding Z-544-04 heeft een diameter van 6 inch, een werkdruk van 40 bar en een invloedsgebied van 70 meter. Het plangebied bevindt zich op ruimte afstand van de buisleidingen en valt niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet verantwoord te worden. 9.7.3 Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting of een invloedsgebied van vervoer van gevaarlijke stoffen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
57/73
9.8
Duurzaam en slim bouwen
De gemeente Meierijstad wil zich naar de toekomst toe klimaatbestendig en duurzaam ontwikkelen. Uit ruimtelijk oogpunt bezien, is het belangrijk om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), de belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. De bouwkundige duurzaamheid laat zich bijvoorbeeld uitdrukken in: duurzaam materiaalgebruik; slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); afvalscheiding toepassen van een uitstekend geïsoleerde thermische schil met een grote luchtdichtheid; vastgesteld ambitieniveau. Concreet voor het onderliggende bouwplan geldt dat gewerkt zal worden met een CO² warmte terugwinningssyteem. Volgens de huidige normen wordt de nieuwbouw tevens gasloos uitgevoerd.
58/73
Hoofdstuk 10 VERANTWOORDING FUNCTIONEEL PROGRAMMATISCHE ONTWIKKELING 10.1 De ladder voor Duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De ladder is per 1 juli 2017 aangepast waarmee de ladderbenadering is losgelaten. Wel dient nog te worden aangetoond dat er behoefte is aan de betreffende ontwikkeling en, indien de ontwikkeling plaatsvindt buiten bestaande stedelijke gebied, waarom de betreffende locatie het meest geschikt is. Aangezien onderhavig planvoornemen is voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied dient uitsluitend aangetoond te worden of er behoefte bestaat. De gehele ontwikkeling wordt in het kader van de ladder gezien als stedelijke ontwikkeling. In dat kader is voor de uit te breiden supermarkt een Ruimtelijk-Economische onderbouwing opgesteld (zie paragraaf 10.2. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt bij woningen op basis van jurisprudentie op circa 11-14 woningen. De realisatie van de 2 appartementen wordt dan ook niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Per saldo voorziet het planvoornemen in de toevoeging van slechts 1 wooneenheid. De bestaande woning aan de Hoofdstraat 152 wordt immers gesloopt.
Daarvoor in de plaats komt de uitbreiding van de supermarkt en de realisatie van 2 appartementen. De toevoeging van één woning binnen bestaand stedelijk gebied, is geen stedelijke ontwikkeling (uitspraak Raad van State van 16 september 2015, zaaknummer 201501297). Derhalve is toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Desalniettemin wordt in deze paragraaf ingegaan op de behoefte aan de betreffende appartementen. Beschrijving behoefte De relevante regio voor wonen is Uden-Veghel en omstreken binnen de regio Noordoost-Brabant.
59/73
Figuur 10.1:. Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017) Kwantitatieve behoefte De woningbehoefte in de gemeente Meierijstad blijkt uit diverse onderzoeken. Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2020 Doordat het aantal huishoudens de komende jaren nog sterk toeneemt, zijn er ook meer huizen nodig. Naar verwachting is in 2050 zo'n 43% van alle huishoudens een éénpersoonshuishouden. Vooral het aantal oudere alleenstaanden van 75 jaar en ouder neemt sterk toe. Vergeleken met de vorige prognose uit 2017 ligt de groei van de Brabantse bevolking duidelijk hoger. De indicatie voor de gemeente Meierijstad is ruim 3.600 woningen in de periode 2020-2030. Onderstaande tabel is richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.
60/73
Figuur 10.2 Indicatie toename woningvoorraad per gemeente, 2020–2040 Wonen in Regionaal Perspectief Noordoost Brabant West (november 2018) In 2018 zijn procesmatige afspraken gemaakt over de sociale en middeldure huur, binnenstedelijke transformatieopgaven en energietransitie. In het perspectief is een 'doe-agenda-2019' opgenomen. Aan elk thema is een bestuurlijke trekker verbonden. Afgesproken is dat nieuwe woningbouwplannen – en zowel inbreidings- als uitbreidingsplannen – die de hoge variant van de provinciale prognoses overstijgen, bestuurlijk worden afgestemd. Nieuwe uitbreidingsplannen worden altijd bestuurlijk afgestemd. Woonvisie Meierijstad, juli 2018 In de woonvisie wordt ingezet op de provinciale prognose van 3.940 woningen voor heel Meierijstad in de periode 2018-2028. Deze is verdeeld over de verschillende kernen.
Figuur 10.3: Woningbehoefte De kern Schijndel kent een woningbehoefte van 876 woningen in de periode van 2018-2028. Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve woningbehoefte is beschreven in de gemeentelijke Woonvisie. Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. De demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan maakt dat de gemeente kritisch moet kijken naar de soort woningen die aan de woningvoorraad
61/73
worden toegevoegd. De woningbehoefte van eenpersoonshuishoudens en ouderen is over het algemeen een andere dan die van tweepersoonshuishoudens en gezinnen; meer vraag naar huurwoningen, kleiner en betaalbaar wonen, meer gelijkvloers en meer nabij voorzieningen. Betaalbaarder wonen: soms vanwege de aanwezigheid van één inkomen, soms vanwege de wens kapitaal vrij te maken dat in de stenen zit. Door maatschappelijke tendensen als de toename van de deeleconomie, veranderingen in de vrijetijdsbesteding en ontwikkelingen in het sociale domein is er meer behoefte aan nieuwe woonvormen waarbij de bewoners wel over een zelfstandige woonruimte beschikken maar tevens gebruik kunnen maken van gemeenschappelijke ruimten en waar zorg geclusterd verleend kan worden. Uit een woonwensenonderzoek in de voormalige gemeente Veghel wordt geconstateerd wordt dat er de komende jaren een groeiende vraag naar huurwoningen en appartementen ontstaat. Op basis van verschillende onderzoeken is de inschatting dat er de komende 10 jaar bijna 1.000 sociale huurwoningen (25% van de geprognosticeerde woningbehoefte) nodig zijn. Naast huurwoningen zijn ook meer goedkope (<185.000 euro) en middeldure (185.00-275.000 euro, prijspeil 2018) koopwoningen nodig. Voor de komende 10 jaar zou er in Meierijstad een behoefte zijn aan 700 vrije sector huurwoningen (540-670 appartementen en 50-70 grondgebonden woningen).
Deze behoefte bestaat uit een huidige frictie tussen vraag en aanbod in met name Schijndel en een trendmatige behoefte in Veghel. Om de doorstroming van scheefwoners te bevorderen en mensen met een laag-middeninkomen (34.678 tot 38.165 euro, prijspeil 2018) meer mogelijkheden te geven, zijn er meer middeldure huurwoningen nodig. Hiermee worden woningen bedoeld met een huurprijs van 700 tot 1.000 euro per maand. De woningbehoeften zijn aan het veranderen; minder vraag naar dure koop en meer naar kleiner en huur. De bestaande woningbouwplannen sloten daar in 2018 nog onvoldoende op aan. In de woningbouwprogrammering voor de komende 10 jaar wordt de volgende verdeling aangehouden (prijspeil 2018) voor Meierijstad in zijn totaliteit: 25% sociale huur 15% huur vanaf € 710,-/maand 10% koop < € 185.000 (goedkoop) 20% koop € 185.000 tot € 275.000 (middelduur) 20% koop > € 275.000 (duur) 10% variabel in te zetten Er wordt prioriteit gegeven aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. Het plan aan de Hoofdstraat voorziet in de realisatie van middeldure koopappartementen op een inbreidingslocatie in Schijndel en sluit daarmee aan op de actuele woningbehoefte. Dit programma is afgestemd en goedgekeurd door de gemeente en vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Conclusie Ladderonderbouwing 2 appartementen Er zijn nog onvoldoende harde plannen en er is sprake van een grote woningbehoefte. Met appartementen op een binnenstedelijke herontwikkelingslocatie wordt invulling gegeven aan de kwalitatieve woningbehoefte in de kern Schijndel.
62/73
10.2 Verantwoording planontwikkeling in relatie tot de ladder Voor de realisatie van de nieuwe discount supermarkt is een Ruimtelijk-Economische onderbouwing (hierna: REO) opgesteld waaruit duidelijk blijkt dat er behoefte is aan de winkel. De betreffende onderbouwing is opgenomen in Bijlage 12 bij deze toelichting. In hoofdstuk 3 van het is geconcludeerd dat er behoefte is aan de uitbreiding van Aldi in Schijndel. Om een kwalitatief compleet supermarktaanbod te kunnen blijven bieden is het belangrijk om Aldi als harddiscounter te behouden voor de inwoners van Schijndel. Aldi heeft als harddiscounter een specifieke rol binnen het koopgedrag van consumenten. Bij harddiscounters doen consumenten vooral aanvullende discountaankopen bovenop de boodschappen die bij de reguliere supermarkten en speciaalzaken worden gekocht. De consument heeft behoefte aan een zo compleet mogelijk dagelijks winkelaanbod op aanvaardbare afstand. Uit het distributieplanologisch onderzoek wordt daarnaast geconcludeerd dat er als gevolg de uitbreiding van Aldi geen onaanvaardbare effecten zullen ontstaan op het woon-, leef- en ondernemersklimaat van Schijndel. Bovendien zijn de huidige ondernemers al bekend met Aldi in het marktgebied. Voor de consument in Schijndel betekent de ontwikkeling van Aldi een kwalitatieve verbetering van het supermarktaanbod.
10.3 Conclusie doorwerking en verantwoording Geconcludeerd wordt dat er behoefte is aan de beoogde uitbreiding van Aldi in Schijndel. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
63/73
Hoofdstuk 11
BEDRIJVEN EN VOORZIENINGEN
11.1 Bedrijven en milieuzonering 11.1.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 11.1.2 Onderzoek In de nieuwe situatie zijn de dichtstbijzijnde gevoelige bestemmingen de woningen die boven de supermarkt zijn en worden gesitueerd. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een gebied met functiemenging.
Een gebied met functiemenging is een gebied waar in enige vorm sprake is van functiemenging of een gebied waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen). Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven, kan bij gebieden met functiemenging gedacht worden aan: stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid. De term 'gebied met functiemenging' heeft betrekking op een milieuzonering binnen een gebied waar functiemenging voorkomt of wordt beoogd. Deze term heeft dus altijd betrekking op de milieuzonering binnen het gebied zelf. Binnen gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden uit bijlage 1 uit de VNG-publicatie zijn dan niet toepasbaar. Hiervoor is in bijlage 4 van de VNG-publicatie een Staat-van Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging opgenomen. In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: Categorie A
64/73
Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zijn bouw bouwkundig afgescheiden van woningen en/of andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Een supermarkt valt onder categorie B en in de VNG-brochure wordt aanbevolen deze bouwkundig af te scheiden van de woonfuncties. In principe betekent bouwkundig afgescheiden dat de gebouwen geheel los van elkaar staan, hetgeen binnen het planvoornemen niet wordt beoogd. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de VNG-brochure alleen aangeeft, wat zonder extra maatregelen, of voorzieningen in zijn algemeenheid aanvaardbaar is. Wonen boven een supermarkt is dus in zijn algemeenheid niet direct mogelijk.
Om aan te kunnen tonen dat ter hoogte van de omliggende bestaande en nieuwe woningen/appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, is een akoestisch onderzoek Omgevingslawaai uitgevoerd. De rapportage van dat onderzoek is opgenomen in Bijlage 13 bij deze toelichting. In het onderzoek zijn de geluidniveaus tijdens de representatieve bedrijfssituatie van de Aldi berekend en getoetst aan de gestelde geluideisen. Daaruit blijkt dat er voor wat betreft het aspect geluid van de Aldi geen bezwaren zijn de beoogde juridisch-planologische procedure door te voeren.
11.1.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai is gebleken dat het planvoornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
65/73
Hoofdstuk 12
VERKEER
12.1 Inleiding Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte bepaald met de gemeentelijke parkeernormen (Nota parkeernormen Meierijstad 2018) en de verkeersgeneratie op basis van kencijfers uit CROW publicatie 317 (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Het kencijfer wordt bepaald aan de hand van de stedelijkheid (adressendichtheid), Schijndel heeft een "weinig stedelijk" karakter. Het plangebied ligt in het gebied "schil centrum". Binnen de bandbreedte van het kencijfer wordt het gemiddelde gehanteerd op basis van het gemiddelde autobezit van de gemeente ten opzichte van het landelijk gemiddelde.
12.2 Huidige verkeersstructuur Het plangebied wordt ontsloten door de Hoofdstraat. Op de Hoofdstraat geldt, zoals binnen ge gehele bebouwde kom van Schijndel, een maximum snelheid van 30 km/uur. Vanaf de Hoofdstraat kan via de Akkerstraat het parkeerterrein aan de achterzijde van de supermarkt worden bereikt. De parkeerterrein 'Catharinaplein' is tevens toegankelijk via de Sint Servatiusstraat. Op de Hoofdstraat zijn aan weerszijden van de weg fietsstroken aanwezig. In zuidelijke richting verbindt de Kloosterstraat en Schootsestraat het plangebied met de provinciale weg N618, vanwaar het hoofdwegennet kan worden bereikt. In zuidoostelijke richting kunnen via de Hoofdstraat overige bestemmingen binnen Schijndel worden bereikt.
12.3 Nieuwe verkeersstructuur In de nieuwe situatie wordt het parkeerterrein aan de achterzijde van de winkel heringericht. Aan de verkeersstructuur verandert echter niks. Het parkeerterrein blijft bereikbaar via de Akkerstraat aan de oostzijde en de Sint Servatiusstraat aan de noordwest zijde. De nieuwe winkel zal worden bevoorraad bij het laad- en losdock aan de achterzijde van de winkel. Bij de herinrichting van het parkeerterrein is er rekening mee gehouden dat bevoorradend vrachtverkeer de benodigde manoeuvre op een veilige manier uit kan voeren. Het vrachtverkeer wikkelt vervolgens, net als in de huidige situatie, via de Akkerstraat af naar de Hoofdstraat.
66/73
12.4 Verkeersaantrekkende werking De uitbreiding van de Aldi supermarkt heeft tot gevolg dat de verkeersgeneratie van het plangebied verandert. Tabel 2 toont de huidige en toekomstige verkeersgeneratie, beide berekend op basis van kencijfers van het CROW. Hierin is meegenomen dat het bruto vloeroppervlak van de winkel toeneemt van 795 m2 bvo naar 1.450 m2 bvo. Tevens is rekening gehouden met het feit dat er 1 woning met opstallen verdwijnt en dat hiervoor in de plaats 80 m2 bvo commerciële ruimte en 2 appartementen worden gerealiseerd. Tabel 12.1 Verkeersgeneratie Situatie Functie Huidig Supermarkt Koop, huis, vrijstaand Totaal huidig Toekomstig Supermarkt Commerciële dienstverlening Koop, appartement, midden Totaal toekomstig Toename
Aantal 795 m2 bvo 1 woning
Kencijfer CROW 381 110,7 per 100 m² bvo 8,1 per woning
1.450m2 bvo 80 m2 bvo 2 woningen
110,7 per 100 m² bvo 13,65 per 100 m² bvo 5,9 per woning
Verkeersgeneratie 880,1 8,1 888,2 mvt/etmaal 1.605,15 10,92 11,8 1.627,87 mvt/etmaal 739,67 mvt/etmaal
De verkeersgeneratie van het plangebied neemt als gevolg van de ontwikkeling toe met 740 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Verkeer van en naar de supermarkt verspreidt zich vanaf het parkeerterrein over de twee toegangen (Akkerstraat en Sint Servatiusstraat). Deze en de omliggende ontsluitingswegen bieden voldoende capaciteit om deze toename in verkeer te verwerken. Bovendien kent de Aldi haar bezoekerspiek over het algemeen op vrijdag- en zaterdagmiddag, terwijl de ontsluitingswegen in het spitsuur op werkdagen maatgevend zijn. Hierdoor kan de verkeerstoename zonder problemen worden afgewikkeld.
12.5 Parkeren In het kader van deze ontwikkeling is de parkeerdruk ter plaatse nader onderzocht. Het nader onderzoek is gerapporteerd in de notitie 'Parkeeronderzoek uitbreiding Aldi Schijndel' zoals opgenomen in Bijlage 14 bij deze toelichting. Na planontwikkeling neemt de parkeercapaciteit van de openbare parkeerplaatsen op het Catharinaplein toe met 32 parkeerplaatsen. Daarnaast zullen er 6 inpandige parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten behoeve van de bewoners van de bestaande appartementen. De parkeerbehoefte van de totale ontwikkeling na dubbelgebruik bedraagt 35 en dient op de openbare parkeerplaatsen te worden opgevangen. Dat betekent dat er nog een resterende parkeervraag is van 3 parkeerplaatsen. Een deel van de parkeerbehoefte van de uitbreiding van de Aldi wordt veroorzaakt door medewerkers en berekend is dat de parkeerbehoefte van deze medewerkers 3 parkeerplaatsen betreft. Omdat voor medewerkers in het parkeernormenbeleid is opgenomen dat zij binnen een maximale loopafstand van 400m van de planontwikkeling mogen parkeren, mag de resterende parkeervraag van 3 in een ruimer gebied worden opgevangen, dan alleen het parkeerterrein dat nu wordt uitgebreid met 32 parkeerplaatsen.