CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Schijndel Hoofdstraat 154 Toelichting

Raadsvergadering 10 mei 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan 'Schijndel Centrum 2009, herziening Hoofdstraat 152-154'19.149 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Bestemmingsplan Schijndel Centrum 2009, herziening Hoofdstraat 152-154 Meierijstad

DATUM IMRO IDN

NL.IMRO.1948.SCH001BP0022020P-VG01

PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20192071

AUTEUR STATUS

vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

6 INLEIDING

7

1.1

Achtergrond en doel van het plan

7

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

7

1.3

Geldend bestemmingsplan

8

1.4

Leeswijzer

10

BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE

11

Huidige situatie plangebied

11

Hoofdstuk 3

PLANVOORNEMEN

12

3.1

Uitbreiding supermarkt

12

3.2

Bestaande te handhaven bebouwing

12

3.3

Nieuwbouw

12

3.4

Kwaliteitsimpuls

16

Hoofdstuk 4

BELEIDSKADER

17

4.1

Rijksbeleid

17

4.2

Provinciaal beleid

18

4.3

Regionaal beleid

21

4.4

Gemeentelijk beleid

23

4.5

Conclusie beleid

28

CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE

29

5.1

Cultuurhistorie

29

5.2

Archeologie

30

GROENSTRUCTUUR EN NATUUR

35

6.1

Wet Natuurbescherming

35

6.2

Voorwaarden gemeente

39

Hoofdstuk 7

WATER

41

7.1

Inleiding

41

7.2

Huidige situatie

42

7.3

Toekomstige situatie

43

7.4

Conclusie

46

Hoofdstuk 2 2.1

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 6

3/73

Hoofdstuk 8

FYSIEKE BELEMMERINGEN

47

Kabels en leidingen

47

MILIEUHYGIENISCHE VERANTWOORDING

48

9.1

Inleiding

48

9.2

M.e.r.-beoordeling

48

9.3

Bodem

49

9.4

Akoestiek

51

9.5

Luchtkwaliteit

52

9.6

Geur en gezondheid

54

9.7

Externe veiligheid

55

9.8

Duurzaam en slim bouwen

58

VERANTWOORDING FUNCTIONEEL PROGRAMMATISCHE ONTWIKKELING

59

10.1

De ladder voor Duurzame verstedelijking

59

10.2

Verantwoording planontwikkeling in relatie tot de ladder

63

10.3

Conclusie doorwerking en verantwoording

63

BEDRIJVEN EN VOORZIENINGEN

64

Bedrijven en milieuzonering

64

Hoofdstuk 12

VERKEER

66

12.1

Inleiding

66

12.2

Huidige verkeersstructuur

66

12.3

Nieuwe verkeersstructuur

66

12.4

Verkeersaantrekkende werking

67

12.5

Parkeren

67

12.6

Eindconclusie

68

JURIDISCHE PLANOPZET

69

13.1

Algemene opzet

69

13.2

Toelichting op de bestemmingen

69

Hoofdstuk 14

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

71

Hoofdstuk 15

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

72

15.1

Omgevingsdialoog

72

15.2

Vooroverleg

72

15.3

Inspraak

72

15.4

Ontwerpbestemmingsplan

72

15.5

Vaststelling

73

8.1

Hoofdstuk 9

Hoofdstuk 10

Hoofdstuk 11 11.1

Hoofdstuk 13

4/73

15.6

5/73

Beroep

73

Toelichting

6/73

Hoofdstuk 1 1.1

INLEIDING

Achtergrond en doel van het plan

De bestaande Aldi in het centrum van Schijndel, binnen het huidige pand aan de Hoofdstraat 154, niet langer renderen door een te klein winkelvloeroppervlak (588 m²). Aldi is dan ook voornemens om op dezelfde locatie een nieuwe, moderne en grotere winkel te realiseren. Hiervoor zijn de percelen aan de Hoofdstraat 152 en het Catharinaplein 15 aangekocht. De beoogde winkel krijgt een winkelvloeroppervlakte van circa 1.050 m² en wordt voorzien van een inpandige laad- en losruimte, een magazijn en een kantine. Daarnaast worden hier ook inpandige parkeerplaatsen gerealiseerd. Om de nieuwe winkel te kunnen realiseren worden de woning en de bijbehorende bouwwerken aan de Hoofdstraat 152 alsmede de opstallen aan het Catharinaplein 15 gesloopt en dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. De uitbreiding van de winkel is namelijk in strijd met het bestemmingsplan 'Centrum 2009'. Om deze ontwikkeling toch juridisch-planologisch te kunnen regelen, is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Tevens zal de coördinatieregeling worden toegepast.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de rand van het centrum van de kern Schijndel. Schijndel maakt onderdeel uit van de gemeente Meierijstad en is in het noordwesten van die gemeente gelegen. Het plangebied is kadastraal bekend als: (kadastrale) gemeente Schijndel, sectie G, perceelsnummers 2170, 3566, 3866, 3867, 3880, 3881, 3882, 3883, 3884, 3885, 3886, 3887, 3888, 3889, 3890, 3891 en 5276 gedeeltelijk. Het plangebied is daarmee circa 4.375 m² groot..

7/73

Figuur 1.1: Begrenzing plangebied met luchtfoto i.c.m. kadastrale percelen (bron: ESRI Nederland, Kadaster). De grens van het plangebied bestaat aan de zuidzijde uit de Hoofdstraat. Aan de westzijde bestaat de grens uit het perceel behorende bij de Hervormde kerk aan de Hoofdstraat 150. Aan de noordzijde bestaat de grens globaal uit de straat Catharinaplein. Tot slot wordt het plangebied aan de oostzijde eerst begrensd door het perceel behorende bij het horecapand en de bovenwoningen aan de Hoofdstraat 158. Meer ten noorden bestaat de oostgrens uit de parkeerplaatsen aan het Catharinaplein.

1.3

Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Centrum 2009' en kent op basis van dat bestemmingsplan de bestemmingen: 'Centrumvoorzieningen'; 'Erf'; 'Tuin'; 'Verkeersdoeleinden'; 'Verspreide voorzieningen'; 'Woondoeleinden'.

8/73

Figuur 1.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Centrum 2009' met plangebied rood omlijnd

Ter plaatse van de huidige woning aan de Hoofdstraat 152 is een bouwvlak opgenomen. Ook ter plaatse van de huidige winkel is een bouwvlak opgenomen. Binnen de bestemming verkeersdoeleinden is een bouwvlak opgenomen in combinatie met de aanduiding 'garageboxen'. Tot slot is het gehele plangebied op basis van het geldende bestemmingsplan uit 2009 gelegen binnen een gebied met een 'hoge archeologische waarde'. Om het planvoornemen mogelijk te maken dient de bestemming ter plaatse gewijzigd te worden en wordt het bouwvlak uitgebreid.

9/73

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens ingegaan op het planvoornemen zelf. Het relevante (overheids)beleid wordt in hoofdstuk 4 beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de cultuurhistorische en archeologische waarden binnen het plangebied. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de effecten van het planvoornemen op de groenstructuur en eventueel aanwezige natuurwaarden. Hoofdstuk 7 bestaat uit de waterparagraaf. In hoofdstuk 8 wordt vervolgens ingegaan op mogelijke fysieke belemmeringen. De milieuhygienische verantwoording komt in hoofdstuk 9 aan bod, gevolgd door de verantwoording van het functionele programma. Hoofdstuk 11 bestaat uit de toetsing aan de bedrijven en milieuzonering. In hoofdstuk 11 wordt ingegaan op de effecten van het planvoornemen op de parkeerdruk ter plaatse, de verkeersaantrekkende werking en de verkeersafwikkeling. De juridische planopzet wordt in hoofdstuk 13 beschreven. Tot slot wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstukken 14 en 15.

10/73

Hoofdstuk 2 2.1

BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE

Huidige situatie plangebied

In de bestaande situatie is al een Aldi-winkel aanwezig. De bebouwing ter plaatse bestaat uit 3 bouwlagen en een setback. Aan de Hoofdstraat wordt het gevelbeeld bepaald door het hier gevestigde reisbureau. Aan de linkerzijde is de ingang tot de huidige Aldi gelegen. Boven het reisbureau zijn in totaal 7 appartementen gesitueerd met een oppervlakte variërend van circa 90 m² tot 150 m². De Aldi is aan de achterzijde van de commerciële plint aan de Hoofdstraat gelegen. De bebouwing bestaat hier grotendeels uit 1 bouwlaag met een platte afdekking. Aan de Hoofdstraat 152 is een woning gesitueerd. Deze verouderde woning is ten opzichte van de aangrenzende bebouwing iets naar achteren gelegen en bestaat uit 2 bouwlagen met een kap. Het bijbehorende perceel is voorzien van enkele bijgebouwen en verder ingericht als tuin. Aan de achterzijde van het perceel is aan het Catharinaplein 15 bebouwing in de vorm van garages aanwezig. Achter de huidige Aldi is het Catharinaplein aanwezig. Dit plein heeft een voornamelijke verkeersfunctie. Hier bevindt zich ook een ingang van de winkel. Verder bestaat het plein hier uit 18 parkeerplaatsen en zijn 8 garageboxen aanwezig. Tussen de parkeerplaatsen zijn wat groenvoorzieningen en bomen aanwezig.

11/73

Hoofdstuk 3 3.1

PLANVOORNEMEN

Uitbreiding supermarkt

Het planvoornemen bestaat uit de uitbreiding van de bestaande discount supermarkt aan de Hoofdstraat 154. De bestaande winkel heeft een bruto vloeroppervlak van 795 m² en een winkelvloeroppervlak van 588 m². Deze winkel zal uitgebreid worden naar een winkel met een bruto vloeroppervlak van 1.450 m² en een winkelvloeroppervlak van 1.082 m². Een vergroting dus van 655 m² bvo en 494 m² wvo.

3.2

Bestaande te handhaven bebouwing

Aan het uiterlijk van de bestaande bebouwing aan de Hoofdstraat zijn geen wijzigingen voorzien. Voor de bewoners van de bestaande appartementen worden nieuwe inpandige parkeerplaatsen gerealiseerd. De bestaande commerciële ruimte van het reisbureau blijft gehandhaafd.

3.3

Nieuwbouw

Om deze uitbreiding mogelijk te maken worden de naastgelegen woning en opstallen aan de Hoofdstraat 152 gesloopt. Ter plaatse van die woning zal, in de lijn van de bestaande bebouwing aan de Hoofdstraat, een nieuw gebouw worden gerealiseerd. Dit gebouw biedt ruimte voor de uitbreiding van de winkel, commerciële ruimten, 2 appartementen en de 2e entree van de Aldi. Daarnaast zullen inpandig op de begane grond verbouwingen plaatsvinden ten behoeve van het magazijn, het inpandige laden en lossen en inpandige parkeerplaatsen. Ook zal het achter gelegen Catharinaplein worden heringericht. Daardoor is het mogelijk om meer parkeerplaatsen te realiseren en wordt de ruimtelijke kwaliteit verbeterd.

12/73

Figuur 3.1: Concept Beoogde situatie na uitbreiding (bron: Den Hollander, 04-06-2020)

13/73

Figuur 3.2: Nieuwe situatie inclusief heringericht Catharinaplein (bron: Den Hollander, 10-02-2022) Op figuur 3.1 is de beoogde indeling van ruimtes weergegeven. De ruimte voor de winkel bestaat dus uit de winkel maar ook uit een inpandige laad- en losruimte, een magazijn en een kantine. Figuur 3.2 geeft de ontwikkeling in een groter geheel weer, ook de herinrichting van het Catharinaplein is daarbij weergegeven. De hoofdentree van de nieuwe Aldi zal zich aan het Catharinaplein bevinden. De achtergevel bevindt zich aan de Hoofdstraat. Hiervoor is gekozen omdat de beoogde nieuwe bebouwing op die manier beter in te passen is in het straatbeeld van de Hoofdstraat.

Figuur 3.3: Concept impressie voorgevel aan het Catharinaplein (bron: Den Hollander, 04-06-2020)

14/73

Figuur 3.4: Concept impressie achtergevel aan de Hoofdstraat (bron: Den Hollander, 04-06-2020)

Ten westen van de bestaande bebouwing wordt een nieuw gebouw gerealiseerd met de uitstraling van een woongebouw. Aan de zijde van de Hoofdstraat zal, net als in de huidige situatie, een nevenentree blijven bestaan. Om de supermarkt aan deze zijde een aantrekkelijk gevelfront te bieden, is er een stedenbouwkundig accent gecreëerd, bestaande uit een drielaags bouwblok met daarin 2 nieuwe appartementen. Door deze bouwmassa op te delen in tweeën, vindt er een parcellering plaats die zich goed voegt in het huidige straatbeeld van de Hoofdstraat, vol met afwisselende kapvormen, kleurstellingen en goothoogtes. Aan de Hoofdstraat wordt in de nieuwbouw op de begane grond circa 80 m² aan commerciële ruimte toegevoegd.

Figuur 3.5: Indeling nieuwe bebouwing vanaf aanzicht Hoofdstraat (bron: Den Holander, 19-08-2020)

De overgang tussen de nieuwbouw en de Monumentale Napoleonskerk is met aandacht vormgegeven. Door de

15/73

beide deelmassa's van de nieuwbouw een andere kap te geven met eenzelfde goothoogte is een eigen sfeer gecreëerd en wordt tevens een duidelijke overgang naar het kerkpleintje gevormd. De langsgevel van de supermarkt naast het kerkje, daar waar de passant naar de hoofdentree van de winkel en de parkeerplaatsen aan het Catharinaplein wordt geleid, zal worden uitgevoerd in donkerrood metselwerk in een traditioneel metselband, inclusief uitkragende penanten die refereren aan dezelfde accenten in de kerkgevel. Het aantal glasvlakken zal tot een minimum beperkt blijven en er zullen geen reclame-uitingen aanwezig zijn aan deze zijde van de supermarkt. Door de goothoogte van de supermarkt direct naast de kerk bewust laag te houden, wordt een vriendelijke overgang gevormd naar de supermarkt zelf. De winkel bestaat hier dan ook uit 1 bouwlaag met een platte afdekking.

3.4

Kwaliteitsimpuls

Het planvoornemen voorziet in een ruimtelijke kwaliteitsimpuls door de clustering van bebouwing en functies, de realisatie van moderne, duurzame bebouwing en de herinrichting van het parkeerterrein aan het Catharinaplein. De bezoeker kan niet alleen gemakkelijk de ALDI-supermarkt bezoeken, maar tevens wordt de gelegenheid geboden om op een veilige wijze vanaf het Catharinaplein rechtstreeks het dorpscentrum te bereiken.

16/73

Hoofdstuk 4 4.1

BELEIDSKADER

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.

dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

17/73

Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Doorwerking plangebied Het planvoornemen is, op nationaal niveau, dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van de uitbreiding van een bestaande supermarkt in het centrum van Schijndel wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13.

Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallele Kaagbaan. Doorwerking plangebied De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingswet wil de Rijksoverheid alle regels voor de fysieke leefomgeving samenvoegen; over ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet beoogt minder en overzichtelijke regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. Daarmee moet het gemakkelijker worden om bijvoorbeeld een bouwproject te starten. De wet wordt naar verwachting in 2021 van kracht en verplicht provincies en gemeenten een visie op de leefomgeving te ontwikkelen.

18/73

De provincie Noord-Brabant heeft een dergelijke visie op de leefomgeving inmiddels uitgewerkt. De Brabantse Omgevingsvisie is vooruitlopend op de Omgevingswet in december 2018 vastgesteld. Onder het motto 'eenvoudig beter', doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: "Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goede leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De vier hoofdopgaven zijn als volgt: Werken aan de Brabantse energietransitie, Werken aan een klimaatproof Brabant, Werken aan de slimme netwerkstad en Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Elk van deze doelen is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen: de provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden; de provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt.

Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur, draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen; de provincie zet in op het vergroten van nabijheid, als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten. Toetsing planinitiatief Het planinitiatief sluit aan bij de beleidsdoelen uit de Brabantse Omgevingsvisie. Aldi is momenteel gevestigd in het centrumgebied van Schijndel. De uitbreiding vindt ook op deze locatie plaats. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door gebruik te maken van de huidige bebouwing binnen het stedelijk gebied. Met een uitbreiding van Aldi op de huidige locatie blijft de supermarkt behouden voor het centrumgebied van Schijndel. Ook de realisatie van de 2 extra appartementen en de extra commerciële ruimte is passend binnen het bestaande stedelijk gebied in het centrum van Schijndel.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot één Interim omgevingsverordening. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

19/73

In de Interim Omgevingsverordening is het principe van zorgvuldig ruimtegebruik opgenomen (artikel 3.6 afdeling 3.1). Nieuwe functies worden in beginsel enkel toegelaten binnen het bestaand ruimtebeslag voor bebouwing (stedelijk gebied). Dit om het bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten, zodat bijgedragen wordt aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Daarnaast is opgenomen dat bij stedelijke ontwikkelingen getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Bro. In artikel 3.42 (afdeling 3.5) zijn nadere regels opgenomen met betrekking tot stedelijke ontwikkelingen. De provincie streeft naar een duurzame verstedelijking. Ontwikkelingen moeten daarom passen binnen de regionale afspraken, en moeten een duurzame stedelijke ontwikkeling zijn. Met het oog op de aantrekkelijkheid van Brabant is ook een vitale en toekomstbestendige detailhandelsstructuur van groot belang. Een detailhandelsstructuur waarin plaats is voor innovaties en die ruimte biedt aan 'crossovers' (verbindingen) met diverse andere economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. De voornaamste taak van de provincie is om (ruimtelijke) ontwikkelingen van detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal af te stemmen.

De aanpak van de detailhandel is op eenzelfde wijze vormgegeven, zoals dat voor bedrijventerreinen, kantoren en woningbouw het geval is. In het regionaal overleg wil de provincie met gemeenten afspraken maken over welke detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal worden afgestemd. Voor detailhandelsontwikkelingen is ook een expertteam detailhandel ingesteld die adviseert aan gemeenten en provincie. Toetsing planinitiatief In de provinciale omgevingsverordening is opgenomen dat nieuwe functies alleen toegelaten worden binnen het bestaand stedelijk gebied zodat dit gebied optimaal benut kan worden. Stedelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De beoogde ontwikkeling in Schijndel vindt plaats in het bestaand stedelijk gebied en maakt gebruik van bestaande bebouwde gronden. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast wordt in voorliggende rapportage de ontwikkeling getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In hoofdstuk 3 is de behoefte van de ontwikkeling in beeld gebracht. Verder zijn voor detailhandelsontwikkelingen afspraken gemaakt binnen de Regio Noordoost Brabant. De afspraken komen in paragraaf 4.3 aan bod.

20/73

4.3

Regionaal beleid

4.3.1 Regionaal detailhandelsbeleid (Agrifood Capital Noordoost Brabant, 2015) De gemeente Meierijstad ligt in de regio Noordoost-Brabant. De gemeenten in deze regio hebben gekozen voor een gezamenlijke regionale visie op de detailhandelsstructuur. Het doel van deze regionale visie is het formuleren van een gedeelde ambitie en visie over de gewenste ontwikkelingsstructuur van de detailhandel in de regio Noordoost-Brabant. De visie omvat in de kern de afspraken over hoe de gemeenten om willen gaan met de detailhandelsontwikkelingen in de regio. Voorliggend document bevat een ruimtelijk-functioneel kader om te komen tot meer afstemming en afweging van bovenlokale initiatieven in de detailhandel. De detailhandelsproblematiek beperkt zich immers niet tot bestuurlijke gemeentelijke grenzen. Dit geeft dan ook de noodzaak aan tot regionale afstemming. De ambities op regionaal niveau zijn als volgt: Goede consumentenverzorging in perspectiefrijke winkelstructuur. Ruimte bieden voor vernieuwing. Complementariteit: spanningsvelden perspectiefrijke structuur en vernieuwing. Wisselwerking ruimtelijk beleid en economisch beleid. Voor de positionering van winkelgebieden wordt uit gegaan van de ruimtelijke structuur van de regionale detailhandel en ruimtelijke verzorgingsfunctie/verzorgingsbereik van de winkelgebieden.

In de regio Noordoost-Brabant worden winkelgebieden op 5 verschillende verzorgingsniveaus onderscheiden.

Figuur 4.1 Regionale verzorgingsniveaus Noordoost-Brabant (bron: regionale detailhandelsvisie Agrifood Capital) In de regionale detailhandelsvisie heeft Schijndel een beperkt regionaal verzorgingsgebied (figuur 4.1). Deze

21/73

winkelgebieden, waarvan er in Noordoost-Brabant 11 aanwezig zijn, zullen in de toekomst eveneens winkelaanbod in gaan leveren. Deze winkelgebieden zullen zich in toenemende mate profileren als gemakscentra waar aspecten zoals bereikbaarheid, parkeren en compleetheid in dagelijks aanbod doorslaggevend zijn. In de profilering kan toerisme en recreatie eventueel bijzondere accenten zetten, mits de ligging of de uitstraling van het winkelgebied dit mogelijk maken. Het spanningsveld waarin deze centra zich bevinden bestaat uit: de grotere regionale en bovenregionale centra, afhankelijk van de ligging; de andere beperkt en zeer beperkt regionaal functionerende winkelgebieden in de omgeving; de nabij gelegen perifere concentraties en solitaire vestigingen als hier sprake is van overlapping in de branchering. Op basis van de ambities en doelstellingen van het detailhandelsbeleid zijn de volgende afspraken gemaakt: In de toekomst zijn minder detailhandelsmeters nodig, er wordt terughoudend omgegaan met nieuwe ontwikkelingen. Kwaliteitsimpulsen staan voorop in plaats van kwantitatieve uitbreiding van winkelaanbod. Nieuwe ontwikkelingen dienen zo veel mogelijk een plek te krijgen in structuurbepalende winkelgebieden zoals die beschreven zijn bij de positionering van de winkelgebieden. Concentratie vindt plaats in het kernwinkelgebied, in de randen is ruimte voor functietransformatie.

Verspreide bewinkeling, voor zover die het functioneren van centrumgebieden kan aantasten, dient zo veel mogelijk te worden teruggedrongen. Overbodig aanbod en ongebruikte bestemmingsplancapaciteit samen met marktpartijen uit de markt halen. Perifere concentraties zijn nadrukkelijk complementair aan de reguliere centrumgebieden. Brancheverruiming op perifere detailhandelsconcentraties dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Internethandel in de vorm van afhaalpunten vindt bij voorkeur plaats in de winkelgebieden of op goed bereikbare locaties waar al een concentratie van publieksgerichte voorzieningen aanwezig is. Alle andere vormen van internethandel met fysieke bezoekmogelijkheden voor de klanten geldt als reguliere detailhandel. Op basis van kwalitatieve aspecten van een initiatief kan echter geen inschaling gemaakt worden in initiatieven die regionaal getoetst moeten worden. Om toch een kwantitatieve beoordeling vooraf te maken zijn drempelwaardes opgesteld. Initiatieven onder de drempelwaarde worden geacht passend te zijn bij het verzorgingsniveau van het winkelgebied.

De drempelwaarden zijn als volgt vastgelegd: bovenregionaal: > 5.000 m² wvo; regionaal: > 2.500 m² wvo; beperkt en zeer beperkt regionaal: > 1.500 m² wvo; perifeer winkelgebied/winkel: > 1.500 m² wvo binnen PDV6; perifeer winkelgebied/winkel: altijd bij afwijking van PDV; alle initiatieven niet behorende tot bovengenoemde bullets: > 500 m² wvo. Toetsing planinitiatief Het centrum van Schijndel wordt aangemerkt als centrum met een beperkt regionaal verzorgingsgebied. Regionale afstemming is bij deze winkelgebieden nodig bij ontwikkelingen groter dan 1.500 m2 wvo. De beoogde

22/73

uitbreiding van Aldi betreft 462 m2 wvo en hoeft dus niet regionaal afgestemd te worden. Ook de toevoeging van 80 m² commerciële ruimte behoeft geen afstemming. Vanuit deze drempelwaarden sluit de ontwikkeling dus aan bij het verzorgingsgebied. Daarnaast sluit de ontwikkeling ook aan bij de ambities van het regionaal detailhandelsbeleid. De ontwikkeling vindt plaats in een perspectiefrijk winkelgebied, namelijk het centrum van Schijndel. Daarmee sluit het aan bij de afspraak tot concentratie van detailhandel in de kernwinkelgebieden. Met de ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van bebouwde gronden in het stedelijk gebied. Door middel van een uitbreiding kan Aldi een kwalitatief betere winkel realiseren die meer aansluiten bij de wensen van de moderne consument. De ontwikkeling is dan ook voornamelijk gericht op een kwalitatieve verbetering en niet zo zeer op een recht evenredige groei van de omzet. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van het regionaal detailhandelsbeleid.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Centrumvisie gemeente Meierijstad (2018) De gemeente Meierijstad is in 2017 ontstaan uit de samenvoeging van de voormalige gemeenten Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode. De verschillende centrumvisies van deze gemeenten zijn meer actueel. Een nieuwe integrale centrumvisie is dus gewenst. De centrumvisie van de gemeente Meierijstad zal moeten leiden tot compacte, vitale en kwalitatief complete en aantrekkelijke centra voor de inwoners en ondernemers van de gemeente. Het centrum van Schijndel functioneert in de huidige vorm goed. Er is een indicatieve berekening gemaakt van de dagelijkse winkelsector in het centrum van Schijndel om in te kunnen schatten of de huidige omvang ook in de toekomst overeind blijft. Daaruit wordt geconcludeerd dat het huidige aanbod in de dagelijkse sector voldoet aan de berekende indicatieve marktruimte, waarbij enige groei (principeverzoek Aldi) in de toekomst mogelijk is. Het centrum van Schijndel heeft nu en in de toekomst primair een lokale verzorgingsfunctie voor het eigen dorp. Hiervoor is het belangrijk om vast te houden aan de ingezette beleidslijn, waarbij gestreefd wordt naar een compact en overzichtelijk dorpscentrum. De Hoofdstraat, van Jumbo enerzijds tot Plus en Aldi anderzijds, blijft de basis van het centrumgebied.

Tussen de supermarkten vormt de Hoofdstraat een ononderbroken lint van aantrekkelijke en gevarieerde centrumfuncties. Dagelijkse en niet-dagelijkse winkels worden afgewisseld met horeca, dienstverleners en ambachten.

23/73

Figuur 4.2 Gewenste functioneel-ruimtelijke structuur Schijndel centrum (bron: centrumvisie gemeente Meierijstad) Binnen het centrum is het van belang om de ruimtelijke relaties te verbeteren. Er speelt een aantal aandachtspunten. Van belang zijn de aandachtspunten 2 en 4 zoals weergegeven op figuur 4.2, namelijk het verbeteren van het overgangsgebied bij de hoek Hoofdstraat – Kloosterstraat en de relatie van de parkeerterreinen op het Catharinaplein met de Hoofdstraat. Hoewel op de hoek van de Hoofdstraat en de Kloosterstraat het centrum in ruimtelijke uitstraling lijkt te stoppen, is de relatie met de naastgelegen supermarkten functioneel gezien belangrijk. Supermarkten zijn publiekstrekkers voor overige centrumfuncties; het centrumgebied loopt dan ook door tot aan de ingang van de Plus. Door de intensieve verkeersfunctie van dit deel van de Hoofdstraat is de aansluiting met de rest van het centrum nu echter niet optimaal. Dit overgangsgebied is dan ook een van de aandachtspunten (2) in de verdere uitwerking. Parallel aan de vorige opgave kan ook de relatie met de parkeervoorzieningen aan het Catharinaplein verbeterd worden. Waar de overige parkeerterreinen goed zijn ingericht en op heldere wijze verbonden zijn met het centrumgebied liggen de parkeerplaatsen aan het Catharinaplein wat meer verspreid en achteraf.

Het samenvoegen van de parkeercapaciteit en het verbeteren van de relatie met de Hoofdstraat (4) kan gecombineerd worden met een mogelijke uitbreiding van de Aldi supermarkt. De indicatieve marktruimteberekening laat zien dat er enige ruimte is voor groei van het supermarktaanbod. De vergroting en een betere inpassing van Aldi zal leiden tot een hogere oriëntatie op het centrum als boodschappenbestemming, waardoor de kans op combinatiebezoek tussen supermarkt en overige centrumfuncties ook toeneemt.

24/73

Toetsing planinitiatief De beoogde ontwikkeling van Aldi is meegenomen in de centrumvisie voor Schijndel. De gemeente richt zich op het behouden van een compact en overzichtelijk dorpscentrum. Aldi maakt onderdeel uit van dit compacte dorpscentrum, als belangrijk onderdeel van de boodschappenfunctie van Schijndel samen met de overige supermarkten in het centrum. De beoogde uitbreiding is in het kader van de centrumvisie gewenst. Uit de destijds opgestelde indicatieve marktruimteberekening blijkt dat er ruimte is voor een uitbreiding van Aldi. In combinatie met de verbetering van de parkeergelegenheid op het Catharijneplein draagt de ontwikkeling bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en verbinding met de Hoofdstraat. 4.4.2 Detailhandelsvisie en het beleid gemeente Meierijstad (2019) In 2018 is het nieuwe detailhandelsbeleid voor de gemeente Meierijstad opgesteld. Het detailhandelsbeleid van de voormalige gemeenten is niet meer actueel. Op basis van de gemeentelijke centrumvisie is dit nieuwe, geharmoniseerde detailhandelsbeleid voor de hele gemeente opgesteld. Het doel van de detailhandelsstructuurvisie is een duurzame winkelstructuur die voor consumenten aantrekkelijk en zo uitgebreid mogelijk is (ruime keuze, dicht bij huis) en voor ondernemers en eigenaren voldoende kansen biedt voor investeringen en een goed functioneren.

Een concentratie van winkels in compacte, complete en aantrekkelijke winkelgebieden leidt tot beter functionerende detailhandel en daarmee tot een hoger lokaal voorzieningenniveau, en tot minder vervoersbewegingen. Gezien het gebrek aan marktruimte voor het dagelijkse en niet-dagelijkse winkelaanbod zullen er keuzes gemaakt moeten worden in de positie van de diverse winkelgebieden in de detailhandelsstructuur. De berekeningen laten zien dat er in de toekomst vanuit kwantitatief oogpunt geen uitbreidingsruimte is in de dagelijkse sector (incl. supermarkten). Dit geldt voor de gemeente als geheel én voor ieder van de drie individuele verzorgingsgebieden. In elke gebied is grofweg het oppervlak van één moderne supermarkt te veel aan dagelijks aanbod aanwezig. Nieuwe ontwikkelingen in de dagelijkse sector zijn alleen mogelijk op basis van kwalitatieve argumenten (goede ruimtelijke inpassing, versterking gewenste centrumstructuur, etc.). In het collegeprogramma (Mijlpalen van Meierijstad) is de ambitie opgenomen om te streven naar “sterke en vitale (winkel)centra en (openbare) voorzieningen”. Deze ambitie is vorig jaar geconcretiseerd met de vaststelling van de Centrumvisie Meierijstad door de gemeenteraad.

Voor de detailhandelsstructuur zijn de volgende zaken van belang: De centra van Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel hebben als lokaal dorpscentrum een belangrijke positie als aankooplocatie voor dagelijkse en hoogfrequente niet-dagelijkse artikelen voor de inwoners van het eigen verzorgingsgebied. Het centrumgebied aan de Noordkade is geprofileerd als een stedelijke cultuurcluster met een regionale aantrekkingskracht, waarbij detailhandel duidelijk een ondergeschikte rol heeft. Het versterken van de dorpscentra van Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode vormt het uitgangspunt voor de toekomstig gewenste detailhandelsstructuur. Deze versterking zal ten koste gaan van winkelaanbod elders in de gemeente. Om verspreid winkelaanbod terug te dringen, wordt de volgende toekomstig gewenste detailhandelsstructuur voorgesteld.

25/73

In het beleid voor de gemeente Meierijstad wordt uitgegaan van een winkelstructuur die bestaat uit: Drie hoofdwinkelgebieden met ieder een (boven)lokale verzorgingsfunctie (de dorpscentra van Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel). Het stedelijke cultuurcluster Noordkade, waarbij geen uitbreiding van de bestaande detailhandel is gewenst. Drie ondersteunende wijk/dorpscentra ('t Zuid in Schijndel, De Bunders in Veghel en het dorpscentrum van Erp). Drie buurtsteunpunten (Noord in Schijndel, Kienehoef in Sint-Oedenrode en De Boekt in Veghel). Eén winkelgebied voor volumineus aanbod (de Poort van Veghel). Voor het centrum van Schijndel geldt het volgende: Het centrum van Schijndel vormt in de toekomst de aantrekkelijke aankoop-, verblijfs- en ontmoetingsplek in het dorp. Die visie is vooral gericht op het blijven waarborgen van de huidige kwaliteiten van het centrum. Een uitgebreide toekomstvisie voor het centrum van Schijndel is beschreven in de gemeentelijke centrumvisie. Op hoofdlijnen komt het er op neer dat dit hoofdwinkelgebied in de toekomst primair een functie heeft voor het eigen dorp en het omliggende buitengebied (waaronder Wijbosch) en dat gestreefd blijft worden naar een compacte lineaire structuur.

Na vaststelling van deze gewenste detailhandelsstructuur is het voeren van ruimtelijk detailhandelsbeleid alleen zinvol wanneer nieuwe winkelontwikkelingen ook zorgvuldig worden getoetst. Bij de toetsing van elk initiatief is ten eerste vaststelling van de beoogde verzorgingsfunctie nodig. Deze dient overeen te komen met de verzorgingsfunctie van het betreffende winkelgebied. Indien de verzorgingsfunctie van het initiatief de verzorgingsfunctie van het winkelgebied overstijgt, is het initiatief niet passend. Gezocht kan worden naar een winkelgebied met een verzorgingsfunctie die wel aansluit op die van het initiatief. Daarnaast dienen gewenste initiatieven beoordeeld te worden op de mate waarin zij inpasbaar zijn op de beoogde locatie. Hierbij wordt gekeken naar de fysieke ruimte, parkeercapaciteit en de bereikbaarheid. Toetsing planinitiatief De beoogde ontwikkeling van Aldi past binnen de uitgangspunten van het detailhandelsbeleid van de gemeente Meierijstad. Aldi is gevestigd in het centrum van Schijndel, dat in de visie wordt aangemerkt als hoofdwinkelgebied. Ondanks dat er ten tijde van het detailhandelsbeleid slechts beperkte marktruimte is in de dagelijkse sector, blijven ontwikkelingen die een kwalitatieve verbetering van de structuur met zich meebrengen wel mogelijk. De beoogde ontwikkeling van Aldi is gericht op zo'n kwalitatieve verbetering.

De huidige winkel is te klein en kan op termijn niet meer economisch-duurzaam blijven functioneren. Met de uitbreiding kan de winkel weer voldoen aan de wensen van de moderne consument. Een verbetering van de kwaliteit van de winkel van Aldi kan leiden tot een grotere aantrekkingskracht en versterking van de boodschappenfunctie van het centrum van Schijndel. Met de ontwikkeling worden ook de parkeerterreinen op het Catharinaplein verbeterd. De ontwikkeling levert daardoor een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit rondom de Hoofdstraat en daarmee het centrum van Schijndel als geheel.

26/73

4.4.3 Welstandsnota 2018 Meierijstad Vanaf 1 augustus 2018 geldt de Welstandsnota Meierijstad 2018 ‘Samen de zorg voor omgevingskwaliteit’. Deze nota volgt de afzonderlijke welstandsnota’s van Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel op. In de welstandsnota is de welstandsbeoordeling afgeschaft waar het kan, maar blijft gelden voor gebieden waar dat nodig is. Toetsing planinitiatief Het plangebied ligt conform de welstandskaart van de gemeente Meierijstad binnen het "Historisch centrumgebied" van Schijndel.

Figuur 4.3: Uitsnede Welstandskaart gemeente Meierijstad (bron: gemeente Meierijstad) Het karakter van de oorspronkelijke centrumgebieden van Schijndel, Sint-Oedenrode, Veghel en Erp is in een lange reeks van jaren opgebouwd met elk hun eigen kenmerken wat betreft schaalgrootte en een diversiteit aan bebouwing met afwisseling van kappen, stijlen en bouwlagen. Met name de oorspronkelijke historische bebouwing in deze gebieden is van hoge cultuurhistorische waarde. Het beleid is gericht op behoud en versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Verdichting en schaalvergroting is mogelijk, met inachtneming van de specifieke ruimtelijke kenmerken van de directe omgeving. Ingrepen die tot een verstoring van het bestaande beeld leiden, dienen te worden vermeden. Nieuwe bebouwing moet in harmonie met de bestaande bebouwing ontworpen worden. Zowel wat betreft maat en schaal, als wat betreft kleuren materiaalgebruik. Het eigen architectonische karakter van de panden moet behouden blijven. Bij nieuwe invullingen is eigentijdse architectuur mogelijk, waarbij de gebiedskenmerken als uitgangspunt worden genomen. Bij herbouw van beeldbepalende boerderijen in het buitengebied moeten de oorspronkelijke bouwmassa en specifieke historische kenmerken worden teruggebracht.

27/73

Het voorliggende bouwplan is tot stand gekomen in overleg met de welstands- en monumentencommissie van de gemeente Meierijstad. Zij hebben positief geadviseerd ten aanzien van dit planvoornemen.

4.5

Conclusie beleid

Zowel het provinciaal, regionaal als gemeentelijk beleid is gericht op versterking van de detailhandelsstructuur door bundeling en concentratie van detailhandel in de kernwinkelgebieden. De beoogde ontwikkeling van Aldi sluit hier op aan. Aldi is gelegen in het centrum van Schijndel en vormt samen met Plus een boodschappencluster aan de zuidzijde van het centrum. De uitbreiding van Aldi zorgt voor een versterking van de boodschappenfunctie van Schijndel. Bovendien wordt met de ontwikkeling ook de parkeersituatie aan het Catharinaplein meegenomen. Met de nieuwbouw en de extra commerciële ruimte wordt ook ruimtelijk gezien een betere aansluiting gevonden met de Hoofdstraat. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling van Aldi aansluit bij de relevante beleidskaders.

28/73

Hoofdstuk 5 5.1

CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE

Cultuurhistorie

5.1.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. 5.1.2

Onderzoek

Op figuur 5.1 is de ligging van het plangebied weergegeven op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Op basis van die kaart ligt de locatie binnen een terrein van hoge Archeologische waarde. Hier wordt in paragraaf 5.2 nader op ingegaan. De bestaande woning aan de Hoofdstraat 152 is op de kaart aangeduid als 'overige bouwkunst'. Het pand heeft echter geen monumentale waarde. De woning is inmiddels in eigendom van initiatiefnemer. Het pand is in dermate slechte bouwkundige staat dat een duurzame instandhouding economisch gezien niet haalbaar is. Bovendien prevaleert het belang van het behoud en de vergroting van de Aldi supermarkt in het kader van een krachtig centrum met een goede detailhandelsstructuur. De naastgelegen Napoleonskerk is een Rijksmonument. Het planvoornemen heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde van deze kerk. Wel wordt de nieuwbouw gerealiseerd met respect voor het monument. De overgang tussen de nieuwbouw en de kerk is met aandacht vormgegeven (zie ook paragraaf 3.3). De bomen op het kerkplein zijn ook (cultuurhistorisch) waardevol. Onderzocht is dat de bomen geen hinder zullen ondervinden van de ontwikkeling als er aan voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zijn opgesomd in paragraaf 6.2. Het planvoornemen zal hieraan voldoen.

29/73

Figuur 5.1: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant

5.2

Archeologie

5.2.1 Beleid en normstelling Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk

30/73

is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Bestemmingsplan In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel. In artikel 41a van de Monumentenwet is bepaald dat artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m². Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden.

Archeologiebeleid Meierijstad (voormalige gemeente Schijndel) Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De voormalige gemeente Schijndel (nu Meierijstad) beschikt over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die wordt gebruikt als basis voor het bestemmingsplan. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Deze kennis komt tot uiting in vijf periode-specifieke archeologische verwachtingskaarten die tonen op welke locaties archeologische resten uit bepaalde perioden kunnen worden verwacht. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek.

Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch. In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen. De vrijstellingszones in het onderhavige bestemmingsplan zijn dan ook geen exacte weergave van de vastgestelde beleidskaart.

31/73

5.2.2 Onderzoek Het plangebied is conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Meierijstad grotendeels gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Zie ook figuren 5.1 en 5.2. ter plaatse van de huidige bebouwing aan de Hoofdstraat 154 zijn de gronden dermate geroerd dat hier geen sprake is van een archeologische verwachtingswaarde.

Figuur 5.2: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Meierijstad

Gezien de hoge archeologische verwachtingswaarde ter plaatse, is een archeologisch bureau en verkennend booronderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Op basis van het onderzoek blijkt de kans op het voorkomen van archeologische resten landschappelijk gezien laag is voor het Paleolithicum en Mesolithicum. Er zijn in de omgeving van Schijndel echter wel enkele vondsten gedaan van jagers en verzamelaars, waaronder opvallend genoeg zelfs vuurstenen werktuigen van Neanderthalers. Op basis van deze vondsten geldt er voor het plangebied een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum. In de omgeving van Schijndel zijn met name vondsten vanaf de IJzertijd gedaan, en plaatselijk ook vondsten uit

32/73

het Neolithicum of Bronstijd. Het plangebied heeft daarom een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd en een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Het plangebied ligt verder aan de oostelijke rand van de historische kern van Schijndel. Uit de historische kaarten lijkt naar voren te komen dat het plangebied tot begin 19e eeuw iets ten oosten van de kern lag, en pas sinds midden 19e eeuw onderdeel uitmaakt van de kern van Schijndel. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat in het plangebied nog deels een eerddek aanwezig is. De top van de dekzandafzettingen in het plangebied is licht tot matig verstoord. Dit kan samenhangen met de huidige inrichting van het plangebied, maar het kan ook niet uitgesloten worden dat een deel van de bodemverstoringen zijn veroorzaakt door de ligging van het plangebied op de oostelijke rand van de historische kern van Schijndel. Op basis van de waargenomen lichte tot matige bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden van jagers en verzamelaars uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum niet meer in situ worden verwacht.

Voor archeologische waarden van landbouwers uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd, alsmede waarden die samenhangen met de historische kern van Schijndel kan de middelhoge tot hoge gespecificeerde verwachtingswaarde op basis van het verkennend booronderzoek voor de delen buiten de reeds bekende verstoorde delen van het plangebied blijven gehandhaafd. Selectieadvies Gemeente Meierijstad Gezien het voorgaande kan de gemeente instemmen met de inhoud en strekking van het rapport en met het gegeven advies om in het kader van de lopende AMZ-cyclus eerst nog een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk te achten. Voor dit proefsleuven onderzoek dient eerst een Programma van Eisen (hierna: PvE) te worden opgesteld, dat vooraf goedgekeurd moet zijn door de gemeente (bevoegde overheid). Gezien de in het onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek voor delen van het plangebied die niet al als verstoord zijn geregistreerd. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.

Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. 5.2.3 Conclusie Uit het uitgevoerde bureau en verkennend booronderzoek blijkt dat aanvullend onderzoek in de vorm van proefsleuven zal moeten worden uitgevoerd. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd als de bestaande te slopen bebouwing is geamoveerd. In dit bestemmingsplan is voor het plangebied dan ook een dubbelbestemming 'Waarde - Archeoogie' op genomen. Daarmee worden mogelijk aanwezige archeologische waarden beschermd. Voordat de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend, dient het aanvullende archeologische onderzoek te worden uitgevoerd.

33/73

34/73

Hoofdstuk 6 6.1

GROENSTRUCTUUR EN NATUUR

Wet Natuurbescherming

6.1.1 Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat.

35/73

6.1.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de directe omgeving van Natura 2000-gebieden. Hieronder zijn de afstanden tot de 2 dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden weergegeven: Ruim 10,4 km tot "Vlijmens Ven, Moerplaten", ten westen; Ruim 10,8 km tot "Kampina & Oisterwijkse vennen", ten zuidwesten; Gezien de grote afstanden tot de genoemde Natura 2000-gebieden is de ontwikkeling van het plangebied naar verwachting niet van invloed op de instandhoudingsdoeleinden van de betreffende gebieden. Desalniettemin zijn in het kader van het planvoornemen toch stikstofberekeningen uitgevoerd. De memo is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting, de berekening van de aanlegfase in bijlage 3 en de berekening van de gebruiksfase in bijlage 4. Uit de berekeningen blijkt dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de aanlegen gebruiksfase is uitgesloten. Overigens is inmiddels de Wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Daarmee is de vergunningplicht voor tijdelijke deposities in de aanlegfase komen te vervallen.

Figuur 6.1: Natura 2000-gebieden omgeving Veghel Het plangebied is niet gelegen in of nabij Natuurnetwerk Brabant of andere beschermde natuurgebieden. Soortenbescherming Voor het planvoornemen is een quickscan Beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd. De rapportage behorende bij deze quickscan is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting.

36/73

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel 1: Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Op basis van de quickscan en tabel 1 wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek naar de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger moet worden uitgevoerd. Dit onderzoek zal moeten worden uitgevoerd voordat de omgevingsvergunning voor het slopen kan worden verleend. Ook dient nader onderzoek naar de huismus en gierzwaluw worden uitgevoerd. Het aanvullende onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen is inmiddels uitgevoerd en afgerond. In Bijlage 6 van deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. De concusies zijn hierna weergegeven. In het plangebied is één zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en één nestlocatie van gierzwaluw (Apus apus) vastgesteld. Beide verblijf- en nestplaatsen bevinden zich in de woning aan de Hoofdstraat 152 te Schijndel.

37/73

In het plangebied zijn nestlocaties van huismus niet aanwezig. In de overige bebouwing in het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van roepende vleermuizen of invliegende gierzwaluwen; andere verblijfplaatsen op korte afstand tot het plangebied zijn niet waargenomen. Er zijn daarnaast meerdere foeragerende gewone dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) en ruige dwergvleermuizen (Pipistrellus nathussi) in de achtertuin van de woning aan de Hoofdstraat 152 waargenomen; hierbij is in de tuin en langs de zuidoostzijde van de bomen relatief veel activiteit gezien; in de overige delen van het plangebied zijn geen foeragerende vleermuizen waargenomen. Met de sloop van de woning wordt één zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vernietigd, dit leidt tot overtreding van de verbodsbepaling in artikel 3.5, lid 4. Daarnaast leidt een dergelijke ingreep mogelijk tot het verwonden of zelfs doden van individuen, dit is een overtreding van de verbodsbepaling in artikel 3.5, lid 1 van de Wet natuurbescherming. Het verwijderen van de bomenrij op de perceelsgrens in het noordwesten in de achtertuin van de woning aan de Hoofdstraat 152 leidt tot een aantasting van een foerageergebied voor een aantal vleermuizen. Dit is een overtreding van de verbodsbepaling in artikel 3.5, lid 2.

Daarnaast leidt de sloop tot vernietiging van zeker één en mogelijk twee nestlocaties van de gierzwaluw, dit is een overtreding van de verbodsbepaling in artikel 3.1, lid 2. Indien in de broedperiode gewerkt zou worden, leidt de ingreep tot een verstoring van een in gebruik zijnde nestlocatie en overtreding van verbodsbepaling in artikel 3.1 lid 4, en mogelijk het doden of verwonden in artikel 3.1, lid 1. Door het nemen van voorzorgsmaatregelen kan overtreding van artikel 3.1, lid 1 en lid 4 ten aanzien van gierzwaluwen en artikel 3.5, lid 1 ten aanzien van vleermuizen worden voorkomen. Indien dit geborgd is, hoeft voor deze verbodsbepalingen geen ontheffing aangevraagd te worden. Omdat negatieve effecten, ondanks het nemen van voorzorgsmaatregelen, niet in alle gevallen geheel te voorkomen zijn door de aard van de werkzaamheden, is voor het overtreden van de verbods-bepalingen in artikel 3.1, lid 2 ten aanzien van gierzwaluw en artikel 3.5, lid 4 ten aanzien van gewone dwergvleermuis het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, in dit geval provincie Noord-Brabant. 6.1.3 Conclusie Op basis van uitgevoerde stikstofberekeningen is geconcludeerd dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de aanleg- en gebruiksfase is uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=eeca9c1c-87ba-4821-b244-f0da5efd91da