CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlagenboek Kem-terrein

Raadsvergadering 4 april 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan 'Herontwikkeling Kem-terrein Sint-Oedenrode22.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

60 cm -Mv / 10,72 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, lichtgrijsbruin, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord Opmerking: donkergrijsbruin gevlekt

70 cm -Mv / 10,62 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord Opmerking: enkele grindjes

85 cm -Mv / 10,47 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord Opmerking: leembrokjes, verstoord

100 cm -Mv / 10,32 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, blauwgrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin Opmerking: schoner pakket

140 cm -Mv / 9,92 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, blauwgrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord Archeologie: lichte zweem fosfaat Opmerking: schoner pakket

175 cm -Mv / 9,57 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeelgrijs, enkele zandlagen, matig fijn Bodemkundig: C-horizont Archeologie: lichte zweem fosfaat

Einde boring op 190 cm -Mv / 9,42 m +NAP

boring: OEKEN-2

beschrijver: MRU, datum: 13-11-2015, X: 159.824,68, Y: 396.880,14, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51B, hoogte: 10,75, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Sint-Oedenrode, plaatsnaam: Sint-Oedenrode, opdrachtgever: Van der Aa Juristen, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv / 10,75 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord

70 cm -Mv / 10,05 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, lichtgrijsbruin, matig fijn Bodemkundig: A-horizont, interpretatie: verstoord

Einde boring op 120 cm -Mv / 9,55 m +NAP

1

boring: OEKEN-3

beschrijver: MRU, datum: 13-11-2015, X: 159.856,82, Y: 396.854,79, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51B, hoogte: 11,01, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Sint-Oedenrode, plaatsnaam: Sint-Oedenrode, opdrachtgever: Van der Aa Juristen, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv / 11,01 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

40 cm -Mv / 10,61 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, bruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont

60 cm -Mv / 10,41 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont Archeologie: enkel fragment bouwpuin

100 cm -Mv / 10,01 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsgeel, matig fijn Bodemkundig: C-horizont, enkele Fe-vlekken

Einde boring op 120 cm -Mv / 9,81 m +NAP

boring: OEKEN-4

beschrijver: MRU, datum: 13-11-2015, X: 159.874,35, Y: 396.830,00, precisie locatie: 1 cm, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 51B, hoogte: 10,64, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: GPS, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Noord-Brabant, gemeente: Sint-Oedenrode, plaatsnaam: Sint-Oedenrode, opdrachtgever: Van der Aa Juristen, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv / 10,64 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, matig humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont Opmerking: lichtgeel gevlekt

50 cm -Mv / 10,14 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: A-horizont

60 cm -Mv / 10,04 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, zwak humeus, donkergrijsbruin, matig fijn Bodemkundig: A-horizont Archeologie: enkel fragment bouwpuin

75 cm -Mv / 9,89 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsbruin, matig fijn Bodemkundig: A-horizont bestaand uit opgebracht pakket Opmerking: donkerbruingrijs gevlekt

100 cm -Mv / 9,64 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeel, matig fijn Bodemkundig: C-horizont, veel Fe-vlekken

Einde boring op 120 cm -Mv / 9,44 m +NAP

2

milry Sint-Oedenrode gemeente

Gemeente Sint-Oedenrode Selectiebesluit archeologische monumentenzorg, 26-4-2016

Selectiebesluit archeologische monumentenzorg Gemeente Sint-Oedenrode. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase) Plangebied KEM-terrein Sint-Oedenrode

Opsteller(s)

Controle gemeente SintOeden rode

naam Janneke Bosman

C. Kerstholt

Afdeling/bedrijf Senior archeoloog, Gemeente 'sHertogenbosch afdeling SO/BAM Sr. Beleid en Ontwikkeling

Datum 12-1-2016

paraaf JB

26-4-2016

/1 /

Selectieadvies Plangebied KEM-terrein Sint-Oedenrode, gemeente Sint-Oedenrode

1. Inleiding In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 21 woningen in plangebied KEM-terrein te Sint-Oedenrode, gemeente Sint-Oedenrode, heeft Raap een archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd. De gemeente SintOedenrode is als bevoegde overheid gevraagd het rapport te beoordelen en een selectieadvies op te stellen. 1.1 Het plangebied Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de historische kern van Sint-Oedenrode in de gemeente SintOedenrode. Het plangebied is op dit moment onbebouwd. In het noordelijke deel van het plangebied ligt een kleine parkeerplaats (bestrating met klinkers). De rest van het plangebied is in gebruik als tuin. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt 5.168 m2. Voor de locatie en exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar het beoordeelde rapport van Raap (zie onder). 1.2 Aard van de bedreiging Aanleiding voor het onderzoek is het voornemen 21 woningen en 42 parkeerplaatsen te realiseren in plangebied KEM-terrein. De precieze verstoringsdiepte is nog niet bekend, maar is te verwachten tot in de C-horizont van de bodem, waarbij een gerede kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden. 2.

Archeologisch onderzoek Raap heeft in november 2015 een archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in het rapport: Roggen, R.E.E., 2015: Plangebied KEM-terrein te Sint-Oedenrode. Gemeente Sint-Oedenrode. Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Raap- Notitie 5240, eindversie 10 februari 2016. 2.1 Onderzoeksmethode Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase). Tijdens het veldonderzoek zijn 4 boringen gezet met een edelmanboor (diameter 7 cm) en een gutsboor (diameter 3 cm) tot een diepte van maximaal 1,9 meter onder maaiveld. 2.2 Conclusie onderzoek (verkort) Het plangebied ligt op een dekzandvlakte, waarop zich waarschijnlijk een enkeerdgrond gevormd heeft. Het beekdal van de Dommel ligt circa 100 m ten westen van het plangebied. Op grond van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied, vanwege de landschappelijke ligging, de bekende archeologische waarden in de omgeving en historische informatie een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) van landbouwers (Neolithicum t/m Nieuwe tijd). Voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum geldt een lage verwachting. Tussen 1865 en 1949 was op het noordelijke deel van het plangebied een gasfabriek actief.

Het fabrieksterrein en de achterliggende tuinen zijn in de jaren 90 van de 20e eeuw gesaneerd. In het plangebied werd een dekzandvlakte verwacht die waarschijnlijk afgedekt is door een enkeerdgrond. Daarnaast was de verwachting dat in een deel van het plangebied de ondergrond verstoord is geraakt door een bodemsanering. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied in twee delen kan worden verdeeld. In de boringen 1 en 2 is een verstoord bodemprofiel opgetekend. De verstoring is gerelateerd aan de bodemsanering en gaat tot een diepte van 1,2 tot 1,75 meter. Hier worden geen intacte archeologische resten meer verwacht. In de boringen 3 en 4 is een hoge zwarte enkeerdgrond van maximaal 1 meter dik aangetroffen. Hieronder bevindt zich het archeologisch niveau, de C- horizont. De hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van landbouwers kan voor dit gedeelte gehandhaafd blijven.

Gemeente Sint-Oedenrode, versie 26 april 2016

Selectieadvies Plangebied KEM-terrein Sint-Oedenrode, gemeente Sint-Oedenrode

2.3 Raap Raap adviseert in de zuidelijke deel van het plangebied bij toekomstige graafwerkzaamheden dieper dan 80 cm -Mv, een vervolgonderzoek in de vorm van waarderend onderzoek uit te laten voeren. Het deel van het plangebied waar de bodem afgegraven is (noordelijke deel) kan worden vrijgegeven voor verdere ontwikkelingen 3. Beoordeling rapportage door de gemeente Sint-Oedenrode Het is een op hoofdlijnen goed rapport, waaruit voldoende informatie gehaald kan worden om tot een selectiebesluit te komen. De in het selectieadvies van 12 januari 2016 gemaakte opmerkingen zijn in het rapport verwerkt. 3.1 Selectiebesluit gemeente Sint-Oedenrode Vanwege de resultaten van het booronderzoek, kan de gemeente Sint-Oedenrode zich vinden in het advies dat in het zuidelijke deel van het plangebied (bruine vlak op de afbeelding) een vervolgonderzoek nodig is bij graafwerkzaamheden dieper dan 80. 1159830

Itsg853

159930

legenda boring (met con Edelmanboor dam. 7 crn.) •

met een etdek op C-totitont

•

meteen vet51..lottl talemptotel

2

bcomu trt Met

OVerig ;ce ,.elvolgoMetzef, etiOgonderir..ei, ,;(els plangebed

Resultaten booronderzoek met het advies van Raap (Roggen 2015) Het noordelijke deel van het plangebied (grijze vlak op de afbeelding) kan worden vrijgegeven voor verdere ontwikkelingen. Indien toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE of de gemeente Sint-Oedenrode) conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

Gemeente Sint-Oedenrode, versie 26 april 2016

15-1-2021

PROGRAMMA VAN EISEN RA AP-PVE 2415

Plangebied KEM-terrein te SintOedenrode Gemeente Meierijstad Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Locatie

KEM-terrein Sint-Oedenrode

Projectnaam

KEM-terrein Sint-Oedenrode

Plaats binnen archeologisch proces: Archeologisch proefsleuvenonderzoek Geldigheid Programma van Eisen: Het programma van Eisen is in principe geldig tot een jaar na goedkeuring, tenzij de bevoegde overheid anders besluit. Indien dit PvE is verbonden aan een vergunning, dan behoudt het zijn geldigheid voor de duur van de geldigheid van de betreffende vergunning.

Opstellers / auteurs

Datum

Drs. G. Hensen (Senior KNA-archeoloog)

12-01-2021

Paraaf

RAAP Zuid-Nederland De Savornin Lohmanstraat 11 6004 AM Weert tel. 0495-513542 e-mail: g.hensen@raap.nl Controle / goedkeuring

Datum

drs. M. Janssens (Senior KNA archeoloog)

12-01-2021

Paraaf

RAAP Zuid-Nederland Email: m.janssens@raap.nl

Opdrachtgever / initiatiefnemer

Datum

Okko Projectontwikkeling B.V.

12-01-2021

Paraaf

mevr. I. Bertens Postbus 2190 5600 CD Eindhoven Telnr.. 040/237 60 70 Mobiel: 31 (0)6 - 46451741 e-mail: iris@okkoproject.nl

Goedkeuring bevoegde overheid

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

Datum

Paraaf

[2]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Gemeente Meierijstad Dhr. Mark van den Broek Medewerker Erfgoed gemeente Meierijstad Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel tel: +31 (413) 381 838 Email:mvandenbroek@meierijstad.nl Adviseur namens de gemeente: drs. J. van der Roest Afdeling Erfgoed ‘s Hertogenbosch Postbus 12345 5200 GZ ‘s Hertogenbosch tel: 06/ 22178342 email: j.vanderroest@s-hertogenbosch.nl

Kennisgeving depothouder / eigenaar

Datum

Verzenddatum Provinciaal Depot Noord-Brabant De heer R. Louer Waterstraat 16, Den Bosch Telefoon: 06-18303225 E-mail: rlouer@brabant.nl dr. M. Meffert | Senior Beleidsmedewerker Cultuur / Provinciaal Archeoloog Directie Sociale en Culturele Ontwikkeling | Telefoon (073) 6808020 / 06-55686558 | MMeffert@Brabant.nl |

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[3]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Inhoud 1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied .................................................................................................. 6 2 Aanleiding en motivering van het onderzoek ................................................................................................... 7 3 Eerder uitgevoerd onderzoek ........................................................................................................................... 9 3.1 Eerder uitgevoerd onderzoek .......................................................................................................... 9 3.2 Geraadpleegde bronnen en partijen ................................................................................................. 9

4 Archeologische verwachting .......................................................................................................................... 10 4.1 Regionale archeologische (inclusief bouwhistorische) en (cultuur)landschappelijke context ...............10 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ........................................................................................11 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) binnen en buiten het plangebied ...........................11 4.4 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .....................................................................11 4.5 Structuren en sporen .....................................................................................................................12 4.6 Anorganische artefacten ................................................................................................................12 4.7 Organische artefacten....................................................................................................................12 4.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten .........................................12 4.9 Motivatie .......................................................................................................................................12

5 Doel- en vraagstelling .................................................................................................................................... 13 5.1 Doelstelling ...................................................................................................................................13 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders ..........................................................................13 5.3 Vraagstelling .................................................................................................................................13 5.4 Onderzoeksvragen.........................................................................................................................13

6 Methoden en technieken................................................................................................................................ 15 6.1 Strategie (inclusief motivatie) .........................................................................................................15 6.2 Methoden en technieken ................................................................................................................16 6.3 Omgang met kwetsbare vondsten en monsters ...............................................................................18 6.4 Structuren en grondsporen, scheepswrak of vliegtuig ......................................................................18 6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek....................................................................................................19 6.6 Anorganische artefacten ................................................................................................................19 6.7 Organische artefacten....................................................................................................................20 6.8 Archeozoölogische, fysisch antropologische en archeobotanische resten .........................................20 6.9 Overige resten ...............................................................................................................................21 6.10

Dateringstechnieken ....................................................................................................................21 6.11 Beperkingen ................................................................................................................................21

7 Uitwerking ...................................................................................................................................................... 22 7.1 Evaluatiefase ................................................................................................................................22 7.2 Structuren, grondsporen, scheepswrak of vliegtuig, vondstverspreidingen ........................................22 7.3 Analyse aardwetenschappelijke gegevens ......................................................................................23 7.4 Anorganische artefacten ................................................................................................................23 7.5 Organische artefacten....................................................................................................................23 7.6 Archeozoölogische, fysisch antropologische en botanische resten ...................................................23 7.7 Rapportage ...................................................................................................................................24

8 Selectie en conservering................................................................................................................................ 25

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[4]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

8.1 Selectie materiaal voor uitwerking ..................................................................................................25 8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering .........................................................................25 8.3 Selectie materiaal voor conservering ..............................................................................................25

9 Deponering .................................................................................................................................................... 26 9.1 Eisen betreffende het depot ...........................................................................................................26 9.2 Te leveren product .........................................................................................................................26

10 Randvoorwaarden en aanvullende eisen ..................................................................................................... 27 10.1 Personele randvoorwaarden .........................................................................................................27 10.2 Overlegmomenten........................................................................................................................27 10.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie .........................................................................27 10.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen............................................................................28

11 Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE ..................................................................................... 29 11.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk ...................................................................................................29 11.2 Belangrijke wijzigingen .................................................................................................................29 11.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk .......................................................29 11.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering ...........................................................29

Literatuur........................................................................................................................................................... 30 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ....................................................................................................... 31

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[5]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied Projectnaam

KEM-terrein Sint-Oedenrode

Toponiem / locatie

KEM-terrein

Plaats

Sint-Oedenrode

Gemeente

Meierijstad

Provincie

Noord-Brabant

Centrumcoördinaten

159848/ 396852

Waterstaatkundige gegevens

NVT

CMA / AMK status

Historische dorpskern

ARCHIS monumentnummer

16802

Oppervlakte plangebied

Circa 6063 m²

Oppervlakte onderzoeksgebied

Circa 2582 m²

Huidig grondgebruik

Parkeerterrein en braak

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[6]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

2 Aanleiding en motivering van het onderzoek Aanleiding en motivering De aanleiding tot het onderzoek waarop dit PvE betrekking heeft, vormt de geplande ontwikkeling van het plangebied (figuur 1). Binnen het plangebied worden zeventien woningen, tien appartementen en 50 parkeerplaatsen voorzien. De graafwerkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkelingen zullen de ondergrond op grote schaal roeren. Hierbij kunnen eventuele archeologische vindplaatsen verstoord worden. Dit onderzoek kadert in een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de verkaveling van het KEM terrein te Sint-Oedenrode. Conform de richtlijnen van de toenmalige gemeente Sint-Oedenrode is in 2016 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. 1 Op basis van dit vooronderzoek is aan het zuidelijke deel van het plangebied een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten toegekend (figuur 1, onderzoeksgebied). Het noordelijke deel is verstoord en door de gemeente vrijgesteld van archeologisch onderzoek. 2 Omdat het naar verwachting gaat om een vindplaats zonder duidelijk herkenbare vondstlaag, is het niet zinvol aanvullend booronderzoek te verrichten om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van archeologische resten.

Bovendien biedt dit soort onderzoek te weinig inzicht in de precieze aard van een vindplaats en is het niet mogelijk om vast te stellen of er gegraven grondsporen aanwezig zijn. Om een eventuele vindplaats te begrenzen en te waarderen, dient dan ook een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd. Dit proefsleuvenonderzoek moet uitwijzen of er zich inderdaad archeologische resten in het plangebied bevinden, of deze resten behoudenswaardig zijn en of ze door de geplande ingreep kunnen worden aangetast.

1 2

Roggen, 2016. Gemeente Sint-Oedenrode, Selectiebesluit archeologische monumentenzorg, 26-4-2016.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[7]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Figuur 1. De ligging van het plangebied in het rood en het onderzoeksgebied in oranje vlak. Inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[8]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

3 Eerder uitgevoerd onderzoek 3.1 Eerder uitgevoerd onderzoek Zowel in het plangebied als in de directe omgeving van het plangebied zijn in het verleden archeologische onderzoeken uitgevoerd. Binnen het plangebied zelf is een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het waarderend proefsleuvenonderzoek wordt duidelijk of binnen het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Soort onderzoek

Uitvoerder

Uitvoeringsperiode

Rapportage (auteur, jaartal)

Vondsten, monsters, documentatie ondergebracht bij

Bureau- en verkennend boornderzoek

RAAP

Februari 2016

Roggen, 2016.

RAAP zuid

Tabel 1. Overzicht van eerder uitgevoerd onderzoek.

Een beknopte samenvatting van de resultaten van het vooronderzoek wordt in hoofdstuk 4 besproken. Het volledige vooronderzoek is bijgevoegd in bijlage 2.

3.2 Geraadpleegde bronnen en partijen Literatuur Zie literatuurlijst Amateurarcheologen Er zijn voor het opstellen van het PvE geen amateurarcheologen geraadpleegd.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[9]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

4 Archeologische verwachting 4.1 Regionale archeologische (inclusief bouwhistorische) en (cultuur)landschappelijke context 3 Volgens de archeologische verwachtingskaart van Sint-Oedenrode is het onderzoeksgebied aangeduid als categorie 5: voor deze zone geldt een hoge verwachting voor archeologische vindplaatsen. 4 De historische kern van Sint-Oedenrode, waarvan het plangebied deel uitmaakt, ligt grotendeels op een niet gekarteerde dekzandkop (bebouwd), die door het Dommeldal van oost naar west wordt aangesneden. Het plangebied ligt ten zuidwesten van deze kop op een (dekzand)vlakte (gekarteerd als bebouwd). Het beekdal van de Dommel ligt ca. 100 m ten westen van het plangebied. De actieve bedding van de Dommel ligt 300 m noordwestelijk van het plangebied. De ondergrond van het plangebied bestaat uit zand, dat tijdens het Pleistoceen is afgezet door de wind. Deze afzettingen worden gerekend tot de formatie van Boxtel, laagpakket van Wierden.5 Het booronderzoek heeft uitgewezen dat in het onderzoeksgebied hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand aanwezig zijn. 6 In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn vindplaatsen uit het neolithicum, mesolithicum, bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en de nieuwe tijd bekend. In het rapport van het vooronderzoek is hier uitgebreid op ingegaan (zie bijlage 2, hoofdstuk 2).

Hieronder wordt slechts een beknopte omschrijving gegeven en worden enkel de nieuwe elementen van onderzoeken die na het vooronderzoek dateren, opgenomen. 7 De meest voorkomende meldingen dateren uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. De historische datering van deze waarnemingen is gerelateerd aan bewoning in de oude kern van Sint-Oedenrode. Binnen een straal van circa 50 m rondom het plangebied blijkt dat de onmiddellijke omgeving rijk is aan archeologische resten uit de late prehistorie (urnenveld) en de middeleeuwen/nieuwe tijd (adellijk huis Emmaus). Een hoge archeologische waardering blijkt ook uit het bureau- en booronderzoek dat uitgevoerd is voor het direct ten zuiden aangrenzend terrein. Voor dit terrein werd een nader archeologisch onderzoek aanbevolen (bijlage 2, figuur 3, onderzoek nummer: 63653). Dit onderzoek is in maart 2016 uitgevoerd, maar heeft enkel een oude perceelsgreppel opgeleverd (ARCHIS zaakid. nr. 3989635100). Ten oosten van het plangebied is in 2016 nog een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (ARCHIS zaakid. nrs. 4005703100 en 4005711100). Op basis van dit vooronderzoek in een begeleiding van de werkzaamheden aanbevolen. Deze is echter nog niet uitgevoerd. Op basis van een analyse van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in het begin van de 19e eeuw bestond uit vier kavels en als tuin ingericht was.

Aan de straatzijde (Kofferen) zijn vanaf 1900 twee gebouwen (in lijn met de straat) afgebeeld. Uit het saneringsonderzoek van Grontmij blijkt dat in het plangebied tussen 1865 en 1949 een particuliere gasfabriek stond. De gasfabriek 3

Dit hoofdstuk is gebaseerd op het vooronderzoek van Roggen, 2016. Er is echter in ARCHIS nagegaan of er nog onderzoeken zijn uitgevoerd na de datum van het vooronderzoek. Deze zijn als zaakid. nrs. opgenomen in de tekst. Van Genabeek & Tebbens, 2007. 5 Weerts e.a., 2006. 6 Roggen, 2016. 7 www.cultureelerfgoed.nl/archis. 4

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[10]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

bestond uit een zuiveringskamer, teerput, afvoergreppel, bezinkput, werkplaats, kolenloods, stokerij, een dienstwoning (rijksmonument) en twee gashouders. Deze gasfabriek lag in het noordelijk deel van het plangebied, waarop het proefsleuvenonderzoek geen betrekking heeft. Op historische kaarten uit het begin van de 19e eeuw ligt ten oosten van het plangebied een omgracht terrein (bijlage 2, figuur 4). De westelijke gracht van het terrein wordt door het plangebied aangesneden. Op de gemeentelijke erfgoedkaart is dit terrein afgebeeld als plaats van Emmaus, een adellijke woning. De eerste vermelding onder de naam Emmaus dateert van de 16e eeuw. 8 Voor deze periode stond het huis/slotje bekend onder de naam ‘het hoge huijs’. Vanaf 1766 werd de oude woning vervangen door een pastorie. In de jaren 1930 is deze afgebroken. De tuinen binnen het plangebied behoorden mogelijk tot het adellijk domein en pastorie.

Op basis van het vooronderzoek geldt voor het onderzoeksgebied een lage verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (geen gradiëntzone) en een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (archeologische resten) van landbouwers (neolithicum t/m nieuwe tijd).

4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) In het onderzoeksgebied is nog geen vindplaats aangetroffen. Op basis van het voorgaande onderzoek wordt rekening gehouden met archeologische vindplaatsen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Bij deze vindplaatsen moet men bedacht zijn op nederzettingsresten, begravingen en off site sporen (infrastructuur, perceleringsgreppels, akkerbouw…).

4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) binnen en buiten het plangebied De begrenzing van de vindplaatsen (zowel binnen als buiten het plangebied) is op dit moment nog niet bekend. Indien daadwerkelijk sprake is van een archeologische vindplaats dient hiervan (voor zover mogelijk binnen de grenzen van het plangebied) de begrenzing tijdens het proefsleuvenonderzoek te worden bepaald.

4.4 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen Op basis van de tijdens het vooronderzoek beschreven profielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven: In het plangebied komt een jong afdekkend pakket voor (esdek) dat een ouder loopvlak afdekt. Dit afdekkende pakket dateert vanaf de late middeleeuwen. Oudere resten worden zodoende door het pakket afgedekt en bevinden zich op een diepte van meer dan 50 cm -Mv. Sporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd kunnen ook in het esdek aanwezig zijn.

8

(http://www.bhic.nl).

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[11]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

4.5 Structuren en sporen Er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van nederzettingssporen. Nederzettingssporen kunnen bestaan uit de gebruikelijke range aan paalkuilen, kuilen, greppels, waterputten, speciale deposities, waterkuilen, haardplaatsen of stakenrijen. Resten van begravingen bestaan uit crematiegraven en/of inhumatiegraven, greppels of paalsporen van grafmonumenten en mogelijke andere structuren die met de begraafplaats te maken kunnen hebben (offerplaatsen, wegen, etc.). Binnen een historische dorps- of stadkern kunnen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd ook nog funderingsresten en eventueel kelders van gebouwen aangetroffen worden. Op het achterliggende terrein worden bijgebouwen, water- en beerputten en perceelsscheidingen in de vorm van greppels of palenrijen verwacht. Specifiek voor het plangebied bestaat de kans hoog dat in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied resten van de gracht van het adellijke huis Emmaus worden gevonden. Het grootste deel van deze gracht situeert zich echter in die zone van het plangebied dat vrijgegeven is voor vervolgonderzoek vanwege een diepgaande ontgronding/sanering van de bodem. Tot slot, kunnen ook nog sporen verwacht worden die samenhangen met het agrarische gebruik (ploegsporen, spitsporen, afwateringsgreppels…).

4.6 Anorganische artefacten Anorganische artefacten zullen voornamelijk bestaan uit aardewerk, natuursteen en in mindere mate vuursteen. Verder dient rekening te worden gehouden met gebruiksvoorwerpen van metaal (zowel ferro als non-ferro), glas, bouwmateriaal (resten van verbrande klei / leem, bakstenen, vloertegels en dakpannen).

4.7 Organische artefacten De kans op het aantreffen van organische artefacten is, gezien de bodemkundige gesteldheid van het plangebied, klein. Organische artefacten worden uitsluitend verwacht in sporen die zijn ingegraven tot onder het grondwaterniveau of in verkoolde toestand.

4.8 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten De kans op het aantreffen van onverbrande archeozoölogische resten is, gezien de bodemkundige gesteldheid van het plangebied, klein. De kans op het aantreffen van verbrande botresten is daarentegen groot. Archeobotanische resten worden alleen in de vorm van verkoolde zaden verwacht. De kans op het aantreffen van onverbrande archeobotanische resten is klein. Eventuele fysisch antropologische resten worden alleen in verbrande vorm verwacht in crematiegraven.

4.9 Motivatie De bovenstaande verwachting is gemotiveerd tot stand gekomen. Hierbij is gebruik gemaakt van algemeen bekende inzichten in het voorkomen van structuren, sporen en artefacten per complextype en de resultaten van het eerder in het plangebied uitgevoerde onderzoek.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[12]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

5 Doel- en vraagstelling 5.1 Doelstelling De doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein dan wel de archeologische vindplaats. Hiertoe dient het in dit PvE opgenomen gespecificeerde verwachtingsmodel. Daarnaast dient van eventuele vindplaatsen de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit te worden vastgesteld. Het onderzoek dient te resulteren in een waardering van de vindplaats(en) conform KNA 4.1 specificatie VS06. Uitgangspunt is dat het proefsleuvenonderzoek niet destructiever is dan noodzakelijk in dit stadium van planvorming voor de beantwoording van de onderzoeksvragen.

5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Gezien het inventariserende karakter van het onderzoek is het niet mogelijk om voort te bouwen op bredere onderzoekskaders zoals de Nationale Onderzoeksagende Archeologie.

5.3 Vraagstelling Het onderzoek is zowel karterend als waarderend van aard. De vraagstelling die met behulp van het proefsleuvenonderzoek dient te worden beantwoord, is dan ook vooral gericht op de omvang, diepteligging, aard en ouderdom van eventueel in het plangebied aanwezige vindplaatsen en het bepalen van de behoudenswaardigheid daarvan.

5.4 Onderzoeksvragen Bodemopbouw en genese 1.

Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het onderzoeksgebied?

2.

Is in (alle delen van) het gebied sprake van een intact bodemprofiel? In welke delen van het plangebied is sprake van een recentelijk verstoord bodemprofiel?

3.

Is de bodemkundige situatie overeenkomstig de verwachting op basis van het vooronderzoek? Waarom wel/niet?

4.

Is een plaggendek aanwezig? Zo ja, wat is er te zeggen over een datering, eventuele fasering, sporen van historische bodembewerking en de bodem waarop het dek is ontstaan?

5.

Welke post-depositionele processen hebben plaatsgevonden? In hoeverre is sprake van erosie en aantasting of verstoring van archeologische resten door dit soort processen?

Sporen, structuren en vondsten 6.

Zijn in het onderzoeksgebied archeologische vondsten, sporen en/of structuren aanwezig? Zo ja: a. Wat is de exacte aard, omvang, datering, gaafheid, conservering, het karakter en de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten?

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[13]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

b. Is er sprake van een behoudenswaardige vindplaats? c. Wat is de functionele interpretatie van de aangetroffen vondsten, sporen en structuren? d. Zijn er vondsten, sporen of structuren aanwezig uit verschillende perioden? Zo ja, is een relatie te leggen tussen deze verschillende fasen (continuïteit)? 7.

Is er sprake van concentraties aardewerk en/of (vuur)stenen artefacten? Zo ja, beschrijf de horizontale en verticale spreiding van de vondsten en de mogelijke relatie met grondsporen.

8.

Kunnen (clusters van) sporen worden toegewezen aan één of meerdere struct(u)ur(en)? Zo ja, om wat voor type struct(u)ur(en) gaat het en wat is de oriëntatie, (max.) afmeting, constructie (dak, wanden, vloer), datering, conservering en (functionele) indeling van deze struct(u)ur(en)?

9.

Zijn er sporen aangetroffen die samenhangen met het omgrachte huis Emmaus, direct ten oosten van het plangebied?

Op basis van de bevindingen kunnen in het evaluatierapport bovengenoemde vragen vervallen, opnieuw geformuleerd en/of aangevuld worden.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[14]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

6 Methoden en technieken 6.1 Strategie (inclusief motivatie) Uit het voorgaande inventariserend veldonderzoek door middel van boringen is gebleken dat de bodem binnen het onderzoeksgebied niet recent verstoord is. Daarnaast zijn uit het omringende gebied verschillende archeologische vindplaatsen bekend, daterend uit het neolithicum tot en met nieuwe tijd. Hierbij kan het gaan om kleinschalige vindplaatsen met een lage spoor- en vondstdichtheid zonder een duidelijk herkenbare vondstlaag. Dit soort vindplaatsen kan het best worden opgespoord en gewaardeerd door middel van een gravend onderzoek. Er is dan ook besloten om binnen het onderzoeksgebied een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Het inventariserende onderzoek dient te bestaan uit het graven van drie proefsleuven (met een totaal oppervlak van ca. 260 m 2 ) verspreid over het onderzoeksgebied (zie puttenplan in figuur 2). Twee sleuven hebben een afmeting van 4 m x 25 m en zijn noord-zuid georiënteerd. De derde sleuf heeft een oost-west oriëntatie en een afmeting van 4 m x 12,5 m. Op een onderzoeksgebied met een oppervlakte van circa 2.582 m 2 komt dit neer op een dekkingspercentage van circa 10%, wat over het algemeen voldoende wordt geacht voor het opsporen van de in het plangebied verwachte vindplaatsen.

Optioneel kan nog 20 m 2 vrij ingezet worden om eventuele sporen en/of structuren af te bakenen. Er wordt uitgegaan van het aanleggen van één vlak, in de top van de C-horizont. Op grond van de situatie ter plaatse (bijvoorbeeld boombestand, paden, kabels en leidingen, etc.) kan de werkelijke ligging van proefsleuven afwijken van het voorgestelde puttenplan uit het PvE, maar niet te veel: de strategie (dekking en verspreiding) van het grid uit het PvE moet wel gevolgd worden.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[15]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Figuur 2. Puttenplan.

6.2 Methoden en technieken Het onderzoek wordt uitgevoerd als een IVO-P, conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodembeheer; SIKB). De volgende protocollen en bijbehorende specificaties van de KNA 4.1 zijn op het onderzoek van toepassing: 

Protocol 4001 – Programma van Eisen;

Protocol 4003 – Inventariserend Veldonderzoek;

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[16]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Protocol 4010 – Depotbeheer.

Daarnaast zijn op dit onderzoek de volgende standaarden, bijlagen, specificaties, leidraden en richtlijnen van toepassing: 

Beoordelingsrichtlijn BRL 4000 Archeologie en bijlagen;

KNA 4.1 Bijlagen bij protocollen I, III en IV;

Specificaties PvE PS06 en PS07;

Specificaties Inventariserend Veldonderzoek VS01, VS05, VS06 en VS07;

Specificaties opgraven OS03 t/m OS14,OS16 en OS17;

Specificaties deponeren DS01-DS03, DS05;

KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie;

KNA-Leidraad Proefsleuvenonderzoek;

KNA Leidraad Archeozoölogie;

KNA-Leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal.

In aanvulling op bovenstaande algemene richtlijnen geldt het volgende: 

Alle proefsleuven worden aangelegd met behulp van een graafmachine met gladde bak.

Een opgravingsvlak wordt aangelegd door voorzichtig laagsgewijs te verdiepen in lagen van maximaal 10 cm, waarbij de tussenvlakken na elke machinebeweging worden afgezocht met een metaaldetector. Zodra het verwachte sporenvlak wordt genaderd, dient bij het verdiepen de nodige zorgvuldigheid te worden betracht. Tijdens het verdiepen wordt intensief gezocht naar vondstmateriaal.

Indien de begrenzing van sporen niet direct duidelijk is, wordt het vlak handmatig geschaafd.

Van alle proefsleuven en, indien er meerdere vlakken worden aangelegd van elk vlak, wordt een vlakfoto gemaakt. Vervolgens worden alle sporen, verstoringen en natuurlijke bodemverkleuringen ingemeten met behulp van een GPS of een RTS en beschreven in een database. Indien vlaktekeningen analoog worden vervaardigd, gebeurt dit op schaal 1:50. Eventueel muurwerk wordt op schaal 1:20 getekend, graven op schaal 1:10.

Ter illustratie van de rapportage worden foto’s gemaakt van de algemene situatie tijdens het onderzoek (sfeerfoto’s).

Het vondstmateriaal wordt per spoor en per spoorvulling verzameld. Vondstmateriaal dat niet aan antropogene sporen kan worden gekoppeld, wordt per stratigrafische eenheid in vakken van 4 x 5 m verzameld.

Fragiele en/of belangwekkende vondsten dienen op de plaats van aantreffen gefotografeerd te worden en direct te worden geborgen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de KNA-Leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal. Indien noodzakelijk wordt (na overleg met de bevoegde overheid) een specialist geraadpleegd.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[17]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

6.3 Omgang met kwetsbare vondsten en monsters Conform OS11 en de KNA-Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’.

6.4 Structuren en grondsporen, scheepswrak of vliegtuig 

Sporen die zich manifesteren op het leesbare vlak of in het profiel worden genummerd en beschreven in een database. Aangezien het onderzoek waarderend van aard is, worden sporen slechts selectief gecoupeerd. Uitgangspunt hierbij is het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Indien sporen worden gecoupeerd, gaat de voorkeur uit naar sporen waarover getwijfeld wordt of het daadwerkelijk gaat om relevante archeologische fenomenen.

Waar mogelijk worden sporen tegen de putwand in het profiel gecoupeerd, zodat de relatie met het stratigrafisch ingravingsniveau kan worden vastgelegd. Sporen worden niet afgewerkt. Er geldt een uitzondering voor eventuele graven. Deze zijn, wanneer ze eenmaal zijn blootgelegd, zeer kwetsbaar en dienen dan ook geheel gedocumenteerd en integraal bemonsterd te worden.

Coupes worden getekend (analoog, schaal 1:20) en gefotografeerd. Coupes van graven worden op schaal 1:10 getekend.

Indien sporen duidelijk tot een structuur behoren, dienen deze niet te worden gecoupeerd en worden deze enkel in het vlak gedocumenteerd.

Tijdens het onderzoek wordt voldoende diagnostisch vondstmateriaal verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de aard, datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de vindplaats.

Indien sprake is van vondstconcentraties (bijv. neolithisch aardewerk) worden deze als puntlocaties ingemeten en wordt er voorzichtig verdiept. De direct omliggende grond dient als grondspoor te worden behandeld.

Bij het aantreffen van archeologische resten die - conform dit PvE - niet verwacht werden, worden het bevoegd gezag en de opdrachtgever zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld.

Muurwerk en uitbraaksleuven  Een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau, met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond. Aan de bovenzijde wordt de hoogtemaat genomen. Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek, onder de muur uit de funderingssleuf, ingesloten tussen de stenen, liggend op het muurrestant/uit de uit-braaksleuf.

Crematiegraven  Crematiegraven worden bij inventariserend onderzoek beperkt gedocumenteerd; voldoende om een vervolg-strategie bij definitief onderzoek aan te bevelen. Daarna worden zij zodanig afgedekt dat zij tot op-nieuw blootleggen ongeschonden blijven. Slecht bewaarde (ondiepe) graven worden

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[18]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

direct gecoupeerd en afgewerkt. Coupes van graven worden op schaal 1:10 getekend en gedocumenteerd conform de methode Hiddink, 2003.  Crematiegraven worden opgegraven door/ onder supervisie van de senior KNA-archeoloog en behandeld als monsters.  Inhumatiegraven worden in deze fase niet opgegraven (zie paragraaf 6.8). Ovens en haarden 

Ovens en haarden zijn meestal erg ondiep en nauwelijks behouden: zij kunnen daarom beter direct gecoupeerd en afgewerkt worden. Beter (dieper) behouden sporen worden beperkt gedocumenteerd; voldoende om een vervolg-strategie bij definitief onderzoek aan te bevelen. Daarna worden zij zodanig afgedekt dat zij tot opnieuw blootleggen ongeschonden blijven.

6.5 Aardwetenschappelijk onderzoek  De bodemopbouw binnen het plangebied wordt in kaart gebracht door middel van profielkolommen. De kolom¬profielen zijn minstens 1 m breed en lopen tot minstens 10 cm onder het vlak door.  Van de twee grotere proefsleuven dienen twee profielkolommen te worden gedocumenteerd. Van de kleinere proefsleuf volstaat één kolomprofiel. Indien de bodemopbouw tussen deze profielen sterke variaties vertoont, dient een langer aaneengesloten profiel te worden gedocumenteerd. Van bijzondere sporen of insnijdingen (bijv. karrensporen) dienen eveneens profielopnamen te worden gemaakt.  Het fysisch-geografisch onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw door minimaal een KNA specialist fysische geografie of een KNA archeoloog MA met ruime ervaring in het beschrijven van bodemprofielen in de betreffende archeoregio (zie paragraaf 10.1).  In elke proefsleuf wordt het microreliëf in kaart gebracht door middel van het vaststellen van de vlakhoogte. De vlakhoogte wordt gemeten in een raai met een tussenafstand van 5 m over de volledige lengte van de werkput. Daarnaast wordt langs één lange zijde op het maaiveld van elke werkput een raai hoogtemetingen verricht met een tussenafstand van 5 m.  Profielen worden beschreven, gefotografeerd en digitaal ingemeten of getekend (schaal 1:20). Op de profieltekeningen worden NAP-hoogten aangegeven.

De profielen worden beschreven en getekend op basis van kleur, textuur en archeologische inclusies.

6.6 Anorganische artefacten Het verzamelen van anorganische artefacten geschiedt conform protocol PS06 en OS11. In aanvulling daarop geldt het volgende: 

Anorganische artefacten worden per spoor en per spoorvulling verzameld. Vondsten die niet aan antropogene sporen kunnen worden gekoppeld, worden verzameld per stratigrafische eenheid in vakken van 4 x 5 m.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[19]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

Bij de aanleg van de vlakken wordt systematisch en vlakdekkend gebruik gemaakt van een metaaldetector voor het opsporen van metalen artefacten.

Men dient tijdens de aanleg bijzonder alert te zijn op kwetsbare en moeilijk te onderscheiden losse (vroeg-)prehistorische vondsten, zoals vuurstenen voorwerpen en aardewerk.

Complete of nagenoeg complete urnen / potten moeten als geheel, inclusief vulling, geborgen worden. Bij de uitwerking dient de vulling gezeefd te worden ten behoeve van ecologisch, fysisch antropologisch en/of archeozoölogisch onderzoek.

6.7 Organische artefacten Het verzamelen van organische artefacten geschiedt conform protocol PS06 en OS11. In aanvulling daarop geldt het volgende: 

Eventuele vondsten van organisch materiaal worden geborgen en dienen zo snel mogelijk onder de hiervoor geschikte omstandigheden te worden opgeslagen. In het bijzonder dienen temperatuur, contactmaterialen, vochtigheidsgraad en de hoeveelheid licht waaraan ze blootgesteld te worden bewaakt.

Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt direct een specialist geconsulteerd.

6.8 Archeozoölogische, fysisch antropologische en archeobotanische resten Het verzamelen van archeozoölogische en -botanische resten geschiedt conform protocol PS06 en OS11. In aanvulling daarop geldt het volgende: 

Archeozoölogische resten worden verzameld zoals anorganische artefacten. Indien er zichtbaar klein botmateriaal aanwezig is, worden deze (sporen) bemonsterd.

Uit relevante sporen met een (min of meer) gesloten context worden voor de beantwoording van de onderzoeksvragen monsters genomen voor (macro-)botanisch onderzoek, pollenonderzoek en chronologisch onderzoek (zoals 14 C-analyse).

Bij het aantreffen van inhumatiegraven of van mogelijk recente stoffelijke resten vindt overleg plaats met een fysisch antropoloog. In overleg met de bevoegde overheid, de uitvoerder van het archeologisch onderzoek en de fysisch antropoloog wordt besloten of inzet van een specialist in het veld noodzakelijk is of (indien recente stoffelijke resten zijn bevestigd) de politie gewaarschuwd.

Eventuele haardkuilen dienen gecoupeerd en gedocumenteerd te worden. De haardkuilen dienen bemonsterd te worden ten behoeve van 14 C-analyse, houtskoolanalyse e.d.

De monsters worden verzameld in luchtdicht afgesloten emmers / monsterbuizen.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[20]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

6.9 Overige resten Het verzamelen van overige resten, zoals micromorfologische resten of fosfaatmonsters geschiedt conform protocol PS06 en OS11. In aanvulling daarop geldt het volgende: 

Onderzoek van overige resten wordt alleen uitgevoerd wanneer dit noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen.

6.10 Dateringstechnieken Het is de verwachting dat het onderzoek voldoende betrouwbaar dateerbaar vondstmateriaal zal opleveren. Indien dat niet het geval is, kan het noodzakelijk zijn om aanvullend natuurwetenschappelijke dateringen te verkrijgen. Bij het nemen van 14 C-monsters gaat de voorkeur uit naar verbrand bot of verbrande zaden afkomstig uit een eenduidige context (waarbij kan worden uitgesloten dat het materiaal bijvoorbeeld door opspit in een spoor terecht is gekomen). Materiaal waarvan de herkomst niet zeker is komt dan ook niet in aanmerking voor datering. In het veld zal door een senior KNA archeoloog worden bepaald of de betreffende sporen / lagen daadwerkelijk geschikt zijn voor datering. Indien tijdens het onderzoek houtresten worden aangetroffen die zich mogelijk lenen voor dendrochronologisch onderzoek, worden deze gezien de zeldzaamheid en de nauwkeurige dateringsmogelijkheden altijd bemonsterd. Er wordt geen rekening gehouden met dateringen door middel van OSL-analyse. De eventuele uitwerking van tijdens het veldwerk genomen monsters wordt in het evaluatie- en selectierapport ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid en in afschrift verzonden aan de initiatiefnemer.

6.11 Beperkingen Er zijn geen beperkingen.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[21]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

7 Uitwerking 7.1 Evaluatiefase Het onderzoek wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na afloop van het veldwerk door de opdrachtnemer met de bevoegde overheid en opdrachtgever geëvalueerd aan de hand van een (concept) evaluatierapport. In dit evaluatierapport worden de eerste resultaten en de gang van zaken tijdens het veldwerk nabesproken. De evaluatie heeft onder andere als doel de uitwerking van het onderzoek te plannen en te (her)begroten. Het is daarvoor van belang dat vondsten, monsters en sporen voorafgaand aan het evaluatiegesprek primair zijn verwerkt en beoordeeld op hun potentie voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen die in het PvE zijn vastgelegd. Op basis van het voorstel in het evaluatierapport wordt besloten welke vondsten verder uitgewerkt worden en welke monsters gewaardeerd worden om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Als de waardering van monsters heeft plaats gehad, wordt op basis van de uitkomsten een aanvulling op het evaluatieverslag geformuleerd welke monsters geanalyseerd zullen worden. De beoordeling of waardering van vondsten, monsters en sporen dient in het evaluatierapport conform KNA-specificatie OS12 te worden opgenomen. Dit betekent dat het selectierapport deel uitmaakt van het evaluatierapport.

Aan de hand van het evaluatierapport wordt door de bevoegde overheid besloten welke vondsten, grondsporen en monsters worden uitgewerkt, geconserveerd en ter deponering aan de depothouder zullen worden aangeboden. Dit voorstel wordt vervolgens aan de depothouder ter goedkeuring voorgelegd. De bevoegde overheid maakt binnen 15 werkdagen het besluit over de uitwerking kenbaar aan de initiatiefnemer. In overleg met de bevoegde overheid en naar gelang de resultaten van het veldwerk kan de evaluatiefase worden ingekort, bijvoorbeeld mondeling of middels een kort verslag (per e-mail). Indien het noodzakelijk is om vondsten te conserveren dan wel uit te selecteren dient altijd een selectierapport te worden opgesteld.

7.2 Structuren, grondsporen, scheepswrak of vliegtuig, vondstverspreidingen  Structuren, grondsporen en vondstspreidingen worden in de standaardrapportage beschreven vanuit hun ruimtelijke, stratigrafische en chronologische context en onderlinge samenhang. Hiertoe worden alle grondsporen en structuren geïnterpreteerd en gedateerd tot op het niveau dat noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen.  Sporen en structuren worden per periode en per spoor- en structuurcategorie beschreven, waarbij ingegaan wordt op hun algemene kenmerken, aard, eventuele vondstinhoud en datering.  Van vondstverspreidingen (vondstlagen) worden de oppervlakte en de dikte geregistreerd. Het resultaat is een analytische beschrijving die voor zover mogelijk antwoord geeft op de onderzoeksvragen uit dit PvE.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[22]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

7.3 Analyse aardwetenschappelijke gegevens  In het rapport dient als integraal (samenhangend) onderdeel van het rapport een paragraaf geschreven te worden over de landschappelijke context, geologie en bodemopbouw in het onderzoeksgebied. Dit onderdeel dient te worden gerefereerd aan de archeologische bevindingen en de resultaten van het eerder in het plangebied uitgevoerde vooronderzoek.  De uitwerking vindt plaats tot op een niveau dat noodzakelijk is t.b.v. het onderzoeksdoel en de beantwoording van onderzoeksvragen en geeft voldoende inzicht in de aangetroffen terreinomstandigheden om uitspraken te kunnen doen over de geogenese van de locatie en de geschiktheid voor bewoning of andere vormen van gebruik.  De analyse van de fysisch-geografische informatie gebeurt op basis van de bestudeerde profielen. Op basis hiervan dient een consistent en onderbouwd verhaal te worden geschreven. Zowel het (paleo)landschap alsook de post-depositionele processen krijgen hierin ruim aandacht.

7.4 Anorganische artefacten  Artefacten worden per materiaalcategorie beschreven conform de daarvoor gebruikelijke determinaties (ten minste conform het ABR en de aanlevereisen van het depot).  Van onherkenbare voorwerpen (roestklompen) worden na selectie en in overleg met de bevoegde overheid röntgenopnamen gemaakt.  Losse vlakvondsten worden slechts uitgewerkt voor zover dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen en alleen in het geval van bijzondere en / of dateerbare vondsten nader beschreven en geanalyseerd.

7.5 Organische artefacten  Bij (vergankelijke) vondsten dient in eerste instantie minimaal gezorgd te worden voor stabilisering van de staat waarin deze zijn gevonden. De keuze hiervoor dient gemaakt te worden door de specialist.  Vondsten worden per categorie beschreven en gewaardeerd. In overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid wordt vervolgens het niveau van de uitwerking bepaald. Indien nodig wordt hierbij de depothouder betrokken.

7.6 Archeozoölogische, fysisch antropologische en botanische resten  Monsters worden na het veldwerk, op grond van de kwetsbaarheid, overgedragen aan de betreffende specialist voor de bepaling van de kwaliteit (waardering).  Ten behoeve van de waardering wordt het verzamelde botmateriaal gescheiden in op diersoort te determineren vondsten, bot met bewerkingssporen, hoorn en gewei en overig botmateriaal.  Aan de hand van het evaluatieverslag wordt besloten welke monsters geanalyseerd, uitgewerkt en gerapporteerd worden om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[23]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

 Eventuele uitwerking en conservering van tijdens het veldwerk genomen monsters en de daarmee samenhangende (extra) kosten, worden in het evaluatieverslag voorgelegd aan de opdrachtgever.

7.7 Rapportage  Het rapport wordt door de opdrachtnemer in PDF formaat compleet met alle bijlagen, aangeboden aan de opdrachtgever en, in afschrift, ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheid.  De bevoegde overheid en de opdrachtgever leveren binnen zes weken al dan niet commentaar op het rapport, waarna het rapport naar ARCHIS zal worden geüpload door de opdrachtnemer.  Beeldrapportage vindt plaats conform de KNA, zodanig dat het de tekst (beantwoording van de onderzoeksvragen en beschrijving van de onderzoeksresultaten) verduidelijkt. Naast de door de KNA 4.1 (VS05) voorgeschreven tekeningen dienen aanwezig te zijn: o

relevante overzicht- en detailfoto’s

o

objectfoto’s of objecttekeningen van karakteristieke en bijzondere vondsten (per periode)

o

vlaktekeningen (alle-sporen-kaarten)

o

kenmerkende bodemprofielen en relevante coupes

o

herleidbare hoogte- en / of verspreidingskaarten of diagrammen van archeologische, landschappelijke of bodemkundige fenomenen

o

actiefoto’s en sfeerfoto’s

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[24]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

8 Selectie en conservering 8.1 Selectie materiaal voor uitwerking Tijdens de evaluatiefase wordt in een selectierapport een onderbouwd voorstel gedaan voor de uit te werken, te deponeren / conserveren en te verwijderen monsters en vondsten conform de KNA en dit PvE.

8.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Tijdens de evaluatiefase wordt in het selectierapport een voorstel gedaan voor de te deponeren en te verwijderen vondsten en monsters. De selectie wordt vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder. Deze heeft 15 werkdagen voor de afhandeling van het verzoek tot goedkeuring. Pas na goedkeuring van het selectierapport door de depothouder / eigenaar kunnen deze vondsten en monsters op gecontroleerde wijze worden verwijderd. Zie ook PS06.

8.3 Selectie materiaal voor conservering Het gesorteerde en geanalyseerde vondstmateriaal wordt, zolang het niet gedeponeerd kan worden, zo stabiel en veilig mogelijk door de opdrachtnemer opgeslagen. Na deponering gelden de richtlijnen zoals verwoord in het KNA-protocol 4010 Depotbeheer. In het selectierapport wordt aangegeven of aanvullende conservering van kwetsbare vondsten noodzakelijk is. Dit conserveringsvoorstel wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder. In een conserveringsrapport wordt vastgelegd welke vondsten en welke monsters op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. Zie ook specificatie PS06.

RAAP-PvE 2415 / versie 12-01-2021

[25]

Programma van Eisen KEM-terrein te Sint-Oedenrode

9 Deponering 9.1 Eisen betreffende het depot  Vondsten, monsters en documentatie worden binnen twee jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan het depot van de provincie Noord-Brabant conform de daar geldende eisen.  Binnen twee jaar na afronding van het veldwerk zijn alle conform het PvE gespecificeerde digitale producten overgedragen aan het e-depot (www.edna.nl) onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer. Na verwerking in EDNA krijgt de documentatie een persistent identifier, zodat de data digitaal zijn te traceren.

9.2 Te leveren product Het eindproduct is de projectdocumentatie volgens de specificatie conform het protocol 4003. Bij het eindproduct hoort een overdrachtsverklaring (af te geven door de depothouder / eigenaar) voor de overgedragen vondsten, monsters en documentatie. Specificatie van de te leveren product(en)  Een (goedgekeurd) evaluatierapport volgens de in dit PvE beschreven KNA-specificaties en de overige bepalingen in dit PvE, inclusief een voorstel voor het te analyseren en te conserveren materiaal, inclusief een volledig kostenoverzicht van gemaakte en eventueel nog te verwachten onderzoekskosten bestemd voor de opdrachtgever.  Een standaard rapport volgens KNA-specificaties en de bepalingen in dit PvE.  Het bewijs van overdracht van monsters, onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal bij het depot.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=286de662-750d-4581-b92c-2dc847644dc9