Bijlage Ia Toelichting Vrijwilligerswoningen St. Barbara Vlinderhoven Wijbosch bijlagen1 - 73
Tekst van het document
Echter, in de praktijk blijkt er al veel te kunnen en zijn knelpunten in goed overleg vaak vrij snel weg te nemen. en tijdelijk aanbod aan woonruimte (al dan niet in leegstaand vastgoed) kan ook bijdragen om op korte termijn (meer) tempo te maken in de bouw en bestaande woningtekorten te verminderen. Bovendien kan het ook iets betekenen om op middellange en langere termijn de piek in de woningbehoefte op te vangen. Toetsing Dit project voorziet in de toevoeging van 6 tijdelijke maatschappelijke wooneenheden aan de woningvoorraad. De woningen worden gerealiseerd door middel van nieuwbouw op eigen terrein, behorende bij de zorginstelling, tegen het bestaand stedelijk gebied. Zoals in de Brabantse Agenda Wonen is aangegeven biedt het beleid gericht op de toenemende vraag naar tijdelijk wonen ruimte voor 'bijdragen om op korte termijn (meer) tempo te maken in de bouw en bestaande woningtekorten te verminderen', waaronder een ontwikkeling als deze. In de bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (actualisering november 2023) is voor de subregio Uden-Veghel, waartoe Wijbosch (gemeente Meierijstad) behoort, geïndiceerd dat de woningvoorraad toeneemt met ongeveer 7.055 woningen voor de periode 2024-2035. Daarbij is voor de gemeente Meierijstad geïndiceerd dat deze brandbreedte een toename van 4.540 woningen betreft.
De toevoeging van 6 tijdelijke woningen, met een specifiek maatschappelijk karakter, op basis van dit ruimtelijk besluit past ruimschoots binnen deze bandbreedte. Zoals in de motivering van het project in paragraaf 2.2.3 is geconcludeerd, zijn het geen reguliere woningen die voor iedere woningzoekende beschikbaar is, alleen vrijwilligers van het Laverhof kunnen hier wonen zolang ze vrijwilligerswerk blijven doen.
36/218
Conclusie Gelet op het voorgaande past het bouwplan binnen de woningbouwafspraken uit de Brabantse Agenda Wonen.
4.4
Gemeente Meierijstad
4.4.1 Omgevingsvisie Meierijstad In het kader van de Omgevingswet stelt iedere gemeente een eigen omgevingsvisie vast. Hierin staat op hoofdlijnen hoe de gemeente zich wil ontwikkelen op de lange termijn en welke strategische keuzen daarvoor gemaakt moeten worden. Gemeente Meierijstad werkt momenteel aan een Toekomstvisie Meierijstad 2035, dat als omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet zal worden vastgesteld. De Toekomstvisie wordt in vier fases opgesteld: Dromen, Denken, Durven en Doen. Fase 1, Dromen, is inmiddels afgerond. In deze fase kon iedereen zijn of haar ideale toekomstbeeld voor Meierijstad kenbaar maken. Bijvoorbeeld via een korte online vragenlijst of de tekenwedstrijd. Op dit moment bevindt gemeente Meierijstad zich in fase 2, Denken. Daarbij gaat men dieper nadenken over alle ingeleverde droombeelden en vindt een analyse van belangrijke trends en ontwikkelingen binnen en buiten Meierijstad plaats. Later volgen de fases Durven en Doen. In deze fases worden keuzes gemaakt en worden de stappen bedacht die nodig zijn om het toekomstbeeld te bereiken. Aangezien de toekomstvisie nog niet als omgevingsvisie is vastgesteld heeft deze nog geen status. Het is nu nog niet mogelijk om het initiatief te toetsen aan de omgevingsvisie van de gemeente.
4.5
Waterschap
Er moet voldaan worden aan de beoordelingsregels voor een BOPA-omgevingsvergunning die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan (www.vng.nl). Daarnaast moet een BOPA voldoen aan de instructieregels van de provincie (Omgevingsverordening) en, in het geval van water, aan de Waterschapsverordening van het waterschap. Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's: 1. Waterveiligheid; Het programma 'Waterveiligheid' draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
37/218
2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma 'Klimaatbestendig en gezond watersysteem' draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma 'Schoon Water' speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico's geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Waterschapsverordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Waterschapsverordening De Waterschapsverordening omvat samen met de Omgevingswet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Waterschapsverordening is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Waterschapsverordening verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Waterschapsverordening vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Toetsing Binnen of in de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen waterlopen van het waterschap. Met de tiny houses wordt maximaal 244 m2 bodem geroerd, de uiteindelijk verharding tijdens de gebruiksfase van de tiny houses is zelfs nog minder, aangezien de woningen middels een aantal poeren aan de grond zijn bevestigd. De toename van verhard oppervlak is dus minder dan 500 m2, er zijn geen bergingsmaatregelen nodig. Conclusie Er geldt geen verplichting voor bergingsmaatregelen voor deze ontwikkeling.
38/218
Hoofdstuk 5
Beoordelingsregels
5.1
Inleiding
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaven terrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Het Bkl geeft geen uitsluitsel wanneer een ontwikkeling moet worden gezien als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Geldende jurisprudentie onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening / Besluit ruimtelijke ordening is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing, of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn. Toetsing Het project voorziet in de toevoeging van 6 tiny houses voor tijdelijk gebruik van 20 jaar en is daardoor geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het is daardoor niet noodzakelijk een ladderonderbouwing uit te voeren. Conclusie De ladder van duurzame verstedelijking is niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling.
39/218
5.3
Stedenbouw en welstand
Stedenbouw en welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
Repressief welstand De excessenregeling ziet erop toe dat gemeenten een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Ow gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). De excessenregeling is (met name) van toepassing op bestaande situaties en is minder relevant voor het beoordelen van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Toetsing Gemeente Meierijstad heeft de welstandsbeoordeling voor een groot deel losgelaten. De welstandsbeoordeling blijft beperkt tot: 1. de centrumgebieden van Schijndel, Veghel, Sint-Oedenrode en Erp; 2. monumenten; 3. beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden; 4. bijzondere bebouwing en ensembles; 5. gebieden met een beeldkwaliteitseisen; 6. nieuwbouw in de overige gebieden.
40/218
Figuur: Uitsnede Welstandskaart gemeente Meierijstad, met projectgebied rood omcirkeld (Bron: Welstandskaart) Het projectgebied zelf bevat geen monument, beeldbepalend of cultuurhistorisch pand. Het maakt geen deel uit van bijzondere bebouwing of ensembles en is niet gelegen in een centrumgebied of gebied met beeldkwaliteitseisen. Het projectgebied is gesitueerd op het terrein van het zorgcomplex aan de Eerdsebaan 1a, dit zorgcomplex is een gemeentelijke monument. In alle gebieden die niet in paragraaf 4.2.1 tot en met 4.2.5 van de Welstandsnota Meierijstrad 2018 beschreven zijn, zijn bouwactivieiten welstandsvrij. Bij nieuwbouw in deze gebieden is wel een welstasbeoordeling vereist om de kwaliteit van de gebouwde omgeving te waarborgen. Daarvoor gelden de criteria 'nieuwbouw'. Toetsing De ontwikkeling kan op natuurlijke wijze worden ingepast in de omgeving. Het terrein maakt onderdeel uit van de maatschappelijke zorglocatie Laverhof, en is omzoomd met bomen, waarbij rekening is gehouden met het behoud van waardevolle bomen in het betreffende gebied. De tiny houses zijn zo gepositioneerd dat de zichtlijnen met de omliggende landelijke omgeving behouden blijven en nieuwe gecreëerd worden. Het plan maakt op die manier onderdeel uit van het totale geheel en valt vanuit de omgeving gezien ruimtelijk binnen het terrein van Locatie Wijbosch.
De beoogde ontwikkeling is gericht op het natuurlijk inbedden van kleinschalige woningen in de natuur, met een minimale belasting van de ondergrond. De woningen hebben, dankzij de houten afwerking, een natuurlijke uitstraling. Daarnaast biedt de verplaatsbaarheid van de woningen de mogelijkheid om deze nieuwe vorm van samenwerking tussen vrijwilligers, ouderen met een intensieve zorgvraag en zorgprofessionals op een gedegen manier te ontwikkelen, maar tegelijkertijd flexibiliteit te behouden voor toekomstige ontwikkelingen van het gebied na 20 jaar.
41/218
Conclusie De tiny houses doen geen afbreuk aan het zorgcomplex als waardevol gemeentelijke monument.
5.4
Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk kader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; voorkomen wordt dat de nieuwe woningen de bedrijfsuitvoering belemmeren. Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (met name geluid, geur, gevaar en stof) dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven niet in hun bedrijfsuitoefening worden geschaad. In het oude bestemmingplan is gebruik genaakt van milieucategorieën en richtafstanden conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onder de Omgevingswet wordt (voor nieuwe gevallen) gebruik gemaakt van milieuzonering nieuwe stijl, gebaseerd op milieugebruiksruimte. Om die reden wordt zowel onder de oude regeling als op basis van toekomstige regelingen beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefmilieu en of er invloed is op de huidige bedrijfsvoering van bedrijven.
Naast het wettelijk kader, waarbij de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) het kader vormen, dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de volgende milieubelastende activiteiten: Geitenhouderijen; Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen; Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen. Toetsing Een nieuwe ontwikkeling mag geen inbreuk maken op de milieugebruiksruimte van omliggende activteiten enerzijds en anderzijds moet ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de aanwezige toegestane activiteiten zijn de aspecten geluid en geur reeds getoetst in paragraaf 5.10 en 5.11. De omliggende milieubelastende activiteiten waaronder de dierbenodigdheden (detailhandel) ten zuiden van het plangebied vormen verder geen hinderaspect ten aanzien van gevaar en geluid. Zoals onderzocht in paragraaf 5.16, wordt ter plaatsen van het projectgebied geen hinder ondervonden van de emissies van geitenhouderijen, endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen en spuitzones vanwege gewasbescherming. Conclusie
42/218
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.5
Mobiliteit en parkeren
Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. Toetsing verkeer Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de 'Nota Parkeernormen Meijerijstad 2018'. De gemeentelijke parkeernormen zijn namelijk gebaseerd op de CROW-parkeerkencijfers, waarbij voor de kern Wijbosch wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' en waarbij wordt uitgegaan van een kencijfer tussen het gemiddelde en het maximum van de bandbreedte. Voor de ligging van het wordt uitgegaan van 'rest bebouwde kom'. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 6 tiny houses, waarvoor wordt aangesloten bij de CROW-functie 'kleine eenpersoonswoning'. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten leidt dit tot een kencijfer van 2,25 mvt/etmaal per woning.
Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeersgeneratie van (6 x 2,25 =) 13,5 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Voor het aspect verkeer is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW-744 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Hiermee zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van (13,5 x 1,11 =) 15,0 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Toetsing parkeren De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt bepaald aan de hand van de 'Nota Parkeernormen Meijerijstad 2018'. Binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid zijn er geen parkeernormen opgenomen voor een tiny house of eenpersoonswoning. In plaats daarvan wordt aangesloten bij de norm voor de meest vergelijkbare functie binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid, namelijk de functie 'serviceflat/aanleunwoning'. Voor deze functie geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per woning, waarvan 0,3 voor bezoekers. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een parkeerbehoefte van (6 x 1,3 = 7,8 =) 8 parkeerplaatsen, waarvan 2 parkeerplaatsen voor bezoekers.
Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van 9 nieuwe parkeerplaatsen op loopafstand van de woningen. Hiermee wordt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling probleemloos opgevangen. Conclusie Het aspect parkeren en verkeer vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.
43/218
5.6
Ecologie: soortenbescherming
De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een bopa wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bopa is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). Toetsing Bij dit project kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan, doordat bestaande paden worden verwijderd, een bestaande fietsenstalling wordt afgebroken en grondverzet wordt uitgevoerd.
Mogelijk wordt groen gesnoeid, maar er zullen geen bomen worden gerooid. Deze activiteiten kunnen invloed hebben op eventueel aanwezige soorten. Om de mogelijkheid op deze soorten aan te tonen is een quickscan natuurwaarden (ecologie) uitgevoerd, zie Bijlage 3. De conclusie van de quickscan luidt als volgt: "Op basis van de quickscan natuurwaarden dient voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen (vliegroute), steenmarter, bunzing en wezel en voor de roofvogels boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer. Gelet op de bomen met holtes, de schuurtjes en knotwilgen op de onderzoekslocatie en het zorgcentrum ten noorden van de onderzoekslocatie, zijn schadelijke handelingen ten aanzien van vleermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze elementen tijdens de werkzaamheden en eindfase dient te worden voorkomen en aanvliegroutes dienen vrij te worden gehouden. Indien een verlichtingstoename niet te voorkomen is dienen maatregelen genomen te worden om de toename tot een minimum te beperken, deze maatregelen kunnen worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.
Daarnaast dienen maatregelen ten aanzien van de das opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol om verstoring van de burcht in de zuidwesthoek van het perceel te voorkomen. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal lopend van maart-half augustus). Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de
44/218
Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot de specifieke zorgplicht dienen eventuele konijnenholen ter plaatse van de werkzaamheden onder ecologische begeleiding verwijderd te worden. Bij de voorgenomen ingreep mogen enkel konijnenholen verwijderd worden die niet geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Dit kan worden beoordeeld door een ter zaken kundig ecoloog." Naar aanleiding van de quickscan is in 2022 en 2023 aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de vleermuizen, steenmart, bunzing, hermelijn, wezel, boombalk, buizerd, havik,sperwer en ransuil, zie Bijlage 4. De conclusie van het aanvullend ecologisch onderzoek luidt als volgt: "De onderzoekslocatie bevat een potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter en maakt hierdoor deel uit van het essentiële leefgebied van deze soort. De bomenrij op de onderzoekslocatie dient als vliegroute voor de laatvlieger. Er zijn geen verblijfplaatsen van roofvogels en ransuil aangetroffen op of binnen de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Verder is de das waargenomen tijdens het cameraonderzoek naar steenmarter en kleine marterachtigen.
Deze das is naar verwachting afkomstig van de dassenburcht die zich in de zuidwesthoek van het perceel bevindt. Ten aanzien van vleermuizen, steenmarter en das dienen maatregelen genomen te worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van verblijfplaatsen en/of vliegroutes te garanderen. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Indien het niet mogelijk is om verblijfplaatsen en/of vliegroutes duurzaam te behouden, dan zijn een ontheffingsaanvraag en mitigerende maatregelen aan de orde. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal maart-half augustus). Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht voor het konijn dient het eventueel verwijderen van konijnenholen onder ecologische begeleiding te gebeuren. Hierbij mogen enkel konijnenholen verwijderd worden die niet geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Dit kan worden beoordeeld door een ter zaken kundig ecoloog." Het ecologisch werkprotocol met maatregelen om negatieve effecten op de vleermuizen, steenmarer en das te voorkomen zal gereed zijn bij aanvang van de werkzaamheden. Dit kan als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen.
Conclusie Een ecologisch werkprotocol moet worden opgesteld met maatregelen om negatieve effecten te voorkomen op vleermuizen, steenmarter en das. Er zijn geen ontheffingen nodig om het project te kunnen realiseren binnen het projectgebied.
45/218
5.7
Ecologie: gebiedsbescherming
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: a. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; b. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en c. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een bopa-activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden.
Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Houtopstanden (bos) Mocht de bopa-activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
46/218
Toetsing Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk is het gebied “Kampina & Oisterwijkse Vennen” dat op circa 12 km ten westen van het projectgebied is gelegen. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 480 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. Uit de uitgevoerde quickscan natuurwaarden blijkt dat ten aanzien van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en beschermde houtopstanden geen bezwaren worden voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. Directe negatieve effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn, vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden, dan ook niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden.
Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd in Bijlage 5. Uit de berekening (Bijlage 6) blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling. Ten slotte gaat dit project niet gepaard met het vellen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour. Binnen het projectgebied zullen geen bomen worden gekapt. Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden met zich meebrengt.
5.8
Luchtkwaliteit
Als een bopa betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde
47/218
concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Meierijstad heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst. Toetsing Dit project voorziet in de realisatie van 6 tiny houses ter plaatsen van een tuin van een zorgcomplex. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om: één ontsluitingsweg: ten hoogste maximaal 1.500 woningen, of twee ontsluitingswegen: ten hoogste maximaal 3.000 woningen.
Daarnaast is de gemeente Meijerijstad niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven.
48/218
Figuur: Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied rood omcirkeld en links de toetspunten aan het wegdeel 'Nieuwe Eerdsebaan' (Bron: CIMLK viewer) Toetspunt: Monitoringsronde: Monitoringsjaar 2025 2030 Ten hoogst toelaatbaar (art. 2.4 en 2.5 Bkl)
Naamloos (locatie Nieuwe Eerdsebaan: x: 160280.8477879945 y: 402778.9837207139) 2023 NO2-concentrati PM10-concentrat PM10-overschrijdingsdage PM2,5-concentratie e ie n 13,06 µg/m³ 15,97 µg/m³ 6 9,31 µg/m³ 11,1 µg/m³ 14,94 µg/m³ 6 8,34 µg/m³ 40 µg/m³ 40 µg/m³ 35 kalenderjaargem kalenderjaargem dagen per kalenderjaar iddelde iddelde
Uit de gegevens van de CIMLK viewer blijkt ook dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Conclusie
49/218
Gelet op de luchtkwaliteit is het aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
5.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Wettelijk kader Het Bkl kent met betrekking tot geluid instructieregels in hoofdstuk 3 en 5. De instructieregels in hoofdstuk 3 zijn bedoeld voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (gericht op de bronbeheerder, vaststellen geluidproductieplafonds). De instructieregels in hoofdstuk 5 zijn specifiek bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De regels van hoofdstuk 5 zijn ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het normenstelsel voor geluid op basis van het Bkl is samengevat weergegeven in onderstaande tabel 1. Daarnaast regelt hoofdstuk 5 het geluid van activiteiten (zie volgend).
Tabel 1: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort Geluidbronsoo Standaardwaarde Lden Grenswaarde Lden[dB] Grenswaarde Lden[dB] 2,3 rt [dB] Vaststellen geluidproductieplafonds Nieuw geluidgevoelig gebouw Aanleg/wijziging wegen/lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds Provinciale 50 651 60 wegen Rijkswegen Gemeenteweg 53 70 70 en Waterschapswe gen Lokale 55 70 65 spoorwegen Hoofdspoorweg en Industrieterrei 50 Lden/40 Lnight 60 Lden/50 Lnight 55 Lden/45 Lnight nen 7. Voor een provinciale weg die binnen de bebouwde kom ligt, kan bij de vaststelling van een geluidproductieplafond de grenswaarde met ten hoogste 5 dB worden overschreden, als die overschrijding redelijkerwijs niet is te voorkomen. 8. Of de waarde van het geluid bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond ten tijde van de vaststelling. 9. Bij de wijziging van een gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg geldt de standaardwaarde of het geluid op geluidgevoelige gebouwen ten tijde van de wijziging.
50/218
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Beheersing van de geluidemissie-vaststellen van geluidproductieplafonds (bronsoorten met gpp's). Afdeling 3.5 van het Bkl is gericht op de beheersing van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn toegelaten (langer dan 10 jaar) op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied liggen. Afdeling 3.5 is niet van toepassing op een geluidgevoelig gebouw op een industrieterrein of op een niet-geluidgevoelige gevel. Bij het vaststellen van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden (van toepassing bij provinciale wegen, rijkswegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen) wordt eerst getoetst aan de standaardwaarden volgens tabel 1. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 1. Op basis van artikel 3.37 van het Bkl kan de grenswaarde worden overschreden als dat onvermijdelijk is. Bij het overschrijden van de standaardwaarde wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld.
Het gecumuleerde geluid is niet genormeerd en de beoordeling hiervan kan op basis van bestuurlijke afwegingsruimte. In onderstaande tabel is een algemeen geaccepteerde kwaliteitsindicatie gegeven. Wanneer de afweging is gemaakt, wordt het gezamenlijk geluid bepaald. Tabel: Kwaliteitsindicatie gecumuleerde geluidbelasting (bron: RIVM) Lden [dB] Geluidkwaliteit <45 zeer goed 46-50 goed 51-55 redelijk 56-60 matig 61-65 tamelijk slecht 66-70 slecht = 71 zeer slecht In artikel 1.4 Omgevingsregeling staat wat de contouren zijn van wegen zonder geluidproductieplafonds: Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg: Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m; Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m; en Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. Toetsing Het gaat om het toelaten van geluidgevoelige gebouwen met een woonfunctie, namelijk 6 tiny houses. Toetsing
51/218
aan de instructieregels van het Bkl is nodig als deze worden toegelaten binnen een geluidaandachtsgebied van een geluidbronsoort, zoals genoemd in tabel 1. De Eerdsebeen is een 30 km/uur weg met een geluidaandachtsgebied van 100 meter. Het projectgebied ligt op grotere afstand. Toetsing is niet nodig. De Schoolstraat en de Loosbraak zijn smalle 60 km/uur wegen. Deze wegen hebben een geluidaandachtsgebied van 200 meter. De Schoolstraat ligt op circa 175 meter van het projectgebied en de Loosbraak op circa 130 meter. Het projectgebied ligt daarmee binnen het geluidaandachtsgebied van deze wegen. Toetsing aan de instructieregels is nodig. De Nieuwe Eerdsebaan is een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Dat betekent dat er overgangsrecht van toepassing is (artikel 3.5 Aanvullingswet geluid) die stelt dat de Wet geluidhinder nog van toepassing is. De geluidzone van de Nieuwe Eerdsebaan is 250 meter breed. Het projectgebied ligt op kortere afstand, circa 180 meter. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder is nodig. Onderzoek Schoolstraat en Loosbraak De verkeersintensiteiten van deze wegen zijn laag. Deze smalle wegen zijn voornamelijk bedoeld voor bestemmingsverkeer.
In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai van 9 augustus 2016 met documentnummer 2016wvl02/C01/RK ten behoeve van Loosbraak naast 43 zijn in Bijlage 1 de verkeersintensiteiten van de Loosbraak in 2011 opgenomen. Deze komen gemiddeld niet boven de 125 mvt/etmaal uit. Naar schatting zal deze verkeersintensiteit doorgerekend moeten worden naar het basisjaar (2011). Hiervoor is de standaard een autonome groei van 1% per jaar. Dit leidt naar een verkeersintensiteit van 143 mvt/etmaal. Dit betekent dat op het drukste moment van de dag een maximaal aantal van 14 auto's per uur rijden. Het gebied is in de tussentijd niet veranderd waardoor kan worden aangenomen dat ook nu sprake is van een dergelijke lage intensiteit. Gezien de lage intensiteiten op deze wegen en de afstand tot het projectgebied zijn deze wegen akoestisch niet relevant. Er zal voldaan worden aan de standaardwaarde van 53 dB en het geluid wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Nieuwe Eerdsebaan De nieuwe tiny houses worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de maximale ontheffingswaarde van 63 dB conform de Wet geluidhinder. Dit wordt hieronder kwalitatief onderbouwd. Langs de Nieuwe Eerdsebaan ligt ter hoogte van het projectgebied een geluidscherm van circa 4 meter hoog.
De verwachte geluidbelasting op basis van de kaart 'Geluid van wegverkeer – Atlas Leefomgeving' (figuur hieronder), welke tevens rekening houdt met de aanwezigheid van de wal, bedraagt 44 dB in 2021 op de meest zuidelijke grens van het projectgebied. Dit is de zone van het projectgebied die het dichtst bij de Nieuwe Eerdsebaan gelegen is. Dit is het gecumuleerde geluid van alle wegen samen in 2021 zoals afgebeeld op de figuur. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van tiny houses voldaan zal worden aan de standaardwaarden van 53 dB. De geluidbelasting wordt daarmee als aanvaardbaar beschouwd.
52/218
Figuur: Verwachte geluidbelasting projectgebied (Bron: Atlas leefomgeving) Conclusie Geconcludeerd wordt dat de woningen geen hinder zullen ondervinden van het wegverkeersgeluid op deze omliggende wegen. Een wegverkeerslawaaionderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
5.10 Geluid door activiteiten Wettelijk kader Activiteiten op industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden Via een wijziging van het omgevingsplan worden als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen waar activiteiten worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Deze activiteiten zijn vastgelegd in artikel 5.78b van het Bkl. Van belang is de uitzondering van activiteiten waarvoor het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT op 50 meter niet meer bedraagt dan de standaardwaarden volgens tabel 3. De geluidproductieplafonds dienen te worden vastgesteld conform § 3.5.4 van het Bkl. In het omgevingsplan worden regels opgenomen over activiteiten, gericht om te voldoen aan de geluidproductieplafonds. Geluid vanwege activiteiten niet op een industrieterrein met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen.
Tabel: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten 50 dB(A) 45 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van -70 dB(A) transportmiddelen
53/218
23.00-07.00 uur 40 dB(A) 70 dB(A)
LAmax door andere piekgeluiden
--
65 dB(A)
Tabel: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten 07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur LAr,LT als gevolg van activiteiten 35 dB(A) 30 dB(A) LAmax door aandrijfgeluid van -55 dB(A) transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden -45 dB(A)
65 dB(A)
23.00-07.00 uur 25 dB(A) 55 dB(A) 45 dB(A)
Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit bovenstaande tabellen met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. Voor een activiteit in een in het omgevingsplan aangewezen agrarisch gebied, kunnen de waarden uit bovenstaande tabellen met 5 dB worden verlaagd voor geluidgevoelige gebouwen binnen dat agrarisch gebied. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens de tabel met standaardwaarden in geluidgevoelige ruimten. Toetsing Het bedrijf met detailhandel in dierbenodigdheden aan Loosbraak 30 ligt op circa 65 meter afstand van het projectgebied. Voor detailhandel is de richtafstand slechts 10 meter. Hier wordt ruim aan voldaan. Ten westen van het projectgebied is een basisschool en een kinderdagopvang gevestigd. Dit gebouw ligt op circa 100 meter afstand van het projectgebied en tussen het projectgebied en dit gebouw ligt bebouwing van het zorgcomplex. Ter plaatse van het projectgebied zal gezien de afstand en de afscherming geen hinder worden ondervonden van de school en de kinderdagopvang. Binnen en rondom het zorgcomplex worden geen activiteiten uitgevoerd die voor overlast kunnen zorgen ter plaatse van het projectgebied.
De bevoorrading middels vrachtwagens vindt aan de noordwestzijde plaats, aan de andere kant van bebouwing ten opzichte van het projectgebied. Conclusie Hinder door geluid van activiteiten vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.
5.11 Geur Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
54/218
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).
Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl). Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project tijdelijk woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het projectgebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Geur van agrarische activiteiten Het projectgebied ligt op circa 280 meter van het melkrundveebedrijf Kapeleind 7. In onderstaande figuur is te zien dat het projectgebied buiten de geurcontour van dit bedrijf ligt. Op basis van deze gegevens is ter hoogte van de projectlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
55/218
Figuur: Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur (projectgebied blauw omcirkeld) (Bron: https://atlas.odzob.nl/) Naast geur afkomstig van landbouwdieren zelf (stallen) kan geur ook voortkomen uit andere agrarische activiteiten, zoals bij het telen van gewassen in de open lucht of in gebouwen, het opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voer- en werktuigen, het exploiteren van een veehouderij (bijv. opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen), en het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantmateriaal. Voor deze activiteiten geldt volgens paragraaf 5.1.4.6.4. van het Bkl een vaste afstand van veelal 100 meter in geval het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwingscontour geur (wat ongeveer overeenkomt met de bebouwde kom). Voor sommige activiteiten (bijvoorbeeld het niet afgedekt opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, of opslag van mest in een mestbassin tot 350 m²) is een afstand van 50 meter voldoende. Kapeleind 7 is het meest dichtstbijgelegen agrarisch bedrijf. Gelet op deze afstand wordt ruimschoots aan de vaste afstanden voor overige agrarische activiteiten uit het Bkl voldaan. Daarnaast liggen er andere geurgevoelige objecten dichter bij de dichtstbijzijnde veehouderij vergeleken met de projectlocatie, welke daardoor maatgevend zijn.
Geur van overige activiteiten Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen. Het dorpscentrum De Schakel en het restaurant van het zorgcomplex bevinden zich in het midden van het
56/218
complex omringd door bebouwing. Ter plaatse van het projectgebied zal geen hinder worden ondervonden van deze activiteiten met betrekking tot geur. Conclusie Gelet op het voorgaande is het gelet op het aspect geur verantwoord om de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
5.12 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.2) Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico / aandachtsgebieden Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.
Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met
57/218
4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. Toetsing Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (maatschappelijke woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaart 'Veilige omgeving' van Atlas Leefomgeving kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
58/218
Figuur: Uitsnede kaart Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie IenW – Register externe veiligheid, 2023) Toevoegend, de dichtsbijzijnde hoogspanningslijn ligt op een ruime 900 meter afstand van het plangebied. Deze afstand vormt geen belemmering voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is.
59/218
Figuur: Uitsnede kaart hoogspanningslijnen (Bron: atlasleefomgeving) Het projectgebied ligt niet binnen een risicozone van een weg of installatie. Het ligt op ruim voldoende afstand van risicobronnen. Conclusie Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.
5.13 Cultureel erfgoed Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de
60/218
archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. 5.13.1 Archeologie Ter plaatse van het projectgebied geldt volgens bestemmingsplan 'Landelijk gebied' (tijdelijk deel omgevingsplan Meierijstad) de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' opgenomen. Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 500 m2 en dieper dan 0,3 meter ten opzichte van maaiveld, dan wel, ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - esdek', dieper dan 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld. Volgens het ontwerp paraplubestemmingsplan archeologie geldt ter plaatse van het projectgebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter ten opzichte van het maaiveld een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens die aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Toetsing De grond wordt maximaal met een oppervlakte van 244 m2 geroerd. Hierdoor is er geen archeologisch onderzoek nodig. 5.13.2 Cultuurhistorie en monumenten Binnen het projectgebied komen geen gronden of objecten voor die zijn aangewezen als Rijksmonument of gemeentelijke monument. Ook ligt het projectgebied niet binnen een volgens de provinciale TAM-omgevingsverordening aangewezen cultuurhistorisch waardevol gebied. Ten slotte ligt het gebied niet binnen een als zodanig in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan aangewezen beschermd stad- op dorpsgezicht. Toetsing
61/218
Figuur: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant, met het projectgebied paars omlijnd. Uit bovenstaande uitsnede van de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat binnen het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten voorkomen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt cultuurhistorie is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.