CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ia Toelichting Vrijwilligerswoningen St. Barbara Vlinderhoven Wijbosch bijlagen1 - 73

Raadsvergadering 7 november 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Positief advies voor voornemen tot verlening tijdelijke omgevingsvergunning voor zes tiny houses op het terrein van Laverhof20.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.14 Bodem Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:

62/218

1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Toetsing Met dit project worden 6 tijdelijke woningen mogelijk gemaakt op het terrein van een zorgcomplex. Om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is om op te wonen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd in Bijlage 7. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen en conclusies: "Tijdens de werkzaamheden zijn zintuiglijk geen bijmengingen of bijzonderheden waargenomen. Analytisch zijn in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aangetoond. Op basis van de indicatieve kwaliteit (Bbk) is sprake van altijd toepasbare grond. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie molybdeen gemeten. Vermoedelijk betreft het hier een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde." Conclusie De bodemkwaliteit geeft geen belemmeringen voor de geplande ontwikkelingen of huidig en toekomstig gebruik.

5.15 Water Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit volgt uit paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geldt in het algemeen voor alle waterbelangen, zoals:

63/218

watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen (bescherming primaire waterkeringen, behoud waterveiligheid kust en grote rivieren, IJsselmeergebied) stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Daarnaast moet rekening worden gehouden met watergerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening. Verder moet worden getoetst aan de waterschapsverordening. Deze bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Ten slotte wordt het project ook getoetst aan het relevante gemeentelijke beleid met betrekking tot water. Beleid Rijk Nationaal Water Programma 2022 - 2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen.

Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaat adaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben.

Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en

64/218

(economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken. Gemeente Meierijstad Het beleid van de gemeente Meierijstad omtrent water en riolering is beschreven in het Programma Water en Riolering Meierijstad 2022-2026. Vanuit de hemelwaterzorgplicht, conform artikel 3.5 van de Waterwet, heeft de gemeente de verantwoordelijkheid voor een doelmatige inzameling van overtollig hemelwater uit de openbare ruimte. Daarnaast hebben ze ook de zorgplicht voor de afvoer van hemelwater van particuliere percelen, voor zover dit niet redelijkerwijs van de perceeleigenaar kan worden verwacht. Belangrijk vertrekpunt in de wetgeving is dat de zorgplicht in eerste instantie bij de burger ligt. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver of op een groen dak. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht op een doelmatige manier overnemen. Om invulling te geven aan de hemelwaterzorgplicht richt de gemeente zich op de volgende doelstellingen: Streven naar het scheiden van waterstromen; Streven naar een klimaat robuuste leefomgeving, als aspect van een gezonde en veilige leefomgeving, zoals benoemt in de Omgevingswet.

Voor particuliere terreinen richt de gemeente zich in het bestaand gebied op het stimuleren van het afkoppelen van verhard oppervlak, waar nodig kan dit worden afgedwongen middels een gebiedsaanwijzing in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Voor nieuwbouw geldt een verbod op het lozen van hemelwater op de riolering of openbaar terrein en is een berging van 60 millimeter verplicht. Dit is eveneens opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Voor een toename van meer dan 500 m² verhard oppervlak moet voldaan worden aan het beleid van het waterschap.

Tot 500 m2 500 m2 - 10.000 m2 Meer dan 10.000 m2 of bij niet voldoen aan rekenregel

Gemeente 60 mm berging verplicht

Waterschapsverordening Toepassing rekenregel Toepassing beleidsregel

Toetsing Hemelwater Binnen of in de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich geen waterlopen van het waterschap. Er vindt geen versnelde afstroming van hemelwater naar oppervlakte water plaats. Er gelden daarom geen waterbergingseisen vanuit de waterschapsverordening. De tiny houses hebben gezamenlijk een oppervlakte van 244 m2. De tiny houses krijgen houten vlonders als terrassen, waardoor het hemelwater hieronder in de bodem kan blijven infiltreren. De 9 parkeerplaatsen worden grotendeels gesitueerd op bestaande verharding, slechts 10 m2 wordt extra verhard ten behoeve van de nieuwe parkeerplaatsen. De eventueel nieuwe paden worden met kiezels uitgevoerd waardoor hemelwater ook hier kan blijven infiltreren.

65/218

Volgens de Verordening Fysieke Leefomgeving geldt voor nieuwbouw een verbod op het lozen van hemelwater op de riolering of openbaar terrein en is een berging van 60 milimeter verplicht. De verplichte waterberging is daarmee 254 m2 x 0,06 meter = 15,24 m3. Deze geringe hoeveelheid kan worden opgevangen in de bestaande wadi. Afvalwater De tiny houses worden aangesloten op de riolering die wordt doorgetrokken vanaf het zorgcomplex. Conclusie Er geldt geen verplichting voor bergingsmaatregelen voor deze ontwikkeling.

5.16 Gezondheid Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Gezondheidsbescherming Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor woningbouw op de projectlocatie. Aanvullend is kort in gegaan op het advies van de GGD met betrekking tot veehouderijen: Uit onderzoek is bekend dat omwonenden van veehouderijen blootgesteld worden aan verhoogde concentraties van geur, fijnstof, endotoxinen en biologische agentia.

Een dergelijke blootstelling kan tot hinder en gezondheidsklachten zoals luchtwegklachten leiden. Bekend is dat wanneer een gevoelige bestemming dichter bij een veehouderij staat, de blootstelling toeneemt. Advieswaarden Veehouderij Het advies van de GGD is om minimaal 250 meter afstand in acht te nemen tussen een (intensieve) veehouderij en nieuw te realiseren gevoelige bestemmingen. De dichtstbijzijnde melkrundveehouderij is gesitueerd aan Kapeleind 7 in Schijndel. Dit ligt op circa 260 meter van de tiny houses. Daarnaast liggen meerdere woningen dichter bij de dichtstbijzijnde veehouderij vergeleken met de projectlocatie, welke daardoor maatgevend zijn. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering

66/218

voor het project of andersom. Wanneer er een geitenhouderij in de omgeving staat, blijkt dat mensen die binnen een straal van 2 km wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. Het risico neemt toe naarmate de afstand kleiner is, al is dit nog niet precies te kwantificeren. Het risico is het grootst binnen 500 meter van de geitenhouderij. Geadviseerd wordt om in elk geval niet naar een geitenhouderij toe te bouwen en terughoudend te zijn met de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van geitenhouderijen. De dichtstbijzijnde geitenhouderij ligt op circa 5 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied (Boxtelseweg 10, Olland). Het projectgebied is niet gelegen binnen de straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen en ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van een geitenhouderij. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het project of andersom. Het meest recente VGO-onderzoek toont toch weer aan dat binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij er een verhoogd risico is op longontsteking. Het advies is daarom een afstand van minimaal 500 meter aan te houden tussen een gevoelige bestemming en een pluimveehouderij. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gesitueerd aan Laverdonk 7 in Heeswijk-Dinther. Dit ligt op circa 2,8 kilometer van de tiny houses. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het project of andersom.

Voor fijnstof worden de WHO-advieswaarden aangehouden: 1. PM10 = 15 µg/m3 2. PM 2,5 = 5 µg/m3 In paragraaf 5.8 is te lezen dat in 2030 aan de WHO richtlijn voor PM10 wordt voldaan. De PM2,5 waarde blijft ruim onder de grenswaarden in het Bkl. Endotoxinen zijn een betere parameter dan fijnstof voor de beoordeling van blootstelling afkomstig van veehouderijen. Endotoxinen kunnen via inademing acute luchtwegklachten en chronische effecten op de luchtwegen (niet allergische astma en COPD) veroorzaken. Via de handreiking endotoxine, is aan de hand van de fijnstofemissie vanuit stallen van varkens en pluimveebedrijven de endotoxine richtafstand te berekenen. Dit is de afstand waarbinnen naar verwachting de gezondheidskundige advieswaarde van endotoxine (30 EU/m3) wordt overschreden. Bouw geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen deze richtafstand. Het dichtstbijzijnde pluimveebedrijf ligt op circa 2,8 kilometer afstand (Laverdonk 7 Heeswijk-Dinther) en het dichtstbijzijnde varkensbedrijf op 2,5 kilometer afstand (Kanaaldijk Noord 44 Heeswijk-Dinther). Hiermee ligt het projectgebied op ruim voldoende afstand. Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan

67/218

het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Toetsing Ten zuiden en westen van het projectgebied liggen agrarische gronden met maisteelt. In de huidige situatie wordt de eigenaar van het perceel al belemmerd in het spuiten van zijn gronden doordat het tegen een maatschappelijke bestemming aan ligt. Volgens het bestemmingsplan kunnen hier ook voorzieningen ten dienste van onderwijs en kinderopvang worden gerealiseerd. De tiny houses binnen deze maatschappelijke bestemming maken de bestaande bestemming niet milieugevoeliger. In de huidige situatie wordt de agrariër dus al belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Gezondheidsbevordering Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Het project voorziet in 6 tiny houses voor vrijwilligers in de grote tuin van het zorgcomplex Laverhof. Deze tuin is al zo gezondheidsbevorderend ingericht voor de bewoners van het zorgcomplex. De tuin stimuleert om te wandelen, relaxen, ontmoeten en genieten.

Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling. Vanuit het oogpunt gezondheid is het aanvaardbaar de betreffende functies waaronder wonen aan de projectlocatie toe te delen.

68/218

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Vanuit de Omgevingswet gelden de volgende vereisten: 1. de ruimtelijke ontwikkeling mag niet evident financieel onuitvoerbaar zijn, en; 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, moet het kostenverhaal verzekerd zijn.

6.1

Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal

Laverhof en Butterfly Effect richten t.b.v. dit project een projectvennootschap op met de naam Vlinderhoven. Deze vennootschap is verantwoordelijk voor de aanschaf, financiering en verhuur van de woningen, en de aanleg van de infrastructuur. De grond onder de woningen blijft eigendom van Laverhof, en wordt gedurende de projectduur verpacht aan Vlinderhoven. Uitgangspunten voor verhuur van de woningen: De woningen worden verhuurd tegen een sociaal huurtarief, waarbij bewoners aanspraak kunnen maken op huurtoeslag, afhankelijk van hun inkomen. De selectie van de bewoners wordt afgestemd met de gemeente, zo kunnen we ervoor kiezen dat bewoners uit Wijbosch (of Meierijstad) voorrang krijgen bij de selectie van buurtverbinders. Om exploitatie van de woningen tegen sociale huur mogelijk te maken is een projectduur van 20 jaar noodzakelijk. Financiering woningen De woningen worden gefinancierd door sociale financiers, waarbij de volgende financiers al bekend zijn: Provincie Noord-Brabant verstrekt een lening van € 120.000 voor de realisatie van de woningen. Laverhof verstrekt een lening van € 200.000 om het project mogelijk te maken.

6.2

Kostenverhaal

Indien de bopa nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Dit initiatief is een aangewezen bouwplan, daarom moet er een plankostenscan komen. De gemeente maakt geen kosten met betrekking tot de gronden, maar wel met betrekking tot de ambtelijke uren die er in worden

69/218

gestoken. De plankostenscan wordt gemaakt op het moment dat het programma en de inrichting duidelijk zijn.

70/218

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht hoofdstukken 3, 4 en 5. Getoetst is aan het geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Hieruit is gebleken dat het project past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. Er heeft voor diverse omgevingsaspecten een afweging plaatsgevonden, waarbij steeds de conclusie kan worden getrokken dat het voorgenomen project niet leidt tot onacceptabele effecten op de fysieke leefomgeving. Uit het participatietraject zijn geen kritische geluiden gekomen waar rekening mee gehouden dient te worden.

Gelet op het voorgaande is het acceptabel om 6 tijdelijke wooneenheden te realiseren, geschikt voor vrijwilligers. De vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omvattende afwijkende bouw en gebruik, de bouw van de nieuwe woningen en de aanleg van de civiele werken kan worden verleend. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar. Vergunningverlening kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat: Voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd en nadien als zodanig in stand worden gehouden; Ecologisch werkprotocol is opgesteld voorafgaand aan de werkzaamheden. Deze voorwaarden worden als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.

71/218

72/218

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=9b4a9d40-4245-4cd6-bcd9-aabd23100a71