CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 Toelichting Liempdseweg 19 en 21 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'28.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

22

Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is het plangebied gelegen in ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Normen wateroverlast’ en ‘Normen wateroverlast buiten Stedelijk gebied’ zie afbeelding 7.

Afbeelding 7: Uitsnede ‘Instructieregels voor waterschappen’

Zoals te zien is in afbeelding 7 zijn meerdere aanduidingen van toepassing op deze locatie. In paragraaf 3.1.3 is reeds getoetst aan de aanduiding ‘Attentiezone waterhuishouding’. Uit toetsing is gebleken dat de aanduiding geen belemmering vormt voor de gewenste ontwikkeling. Daarnaast is de locatie gelegen binnen de aanduiding ‘Normen wateroverlast’ (artikel 4.4). Binnen artikel 4.4 zijn normen opgenomen met betrekking tot wateroverlast. De omliggende gronden rondom het perceel zijn in gebruik als grasland en akkerbouw. Voor deze gronden geld een norm wateroverlast van respectievelijk 1/10 jaar en 1/25 jaar. Indien hieraan niet kan worden voldaan dienen compenserende maatregelen getroffen te worden in de vorm van retentievoorzieningen. Hierdoor kan het water langer vastgehouden worden zodat de kans op wateroverlast wordt verlaagd. In paragraaf 4.2.3 van deze onderbouwing wordt de beoogde waterhuishoudkundige situatie Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

23

uiteengezet. Hieruit blijkt dat er sprake is van een vermindering van het verhard oppervlak. Hierdoor kan het water gemakkelijker de bodem infiltreren waardoor de kans op wateroverlast wordt verminderd.

Watertoets

De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 8 heeft de planlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’ toegekend gekregen.

Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor deze deelfunctie geldt beperkt beschermingsbeleid. Dit houdt in, dat binnen deze gebieden in beginsel waterhuishoudkundige ingrepen mogen plaatsvinden, mits deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities. Het ruimtelijk beleid in de groenblauwe mantel is vooral gericht op ontwikkeling van groenblauwe waarden. Het initiatief betreft het saneren van een intensieve veehouderij en het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er is hierdoor geen sprake van waterhuishoudkundige ingrepen, die een negatief effect kunnen hebben op de ontwikkeling van de groenblauwe mantel. Hiermee heeft ontwikkeling naast een verbetering van de landbouwkundige condities ook een verbetering van de conditie van de natuurwaarden tot gevolg.

Afbeelding 8: Uitsnede Provinciaal milieu- en waterplan 2016 - 2021 Noord-Brabant.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

24

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de planlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de planlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

25

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

De ontwikkeling leidt tot de sanering van de varkenshouderij waarbij de bestaande dierenverblijven in zijn geheel worden gesloopt. De bestaande bedrijfswoning zal hierbij worden omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast leidt de sanering van de intensieve veehouderij tot het oprichten van één Ruimte-voor-Ruimte woning. De sanering van de veehouderij leidt tot een grote afname (-1.650 m2) van het bestaand verhard oppervlak, wat leidt tot een positief effect op de waterhuishouding. Hierdoor ontstaat meer ruimte waar hemelwater kan infiltreren in de bodem. Voor de Liempdseweg 19 geldt dat er geen veranderingen plaatsvinden aan de omvang van het verhard oppervlak. De bestaande situatie blijft daarbij gehandhaafd. In het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is daarom vanuit het waterschap geen formele compensatie noodzakelijk. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. In de beoogde situatie wordt het afvalwater afkomstig van de voormalige bedrijfswoning geloosd op het gemeentelijk riool zoals reeds in de bestaande situatie aanwezig is.

Voor de toekomstige Ruimtevoor-Ruimte woning geldt dat deze in de toekomstige situatie zal worden aangesloten op het gemeentelijk riool zodat afvalwater daarop kan worden geloosd. Het hemelwater afkomstig van de woningen en bijbehorende bijgebouwen kan worden geloosd op de omliggende gronden waarna het in de bodem kan infiltreren. Het plan heeft om bovengenoemde redenen een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

26

Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is in en rondom de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 9. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

27

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse vennen, dat op een afstand van circa 9 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Voor de huidige varkenshouderij aan de Liempdseweg 19-21 geldt dat op 21-12-2020 een definief besluit is genomen tot intrekking (Z/135724) van de vigerende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, zie bijlage 4. De ontwikkeling leidt tot de sanering van een varkenshouderij waarbij één Ruimte-voor-Ruimte woning zal worden gerealiseerd. De bestaande (voormalige) bedrijfswoning wordt omgezet tot burgerwoning. Voor deze ontwikkeling is een AERIUS-berekening gemaakt om inzichtelijk te maken of tijdens de ‘aanlegfase’, waarbij de varkenshouderij wordt gesaneerd en de Ruimte-voor-Ruimte woning wordt gerealiseerd, leidt tot stikstofdepositie. Uit de berekening, zie bijlage 5, blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie van > 0,00 mol N/ha/jaar.

Derhalve leidt de ontwikkeling niet tot negatieve effecten in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren Vanwege de grote afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

28

bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten.

Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Liempdseweg 19-21 dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te saneren varkenshouderij en nieuw te realiseren woning beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Middels een Quikcscan Flora- en Fauna is de locatie onderzocht op eventuele sporen die kunnen leiden tot de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten. Hierbij moet men denken aan nestmateriaal, gaten en kieren in daken en muren waarin zich beschermde diersoorten in kunnen verblijven en/of nestelen of de aanwezigheid van uitwerpselen.

Met name voor (oude) varkensstallen geldt dat de muren niet ‘strak’ zijn afgewerkt waardoor gaten en kieren aanwezig zijn. Ook luchtinlaat schachten kunnen potentieel geschikt zijn als verblijfplaats Hierin kunnen beschermde diersoorten, met name vleermuizen, in voorkomen. Omdat het een varkenshouderij betrof met relatief verouderde stallen is ook gekozen om middels een endoscopische camera de binnenzijde te inspecteren. Uit het onderzoek, dat op 25 januari 2021 heeft plaatsgevonden, is gebleken dat beschermde diersoorten in en rondom de locatie niet te verwachten zijn. Het plangebied is ongeschikt geacht als vaste rustplaats, verblijfplaats en voortplantingsgebied voor beschermde diersoorten. Er zijn geen sporen gevonden die kunnen leiden tot de aanwezigheid van beschermde diersoorten binnen het plangebied. Echter zijn de aanwezigheid van algemene broedvogels niet uit te sluiten. Wanneer de sloop wordt uitgevoerd in de periode augustus – februari mag worden aangenomen dat ten aanzien van algemene broedvogels de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. In bijlage 6 is het gehele onderzoek weergegeven. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal.

Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

29

mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 10. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 10: Uitsnede kaart ‘Aardkundige-, Cultuurhistorische en landschappelijke waarden ’ Iov 4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In de vigerende verbeelding zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied SintOedenrode’ is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 2’

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

30

opgenomen. Ter plaatse van deze aanduidingen zijn de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ van toepassing. De ontwikkeling vindt plaats ter hoogte van beide aanduidingen. Echter geldt dat de regels ten aanzien van de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 1’ strenger zijn dan die van ‘Waarde – Archeologie 2’. Om deze reden zal enkel worden getoetst aan de regels van de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 1’. De bouwregels die opgenomen zijn bij de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 1’ luiden als volgt: a. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.

De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 2. De verplichting tot het doen van opgravingen. 3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c. Het bepaalde in sub a en b is niet van toepassing binnen het bouwvlak en binnen de bestemmingsvlakken van de bestemmingen 'Bedrijf', 'Horeca', 'Maatschappelijk', 'Recreatie', 'Sport, en 'Wonen'. d. Het bepaalde onder sub a en b is niet van toepassing indien door middel van een onafhankelijk document kan worden aangetoond dat de beoogde gronden voor het bouwen reeds verstoord zijn. Zoals lid a aangeeft, dient er een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden wanneer het bouwwerk een oppervlakte betreft groter dan 200 m2 en dieper dan 0,5 meter. De nieuw te bouwen Ruimte-voor-Ruimte woning wordt gebouwd ter hoogte van de bestaande dierenverblijven. Deze gronden zijn ten tijde van de bouw van de verschillende opstallen ernstig verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelders. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht.

Tot slot zijn de gronden na herbestemming gelegen binnen de bestemming ‘wonen’. Deze bestemmingen zijn onder c uitgezonderd van een dergelijk archeologisch onderzoek. Voor het omzetten van de (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning, zijn geen grondwerkzaamheden noodzakelijk. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet is men verplicht om een toevalvondst te melden aan het bevoegd gezag. Mochten er tijdens werkzaamheden (vermoedelijke) archeologische vondsten worden ontdekt, zal dit worden gemeld aan het bevoegd gezag. Gezien het bovenstaande is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 4.5. Landschappelijke inpassing Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is het behoud van de bestaande landschapsbomen. Rondom het perceel zijn enkele bestaande houtopstanden gesitueerd. Direct naast de inrit is een bomenrij van 5 landschapsbomen gesitueerd van de soort Es. Direct daaronder zijn 3 walnootbomen geplaatst met een plantafstand van 8 meter h.o.h. Ten westen van de beoogde Ruimte-voor-Ruimte

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

31

woning zijn 3 berken in een rij geplaatst met een plantafstand van circa 20 meter h.o.h. Tussen de bestaande inpassing zal een gebiedseigen inpassing worden gerealiseerd. De beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning wordt gerealiseerd aan de oprit van de Liempdseweg 19. De gesaneerde varkensstallen maken hier ruimte voor. De bestaande laanbomen aan deze weg blijven gehandhaafd en worden aangevuld met een knip- en scheerhaag, welke past binnen de omgeving. De bestaande lindebomen worden aangevuld met een struweelhaag om de beoogde woning aan het zicht te onttrekken. Deze struweelhaag loopt over in een (wintergroene) knip- en scheerhaag. Hierdoor blijft het zicht vanaf de Liempdseweg richting het achterliggende gebied open. Aan de westzijde blijven de berkenbomen gehandhaafd en worden deze aangevuld met een knip- en scheerhaag om zo de beoogde kavel te begrenzen en het zicht op het achterliggende gebied, voor de bestaande woning te handhaven. Aan de zuidzijde van de kavel wordt een groep fruitbomen gerealiseerd. Deze sluiten aan op het groen in de omgeving en vormen een natuurlijke afscheiding van de tuin. Tussen de Liempdseweg 19 en 21 wordt een groene strook aangeplant om een natuurlijke erfscheiding te vormen. Het inpassingsplan is in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 4.6.

Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Binnen de huidige bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Binnen de huidige veehouderij zijn bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt.

Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. De ondernemer is verplicht deze regels na te leven om bodemverontreiniging tegen te gaan. Voor de bestaande bedrijfswoning geldt dat deze middels onderhavige procedure beschikbaar wordt gemaakt voor burgerbewoning. In dit geval wordt er geen nieuw gebruik gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven, waardoor ten aanzien van de bestaande bedrijfswoning geen verplichting geldt tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek. De ontwikkeling leidt tevens tot het oprichten van één Ruimte-voor-Ruimte woning. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming wordt gewijzigd naar wonen én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In dit geval zal een woning worden gerealiseerd. Derhalve dient een historisch en verkennend bodemonderzoek ter plaatste van de woning te worden uitgevoerd. Dit onderzoek heeft op 26 augustus 2021 en 18 oktober 2021 plaatsgevonden.

4.6.1. Grond

Op basis van het verkennend bodem- en asbestonderzoek zijn in de mengmonsters verschillende mineralen in verhoogde concentratie aangetroffen. Tevens is een sterk verhoogd gehalte van koper en zink aangetroffen welke de interventiewaarde overschrijdt. Omdat de interventiewaarde werd overschreden dienen de mengmonsters uitgesplitst te worden. Na uitsplitsing is geconstateerd dat de verhoogde gehalten met zink en koper niet meer werden aangetroffen. Omdat in de uit gesplitste monsters geen verhoogde waardes zijn aangetroffen, is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

32

4.6.2. Grondwater

In het grondwater is een licht tot matig verhoogde concentratie met barium en nikkel aangetoond. Uit eerder uitgevoerde bodemonderzoek in de regio blijken deze verhoogde concentraties meermaals te worden aangetroffen. Derhalve kan worden gesteld dat er in de regio lokaal verhoogde gehaltes voorkomen. Dit wordt gezien als een natuurlijk proces, waardoor nader onderzoek niet zinvol wordt geacht.

4.6.3. Asbest

Op basis van het asbest onderzoek dat heeft plaatsgevonden is geconstateerd dat er in één mengmonster een zeer licht verhoogd (0,18 mg/kg d.s.) asbestgehalte is aangetroffen. In de overige monsters zijn geen verhoogde asbestgehalten aangetoond. Gezien het bovenstaande is een nader onderzoek niet noodzakelijk.

4.6.4. Conclusie

Op basis van het uitgevoerde bodem- en asbestonderzoek kan worden geconcludeerd dat er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen dan wel beperkingen waargenomen. Derhalve wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

33

Afbeelding 11: Omgeving plangebied De beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning wordt op een afstand van circa 40 meter van de dichtstbijzijnde boomgaard gerealiseerd. Deze boomgaard is gelegen ten westen van de beoogde woning. Omdat de vaste richtafstand van 50 meter voor de toekomstige woning niet kan worden gewaarborgd, dient een nadere onderbouwing plaats te vinden naar het gebruik van spuitmiddelen. Conform het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden rondom de locatie bestemd als ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Conform de regels ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ mogen op deze gronden grondgebonden agrarische activiteiten plaatsvinden. Conform de begripsbepalingen is het telen van (fruit)bomen op deze gronden rechtstreeks toegestaan. De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en fruitteelt omdat gewasbeschermingsmiddelen niet alleen neerwaarts worden gespoten, maar ook zijen opwaarts. Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt de opwaartse spuittechniek de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Daarnaast geldt voor fruitteelt bedrijven dat het middelengebruik hoger ligt dan in de boomteelt.

Ook wat betreft de toxiciteit van de gebruikte middelen ligt deze bij de fruitteelt hoger dan bij de boomteelt. Derhalve kan fruitteelt gezien worden als het meest maatgevend ten aanzien van spuitzones. Conform het Activiteitenbesluit is het sinds 1 januari 2018 verplicht om minimaal 75% drift reducerende spuittechniek toe te passen binnen een boomgaard. Bij de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen geldt op basis van artikel 3.78a. van het Activiteitenbesluit de verplichting tot het toepassen van een 75% drift reducerende spuittechniek vanaf 1 januari 2021. Op basis hiervan kan gesteld worden dat bedrijven in alle gevallen verplicht zijn om minimaal 75% drift te reduceren. Daarnaast worden de toe te passen spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

34

vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. Dit is ook als zodanig opgenomen binnen de huidige regels van het Activiteitenbesluit. De universiteit van Wageningen heeft onderzoek (PRI-rapport 609) gedaan op welke afstand gezondheidsproblemen kunnen ontstaan ten aanzien van drift. Tijdens het onderzoek is gebruik gemaakt van verschillende driftreducerende technieken. Ook is onderzocht of door het aanplanten van een haag tussen een boomgaard en een gevoelig object de afstand kan worden verkleind. Voor het onderzoek is specifiek gekeken naar drift afkomstig van fruitteelt. Fruitteelt kan namelijk gezien worde als het meest maatgevend ten aanzien van spuitzones, doordat deze zowel opwaarts als zijwaarts worden bespoten. In het onderzoek is gekeken naar de driftbloodstelling afkomstig van Captosan. De werkzame stof in Captosan is captan. Deze stof is irriterend voor huid en ogen en kan bij langdurig contact leiden tot een gevoelige huid.

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat bij gebruik van minimaal 75% driftreductie, de afstand tot aan de laatste bomenrij kan worden verkleind tot 30 meter. In een volblad situatie kan de afstand zelfs worden verkleind tot 25 meter. Wanneer tussen de boomgaard en het gevoelige object een heg, (wind)haag of aardewal aanwezig is, kan de afstand worden verkleind tot 20 meter en 5 meter voor respectievelijk de kale boom en volblad situatie. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een dubbele heg, dubbele houtwal of een wintergroene windhaag, vindt er in zowel de kale boom als in de volblad situatie geen overschrijding van de huidblootstelling plaats direct achter de haag. Voor onderhavige locatie geldt dat de beoogde Ruimte-voor-Ruimte woning op een afstand van circa 40 meter van de bestaande boomgaard wordt gerealiseerd. Rondom het perceel blijven de bestaande bomen behouden en wordt een wintergroene haag/heg geplant. Volgens het onderzoek van de Wageningen universiteit vindt achter de heg dan geen overschrijding van de huidblootstelling plaats. Wordt er een haag/heg geplant welke niet wintergroen is, dan dient de afstand minimaal 20 meter te bedragen (kale boom situatie). Ook wanneer er geen (wintergroene) haag/heg wordt geplant, kan ruimschoots worden voldaan. De afstand dient dan, uitgaande van een kale boom situatie, minimaal 30 meter te bedragen.

Gelet op het bovenstaande kan op een kortere afstand dan 50 meter een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Dit op basis van de verplichte driftreductie conform het Activiteitenbesluit en de toe te passen landschappelijke inpassing. Derhalve zijn er geen belemmeringen te verwachten in het kader van spuitzones. Met betrekking tot de landschappelijke inpassing, geldt dat de haag/heg rondom de woonbestemming planologisch-juridisch geborgd zal moeten worden door middel van een mitigerende maatregel in de vorm van een voorschrift in de toekomstige omgevingsvergunning. Hierin kunnen de voorwaarden voor wat betreft de hoogte, breedte, lengte en ‘wintergroen’ in opgenomen worden. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de landschappelijke inpassing bijdraagt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot spuitzones. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

35

De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats.

Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde nietagrarische bedrijvigheid is gelegen ten westen van de planlocatie aan de Kremselen 2. Dit betreft een tuinbouwbedrijf in combinatie met een restaurant. Voor het tuinbouwbedrijf geldt milieucategorie 2. Voor een restaurant geldt milieucategorie 1. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, een richtafstand van 30 meter. Het bedrijf ligt op circa 330 m van de bestaande (voormalige) bedrijfswoning en 360 meter van de toekomstige Ruimte-voorRuimte woning. Ten oosten van het plangebied is zowel een tuincentrum (Liempdseweg 6) en een bouwmarkt (Liempdseweg 3) gelegen. Voor beide bedrijfsfuncties geldt milieucategorie 2, waarvoor een maximale afstand van 30 meter geldt. De afstand tussen het plangebied en het tuincentrum bedraagt 310 meter. De bouwmarkt is op een grotere afstand gelegen. Derhalve leidt de beoogde ontwikkeling niet tot onevenredige inbreuk van de toekomstige bedrijfsmogelijkheden.

Verder ligt voor de Kremselen 7 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage om de huidige agrarische bestemming te wijzigen naar een bedrijvenbestemming t.b.v. een aannemersbedrijf met een werkplaats: b.o.>1.000m2. Een dergelijk bedrijf valt onder milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter. De locatie is echter gelegen op meer dan 250 meter van de beoogde woonbestemming. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat in alle windrichtingen burgerwoningen op een kortere afstand zijn gelegen van bedrijven dan onderhavig plangebied. In dat kader zijn overige burgerwoningen meer beperkender voor toekomstige ontwikkelingen van de bedrijven dan onderhavig plangebied. Geconcludeerd wordt dat door de grote afstand van de bedrijven sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

36

ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?

4.9.1. Omgekeerde werking t.p.v. (voormalige) bedrijfswoning

In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij is en blijft de woning een geurgevoelig object. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie dus al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. Daar de bedrijfswoning met het initiatief niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, verandert de toetsingsafstand voor die veehouderijen niet. Gezien het bovenstaande worden omliggende veehouderijen, door de functiewijziging naar een burgerwoning, niet onevenredig aangetast in de ontwikkelingsmogelijkheden.

4.9.2. Omgekeerde werking t.p.v. Ruimte-voor-Ruimte woning

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundveehouderijen, gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. In dit geval liggen er reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de omliggende veehouderijen, dan de beoogde Ruimte-voor-Ruimte kavel. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen, niet de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen de planlocatie zullen doen. De realisatie van één Ruimte-voor-Ruimte woning leidt er niet toe dat er een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.

4.9.3. Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Om dit te kunnen beoordelen is in eerste instantie aangesloten bij de richtafstanden die zijn gesteld in de VNGhandreiking. Voor rundveehouderijen en paardenhouderijen geldt een richtafstand van 100 meter. Voor pluimveebedrijven en varkenshouderijen wordt een richtafstand van 200 meter aangehouden. Rondom een straal van 210 meter zijn geen (actieve) veehouderij bedrijven zijn gelegen. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de richtafstanden ten opzichte van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Gezien het bovenstaande is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

37

milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.10.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van één nieuwe Ruimte-voor-Ruimte woning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Aangezien met het initiatief slechts één nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.10.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 18,22 μg/m3 (afbeelding 12), voor PM2,5 11,42 μg/m3 (afbeelding 13) en voor NOx μg/m3 (afbeelding 14).

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

38

Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart ‘PM10’

Afbeelding 13: Uitsnede GCN-kaart ‘PM2,5’

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

39

Afbeelding 14: Uitsnede GCN-kaart ‘NOx’ Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de planlocatie liggen geen spoorwegen en industrieterreinen. De planlocatie ligt ook niet binnen een geluidszone van een hoofdweg. Met de beoogde ontwikkeling wordt de vrijkomende bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Dit betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Tevens wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een Ruimte-voor-Ruimte woning. Dit object ligt in de geluidszone van de Liempdseweg. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op dit object derhalve in beeld gebracht te worden.

Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB dan wel 5 dB aftrek (afhankelijk van de maximale snelheid op een weg) op grond van artikel 110g van de Wgh. De voorkeursgrenswaarde voor woningen in het buitengebied wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er heeft een akoestisch onderzoek plaatsgevonden om te beoordelen of ter plaatse van de Ruimtevoor-Ruimte woning wordt voldaan grenswaarde van maximaal 48 dB. Deze waarden wordt ter plaatse van de nieuw te realiseren woning nergens overschreden. In het kader van akoestiek zijn derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Het gehele onderzoek is te vinden in bijlage 7.

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

40

4.12. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De planlocatie ligt aan de Liempdseweg Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door bestemmingsverkeer tussen de dorpen Sint-Oedenrode en Liempde. De weg wordt ontsloten door zowel de Vleutstraat en de N619. De Liempdseweg met daarbij de ontsluitingsmogelijkheden beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen in de beoogde situatie voornamelijk personenvervoersmiddelen van en naar de locatie bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de inrichting zullen dus ook vele malen lager liggen dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. Bij de totstandkoming van deze ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn de parkeerkencijfers van het CROW als vertrekpunt gebruikt (CROW-publicatie 317, oktober 2012). In bijlage 2 van de nota zijn de parkeernormen opgenomen voor de functie wonen. Binnen het plangebied zijn in de toekomstige situatie binnen het plangebied twee vrijstaande woningen aanwezig.

De parkeernorm voor een vrijstaande woning in het buitengebied is 2,4 parkeerplaatsen per woning. Binnen het plangebied moeten volgens de nota 4,8 parkeerplaatsen gerealiseerd worden op eigen terrein. Binnen het plangebied is meer dan voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Voor de bestaande, voormalige bedrijfswoning, aan de Liempdseweg 21 geldt dat er in totaal 5 parkeerplaatsen aanwezig zijn. In de onderstaande afbeelding is de locatie van de aanwezige parkeerplaatsen weergegeven. Hierin is te zien dat er maximaal 5 parkeerplaatsen aanwezig zijn, ruim voldoende conform de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’.

Afbeelding 15: Uitsnede beschikbare parkeerplaatsen Liempdseweg 21

Ruimtelijke onderbouwing Liempdseweg 19-21 te Sint-Oedenrode

41

Voor de toekomstige Ruimte-voor-Ruimte woning is de exacte locatie van de toekomstige parkeerplaatsen nog niet bekend. Dit is afhankelijk van de exacte ligging en situering van de woning. Echter is met zekerheid te stellen dat er voldoende ruimte is voor het realiseren van minimaal 2,4 parkeerplaatsen. De lange oprit biedt hiervoor voldoende ruimte voor. Derhalve wordt voldaan aan de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=202f8b55-423f-4aad-ba9c-296692ad8470