CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 Toelichting De Kuilen 12a en 13 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'26.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De locatie heeft de functie ‘water voor het landelijk gebied’ (zie onderstaande afbeelding). Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De locatie is niet gelegen in een gebied met een rol voor de bescherming van het (grond) water dat is bestemd voor menselijke consumptie.

Afbeelding 15: Kaart Gezondheid 1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Waterschap

Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in Veghel in handen van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad.

24

In 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol water’. Samen meer waarde geven aan water vastgesteld en vanaf 1 januari 2016 actueel. In het Waterbeheerplan zijn vier uitgangspunten geformuleerd die richting geven aan de plannen en oplossingen. 1. De beekdalbenadering 2. De gebruiker centraal 3. Samen sterker 4. Gezonde toekomst De werkzaamheden die voortvloeien uit de verplichtingen en gemaakte afspraken, is onder te verdelen in de volgende thema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. De Keur bevat de regels en vult daarmee de regels uit de Waterwet aan om daarmee de doelstellingen zoals opgenomen in het Waterbeheerplan te kunnen realiseren.

De Keur is zowel van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap als particulieren en bedrijven. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden.

Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 500 m2 en maximaal 10.000 m2. In de beoogde situatie is sprake van afname van verhard oppervlak. Er wordt meer gesloopt dan nieuwgebouwd. Maatregelen in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is derhalve niet nodig op basis van het beleid van het waterschap. Gemeentelijk beleid bepaald dat hemelwater op eigen terrein verwerkt moet worden. Dit gebeurt voor iedere kavel apart. Dit gebeurt doormiddel van afvloeien en infiltreren in de bodem ter plaatse.

Bestaande situatie waterhuishouding

In de bestaande situatie wordt het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woning afgevoerd via het riool. Het bedrijfsafvalwater gaat naar de mestkelder. Het schoon-hemelwater vloeit af naar de omliggende gronden en infiltreert daar in de bodem.

Toekomstige situatie waterhuishouding

In de toekomstige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woningen en eventueel het bijgebouw afgevoerd naar het gemeentelijk riool. De aansluiting op het drukriool ten behoeve van de nieuwe woningen gebeurt op kosten van de eigenaren van het perceel. Het hemelwater dat terecht komt op de erfverharding daken vloeit af naar de omgeving en infiltreert daar in de bodem. De erfverharding en daken van de bebouwing worden zorgvuldig schoongehouden zodat 25

het hemelwater niet verontreinigd wordt en het zonder problemen kan infiltreren/afvloeien. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen.

4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Aanleiding en doel

Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Beoordeeld dient te worden of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Aanleiding van de bodemtoets vormt wijziging van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. Om de financiële haalbaarheid in kaart te brengen is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk.

Huidige situatie en toekomstige situatie

In de bestaande situatie wordt het plangebied landbouwkundig of als ondergrond van het agrarisch bedrijf gebruikt. In de toekomstige situatie worden op de locatie woningen gebouwd met eventueel een bijgebouw. Bodemonderzoek op de locatie is uitgevoerd. Het rapport is als bijlage toegevoegd.

4.6 Verkeer en infrastructuur Het agrarisch bedrijf wordt beëindigd. Dit betekent dat het landbouw- en vrachtverkeer komt te vervallen. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van personenwagens. De verkeersbewegingen betreffen in de nieuwe situatie enkele personenauto’s per dag per woning. De verkeersintensiteit op De Kuilen en Het Loo neemt af waardoor maatregelen met betrekking tot de infrastructuur niet noodzakelijk genomen dienen te worden. De bestaande woning en de twee kavels welke deel uitmaken van de 2/1kap woonboerderij zijn toegankelijk via afzonderlijke inritten vanaf De Kuilen. Ook het achterliggende perceel landbouwgrond wordt ontsloten vanaf De Kuilen. Kavel 4 is toegankelijk vanaf Het Loo. Ten behoeve van de ontsluiting wordt indien nodig te zijner tijd een omgevingsvergunning/watervergunning aangevraagd en noodzakelijke maatregelen getroffen zoals het aanleggen van duikers en/of kappen van bomen. De gemeente Meierijstad heeft de Nota parkeernormen Meierijstad 2018 opgesteld. De norm voor vrijstaande woningen in Veghel betreft 2,4 parkeerplaatsen en voor een 2/1 kapwoning 2,3. Dit betekent dat per kavel ruimte moeten worden gereserveerd voor 3 parkeerplaatsen. Ge zien de oppervlakte van de kavels is dit geen probleem.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. 26

In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’, dan kan de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden. Het gebied waarin onderhavig plangebied is gelegen kan getypeerd worden als gemengd gebied. In de omgeving zijn zowel agrarische bedrijven als burgerwoningen aanwezig. In de omgeving zijn twee bedrijven gelegen, de veehouderijen aan De Kuilen 12 en De Kuilen 19. Hieronder zijn de richtafstanden weergegeven voor deze bedrijven, reeds gecorrigeerd voor ligging in gemengd gebied. De Kuilen 19, melkveehouderij met verblijfsrecreatie en zorgverlening Geur Stof Geluid Melkvee 50 10 10 Zorg 0 0 0 Verblijfsrecreatie 10 0 30 De Kuilen 12, rundveebedrijf Geur Stof 50 10

Geluid 10

Gevaar 0 0 10

Gevaar 0

De Kuilen 12 is gelegen op een afstand van minstens 50 meter van de woning op kavel 4. In het bestemmingsplan dient vastgelegd te worden dat de woning niet op kleinere afstand gerealiseerd mag worden. De woning op kavel 1 is gelegen op ruim 50 meter van het bouwvlak aan De Kuilen 12. Kavel 2 en 3 liggen op grotere afstand tot deze veehouderij. De andere veehouderij is gelegen aan De Kuilen 19 en betreft een melkveebedrijf. Het bouwvlak is gelegen op een afstand van circa 135 meter van kavel 3 (meest nabijgelegen). Voldaan wordt aan de richtafstanden.

4.8 Geur Aangetoond dient te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast dient gekeken te worden of de nieuwe woonbestemming beperkingen in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen geeft.

Omliggende bedrijven

In de nabijheid zijn twee veehouderijen gelegen. Op de locatie De Kuilen 12 is een rundveebedrijf gevestigd met melkrundvee en vleesvee. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van minstens 50 meter van de woning op kavel 4. In het bestemmingsplan dient vastgelegd te worden dat de woning niet op kleinere afstand gerealiseerd mag worden. De woning op kavel 1 is gelegen op ruim 55 meter van het bouwvlak aan De Kuilen 12. Kavel 2 en 3 liggen op grotere afstand tot deze veehouderij. De andere veehouderij is gelegen aan De Kuilen 19 en betreft een melkveebedrijf. Het bouwvlak is gelegen op een afstand van circa 135 meter van kavel 3 (meest nabijgelegen). Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij vormen de nieuwe woonbestemmingen geen belemmering voor de beide veehouderijen. Voldaan wordt aan de noodzakelijke afstand van 50 meter tot de veehouderijen. Voor woningen in het verleden behorende tot een veehouderij en ruimte-voorruimte woningen geldt enkel een vaste afstand.

Woon- en leefklimaat

Daarnaast moet ook beoordeeld worden in hoeverre sprake is van een goed woon- en leefkwaliteit ter plaatse van de woningen. Een belangrijke factor hierin is de zogenaamde achtergrondgeurbelasting. Hierbij wordt beoordeeld of de cumulatie van geur van alle agrarische bedrijven binnen 2 km een 27

goed woon- en leefklimaat in de weg staat. De berekening is uitgevoerd met V-stacks gebied en hieruit blijkt dat de achtergrondgeurbelasting op de hoekpunten varieert van 1,837 tot 4,605 OUE/m3. Hieronder zijn de resultaten weergegeven. De invoergegevens zijn in de bijlage opgenomen.

Afbeelding 16: Ligging receptorpunten

Recep ID 1 2 3 4 5 6 7 8 9

x-coord 162572.0 162518.0 162554.0 162516.0 162546.0 162582.0 162586.0 162657.0 162614.0

Y-coord 400936.0 400883.0 400826.0 400801.0 400756.0 400782.0 400785.0 400837.0 400888.0

Geurbelasting OU/m³ 2.472 1.944 2.114 1.845 1.719 1.837 1.863 2.457 4.605

Tabel 1: Resultaten V-stacks gebied

De voormalige gemeente Veghel heeft de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder opgesteld. Hierin is opgenomen dat in het buitengebied een achtergrondbelasting van 20 OUE als toetswaarde geldt. Hierbij is het hinderpercentage maximaal 20% en is er sprake van minimaal de classificatie ‘matig’. Op onderhavige locatie wordt ruimschoots voldaan aan de toetswaarde.

28

De voorgrondbelasting vanaf het bedrijf De Kuilen 12 kan nooit hoger zijn als de achtergrond belasting, welke al zeer laag is. De emissie van 1.790,2 OU/s is dermate laag dat de voorgrondbelasting niet afzonderlijk getoetst hoeft te worden.

4.9 Geluid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. Ook in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling moeten plaatsvinden. Voor geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wet geluidhinder vindt toetsing plaats in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 3.1 dat bestemmingen worden gelegd en regels worden gesteld in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Als hulpmiddel hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de ‘Brochure Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), geluidbeleid en toetsingskaders op basis van de Wet milieubeheer. Het betreft een bestaande woning welke als burgerwoning niet anders beoordeeld wordt als agrarische bedrijfswoning. In de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering wordt verder ingegaan op de afstanden tot omliggende bedrijven. De woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van de weg. Hier geldt een maximumsnelheid van 60 km per uur. Ten aanzien van het wegverkeerslawaai is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage bijgevoegd. De conclusie luidt als volgt:

“Ter plaatse van de gevels van de woningen kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Met een gevelwering, welke in geval van nieuwbouw ten minste 20 dB bedraagt, zal het binnenniveau van de woningen 2 t/m 4 ten hoogste 31 dB, 31 dB en 19 dB bedragen. Derhalve zal worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Ten aanzien van de buitenruimte en verblijf in de tuin dan wel terras ter hoogte van de drie woningen kan verondersteld worden dat een overwegend goede milieukwaliteit heerst. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een goede ruimtelijke ordening niet in de weg staat.”

4.10 Luchtkwaliteit In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

29

In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Deze grens is vertaald naar een ontwikkeling van 1.500 woningen. Aannemelijk is dat gepaard met deze woningen 7.500 verkeersbewegingen per dag zijn gemoeid. Hieruit kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling met enkele verkeersbewegingen per dag een zeer geringe bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en dan ook ‘Niet In Betekenende Mate’ is.

Woon- en leefklimaat

Op de afbeeldingen hieronder is de achtergrondconcentratie van (zeer) fijnstof en stikstofdioxide te zien. De waarden voldoen aan de grenswaarden, 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 20 μg/m³ voor PM2,5. Voor het aspect luchtkwaliteit kan dan ook geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde burgerwoningen. De bedrijven in de omgeving hebben nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden wat luchtkwaliteit betreft.

Afbeelding 17: Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2020, bron: RIVM

30

Afbeelding 18: Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2020, bron: RIVM

Afbeelding 19: Achtergrondconcentratie stikstofdioxide gegevens 2020, bron: RIVM

31

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid-buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

32

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10%en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100%letaliteitgrens bevinden.

Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ heeft geen betrekking op de activiteiten welke plaatsvinden op de locatie De Kuilen 12a/13. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. In provincies, gemeenten en regio’s worden risico-inventarisaties en risicoanalyses uitgevoerd. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van deze inventarisaties en analysen. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de kaart. Met onderhavig initiatief worden nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd.

33

Afbeelding 20: Uitsnede provinciale risicokaart

Het plangebied ligt binnen de 1% letaliteitsgrens van de hogedruk- aardgasbuisleiding A-521. Omdat het plangebied niet binnen de 100% letaliteitsgrens van de buisleiding ligt kan, conform art. 12 Bevb, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De woningen zijn gelegen in een bestaande bebouwingsconcentratie met veel woonfuncties waar de risico’s op deze afstand gelijk zijn. Het aantal personen dat risico loopt wordt zeer gering vergroot met drie gezinswoningen. Het plangebied ligt op circa 825 meter van de A50 (afrit 10: Eerde- A58 Eindhoven, wegvak B132) af, waar o.a. LT2 stoffen over worden vervoerd1. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter2. Het maatgevende scenario is een toxische wolk. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportweg afligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij dient te worden ingegaan op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. De veiligheidsregio heeft in samenwerking met de ODBN een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld.

Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld.

34

De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren.

In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. De Veiligheidsregio Brabant Noord dient ingevolge artikel 7-9 van het Bevt om advies gevraagd te worden over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Dit advies is door de gemeente aangevraagd en zal te zijner tijd worden verwerkt in deze onderbouwing.

4.12 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is onder andere gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking.

35

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan en richtafstanden om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is opgesteld voor om ontwikkelingen bij veehouderijen te beoordelen. Daarnaast kan het eventueel gebruikt worden bij de afweging om nieuwe gevoelige objecten toe te staan. Het stappenplan is in de bijlage volledig weergegeven: Stap 1 Endotoxine Voldoet aan richtafstanden Stap 2 Emissies Afname Stap 3a Geur, wettelijk kader Voldoet Stap 3b Geur, gezondheid advies Achtergrondbelasting voldoet, afstanden niet Stap 4a Meerdere diersoorten Alleen rundvee Stap 4b Afstand Voldoet Stap 5a Geitenhouderij Niet gelegen binnen 2 km Stap 5b Pluimveebedrijf Binnen 1 km (ca 550m Willibrordushoek 4a) Stap 5c Overig Niet van toepassing Stap 6 Mest be- of verwerking Niet van toepassing Stap 7 Ongerustheid omgeving Niet bekend Toelichting stap 3b: Voldaan wordt aan de wettelijke eisen. De achtergrondbelasting geur is erg laag. Daarnaast betreft het ruimte-voor-ruimte woningen. Dit zijn woningen welke in agrarisch gebied worden gerealiseerd en waarvoor bij wet expliciet is bepaald dat daarvoor andere regels gelden dan voor andere burgerwoningen. Toelichting stap 5b: Stap 5b voldoet niet, hiertoe kan het volgende opgemerkt worden.

‘’Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2km). In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. De gemeente kan desgewenst advies vragen bij de GGD.

4.13 Stedenbouw en landschap In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel wordt het landschap ter plaatse uiteen gezet. Veghel ligt tussen twee breuken. Dit is enerzijds de Peelrandbreuk, die loopt ten oosten van Veghel, ter hoogte van de gemeentegrens met Uden en anderzijds de Feldbissbreuk, die loopt ten westen van Veghel. Tussen deze twee breuklijnen ligt een, door afschuiving, gezonken deel van de aardkorst, een zogeheten slenk. Als er omgekeerd tussen twee tegenoverliggende breuken een ‘hoog’ ontstaat, spreekt men van een horst. Deze geologische structuur van horsten en slenken heeft echter niet geleidt tot grote niveauverschillen in het landschap. Gemeente Veghel ligt op de Roerdalslenk, die aan de oostkant wordt begrensd door de Peelhorst en aan de westkant door het Kempisch Plateau. In Veghel is sprake van dekzandvlaktes ontstaan tijdens de ijstijden. Door de toegenomen begroeiing werd het opgewaaide dekzand op een aantal plaatsen ook vastgehouden en ontstonden naast grote dekzandvlaktes ook enkele zogeheten dekzandruggen. Hierdoor kreeg het oppervlak wat meer reliëf. In Veghel liggen dergelijke dekzandruggen langs het dal van de Aa en de Leijgraaf en langs de oost-

36

en zuidrand van de gemeente. Daarnaast zijn verspreid over de gemeente enkele kleine dekzandkoppen aanwezig. Door verschillen in hoogte (reliëf), waterhuishouding en agrarische activiteit hebben zich in de (zand)afzettingen die aan het oppervlak voorkwamen verschillende bodemtypen gevormd. In Veghel zijn de volgende bodemtypen te onderscheiden: - podzolgronden; - hoge enkeerdgronden; - beekeerdgronden; - lage enkeerdgronden; - duinvaaggronden. Onderhavige locatie is gelegen op een dekzandrug. Daarnaast zijn op korte afstand verstuivingen aanwezig. Binnen het plangebied komen voornamelijk veldpodzolgronden voor, die zijn ontstaan op de oorspronkelijke woeste gronden (de velden). Het grootste deel behoort nu tot de jonge ontginningsgronden. Hoge enkeerdgronden zijn gronden met een humushoudende bovengrond (esdek) die dikker is dan 50 centimeter. Deze gronden komen op de hoger gelegen dekzandruggen en –koppen voor (de oude bouwlanden) en zijn ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van materiaal uit de potstal, zoals heiplaggen, bosstrooisel, stalmest en zand. Het buitengebied van Veghel behoort tot het Zuid-Nederlandse dekzandgebied. Dit dekzandgebied was van oorsprong geheel begroeid met bos. De mens heeft het landschap echter gevormd tot wat het nu is.

De ontginningsgeschiedenis heeft uiteindelijk geleidt tot de volgende drie landschapstypen: - Beekdalen; - Oud ontginningslandschap; - Jong ontginningslandschap.

Afbeelding 21: Uitsnede kaart bij Structuurvisie Veghel 2030

Onderhavige locatie is gelegen in oud ontginningslandschap. De kleinschalige en meer gesloten akkercomplexen behoren tot de oudere ontginningen. De veelal bolle akkers liggen van oorsprong op de overgang van de hogere gronden naar de lagergelegen beekdalen. De randen worden veelal bepaald door een slingerend wegenpatroon waarlangs kleinschalige lintbebouwing is gevestigd. De percelen hebben een onregelmatig patroon. Aan de randen komt beplanting voor in de vorm van boselementen, weg- en erfbeplanting. Plaatselijk kan de grens van het akkercomplex samenvallen met de rand van een beekdal. De boerderijen vormen een transparant lint langs de rand van de akker; hier vinden we de veelal oudere boerderijen (type langgevelboerderij) met bijbehorende kleine erven. Vooral deze langgevelboerderijen vormen, daar waar deze in een hogere dichtheid voorkomen, een sterke begrenzing van de akker. Soms is via doorkijkjes het achterliggende akkercomplex zichtbaar. Het erf is aan de zijde van het voorhuis, het woongedeelte ingericht als siertuin, omzoomd door hagen. Verder is het erf vooral functioneel ingericht met elementen als een moestuin, boomgaard, schapenweitje, etc. Opvallend is de informele setting van de kleine gebouwen binnen het erf. Inmiddels heeft een zekere schaalvergroting plaatsgevonden. De informele setting direct aan de weg

37

is nog steeds herkenbaar, maar nu afgewisseld met diepere erven met grotere gebouwen en meer verhard oppervlak. Vooral de verticale elementen zoals voedersilo’s zijn sterk beeldbepalend. Twee van de ruimte-voorruimte kavels betreffen een langgevelboerderij welke gesplitst is. Dit type past daarmee in het landschap. De doorkijk naar het achterliggende gebied blijft behouden door de woning op kavel 4 verder naar het westen te situeren. Het landschappelijk inpassingsplan is opgesteld passend in bovenstaande beschrijving van het landschap. Het betreft beukenhagen die de kavels omzoomen, een siertuin voor de woning, fruitbomen en een enkele solitaire boom van een inheemse soort. Daarnaast wordt een forse struweelstrook aangelegd op de westelijke grens van kavel 1 en 4 en tussen deze kavels. De zichtlijn vanaf De Kuilen naar het noorden ter plaatse van de voormalige stallen wordt hierbij vrijgehouden.

4.14 Overig Hoogspanningslijn

De planlocatie is gelegen op circa 220 meter van een hoogspanningslijn van 150 KV. Zie een uitsnede van de Netkaart hieronder. De indicatiezone bedraagt 2 x 100 meter. De planlocatie is niet gelegen in deze zone.

Afbeelding 22: Uitsnede Netkaart

Spuitzones

Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke onderbouwing wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies kan worden gehanteerd. Rondom de inrichting zijn enkel graslanden gelegen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hierop is zeer laag, dit is niet te vergelijken met bijvoorbeeld fruitteelt of akkerbouwgewassen. Daarnaast betreft het een bestaande woning. 38

5 Uitvoerbaarheid en procedure Uit voorgaande toetsing is gebleken dat de gewenste ontwikkeling past binnen het beleid en de wettelijke kaders. Hierna wordt de uitvoerbaarheid en de te volgen planologische procedure toegelicht.

5.1 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. Deze particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het plan te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten. Gezien voorgaande zijn risico’s aangaande dit aspect voor de gemeente dan ook uitgesloten.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid vindt een kennisgeving van het besluit volgens formele weg plaats. Het complete bestemmingsplan, regels, verbeelding en toelichting inclusief bijlagen worden voor eenieder ter inzage gelegd. Tevens wordt het ontwerpbesluit toegezonden aan de provincie en het waterschap.

5.3 Te volgen procedure Ten behoeve van de wijziging van de bestemming wordt een planologische procedure doorlopen op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Op de voorbereiding van het Ontwikkelplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Na vooroverleg zijn aanpassingen doorgevoerd en is het Ontwikkelplan in ontwerp ter inzage gelegd. Kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft op de formele wijze plaatsgevonden. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Een zienswijze van de provincie is binnengekomen. Daarnaast heeft initiatiefnemer zelf een zienswijze ingediend omdat de bestemmingen niet juist zijn verwerkt. Zie voor beantwoording de notitie beantwoording zienswijzen. De gemeenteraad beslist binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld wordt het plan gepubliceerd. Een kennisgeving van het besluit vindt plaats conform wettelijke voorwaarden. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

39

6 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat de gewenste ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Meierijstad. Het plan voldoet tevens aan de gestelde eisen op het gebied van milieu en levert geen beperkingen op ten aanzien van ruimtelijke aspecten. Daarnaast is tevens de uitvoerbaarheid voldoende gegarandeerd. De procedure kan dan ook zonder problemen worden doorlopen.

40

Bijlagen Situatietekening Landschappelijk inpassingsplan Omgevingsdialoog Archeologisch onderzoek Invoergegevens V-stacks gebied Bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Stappenplan gezondheid

Situatietekening

918

4 el

920

v ka

4

l ve a k

338

12

o Lo

o

Lo

k rit in

t He

t He

el

av

W

12

919

1

921

337

A

12

l2

13

ve ka

l ve ka

W

3 922

PERCEELSGRENS de Kuilen 12a, Opp. = ± 5.518 m2. PERCEELSGRENS de kuilen 13 Opp. = ± 13.632 m2.

W

en uil

K De A 16

16

BOUWBLOKGRENS de kuilen 13, Opp. = ± 5.406 m2.

De

BESTAANDE GEBOUWEN SITUATIE : Gemeente Meierijstad SECTIE : R nr. 337 - 338

BESTAAND

n

W

BOUWBLOKGRENS de kuilen 12a, Opp. = ± 5.517 m2.

Nieuwe Woning (W) met bijgebouw.

e uil

K

PERCEELSGRENS BESTEMMINGSVLAK " WONEN " SITUATIE : Gemeente Meierijstad SECTIE : R nr. 918-919-920-921-922

A 16

16

NIEUW

KAVEL -1- opp. = ± 3.164 m2. KAVEL -2- opp. = ± 1.149 m2. KAVEL -3- opp. = ± 1.200 m2. KAVEL -4- opp. = ± 2.360 m2.

SITUATIETEKENING BESTAAND - NIEUW Opdrachtgever :V.O.F. Oppers, Boerdonksedijk 42A, 5469 PP Erp Locatie : de Kuilen 12a en 13 te Veghel SCHAAL 1 : 1000

DATUM : 12-01-2021/17-08-2021 / 31-01-2022 / 07-02-2022 / 11-02-2022/14-02-2022

FORMAAT : 563 x 297

Getekend : G. van de Rijt

Landschappelijk inpassingsplan Veghel ligt tussen twee breuken. Dit is enerzijds de Peelrandbreuk, die loopt ten oosten van Veghel, ter hoogte van de gemeentegrens met Uden en anderzijds de Feldbissbreuk, die loopt ten westen van Veghel. Tussen deze twee breuklijnen ligt een, door afschuiving, gezonken deel van de aardkorst, een zogeheten slenk. Als er omgekeerd tussen twee tegenoverliggende breuken een ‘hoog’ ontstaat, spreekt men van een horst. Deze geologische structuur van horsten en slenken heeft echter niet geleidt tot grote niveauverschillen in het landschap. Gemeente Veghel ligt op de Roerdalslenk, die aan de oostkant wordt begrensd door de Peelhorst en aan de westkant door het Kempisch Plateau. In Veghel is sprake van dekzandvlaktes ontstaan tijdens de ijstijden. Door de toegenomen begroeiing werd het opgewaaide dekzand op een aantal plaatsen ook vastgehouden en ontstonden naast grote dekzandvlaktes ook enkele zogeheten dekzandruggen. Hierdoor kreeg het oppervlak wat meer reliëf. In Veghel liggen dergelijke dekzandruggen langs het dal van de Aa en de Leijgraaf en langs de oosten zuidrand van de gemeente. Daarnaast zijn verspreid over de gemeente enkele kleine dekzandkoppen aanwezig. Door verschillen in hoogte (reliëf), waterhuishouding en agrarische activiteit hebben zich in de (zand)afzettingen die aan het oppervlak voorkwamen verschillende bodemtypen gevormd.

In Veghel zijn de volgende bodemtypen te onderscheiden: - podzolgronden; - hoge enkeerdgronden; - beekeerdgronden; - lage enkeerdgronden; - duinvaaggronden. Onderhavige locatie is gelegen op een dekzandrug. Daarnaast zijn op korte afstand verstuivingen aanwezig. Binnen het plangebied komen voornamelijk veldpodzolgronden voor, die zijn ontstaan op de oorspronkelijke woeste gronden (de velden). Het grootste deel behoort nu tot de jonge ontginningsgronden. Hoge enkeerdgronden zijn gronden met een humushoudende bovengrond (esdek) die dikker is dan 50 centimeter. Deze gronden komen op de hoger gelegen dekzandruggen en –koppen voor (de oude bouwlanden) en zijn ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van materiaal uit de potstal, zoals heiplaggen, bosstrooisel, stalmest en zand. Het buitengebied van Veghel behoort tot het Zuid-Nederlandse dekzandgebied. Dit dekzandgebied was van oorsprong geheel begroeid met bos. De mens heeft het landschap echter gevormd tot wat het nu is. De ontginningsgeschiedenis heeft uiteindelijk geleidt tot de volgende drie landschapstypen: - Beekdalen; - Oud ontginningslandschap; - Jong ontginningslandschap.

Onderhavige locatie is gelegen in oud ontginningslandschap. De kleinschalige en meer gesloten akkercomplexen behoren tot de oudere ontginningen. De veelal bolle akkers liggen van oorsprong op

de overgang van de hogere gronden naar de lagergelegen beekdalen. De randen worden veelal bepaald door een slingerend wegenpatroon waarlangs kleinschalige lintbebouwing is gevestigd. De percelen hebben een onregelmatig patroon. Aan de randen komt beplanting voor in de vorm van boselementen, weg- en erfbeplanting. Plaatselijk kan de grens van het akkercomplex samenvallen met de rand van een beekdal. De boerderijen vormen een transparant lint langs de rand van de akker; hier vinden we de veelal oudere boerderijen (type langgevelboerderij) met bijbehorende kleine erven. Vooral deze langgevelboerderijen vormen, daar waar deze in een hogere dichtheid voorkomen, een sterke begrenzing van de akker. Soms is via doorkijkjes het achterliggende akkercomplex zichtbaar. Het erf is aan de zijde van het voorhuis, het woongedeelte ingericht als siertuin, omzoomd door hagen. Verder is het erf vooral functioneel ingericht met elementen als een moestuin, boomgaard, schapenweitje, etc. Opvallend is de informele setting van de kleine gebouwen binnen het erf. Inmiddels heeft een zekere schaalvergroting plaatsgevonden. De informele setting direct aan de weg is nog steeds herkenbaar, maar nu afgewisseld met diepere erven met grotere gebouwen en meer verhard oppervlak. Vooral de verticale elementen zoals voedersilo’s zijn sterk beeldbepalend.

Kavel 1: Dit betreft de bestaande bedrijfswoning welke herbouwd gaat worden. Een gedeelte van de bestaande beplanting wordt behouden. Een bomenrij naast de huidige inrit blijft aanwezig. Evenals een groot gedeelte van de beukenhaag aan de voorzijde. Deze wordt verder uitgebreid. De oostzijde van het perceel wordt in gebruik genomen als weide. Het doortrekken van de beukenhaag met daarachter in lijn twee bomen markeert het woonerf en de verkaveling. De oostgrens bestaat uit een forse struweelhaag. De siertuin wordt ingevuld door de eigenaar. Kavel 2: Deze kavel betreft een helft van de langgevelboerderij. Eén zijde van het perceel wordt begrensd door de struweelhaag. De voor- en achterzijde van het perceel wordt omgeven door een hoge beukenhaag aan de perceelsgrenzen om de richting van de kavel te benadrukken welke haaks op de weg is gesitueerd. Een lage beukenhaag komt aan de achterzijde ten behoeve van behoud van het uitzicht. De bomen aan de achterzijde van het perceel doorbreekt het landschap in de hoogte en worden zowel vanaf Het Loo als De Kuilen gezien. Kavel 3: Deze kavel betreft een helft van de langgevelboerderij. Aan de zijde van het perceel ter plaatse van de inrit wordt een hoge beukenhaag geplaatst.

De achterzijde van het perceel wordt omgeven door een hoge beukenhaag aan de zijdelingse perceelsgrenzen om de richting van de kavel te benadrukken welke haaks op de weg is gesitueerd. Een lage beukenhaag komt aan de achterzijde ten behoeve van behoud van het uitzicht. De bomen aan de achterzijde van het perceel doorbreekt het landschap in de hoogte en wordt zowel vanaf Het Loo als De Kuilen gezien. Kavel 4: Dit betreft de kavel aan Het Loo. Belangrijk is de openheid en doorkijk zoveel mogelijk te behouden. De boomgaard dient dan ook niet te dicht aangeplant te worden. Het betreft 4 rijen hoogstam fruitbomen verdeeld over de weide. Daaronder komt kruidenrijk gras, dat begraasd wordt. De noordzijde van de boomgaard begrenst een lage beukenhaag de afscheiding met de naastgelegen landbouwgrond. De haag dient laag gehouden te worden om de doorkijk naar het achterliggende gebied vanaf Het Loo mogelijk te houden. Rondom de woning komt een grindbak/verhard pad om de overgang naar de boomgaard te accentueren. Achter de woning wordt een siertuin aangelegd welke omgeven wordt door een struweelhaag. Een markante landschapsboom breekt het zicht op en accentueert de bebouwingsconcentratie.

Plantvak Beukenhaag Kruidenrijk grasland Fruitbomen Bomen, Hollandse Linde, Beuk, Els, Es Struweel haag circa 5 meter breed

Omvang/stuks 7 stuks per meter, 125-150 Eindhoogte 2,00 meter nvt 18 stuks oude brabantse rassen, 10-12 Eindhoogte 6-10 meter Eindhoogte maximaal 35 meter

Verband Plantverband dubbele rij, verspringend nvt Plantafstand minimaal 10 meter

3 rijen op circa 1,5 m.

Wildverband soorten evenredig verdeeld

nvt

Gelderse roos Hazelaar Lijsterbes Meidoorn Wilde appel

Hagen

Eén tot tweemaal per jaar snoeien.

Bomen

Jaarlijks opkronen.

Struweel

1 x keer per vijf jaar inkorten tot circa 1 meter boven maaiveld.

Fruitboomgaard met kruidenrijk gras kavel 4

Hoogstamfruitbomen circa 18 stuks wisselend sortiment (appel, peer, kers) De fruitbomen hoeven niet gesnoeid te worden. Onderhoud bloemrijk gras: Maaien en afvoeren/begrazing dient te gebeuren om de bodem te verschralen om daarmee de kruidenrijkheid te stimuleren. Over het algemeen, zeker in de beginfase, moet de grond vooral verschralen. Maaien/begrazing wanneer de dominante grassen net beginnen met bloeien, geeft het meeste resultaat (eind mei, begin juni). Maximaal 2x per jaar maaien.

Omgevingsdialoog

Benaderde locaties omgevingsdialoog

Archeologisch onderzoek

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK DE KUILEN 12A EN 13 TE VEGHEL GEMEENTE MEIERIJSTAD

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek De Kuilen 12a en 13 te Veghel Opdrachtgever

FG Bedrijfsontwikkeling B.V. Postbus 30 5469 ZG Erp

Rapportnummer

13990.001

Versienummer1

1

Datum

11 februari 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

drs. M. Stiekema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

13990.001

Toponiem

De Kuilen 12a en 13

Opdrachtgever

FG Bedrijfsontwikkeling B.V.

Gemeente

Meierijstad

Plaats

Veghel

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Veghel, sectie R, nummers 338, 889 en 890 (ged.)

Omvang plangebied

circa 1,35 hectare

Kaartblad

45 G

Coördinaten centrum plangebied

X: 162.560 Y: 400.845

Bevoegde overheid

Gemeente Meierijstad Postbus 10001 5460 DA Veghel

Contactpersoon: dhr. M. van den Broek T: 14 0413 E:mvandenbroek@meierijstad.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Dhr. S. Molenaar Afdeling SO/Erfgoed v/d gemeente ’s-Hertogenbosch Postbus 12345 5200 GZ ‘s-Hertogenbosch

T: 06 – 46971394 E: s.molenaar@s-hertogenbosch.nl

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

4943433100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerder

Econsultancy, drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van FG Bedrijfsontwikkeling B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan De Kuilen 12a en 13 te Veghel in de gemeente Meierijstad. De initiatiefnemer is voornemens de huidige bebouwing in het plangebied te laten slopen en nieuwe woningen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een lage gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum, een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen en een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van (onderkelderde) bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy.

De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Meierijstad). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).

2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 13990.001 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 14 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 15

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 16 BRONNEN .......................................................................................................................................... 17

Rapport 13990.001 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Vergravengrondenkaart Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Kadastrale minuut uit 1811-1832 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1900 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1956 Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 13990.001 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van FG Bedrijfsontwikkeling B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan De Kuilen 12a en 13 te Veghel in de gemeente Meierijstad (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens de huidige bebouwing in het plangebied te laten slopen en nieuwe woningen te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in januari en februari 2021 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:      3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4b9f35a0-b83c-4c3f-8bdb-f2e0eb8c2cd2