Bijlage 7 Toelichting De Kuilen 12a en 13 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
De Kuilen Veghel
Ruimtelijke onderbouwing
Datum: Status:
1 augustus 2022 Vastgesteld
Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................ 1 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................... 1 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ....................................................................................... 1 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................. 2 2 Planbeschrijving ................................................................................................................ 3 2.1 Huidige situatie.................................................................................................................. 3 2.2 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 3 3 Beleidstoets ....................................................................................................................... 5 3.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 5 3.1.1 De Ladder voor duurzame verstedelijking ......................................................................
5 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 6 3.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 6 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 7 3.2.3 Interim omgevingsverordening ..................................................................................... 7 3.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................... 12 3.3.1 Structuurvisie............................................................................................................ 12 3.3.2 Gebiedsvisie Buitengebied in ontwikkeling ................................................................... 13 3.3.3 Kansen voor kwaliteit ................................................................................................ 13 3.3.4 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 14 3.3.5 Stedenbouwkundige opzet/verkaveling........................................................................
16 3.3.6 Beeldkwaliteit ........................................................................................................... 17 3.3.7 Belangenafweging en omgevingsdialoog ..................................................................... 19 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording ..................................................... 20 4.1 M.e.r. beoordeling............................................................................................................ 20 4.2 Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................................... 20 4.3 Natuur ............................................................................................................................ 21 4.4 Water ............................................................................................................................. 23 4.5 Bodem ............................................................................................................................ 26 4.6 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 26 4.7 Bedrijven en milieuzonering ..............................................................................................
26 4.8 Geur ............................................................................................................................... 27 4.9 Geluid ............................................................................................................................. 29 4.10 Luchtkwaliteit ................................................................................................................ 29 4.11 Externe veiligheid........................................................................................................... 32 4.12 Gezondheid ................................................................................................................... 35 4.13 Stedenbouw en landschap .............................................................................................. 36 4.14 Overig ........................................................................................................................... 38 5 Uitvoerbaarheid en procedure ......................................................................................... 39 5.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 39 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................
39 5.3 Te volgen procedure ........................................................................................................ 39 6 Conclusie ......................................................................................................................... 40 Bijlagen
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie aan De Kuilen 12a en 13 is een varkenshouderij gevestigd. De varkenshouderij wordt beëindigd wegens deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. De wens van initiatiefnemers is slopen van de bestaande stallen en bijgebouwen en realisering van drie extra bouwkavels waarvan twee met een twee-onder-een kapwoning in de vorm van een langgevelboerderij. Reeds is een bedrijfswoning aanwezig, deze wordt herbouwd en krijgt een woonbestemming met nieuw te bouwen bijgebouw van 300 m². De drie nieuwe kavels betreffen ruimte-voor-ruimte kavels en zijn conform de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling allen gelegen in een bebouwingsconcentratie. De locatie kent twee eigenaren waarvan één eigenaar is van de bedrijfswoning met bijgebouwen (nummer 13) en een gedeelte landbouwgrond en één eigenaar is van de stallen (nummer 12a). In overleg is de kavel herverdeeld en is tot één plan gekomen voor de gehele locatie. Door het realiseren van de drie bouwkavels en deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij wordt er financiële ruimte gecreëerd om de bedrijfsbeëindiging mogelijk te maken. De bouwkavels en herindeling van de kavels spelen hierin een essentiële rol. Met het plan wordt een aanzienlijke verbetering van de omgevingskwaliteit behaald.
De veehouderij verdwijnt en alle oude bebouwing wordt gesloopt zodat op zowel milieugebied als ontstening een grote winst wordt behaald.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom, ten zuiden van de kern Eerde, gelegen op een afstand van circa 430 meter, in een bebouwingsconcentratie. De kern Eerde maakt deel uit van de gemeente Meierijstad. Op een afstand van 830 meter is bedrijventerrein De Kempkens gelegen. De Rijksweg A50 is gelegen op een afstand van circa 770 meter. De locatie is gelegen op korte afstand van bos en groen. De ligging in de omgeving is weergegeven op onderstaande afbeelding evenals het bovenaanzicht van de locatie.
Afbeelding 1: Ligging in de omgeving, bron: bingmaps.nl
1
Afbeelding 2: Bovenaanzicht locatie, bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ en ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’. Hierin is een binnenplanse wijziging naar ‘Wonen’ opgenomen voor zover het een bouwvlak betreft. Echter het gehele plan kan alleen buitenplans gerealiseerd worden. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak en de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’, ‘Waarde – Archeologie 3’/’Waarde – Archeologie 4’. Daarnaast gelden de gebiedsaanduidingen ‘toerisme’, reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’, en ‘vrijwaringszone – radar’. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant biedt mogelijkheden voor wijziging van de bedrijfswoning naar ‘Wonen’ en het toevoegen van ruimte-voor-ruimte kavels in bebouwingsconcentraties. Conform gemeentelijk beleid is de locatie gelegen in een bebouwingsconcentratie.
2
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De locaties De Kuilen 12a en 13 maken deel uit van één bouwvlak maar behoren toe aan twee eigenaren. Op de locatie De Kuilen 12a betreft een varkenshouderij. De bedrijfswoning met bijgebouwen, waaronder een voormalige stal en schuur aan huis, betreft De Kuilen 13.
Afbeelding 3: Huidige situatie
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Op de locatie De Kuilen 12a betreft een varkenshouderij welke deelneemt aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. Hiertoe worden de stallen op die locatie gesloopt. De bedrijfswoning op de Kuilen 13 wordt herbouwd. De bijgebouwen worden gesloopt. In de beoogde situatie krijgt de bedrijfswoning een woonbestemming met een maximaal toegestane inhoud van de woning van 1.000 m³ en de mogelijkheid tot het bouwen van een nieuw bijgebouw van 300 m². Daarnaast worden drie ruimte-voor-ruimte kavels gerealiseerd voor woningen met een inhoud van maximaal 900 m³ en de mogelijkheid tot het realiseren van een bijgebouw van maximaal 150 m². Voor het overige worden de bouwregels uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Voor parkeren is voldoende gelegenheid op eigen terrein. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft bij vergadering van 13 oktober 2020 besloten dat het plan voor De Kuilen 12a en 13 te Veghel dat voorziet in de toevoeging van drie ruimte- voorruimte woningen, waarvan 1 vrijstaand en 2 aan-een-gebouwd, in principe ruimtelijk voorstelbaar is. Hieronder is een situatietekening weergegeven, op schaal in bijlage.
3
Kavel 1: Herbouw bedrijfswoning met bijgebouw op maximaal 30 meter van hoofdgebouw. Oppervlakte woonbestemming circa 3.164 m² Kavel 2: Ontsluiting vanaf De Kuilen. De voorgevelrooilijn ligt in lijn met naastgelegen woningen op circa 25 meter van de weg. Oppervlakte woonbestemming circa 1.149 m² Kavel 3: Ontsluiting vanaf De Kuilen. De voorgevelrooilijn ligt in lijn met naastgelegen woningen op circa 25 meter van de weg. Oppervlakte woonbestemming circa 1.200 m² Ontsluiting van de landbouwgrond achter kavel 2 en 3 gaat via kavel 1. Het grootste gedeelte van kavel 1 vormt één kadastraal perceel met de achterliggende landbouwgrond. Kavel 4: Ontsluiting via Het Loo. Oppervlakte woonbestemming circa 2.360 m²
Afbeelding 4: Gewenste situatie
4
3 Beleidstoets De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.
3.1 Rijksbeleid In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.
De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze toelichting worden getoetst.
3.1.1 De Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c in samenhang met artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo. De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Onderhavige ontwikkeling is derhalve niet ladderplichtig.
5
3.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie ruimtelijke ordening en juridisch geborgd middels de Interim Omgevingsverordening.
3.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. De locatie aan De Kuilen is gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. In aanvulling daarop wil de provincie optimale ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor het verbeteren van de agrarische productiestructuur. De landbouw levert met de verduurzaming van de productie en het steeds verder sluiten van kringlopen een goede kwaliteit van water, bodem, lucht en natuur en een (vernieuwd) robuust landschap. De maat en schaal van de omgeving en de draagkracht van het gebied inclusief aspecten van volksgezondheid, zijn sturend voor de groei van agrarische activiteiten. Onderhavig initiatief, wijziging van de bestemming naar ‘Wonen’ en drie ruimte-voor-ruimte kavels past binnen bovenstaand beleid.
Afbeelding 5: Uitsnede kaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
6
3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
3.2.3 Interim omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 hebben Gedeputeerde Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Daarna is deze meermaals aangepast.
Inhoud
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn schematisch weergegeven in het Nu-Straks overzicht, dat als bijlage in de toelichting is opgenomen. Op hoofdlijnen gaat het om: een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen; aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.
Afbeelding 6: Uitsnede kaart behorende tot Interim Omgevingsverordening
Hierboven is de locatie weergegeven op de kaarten behorende tot de Interim Omgevingsverordening. De locatie is gelegen in ‘Landelijk gebied, Gemengd landelijk gebied’ en ‘stalderingsgebied’. De 7
aanduiding ‘stalderingsgebied’ is niet van toepassing op onderstaande ontwikkeling. De locatie heeft tevens de aanduiding ‘diep grondwaterlichaam’. Naast de regels specifiek voor deze gebieden zijn de instructieregels voor gemeenten en waterschappen van toepassing. Hieronder wordt getoetst aan de regels welke van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling.
Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.
Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
8
Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2.
het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. De regeling ruimte-voor-ruimte wordt gestuurd door het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Oude bebouwing wordt gesloopt waarvoor nieuwe bebouwing kan worden gerealiseerd. De nieuwe bebouwing zal wat betreft grootte en uitstraling betreft passend zijn in het landschap. Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit wordt de locatie landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en als bijlage bijgevoegd. De Interim Omgevingsverordening stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. De voorgenomen kwaliteitsverbetering van het landschap vindt plaats door de aan te kopen ruimtevoor-ruimte titels en de sloop van de bestaande bebouwing. De uitvoering en het behoud van de landschappelijke inpassing wordt geborgd door voorwaardelijke verplichtingen in de regels.
9
Artikel 3.80 ruimte-voor-ruimte Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimtevoor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: 1. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit; Ruimte voor ruimte titels worden ten behoeve van de bouwlocaties aangekocht. Voor deze titel is voldoende agrarische bebouwing gesloopt waardoor de milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst is gewaarborgd.
2. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
De locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie. Dit is vastgelegd in de gemeentelijke structuurvisie. Dit geldt ook voor kavel 4, zie de rode stippellijn als begrenzing van de bebouwingsconcentratie op onderstaande afbeelding afkomstig uit de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling. De locatie geeft daarnaast geen beperkingen aan omliggende functies. Dit blijkt uit onderhavige onderbouwing. Dat de locatie planologisch aanvaardbaar is blijkt uit onderhavige onderbouwing. Kavel 2 en 3 volgen de bebouwingsstructuur van De Kuilen en vormen met de omgeving een bebouwingslint. Dit bebouwingslint loopt verder de hoek om waar kavel 4 is gesitueerd. Kavel 4 is gelegen aan Het Loo en volgt de bestaande bebouwingsstructuur van de bedrijfsbebouwing. Deze woning is daarbij zodanig gesitueerd dat deze geen belemmering vormt voor het naastgelegen agrarische bedrijf. De afstand dient hierbij minimaal 50 meter te bedragen. Voordeel hierbij is dat de bebouwing geconcentreerd blijft en een opengebied en zichtlijn gecreëerd wordt ter plaatse van de huidige stallen.
Afbeelding 7: Uitsnede kaart, Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling 3. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd aan deze onderbouwing en geborgd in de regels. Tevens is ten aanzien van de landschappelijke inpassing een anterieure overeenkomst gesloten.
10
4. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.
Er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Oude bebouwing is gesloopt waarvoor een nieuwe woning gebouwd mag worden.
Lid 2 Er is sprake van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit als per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van deze veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; 2. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn direct voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; 3. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen Beperkingen Veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; 4. er tenminste 1000 m² bedrijfsgebouwen ten dienste van de onder a. bedoelde veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m² op iedere beëindigingslocatie veehouderij; 5. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; 6. de rechten, bedoeld onder e.
moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; 7. de omgevingsvergunning milieu voor de onder a. bedoelde veehouderij op iedere beëindigingslocatie veehouderij is ingetrokken; 8. een passende herbestemming is gelegd op de locatie als onder a. bedoeld die in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen uitsluit; 9. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de onder a. bedoelde veehouderij. Door aan deze voorwaarden te voldoen konden de aan te kopen bouwtitels uitgegeven worden ten behoeve van onderhavige ontwikkeling.
Lid 3 In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel als deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
Door initiatiefnemer worden bouwtitels aangekocht.
Lid 4 Het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld. Nog niet van toepassing.
11
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Structuurvisie Veghel 2030
In deze structuurvisie schetst de voormalige gemeente Veghel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. Zo is er in deze structuurvisie veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Daarnaast wordt ook uitgebreid stilgestaan bij de mogelijkheden om de sterke positie van Veghel als werkstad en de bijbehorende stedelijke voorzieningen te behouden. Daarbij wordt vooral ingezet op het verder ontwikkelen van de altijd al sterk vertegenwoordigde voedingsindustrie. Deze structuurvisie biedt daarom met recht een ‘menu voor de toekomst’. Goed leven in Veghel is niet alleen van betekenis voor de inwoners van de Veghelse wijken en kerkdorpen, het ondersteunt ook het economische vestigingsmilieu in de gemeente en vormt een belangrijke drager voor het verleiden van mensen om in de gemeente te komen wonen. Vandaar de navolgende ambities (conform de visie Smaakmakend Veghel 2030): - Het stimuleren van een gevarieerde bevolkingssamenstelling. - Het scheppen van voorwaarden (fysiek en sociaal) voor een goed verblijfsklimaat voor bewoners. - Alle bewoners kunnen meedoen aan de samenleving en nemen verantwoordelijkheid voor zichzelf, elkaar en de omgeving (Wmo).
- Landelijk gebied: “Samen werken aan kwaliteit”. Het Veghelse buitengebied is divers van opbouw en deze structuurvisie zet erop in die diversiteit verder uit te bouwen. De bestaande landschappelijke identiteit en de aanwezige functies vormen de leidraad voor een hoofdindeling in vijf gebiedstypen. In de meeste gebieden liggen mogelijkheden voor het mengen van functies, al dan niet geclusterd. In twee gebieden is de agrarische sector dominant. De agrarische sector blijft ook tot 2030 zonder meer de belangrijkste drager voor het Veghelse buitengebied. Daarbij zijn drie verschillende gradaties te onderscheiden. In de beekdalen is sprake van agrarisch medegebruik, ter ondersteuning van de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. In het meeste zuidelijke deel van de gemeente is de situatie juist omgekeerd. Dit gebied vormt het agrarische kerngebied binnen de gemeente, waar landbouw en veeteelt leidend zijn. Andere functies zijn inpasbaar, mits ze de landbouw niet in de weg zitten. Binnen dit agrarische kerngebied liggen drie landbouw ontwikkelingsgebieden (LOG’s). Hier krijgt de (intensieve) landbouw de ruimte om te groeien. Het gaat daarbij om bestaande bedrijven. Nieuwvestiging is niet aan de orde. In de overige delen van het buitengebied vormt de landbouw weliswaar een belangrijke drager, maar is de groeiruimte veel beperkter.
Daarnaast bieden deze gebieden meer ruimte voor andere functies, zoals wonen, recreatie en voorzieningen.
Afbeelding 8: Uitsnede kaart Structuurvisie Veghel 2030
12
Zoals te zien op bovenstaande afbeelding is de locatie gelegen in een bebouwingsconcentratie/-lint te midden van een gebied waar de gemeente insteekt op het ontwikkelen van een afwisselend Veghels mozaïk. De ontwikkeling van een woonbestemming en drie ruimte-voor-ruimte kavels past in de visie van het willen ontwikkelen van clusters van wonen in het buitengebied. Het beëindigen van de varkenshouderij draagt bij aan de kwaliteit van het landschap in de omgeving, door het slopen van de grootschalige bebouwing en het wegvallen van de emissies en landbouwverkeer.
3.3.2 Gebiedsvisie Buitengebied in ontwikkeling Op 5 januari 2010 heeft de gemeenteraad van de gemeente Veghel de ‘Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling’ vastgesteld, een structuurvisie. In de Gebiedsvisie ´Buitengebied in Ontwikkeling´ is voor de gemeente het beleid uitgewerkt, zoals dat door de provincie Noord-Brabant wordt voorgestaan in de Beleidsnota “Buitengebied in ontwikkeling” (20 juli 2004, vastgesteld door GS van Noord-Brabant). De gebiedsvisie bevat voorstellen voor een zonering van het buitengebied met per zone mogelijkheden voor functieontwikkeling, functieverandering en hergebruik van gebouwen. Deze mogelijkheden zijn gekoppeld aan een tegenprestatie. Onderhavig plangebied is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie, zie hiervoor de uitsnede van de visiekaart hieronder. In deze zone worden mogelijkheden geboden voor nieuwe woningen. De tegenprestatie bestaat uit de combinatie van beëindigen van de intensieve veehouderij, sloop van de stallen en overige bebouwing, landschappelijke inpassing en een financiële bijdrage. Voor deze laatste is een overeenkomst gesloten tussen gemeente en initiatiefnemer.
Afbeelding 9: Uitsnede kaart, Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling
3.3.3 Kansen voor kwaliteit Op 10 juli 2020 is het rapport ‘Kansen voor kwaliteit’ in werking getreden. Het betreft een afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Gemeente Meierijstad is qua oppervlakte de op één na grootste gemeente van Noord-Brabant en bestaat uit 13 kernen en een groot buitengebied. Een buitengebied dat van oorsprong hoofdzakelijk 13
een agrarische functie heeft. Veel agrarische bedrijven hebben zich verspreid in het buitengebied van Meierijstad gevestigd en ontwikkeld. In de afgelopen jaren zijn veel van deze agrarische bedrijven gestopt en ook de komende jaren zullen naar verwachting nog veel bedrijven gaan stoppen. Dit zorgt voor steeds meer vrijkomende agrarische bebouwing. Het doel van dit rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Zie hiervoor paragraaf 3.3.7 omgevingsdialoog. Het plangebied is gelegen in gebiedstype ‘verweving van functies’. In het gebied ‘verweving van functies’ zijn in principe alle functies mogelijk. Of een functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt af van de impact op de (directe) omgeving. Het toevoegen van een nieuwe woonfunctie in het buitengebied vormt vaak een belangrijke economische component van een nieuwe ontwikkeling, zoals in onderhavig plan. Dit kan zijn de splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand of het toevoegen van een zogenaamde Ruimtevoor-Ruimte woning. Voor het buitengebied wordt een beperkt aantal woningen gereserveerd.
De gemeente heeft middels een principe besluit aangegeven het in deze situatie passend te vinden de ruimte voor ruimte woningen toe te voegen. Het saneren van de intensieve veehouderij is zeer wenselijk vanuit de gemeente. De functie wonen is al sterk vertegenwoordigd in deze bebouwingsconcentratie en de locatie is daardoor ook minder geschikt van andere bedrijfsmatige functies.
3.3.4 Bestemmingsplan Ter plekke vigeert nu het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld op 22 oktober 2015. Daarnaast is er het bestemmingsplan opgesteld ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld op 27 januari 2021. De verbeelding wordt hiermee niet gewijzigd. Voor de regels met betrekking tot de toekomstige bestemming ‘Wonen’ wordt hier wel bij aangesloten. Hieronder is een uitsnede van de verbeelding weergegeven van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’.
14
Afbeelding 10: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan
De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak en de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’, ‘Waarde – Archeologie 3’/’Waarde – Archeologie 4’. Daarnaast gelden de gebiedsaanduidingen ‘toerisme’, reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’, en ‘vrijwaringszone – radar’. De gewenste ontwikkeling past niet binnen de wijzigingsregels van het bestemmingsplan en kan derhalve alleen buitenplans gerealiseerd worden. De bestaande bedrijfswoning wordt herbouwd. De maximaal toegestane inhoud wordt doormiddel van de sloop-bonus regeling uit het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’ vergroot.
7.14 Afwijkingsbevoegd voor het toestaan van een grotere inhoud van en woning (sloop-bonus) Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.3 en een grotere woning toestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a) Er is geen sprake meer van een agrarisch of niet-agrarisch bedrijf, uitgezonderd bedrijven aan huis; b) Alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen worden gesloopt; c) Cultuurhistorische waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; d) Voor de eerste 750 m² aan bebouwing die gesloopt wordt, geldt dat per m² sloop er een vergroting van de maximale inhoud van de woning plaats kan vinden van 0,5 m3; e) voor iedere m2 boven de 750 m2 aan bebouwing die gesloopt wordt, geldt dat per m2 sloop er een vergroting van de maximale inhoud van de woning plaats kan vinden van 0,35 m3; f) de maximale inhoud van een woning na toepassing van deze regeling (uitgezonderd de hoeveelheid bij recht toegestane bijbehorende bouwwerken), bedraagt 1.000 m3. 7.15 Afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (sloop‐bonus)
15
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.4 onder b, en een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken toestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a) alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen worden gesloopt; b) cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is uitgezonderd van verplichte sloop; c) voor iedere m2 aan bebouwing die gesloopt wordt, geldt dat per m2 sloop er een vergroting van de maximale oppervlakte aan d) bijbehorende bouwwerken plaats kan vinden van 0,5 m2; e) de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij een woning na toepassing van deze regeling bedraagt 300 m2; f) de overige bepalingen uit artikel 7.4 blijven onverminderd van toepassing. Alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. In de beoogde situatie is geen sprake meer van een agrarisch bedrijf. De te slopen bebouwing betreft geen cultuurhistorische bebouwing. De bijgebouwen bij woning De Kuilen 13, worden niet ingezet in het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. De oppervlakte van deze bijgebouwen bedraagt ruim 800 m².
Woninginhoud
Om de woning te vergroten van 750 m³ naar 1.000 m³ dient 500 m² bebouwing gesloopt te worden.
Bijbehorende bouwwerken
Uitbreiding van 150 m² (standaard) naar 300 m² is mogelijk als er 300 m² bebouwing wordt gesloopt. De te slopen bebouwing heeft voldoende oppervlakte om een woning van 1.000 m³ en een bijgebouw van 300 m² mogelijk te maken. De grootte en oppervlakte van de gebouwen zijn passend voor de locatie. Het betreft een ruim opgezet woonperceel. De woning mag conform de bouwregels een hogere nokhoogte hebben als het bijgebouw. Het bijgebouw wordt door verschil in hoogte en positionering, haaks op en schuin achter de woning, optisch ondergeschikt aan de woning. Door de robuuste struweelstrook aan de westzijde van het perceel en de grote bomen aan de achterzijde van het perceel worden de juiste verhoudingen bereikt tussen bebouwing en omgeving.
3.3.5 Stedenbouwkundige opzet/verkaveling Het plan bestaat uit vier woningen: Herbouw bedrijfswoning met een bijgebouw van 300 m². Op te richten twee-onder-één kap in de vorm van een langgevelboerderij met ieder een bijgebouw van 150 m² Vrijstaande woning (oriëntatie op Het Loo) De standaard inhoudsmaat voor woningen in het buitengebied betreft 750 m³, met een maximale goothoogte van 4,5 meter en nokhoogte van 10 meter. Een bijgebouw is toegestaan met een oppervlakte van maximaal 150 m², goothoogte 3,3 meter en nokhoogte 6 meter. Daarnaast gelden sloop-bonusregels. Voor de herbouw van de bedrijfswoning wordt gebruik gemaakt van de sloopbonusregels zodat een woning met een inhoud van 1.000 m³ en een bijgebouw van 300 m² gerealiseerd kan worden. Afwijkend van de standaardregels is daarnaast de inhoud van de ruimte voor ruimte woningen, deze bedraagt maximaal 900 m³ en de goothoogte van de langgevelboerderij op kavel 2 en 3 worden begrensd op 3,5 meter. De perceeloppervlakten van de kavels (voor zover woonbestemming) zijn als volgt: Kavel 1: circa 3.164 m² Kavel 2: circa 1.149 m² Kavel 3: circa 1.200 m² Kavel 4: circa 2.360 m²
16
Gebruikelijk voor ruimte voor ruimte woningen is een oppervlakte van het bestemmingsvlak van circa 1.500 m². Kavel 4 wijkt hiervan af door de vereiste afstand tot het houden tot het aan de overzijde van de weg gelegen melkveebedrijf. De ruimte voor de woning wordt gebruikt ten behoeve van landschappelijke inpassing (boomgaard). De voorgevel van de woning op kavel 4 komt min op meer te liggen in het verlengde van de zijgevel van de huidige bedrijfswoning. Hierdoor blijft de bebouwing geconcentreerd en ontstaat stedenbouwkundig meer eenheid/samenhang. Aan de zijde van Het Loo wordt een open gebied gecreëerd met als functie ‘boomgaard’.
3.3.6 Beeldkwaliteit Er worden drie nieuwe woningen toegevoegd in deze ontwikkeling, op grond van het gemeentelijk beleid dient hiervoor een beeldkwaliteitsplan aangeleverd te worden. Langgevelboerderij Een beeldkwaliteitsplan is met name van belang voor de gewenste uitstraling van de ‘langgevelboerderij’. Bij dit type bebouwing speelt ook de situering van bijgebouwen en de erfinrichting een belangrijke rol. Tweekapper (langgevelboerderij) Situering Binnen bouwvlak Architectuur Zadeldak Nokrichting evenwijdig aan weg Uitstraling langgevelboerderij, dat wil zeggen duidelijk visueel onderscheid tussen woongedeelte /stalgedeelte (lage goothoogte deze wordt begrensd op 3,5 meter in de planregels (standaard is 4,5 meter) Materiaalgebruik Gebakken materialen (bakstenen en dakpannen), dak optioneel gedeeltelijke riet. Detailleringen en lijsten van ramen en deuren in hout Bijbehorende bouwwerken (bij langgevelboerderij) Situering achter de woningen (naast de woning wordt bestemmingsplanmatig uitgesloten) om het gewenste eindbeeld te bewerkstellingen) Bijgebouwen zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw en zijn qua hoogte en massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw Aanbouwen blijven onder de lijn van de daklijst Omdat de kavels verkocht worden aan derden is een schetsplan nog niet aan de orde.
In plaats daarvan wordt gewerkt met sfeerbeelden, zie hieronder.
17
Afbeelding 11: Typen gewenste langgevelboerderijen
Vrijstaande woning(en) Voor de vrijstaande woning geldt het reguliere welstandsbeleid. Met dien verstande dat de woning wel wat verder van de weg komt te staan (milieutechnische redenen). De woning moet worden gesitueerd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Massa en vorm het hoofdgebouw heeft een enkelvoudige massa; het hoofdgebouw conformeert zich aan de bebouwing in de omgeving wat betreft massa en hoofdvorm; De hoofdvorm heeft een duidelijke kap en een dakbedekking, passend bij de landelijke architectuur, zoals gebakken donkere pannen; Kappen hebben aan de gevels een duidelijke beëindiging met overstekken of gevelpan op de muur. De detaillering is eenvoudig en passend voor een landelijke omgeving; 18
Vermijd detailleringen die afbreuk doen aan de omgevingskarakteristiek en de landelijke architectuur; Bijgebouwen zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw; Aanbouwen blijven onder of boven de lijn van de daklijst.
Kleurgebruik Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten; De kleuren per gebouw dienen te harmoniëren met elkaar; De kleuren moeten passen bij de kleurstelling van de thematische inbreiding in zijn geheel. Materiaalgebruik De materiaalkeuze is eigentijds, maar doet geen afbreuk aan de directe omgevingskarakteristiek; Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling. Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken hebben een ondergeschikte positie; Bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw; Aanbouwen blijven onder de lijn van de daklijst.
3.3.7 Belangenafweging en omgevingsdialoog De gemeente heeft het houden van een dialoog met de omgeving verplicht gesteld. De omgevingsdialoog is door initiatiefnemers uitgevoerd door langs te gaan bij omwonenden en hen voor te lichten over het plan. De omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld vragen te stellen over het plan en deze zijn beantwoord. De bewoners van De Kuilen 16a hebben aangegeven het open gebied tussen 16a en 13 graag te willen behouden. Deze locatie voor ruimte voor ruimte past in de beeldkwaliteit van de bebouwingsconcentratie in lintvorm. Daartegenover staat ook de beëindiging van de veehouderij wat een behoorlijke milieuwinst oplevert en een kwaliteitsverbetering voor de directe omgeving met zich meebrengt. Per saldo is sprake van een afname van bebouwing en verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Door het kiezen voor een gesplitst langgevel type voor dit perceel komt de woning verder van nummer 16a af te liggen en wordt het straatbeeld aantrekkelijker. Met de bewoners van De Kuilen 16a is een vervolggesprek gepland op 17 februari 2022. In dit gesprek zal onder andere aandacht besteed worden aan het bijgebouw op kavel 3. Deze komt verder van de perceelsgrens als in eerste instantie beoogd was. Hierdoor ontstaat ruimte voor een robuuste haag van 3 meter breed op kavel 3 tegen de perceelsgrens.
Aan de zijde van nummer 16a staat tegen de perceelsgrens reeds een robuuste haag. Door deze twee beplantingsstroken zal de invloed van de nieuwe woning op de buren minimaal zijn. De privacy blijft hiermee in ieder geval zo goed mogelijk behouden. Ook zal gesproken gaan worden over de afwatering van het kavel van nummer 16a omdat er sprake is van een hoogteverschil tussen de kavels. In verband met dit hoogteverschil zal ook gesproken worden hoe dit in de praktijk opgevangen gaat worden. Met de bewoner aan De Kuilen 12, veehouderij, zijn tevens meerdere gesprekken gevoerd waaronder een gesprek in het bijzijn van zijn adviseur. Hierbij waren voornamelijk vragen en twijfels over wat het plan betekent voor zijn bedrijf en de toegankelijkheid vanaf het Loo. Uitleg is gegeven over de van toepassing zijnde regels en toetsing daaraan en dat daaruit de geconcludeerd kan worden dat zijn bedrijf niet belemmerd wordt. Toegezegd is dat bij verkoop van de woning op kavel 4 expliciet bij de overeenkomst de aanwezigheid van de veehouderij aan De Kuilen 12 vermeld wordt. De bezwaren zijn hiermee weggenomen.
19
4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording 4.1 M.e.r.-beoordeling Indien een activiteit de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage niet overschrijdt is een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing betreft een wijziging van een agrarische bestemming naar de bestemming ‘Wonen’. Naar alle criteria is gekeken en geoordeeld dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling.
4.2 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.
Cultuurhistorie
Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden verwerkt in het provinciaal beleid. Hieronder is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie niet is gelegen in een cultuurhistorisch landschap. In het kader van cultuurhistorie zijn geen belemmeringen aanwezig voor de gewenste ontwikkeling. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het landschap.
Afbeelding 12: Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant
20
Archeologie
Op de cultuurhistorische kaart is te zien dat conform provinciaal beleid de locatie gelegen is in een archeologisch landschap. Het beleid van de gemeente omtrent archeologie is verwerkt in het bestemmingsplan. Hieronder is een uitsnede van de verbeelding bij het vigerende bestemmingsplan weergegeven. Hierop is te zien dat locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde Archeologie 4’ heeft. Het strengste regime is hierbij leidend. Dit betekent dat bij de bouw van een bouwwerk groter dan 250 m² of de bouw van een bouwwerk, waarbij grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld een verkennend archeologisch onderzoek dient uitgevoerd te worden. Dit is uitgevoerd en de conclusie luidt dat het plangebied vrijgegeven kan worden. Het complete onderzoeksverslag is opgenomen in de bijlage.
Afbeelding 13: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
4.3 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.
Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland/Brabant
Het plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000-gebied, waardoor significante effecten op deze gebieden zijn uitgesloten. De emissie gepaard gaande met de sloop en bouw van de woningen en bijgebouwen zal de emissies bij exploitatie van het varkensbedrijf niet te boven gaan. Het meest nabijgelegen gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland/Brabant is gelegen op circa 68 meter ten westen van het plangebied. Zie hiervoor onderstaande afbeelding. De nieuwe ontwikkeling zorgt niet voor verlies van oppervlakte, versnippering of andere negatieve effecten op het gebied. De afname van de emissies met de beëindiging van het varkensbedrijf komt ten goede aan de natuur.
21
Afbeelding 14: Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartbank.brabant.nl)
Flora en Fauna
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoringen tijdens bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven:
Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geld dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.
Internationaal beschermde soorten
Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);
Overige beschermde soorten
Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraad 3.3. van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In het kader van de vereiste kwaliteitsverbetering wordt extra beplanting gerealiseerd. Dit biedt extra mogelijkheden als leef- en vestigingsplaatsen voor beschermde diersoorten. De stallen en schuren zijn geheel dicht uitgevoerd waardoor het voorkomen van beschermde soorten niet aan de orde is.
De landbouwgrond wordt dermate intensief gebruikt dat het geen geschikt leefgebied is voor beschermde
22
soorten. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De sloopmelding is reeds compleet bevonden door de gemeente en daarmee ‘geaccepteerd’. Te allen tijde is sprake van een zorgplicht. Deze is opgenomen in artikel 1.11 Wnb en voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
4.4 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet (vastgesteld op 22 december 2009) is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan. De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.
Beleid Rijk
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe waterbeleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik naar 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen, de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.
23
Provincie
Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.