CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Toelichting Trentweg 24 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'21.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.7 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. Op Trentweg 22 is een melkveehouderij. De afstand van de woning Trentweg 24 tot het bouwblok van deze melkveehouderij bedraagt ongeveer 170 m. Hieronder zijn de richtafstanden conform de VNG bedrijvengids voor beide bedrijven weergegeven. De afstanden zijn reeds gecorrigeerd voor ‘gemengd gebied’.

24

Trentweg 22 Melkveehouderij Geur Stof 100 30

Geluid 30

Gevaar 0

Afbeelding 15: Situatietekening met afstanden

Geconcludeerd kan worden dat aan alle richtafstanden wordt voldaan.

4.8 Geur Aangetoond dient te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast dient gekeken te worden of de nieuwe woonbestemming beperkingen in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen veehouderijen geeft.

Omliggende bedrijven

In de nabijheid is een veehouderij gelegen. Achter Trentweg 24 is een melkveehouderij gevestigd (Trentweg 22). De afstand van de woning Trentweg 24 tot het bouwblok van deze melkveehouderij bedraagt ongeveer 170 m. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij vormt de woning Trentweg 24 met een bestemming “Wonen” geen belemmering voor de beide veehouderijen. Dit om twee redenen. Ten eerste geldt voor de bescherming tegen geur de status van de woning op 19 maart 2000. Indien een woning toen een woning betrof behorende bij een veehouderij, geldt daarna geen bescherming tegen geur van omliggende veehouderijen. Ten tweede wordt voldaan aan de noodzakelijke afstand van 50 meter tot de melkveehouderij en intensieve veehouderij.

Woon- en leefklimaat

Daarnaast moet ook beoordeeld worden in hoeverre sprake is van een goed woon- en leefkwaliteit ter plaatse van de woning. Een belangrijke factor hierin is de zogenaamde achtergrondgeurbelasting. Hierbij wordt beoordeeld of de cumulatie van geur van alle agrarische bedrijven binnen 2 km een goed woon- en leefklimaat in de weg staat. De berekening is uitgevoerd met V-stacks gebied en hieruit blijkt dat de achtergrondgeurbelasting op de vier hoekpunten varieert van 7,254 tot 7,514 OUE/m3. Hieronder zijn de resultaten weergegeven. De invoergegevens zijn in de bijlage opgenomen.

25

Recep ID

x-coord

1 2 3 4

Y-coord 169653 169649 169667 169671

398379 398370 398364 398370

Geurbelasting OU/m³ 7,326 7,254 7,412 7,514

Tabel 1: Resultaten V-stacks gebied

De voormalige gemeente Veghel heeft de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder opgesteld. Hierin is opgenomen dat in het buitengebied een achtergrondbelasting van 20 OUE als toetswaarde geldt. Hierbij is het hinderpercentage maximaal 20% en is er sprake van minimaal de classificatie ‘matig’. Voldaan wordt aan de toetswaarde.

4.9 Geluid Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. Ook in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling moeten plaatsvinden. Voor geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wet geluidhinder vindt toetsing plaats in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 3.1 dat bestemmingen worden gelegd en regels worden gesteld in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Als hulpmiddel hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de ‘Brochure Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), geluidbeleid en toetsingskaders op basis van de Wet milieubeheer. Het betreft een bestaande woning welke als burgerwoning niet anders beoordeeld wordt als agrarische bedrijfswoning. In de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering wordt verder ingegaan op de afstanden tot omliggende bedrijven. Het betreft een bestaande woning waardoor verder onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk is.

4.10 Luchtkwaliteit In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Deze grens is vertaald naar een ontwikkeling van 1.500 woningen. Aannemelijk is dat

26

gepaard met deze woningen 7.500 verkeersbewegingen per dag zijn gemoeid. Hieruit kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling met enkele verkeersbewegingen per dag een zeer geringe bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en dan ook ‘Niet In Betekenende Mate’ is.

Woon- en leefklimaat

Op de afbeeldingen hieronder is de achtergrondconcentratie van (zeer) fijnstof en stikstofdioxide te zien. De waarden voldoen aan de grenswaarden, 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 20 μg/m³ voor PM2,5. Voor het aspect luchtkwaliteit kan dan ook geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde burgerwoning. De bedrijven in de omgeving hebben nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden wat luchtkwaliteit betreft.

Afbeelding 12: Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2020, bron: RIVM

27

Afbeelding 13 Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2020, bron: RIVM

Afbeelding 14: Achtergrondconcentratie stikstofdioxide gegevens 2020, bron: RIVM

28

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);  Besluit externe veiligheid-buisleidingen (Bevb);  Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico:

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10%en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100%letaliteitgrens bevinden.

Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt binnenwater (Bevt) genomen. Er kan echter worden volstaan met een

29

beperkte verantwoording wanneer:

1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.

Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barra, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ heeft geen betrekking op de activiteiten welke plaatsvinden op de locatie aan Trentweg 24 te Erp. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. In provincies, gemeenten en regio’s worden risico-inventarisaties en risicoanalyses uitgevoerd. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van deze inventarisaties en analysen. De locatie is niet gelegen binnen risico contouren.

Afbeelding 15: Provinciale Risicokaart

Met onderhavig initiatief wordt geen nieuw gevoelig object gerealiseerd. Derhalve kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plan.

30

4.12 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is onder andere gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen. Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Met het VGO-3 onderzoek is dit bevestigd. Uit VGO-3 onderzoek blijkt verder dat er geen relatie is tussen de aanwezigheid van pluimveehouderijen en het voor komen van longontsteking.

De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan en richtafstanden om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is opgesteld om ontwikkelingen bij veehouderijen te beoordelen. Daarnaast kan het eventueel gebruikt worden bij de afweging om nieuwe gevoelige objecten toe te staan. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een nieuw gevoelig object, tevens betreft het geen veehouderij. Derhalve hoeft het stappenplan niet gevolgd te worden en ook geen advies opgevraagd te worden bij de GGD.

4.13 Overig Spuitzones

Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke onderbouwing wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop teelt plaatsvindt en te realiseren nieuwe gevoelige functies kan worden gehanteerd. De landbouwgrond grenzend aan het plangebied betreft grasland. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen hierop is zeer laag, dit is niet te vergelijken met bijvoorbeeld fruitteelt of akkerbouwgewassen.

31

5 Juridische planopzet Ten behoeve van de wijziging van de bestemming wordt een planologische procedure doorlopen op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Op de voorbereiding van het Ontwikkelplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Na vooroverleg is het Ontwikkelplan in ontwerp ter inzage gelegd. Kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft op de formele wijze plaatsgevonden. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Op het plan zijn geen zienswijzen binnengekomen. De gemeenteraad beslist binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging omtrent vaststelling van het bestemmingsplan. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld wordt het plan gepubliceerd. Een kennisgeving van het besluit vindt plaats conform wettelijke voorwaarden. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn afloopt.

32

6 Economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer betreft een particuliere partij. Deze particuliere partij draagt zorg voor de kosten welke gepaard gaan met de voorgenomen ontwikkeling. De financiële uitvoering van de ontwikkeling is daarmee geborgd. De Wet ruimtelijke ordening geeft gemeenten meer regie en sturing op de ruimtelijke ontwikkelingen op lokaal niveau. De nieuwe wetgeving maakt het mogelijk voor gemeenten om de kosten met betrekking tot het plan te verhalen op diegene die de ontwikkeling initieert. Hiertoe is een anterieure overeenkomst gesloten. Gezien voorgaande zijn risico’s aangaande dit aspect voor de gemeente dan ook uitgesloten.

33

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid vindt een kennisgeving van het besluit volgens formele weg plaats. Het complete bestemmingsplan, regels, verbeelding en toelichting inclusief bijlagen worden voor eenieder ter inzage gelegd. Tevens wordt het ontwerpbesluit toegezonden aan de provincie en het waterschap.

34

8 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat de gewenste ontwikkeling past binnen het rijksbeleid, beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Meierijstad. Het plan voldoet tevens aan de gestelde eisen op het gebied van milieu en levert geen beperkingen op ten aanzien van ruimtelijke aspecten. Daarnaast is tevens de uitvoerbaarheid voldoende gegarandeerd. De procedure kan dan ook zonder problemen worden doorlopen.

35

Bijlagen Situatietekening Landschappelijk inpassingsplan Invoergegevens geur Quickscan Natuur Bodemonderzoek

Situatietekening

SITUATIETEKENING BESTAAND - NIEUW Opdrachtgever : Dhr. P.G.M. van de Tillaer, Trentweg 24, 5469 PE Erp. SCHAAL 1 : 1000

DATUM : 18-01-2021 / 16-02-2021

FORMAAT : A3

Getekend : G. van de Rijt

Landschappelijk inpassingsplan In de toelichting bij het bestemmingsplan wordt het landschap van de voormalige gemeente Veghel uiteengezet. Veghel ligt tussen twee breuken. Dit is enerzijds de Peelrandbreuk, die loopt ten oosten van Veghel, ter hoogte van de gemeentegrens met Uden en anderzijds de Feldbissbreuk, die loopt ten westen van Veghel. Tussen deze twee breuklijnen ligt een, door afschuiving, gezonken deel van de aardkorst, een zogeheten slenk. Als er omgekeerd tussen twee tegenoverliggende breuken een ‘hoog’ ontstaat, spreekt men van een horst. Deze geologische structuur van horsten en slenken heeft echter niet geleidt tot grote niveauverschillen in het landschap. Veghel ligt op de Roerdalslenk, die aan de oostkant wordt begrensd door de Peelhorst en aan de westkant door het Kempisch Plateau. In Veghel is sprake van dekzandvlaktes ontstaan tijdens de ijstijden. Door de toegenomen begroeiing werd het opgewaaide dekzand op een aantal plaatsen ook vastgehouden en ontstonden naast grote dekzandvlaktes ook enkele zogeheten dekzandruggen. Hierdoor kreeg het oppervlak wat meer reliëf. In Veghel liggen dergelijke dekzandruggen langs het dal van de Aa en de Leijgraaf en langs de oosten zuidrand van de gemeente. Daarnaast zijn verspreid over de gemeente enkele kleine dekzandkoppen aanwezig.

Door verschillen in hoogte (reliëf), waterhuishouding en agrarische activiteit hebben zich in de (zand)afzettingen die aan het oppervlak voorkwamen verschillende bodemtypen gevormd. In Veghel zijn de volgende bodemtypen te onderscheiden: - podzolgronden; - hoge enkeerdgronden; - beekeerdgronden; - lage enkeerdgronden; - duinvaaggronden. Binnen het plangebied komen voornamelijk veldpodzolgronden voor, die zijn ontstaan op de oorspronkelijke woeste gronden (de velden). Het grootste deel behoort nu tot de jonge ontginningsgronden. Het buitengebied van Veghel behoort tot het Zuid-Nederlandse dekzandgebied. Dit dekzandgebied was van oorsprong geheel begroeid met bos. De mens heeft het landschap echter gevormd tot wat het nu is. De ontginningsgeschiedenis heeft uiteindelijk geleidt tot de volgende drie landschapstypen: - Beekdalen; - Oud ontginningslandschap; - Jong ontginningslandschap.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart bij Structuurvisie Veghel 2030

Onderhavige locatie is gelegen in het jonge ontginningslandschap. Dit landschapstype is ontstaan doordat eind 19e - begin 20e eeuw, met nieuwe technieken en inzichten, de schrale heidevelden in cultuur konden worden gebracht. Deze jonge ontginningen, ook wel aangeduid als machinelandschappen, worden gekenmerkt door de rationele opbouw en een regelmatige, op gemechaniseerde landbouw afgestemde relatief grootschalige verkaveling. Het patroon van wegen en waterlopen is regelmatig van vorm en systematisch opgezet. De boerderijen zijn solitair gesitueerd en

altijd gekoppeld aan het wegenpatroon, dat wordt begeleid door ranke (transparante) laanbeplanting. Dit versterkt het beeld van het open en grootschalige landschap. De erven zijn sober en puur functioneel ingericht. Aan de voorzijde staat de bedrijfswoning (boerderij) waarachter zich de grote bedrijfsgebouwen bevinden. De architectuur en het materiaalgebruik stralen sobere functionaliteit en eenvoud uit. Door de beperkt aanwezige erfbeplanting bepalen vooral de grootschalige bedrijfsgebouwen het landschapsbeeld. De bedrijven zijn zowel grondgebonden (weidebouw, akkerbouw) als niet grondgebonden (intensieve veehouderij), waardoor de erfinrichting en uitstraling divers, maar altijd relatief grootschalig is. De agrarische sector is met ca. 5.600 hectare nog altijd de belangrijkste grondgebruiker in het buitengebied van de gemeente Veghel. In het buitengebied van Veghel komen zowel (agrarische) bedrijfswoningen als burgerwoningen voor. Veel van de burgerwoningen zijn van oorsprong een agrarisch bedrijf (boerderij), die hun agrarische functie hebben verloren. Maar er zijn er ook die direct als burgerwoning in het buitengebied zijn gebouwd. De burgerwoningen zijn veelal geconcentreerd in enkele buurtschappen en bebouwingslinten, maar er is ook sprake van solitair gelegen burgerwoningen.

De verwachting is dat het aantal burgerwoningen in de toekomst verder zal toenemen, doordat een aantal agrariërs de bedrijfsvoering zal staken. Voor onderhavige locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Op de locatie is langs drie zijden reeds beplanting aanwezig. Deze kan behouden blijven. Aan de voorzijde betreft dit de siertuin en enkele solitaire bomen. Aan westzijde een vrijwel dichte beplantingsstrook met diverse inheemse soorten. Aan de achterzijde van het bedrijf is een haag aanwezig. Binnen deze haag staan in de huidige situatie de stallen. In de beoogde situatie wordt deze ruimte gebruikt als dierenweide/moestuin. Daarnaast wordt een rij fruitbomen toegevoegd om het nieuwe bijgebouw in te passen. De fruitbomen laten de locatie de open en sobere aankleding en structuur behouden en passen in het landelijk gebied.

Nieuwe beplanting Fruitbomen met bloemrijk gras

Hoogstamfruitbomen 5 stuks oude brabantse rassen, eindhoogte 6-10 meter. Plantafstand minimaal 10 meter. De fruitbomen hoeven niet gesnoeid te worden. Onderhoud bloemrijk gras: Maaien en afvoeren dient te gebeuren om de bodem te verschralen om daarmee de bloemrijkheid te stimuleren. Over het algemeen, zeker in de beginfase, moet de grond vooral verschralen. Maaien wanneer de dominante grassen net beginnen met bloeien, geeft het meeste resultaat (eind mei, begin juni). Maximaal 2x per jaar maaien.

Beukenhaag

9 stuks per meter, eindhoogte ca. 1,20 meter. Plantverband dubbele rij, verspringend. 1 tot 2 maal per jaar snoeien.

Invoergegevens geur

Trentweg 24 IDNR X_COORDINAAT Y_COORDINAAT EP‐hoogte gemgebhoogte EP‐diameter EP‐uittree Evergund EmaxVergun Gemeente 33043 169521 398203 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33032 169420 398656 6 6 0.5 4 16330 16330 Meierijstad 33038 169278 398610 6 6 0.5 4 2634 2634 Meierijstad 33044 170091 398306 6 6 0.5 4 1709 1709 Meierijstad 34335 170124 398759 6 6 0.5 4 33480 33480 Meierijstad 33030 169859 398979 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33022 169110 398926 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32950 168984 398797 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32981 168888 398074 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33062 169071 397792 3 3.5 0.5 4 26496 26496 Meierijstad 34336 170360 398829 6 6 0.5 4 17204 17204 Meierijstad 33021 168995 398906 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33023 169060 399053 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33026 170475 398802 6 6 0.5 4 8080 8080 Meierijstad 32901 170455 397860 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 300177 170240 397620 6 6 0.5 4 56914 56914 Meierijstad 33063 169363 399356 6 6 0.5 4 51957 51957 Meierijstad 32979 169603 399415 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32889 169892 397368 6 6 0.5 4 5732 5732 Meierijstad 33029 168616 398511 6 6 0.5 4 1780 1780 Meierijstad 32910 170694 398166 6 6 0.5 4 54372 54372 Meierijstad 32884 170716 398588 6 6 0.5 4 390 390 Meierijstad 32978 169712 399469 6 6 0.5 4 9000 9000 Meierijstad 32994 170674 398831 6 6 0.5 4 156 156 Meierijstad 32931 168553 398600 6 6 0.5 4 712 712 Meierijstad 32915 169566 399567 6 6

0.5 4 39068 39068 Meierijstad 32907 170806 398026 6 6 0.5 4 3 3 Meierijstad 300941 170520 397512 6 6 0.5 4 148054 148054 Meierijstad 32914 169330 399581 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33055 170851 398717 6 6 0.5 4 35687 35687 Meierijstad 32996 170700 399140 6 6 0.5 4 390 390 Meierijstad 32962 168326 398363 6 6 0.5 4 2848 2848 Meierijstad 33045 170964 398105 6 6 0.5 4 31378 31378 Meierijstad 32885 170685 399249 6 6 0.5 4 32538 32538 Meierijstad 33057 168297 398211 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 33009 170410 397089 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 300987 168994 399726 6 6 0.5 4 1560 1560 Meierijstad 32985 170092 399849 6 6 0.5 4 282 282 Meierijstad 33048 170278 399787 6 6 0.5 4 6185 6185 Meierijstad 33046 170905 397368 6 6 0.5 4 67903 67903 Meierijstad 32968 170877 399432 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32984 170207 399908 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32999 171048 397522 6 6 0.5 4 63869 63869 Meierijstad 300121 171332 399157 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32873 168022 397503 6 6 0.5 4 0 0 Meierijstad 32971 168084 399391 6 6 0.5 4 4640 4640 Meierijstad

Straat Trentweg Trentweg Trentweg Trentweg Teuwseler Teuwseler Sluisweg Sluisweg Gerecht Gerecht Teuwseler Sluisweg Sluisweg Teuwseler Boerdonksedijk Boerdonksedijk Dieperskant Dieperskant Bosscheweg Lijnt Boerdonksedijk Boerdonksedijk Dieperskant Boerdonksedijk Lijnt Dieperskant Boerdonksedijk Boerdonksedijk Dieperskant Broekweg Boerdonksedijk Lijnt Boerdonksedijk Boerdonksedijk Lijnt Prinsenkamp Kampweg De Laren De Laren Boerdonksedijk Hurkske De Laren Akkerweg Meerbosweg Gerecht Hool

Huisnummer Postcode 22 5469PE 15 5469PE 8 5469PE 42 5469PE 10 5469PG 6 5469PG 25 5469PC 33 5469PC 2 5469KD 8 5469KD 13 5469PG 28 5469PC 24 5469PC 15 5469PG 40 5469PP 42A 5469PP 6 5469PB 20 5469PB 23 5469PD 13 5469KG 30 5469PN 18 5469PN 24 5469PB 10 5469PN 6 5469KG 11 5469PB 36 5469PP 42 5469PP 3 5469PB 2 5469PM 3 5469PN 10 5469KG 21 5469PN 1 5469PN 17 5469KG 10 5469PV 7A 5469EX 6 5469PH 11 5469PH 4446 5469PP 25 5469PJ 7 5469PH 1 5469PR 14 5469PL 3 5469KD 1 5469KB

Plaats ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP

‐132 ‐233 ‐375 438 471 206 ‐543 ‐669 ‐765 ‐582 707 ‐658 ‐593 822 802 587 ‐290 ‐50 239 ‐1037 1041 1063 59 1021 ‐1100 ‐87 1153 867 ‐323 1198 1047 ‐1327 1311 1032 ‐1356 757 ‐659 439 625 1252 1224 554 1395 1679 ‐1631 ‐1569

‐176 277 231 ‐73 380 600 547 418 ‐305 ‐587 450 527 674 423 ‐519 ‐759 977 1036 ‐1011 132 ‐213 209 1090 452 221 1188 ‐353 ‐867 1202 338 761 ‐16 ‐274 870 ‐168 ‐1290 1347 1470 1408 ‐1011 1053 1529 ‐857 778 ‐876 1012

48400 131018 193986 197173 366241 402436 594058 622285 678250 683293 702349 710693 805925 854613 912565 920650 1038629 1075796 1079242 1092793 1129050 1173650 1191581 1246745 1258841 1418913 1454018 1503378 1549133 1549448 1675330 1761185 1793797 1821924 1866960 2237149 2248690 2353621 2373089 2589625 2606985 2644757 2680474 3424325 3427537 3485905

Afstand 220 361,9641 440,4384 444,0417 605,1785 634,3784 770,7516 788,8504 823,5593 826,6154 838,0626 843,0261 897,7333 924,4528 955,2827 959,5051 1019,131 1037,206 1038,866 1045,367 1062,568 1083,351 1091,596 1116,577 1121,981 1191,181 1205,827 1226,123 1244,642 1244,768 1294,345 1327,096 1339,327 1349,787 1366,367 1495,71 1499,563 1534,152 1540,483 1609,231 1614,616 1626,271 1637,215 1850,493 1851,361 1867,058

33049 27205 32942 32956 32944 32947 32980 32945 32943 33012 35255 32921 33017

171186 168717 171282 168306 171428 171285 169186 168157 171535 168339 168264 170820 171178

399452 396749 399390 399761 399199 399553 400369 399775 399230 399992 399928 396652 399809

6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6

6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5 6 0.5

4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4

42780 0 46840 0 71 43112 1560 0 4634 7120 0 78 16614

42780 Meierijstad 0 Laarbeek 46840 Meierijstad 0 Meierijstad 71 Meierijstad 43112 Meierijstad 1560 Meierijstad 0 Meierijstad 4634 Meierijstad 7120 Meierijstad 0 Meierijstad 78 Meierijstad 16614 Meierijstad

Meerbosweg Schaapsdijk Meerbosweg Morgenstraat Meerbosweg Meerbosweg Hackerom Morgenstraat Meerbosweg Oudestraat Oudestraat Cruijsstraat Rauwven

7A

10 5469PL 1 5738RR 12 5469PL 10 5469GD 25 5469PL 5469PL 6 5469ES 9 5469GC 21 5469PL 5 5469GE 3 5469GE 1 5469PW 10 5469PK

ERP MARIAHOUT ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP ERP

1533 ‐936 1629 ‐1347 1775 1632 ‐467 ‐1496 1882 ‐1314 ‐1389 1167 1525

1073 ‐1630 1011 1382 820 1174 1990 1396 851 1613 1549 ‐1727 1430

3501418 3532996 3675762 3724333 3823025 4041700 4178189 4186832 4266125 4328365 4328722 4344418 4370525

1871,208 1879,627 1917,228 1929,853 1955,256 2010,398 2044,062 2046,175 2065,46 2080,472 2080,558 2084,327 2090,58

Trentweg 24 Identifier X‐coordinaat Y‐coordinaat 169653 1 169649 2 169667 3 169671 4

NORM‐OU 398379 20 398370 20 398364 20 398370 20

Quickscan Natuur

QUICKSCAN SOORTENBESCHERMING TRENTWEG 24 TE ERP

Colofon

Quickscan soortenbescherming Projectnummer: EP.20.1088 Versie: 1 Datum: 4 september 2020 Opdrachtnemer Agrifirm NWE BV Bedrijfsontwikkeling Exlan Waalkade 33 5347 KR Oss

Postbus 300 5340 AH Oss

Locatie Trentweg 24 Erp Opdrachtgever P.G.M. van den Tillaer Trentweg 24 5469 PE Erp Contactpersoon Anton van Zeeland T: 088 – 488 2929 F: 088 – 488 2102 E: a.vanzeeland@agrifirm.com Uitvoerders Ing. A. van Zeeland L.F.A. van Sleeuwen LL.B. Collegiale check AvZ

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN AGRIFIRM EXLAN.

2 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Inhoudsopgave

Quickscan soortenbescherming INLEIDING

4

HOOFDSTUK 1 TOETSINGSKADER

6 6

HOOFDSTUK 2 ONDERZOEKSRESULTATEN

9 9

HOOFDSTUK 3 CONCLUSIE

24 24

LITERATUUR

25

WAARNEMINGEN EFFECTEN INDICATOR SOORTEN

26 28

3 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Inleiding

Planbeschrijving

Aanleiding Het plangebied is gelegen aan de Trentweg 24 Erp. De plannen omvatten de sloop van alle bedrijfsgebouwen, behalve de schuur aan de linkerzijde, in het kader van de warme sanering. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, moet vrijstelling of ontheffing worden verkregen. De voorliggende quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Plangebied Het plangebied ligt in de plaats Erp in de gemeente Meierijstad. Het plangebied bevindt zich buiten de verkeerskundige en stedenbouwkundige bebouwde kom van Erp.

Afbeelding 1: luchtfoto plangebied (bron: streetsmart.cyclomedia.com/streetsmart, geraadpleegd op 24/08/2020)

4 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Onderzoeksmethode Om een goede indicatie van de natuurwaarden binnen het plangebied te krijgen, wordt het onderzoek in verschillende stappen uitgevoerd. Op basis van bronnenonderzoek is nagegaan of er wettelijk beschermde planten- of diersoorten in het gebied voor kunnen komen waaraan extra aandacht geschonken dient te worden tijdens het terreinbezoek. Na het bronnenonderzoek is een verkennend terreinbezoek gebracht aan het plangebied. Hierbij is, op basis van de gegevens van het literatuuronderzoek, beoordeeld voor welke soorten het gebied daadwerkelijk een geschikte habitat biedt en daarmee welke soorten er daadwerkelijk voor kunnen komen. Vervolgens zijn de mogelijke effecten op de verwachte beschermde soorten beschreven. Op basis van de doorlopen procedures zijn conclusies getrokken met betrekking tot de eventuele negatieve effecten en/of obstakels inzake de Wet natuurbescherming. Op woensdag 26 augustus 2020 is de locatie tussen 15:00 en 16:00 uur ter plaatse geïnventariseerd, om te onderzoeken of het plangebied een zodanig belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Op het moment van inventarisatie was het 20 graden Celsius en bewolkt. Op basis van terreinkenmerken is beoordeeld of het terrein geschikt is voor de, in de regio voorkomende, beschermde soorten.

Doelstelling Om een indicatie te krijgen van de effecten die de sloopwerkzaamheden hebben op de natuurwaarden binnen het plangebied, dienen de volgende vragen te worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en komt daarmee de staat van instandhouding in gevaar? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

5 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Hoofdstuk 1

1 Toetsingskader Wet natuurbescherming De bescherming van natuur is in Nederland vastgelegd in nationale wetgeving. De nationale wetgeving is een Nederlandse implementatie van de belangrijkste Europese wetgevingselementen. Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming. De uitvoering van deze nieuwe wet is grotendeels in handen van de provincies gekomen.

1.1

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming noemt bekende maar ook enkele nieuwe soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Bij ontwikkelingen met name in het buitengebied moet rekening worden gehouden met het al dan niet van toepassing zijn van de beschermingsregimes van deze natuurgebieden. Ieder gebied kent een eigen beschermingsregime dat afzonderlijk gewogen dient te worden in relatie tot plannen, projecten en andere handelingen met mogelijk nadelige effecten voor de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden De bekendste natuurgebieden zijn de Natura 2000-gebieden, zij kennen tevens het meest strikte beschermingsregime. De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. In Nederland zijn 164 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen. Voor ieder gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald die betrekking kunnen hebben op de bescherming van specifieke flora en fauna alsook leefgebieden van soorten. Alle projecten en handelingen binnen of buiten de gebiedsgrenzen mogen geen verstorend of verslechterend effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Voor de voorgenomen ontwikkeling is hier, voor zover van toepassing, separaat aan getoetst.

In deze rapportage wordt hier verder niet op ingegaan. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn belast met de taak een dergelijk netwerk tot stand te laten te komen en in stand te laten. De uitvoering hiervan is hoofdzakelijk gestuurd vanuit de ruimtelijke ordening (provinciale verordeningen). Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt een “nee, tenzij”- benadering. Overige gebieden Naast de bovengenoemde gebieden kunnen gebieden aangewezen worden als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, ‘bijzondere provinciale landschappen’ of ‘nationaal park’. De bescherming van deze gebieden vind net als bij het NNN plaats via het ruimtelijk spoor. Daarnaast kan een gebied aangewezen worden als ‘bijzonder nationaal gebied’, een soort voorloper van de aanwijzing als Natura 2000-gebied. De bescherming van deze gebieden stemt dan ook overeen met de bescherming van Natura 2000-gebieden.

6 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

1.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in. Daarnaast zijn er vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten. 1) Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn 2) Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn 3) Beschermingsregime ander soorten 4) Vrijgestelde soorten 5) Jaarrond beschermde vogelnesten Vogelrichtlijn Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: • Opzettelijk vogels te doden of te vangen; • Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en – eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; • Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; • Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

Wat betreft deze soorten is het verboden om: • Opzettelijk dieren te doden of te vangen; • Opzettelijk dieren te verstoren; • Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; • Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; • Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ook is het verboden deze soorten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te kopen, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten. Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. Het beschermingsniveau van deze soorten kan per provincie verschillen. Het is verboden om: 1) Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2) Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3) Opzettelijk (vaat)planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.

Vrijgestelde soorten De verboden zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook vallen de zwarte rat, bruine rat, huismuis, de mol en exoten niet onder beschermingsregime van de Wet natuurbescherming en mogen opzettelijk gedood en gevangen worden. Daarnaast geldt, zoals hierboven reeds aangegeven, dat provincies de bevoegdheid hebben vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten.

7 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Jaarrond beschermde vogelnesten De opgestelde lijst met jaarrond beschermde nesten voor vogels is een beleidsdocument dat voortvloeit uit de voormalige Flora- en faunawet en meegenomen is onder de Wet natuurbescherming. De nesten zijn ingedeeld in categorieën (1 t/m 5) waarvan de categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. Nesten in categorie 5 zijn enkel beschermd bij afwezigheid van voldoende alternatieven. 1) Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats 2) Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3) Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4) Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

5) Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

1.3

Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte van 10 are of meer beslaat ofwel een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Buiten de bescherming vallen: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013.

8 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Hoofdstuk 2

2 Onderzoeksresultaten 2.1

Bronnenonderzoek In de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn waarnemingen van flora en fauna in Nederland gebundeld. De Gegevensautoriteit Natuur staat ervoor in dat alleen gevalideerde waarneming worden opgenomen. Gegevens uit meer dan 100 databanken zijn gebundeld, waaronder die van de particuliere gegevens beherende organisaties (Zoogdiervereniging, Vlinderstichting, etc.), provincies en terrein beherende organisaties. De NDFF wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De gegevens uit deze nationale databank geven een overzicht van alle in de nabijheid van het plangebied waargenomen beschermde planten- en dierensoorten. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij niet bekend. Het overzicht geeft een indicatie op welke soorten in het bijzonder gelet moet worden bij het veldbezoek. Daarnaast zijn gegevens van websites als www.waarneming.nl geraadpleegd voor achtergrondinformatie. Deze gegevens zijn niet inhoudelijk voor deze quickscan gebruikt. Een groot aantal amateurs en professionals publiceert op deze bekende websites zijn natuurwaarnemingen, die worden gecontroleerd door een validatiecommissie. Zodoende zijn de waarnemingen uit deze bronnen redelijk betrouwbaar, maar moeilijk te verifiëren. De waarnemingen geven eventueel wel een indicatie van soorten waar tijdens het veldonderzoek extra aandacht aan besteed dient te worden.

Natuurnetwerk Nederland Het natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat hier om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel”. Het Natuurnetwerk Brabant is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. Zo wordt de biodiversiteit (het totaal aan planten en dieren) bevorderd. Ongeveer 90% van het Natuurnetwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden zoals bijvoorbeeld de Biesbosch en de Maashorst. Maar het netwerk is nog niet compleet. Er ontbreken nog veel gebieden en verbindingen die belangrijk zijn voor dieren en planten. Vanwege de klimaatverandering veranderen hun leefomstandigheden en wordt dat nog urgenter. Zij moeten zich kunnen verplaatsen om genoeg voedsel te kunnen blijven vinden en zich voort te planten.

Maar het Natuurnetwerk is er niet alleen voor planten en dieren, maar ook voor mensen. Mensen genieten, recreëren en ontspannen in de natuur en voelen zich gelukkiger. Natuur schept kansen voor ondernemers die natuur en hun bedrijf willen combineren en helpt tegen de gevolgen van klimaatverandering. De provincie Noord-Brabant heeft een Natuurbeheerplan opgesteld. Het Natuurbeheerplan is een beleidskader om het Europese, rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid te realiseren. Het gaat daarbij om bestaande natuurgebieden, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden worden ingericht en beheerd volgens agrarisch 9 Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

natuurbeheer en de Natura 2000-gebieden. Het Natuurbeheerplan beschrijft per (deel)gebied welke natuur- en landschapsdoelen nagestreefd worden. Het plan bevat de begrenzing van de natuur- en agrarische natuurgebieden, met name toegespitst op de internationale biodiversiteitsdoelen en de internationale natuurgerichte agromilieu, water en klimaat doelen. Het plan is het beleidskader voor het provinciale natuurbeleid en ook voor de implementatie van artikel 28 van het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3). Het plan is verankerd in de SVNL en SKNL en daarmee kaderstellend voor de SNL-subsidies.

•

Afbeelding

2:

ligging

Natuurnetwerk

Nederland

en

Natura

(bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten, geraadpleegd op 24/08/2020)

•

10

Afbeelding 3: ligging plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl, geraadpleegd op 24/08/2020)

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

2000

Het plangebied heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Het plangebied is bestemd voor de uitoefening een intensieve veehouderij.

2.2

Veldonderzoek Op verschillende punten in het plangebied zijn waarnemingen verricht. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten. De ecologische factoren in de omgeving zijn met behulp van een digitale fotocamera vastgelegd. Om de flora en fauna te kunnen determineren, is gebruik gemaakt van eigen kennis en literatuur. •

11

Afbeelding 4: binnenzijde te slopen varkensstal

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

12

•

Afbeelding 5: sporen van spreeuwen

•

Afbeelding 6: buitenzijde varkenstallen

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

13

•

Afbeelding 7: buitenzijde varkensstallen

•

Afbeelding 8: buitenzijde varkensstal met luchtinlaat

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

14

•

Afbeelding 9: buitenzijde varkensstal met luchtinlaat

•

Afbeelding 10: luchtinlaat

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

15

•

Afbeelding 11: buitenzijde varkensstallen

•

Afbeelding 12: luchtwasser

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

16

•

Afbeelding 13: buitenzijde varkensstal met luchtwasser en voersilo

•

Afbeelding 14: achterzijde varkensstal

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

17

•

Afbeelding 15: achterzijde varkensstal voorzien van vogelschroot

•

Afbeelding 16: ruimte tussen de stallen met stallen en luchtinlaten

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

18

•

Afbeelding 17: varkensstal en ruimte tussen de stallen

•

Afbeelding 18: buitenzijde varkensstallen (voorzien van vogelschroot)

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

•

Afbeelding 19: buitenzijde varkensstal (voorzien van vogelschroot)

•

Afbeelding 20: buitenzijde varkensstal (voorzien van vogelschroot)

Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. Alle bestaande beplanting blijft behouden.

19

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn, bever en das kunnen worden aangetroffen. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing. De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute.

Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde soorten (Bouwens 2017). Indien bij sloop/herinrichting van het gebied groenstructuren rond het perceel behouden blijven, is er geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. Eekhoorn De onderzoekslocatie is vanwege de afwezigheid van voldoende bomen niet geschikt als habitat voor de eekhoorn. Er staan te weinig bomen rondom de projectlocatie. Tevens worden er met de werkzaamheden geen bomen verwijderd. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Bever Voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten. Das Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld.

Vleermuizen Het plangebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden drie verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven. Er zijn in en om de stallen geen sporen (vetstrepen, uitwerpselen, prooiresten) aangetroffen.. Alle spouwmuren zijn aan de bovenzijde dichtgesmeerd, waardoor er alleen ruimte onder de 20

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

golfplaten overblijft welke vrijwel overal voorzien is van vogelschroot. Zou het ergens toch mogelijk zijn om onder de golfplaten te komen, dan is deze ruimte ongeschikt omdat deze aan grote temperatuurschommelingen onderhevig is. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische (buiten)gebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil en de kerkuil.

Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaien- en/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden. De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Evenmin worden er met de beoogde werkzaamheden bomen verwijderd. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Eveneens worden er met de beoogde werkzaamheden geen bomen gekapt, zodat het wegnemen van een jaarrond beschermd nest kan worden uitgesloten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Beide situaties zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen agrarisch gebied en de afwezigheid van voldoende dekking is een nestplaats van de sperwer of wespendief niet te verwachten. Eveneens zijn er tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen. Een broedgeval van zowel de wespendief als de sperwer zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden. De gebouwen zijn in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de 21

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

aanwezigheid van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Er zijn geen huismussen waargenomen. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er is een nest van een Holenduif aangetroffen in de rechter stal aan de achterzijde. Er zijn vogels gezien en gehoord, namelijk: •

Tabel 1: overzicht waargenomen vogels

•

Tabel 2: overzicht waargenomen vogelnesten

Soort Kwikstaart Boerenzwaluw

Soort Holenduif (categorie indeling nestbescherming: -) Uitleg bij tabel: Categorie 1: Categorie 2: Categorie 3: Categorie 4: Categorie 5:

Jaarrond gebruikte nesten (steenuil) Zeer honkvaste koloniebroeders of afhankelijk bebouwing Zeer honkvaste broeders of afhankelijk bebouwing (geen kolonie) Vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest Honkvaste broeders, maar voldoende flexibel

Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen worden in specifieke natuurgebieden. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieën soorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder de takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.

22

Quickscan Flora- en Fauna – Trentweg 24 Erp

Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het plangebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. Aan de achterzijde van de middelste stal zit boven in de stal een wespennest.

2.3

Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het plangebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het plangebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk. Vogels Door de voorgenomen ingreep worden vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=25639f79-e503-40fc-aa63-39a4012422d3