Bijlage 4 Toelichting Trentweg 24 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Trentweg 24 Erp
Ruimtelijke onderbouwing
Datum: Status:
1 augustus 2022 Vastgesteld
Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................ 1 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................... 1 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ....................................................................................... 1 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................. 2 2 Planbeschrijving ................................................................................................................ 3 2.1 Huidige situatie.................................................................................................................. 3 2.2 Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................. 3 3 Beleidstoets ....................................................................................................................... 5 3.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 5 3.1.1 Structuurvisie..............................................................................................................
5 3.1.2 Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid .............................................................. 6 3.1.3 AMvB Ruimte .............................................................................................................. 6 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................................... 7 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 7 3.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 7 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 8 3.2.3 Interim omgevingsverordening ..................................................................................... 8 3.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................... 12 3.3.1 Structuurvisie............................................................................................................ 12 3.3.2 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 13 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording .....................................................
16 4.1 Mer-beoordeling .............................................................................................................. 16 4.2 Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................................... 16 4.3 Natuur ............................................................................................................................ 17 4.4 Water ............................................................................................................................. 19 4.5 Bodem ............................................................................................................................ 22 4.6 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 24 4.7 Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 24 4.8 Geur ............................................................................................................................... 25 4.9 Geluid ............................................................................................................................. 26 4.10 Luchtkwaliteit ................................................................................................................
26 4.11 Externe veiligheid........................................................................................................... 29 4.12 Gezondheid ................................................................................................................... 31 4.13 Overig ........................................................................................................................... 31 5 Juridische planopzet ........................................................................................................ 32 6 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 33 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................. 34 8 Conclusie ......................................................................................................................... 35 Bijlagen
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gevestigde varkenshouderij op Trentweg 24 wordt beëindigd wegens deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Op grond van de saneringsregeling moet de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ komen te vervallen om uit te sluiten dat op de locatie nog een intensieve veehouderij kan bestaan. De wens van initiatiefnemer is de enkelbestemming te wijzigen in ‘Wonen’. Na beëindiging van de varkenshouderij is er namelijk geen sprake meer van een reëel agrarisch bedrijf.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom, ten zuiden van de kern Erp. De kern Erp maakt deel uit van de gemeente Meierijstad. Het is een gebied met veel agrarische bedrijven maar ook burgerwoningen. De locatie is gelegen in een relatief grootschalig landschap met veel laanbeplanting en enkele bosschages. De locatie ligt op circa 320 meter van de N279 en de Zuid-Willemsvaart. De kern van Erp is gelegen op circa 2,1 kilometer van de locatie. De kern van Keldonk is gelegen op een afstand van circa 1,3 kilometer. De ligging in de omgeving is weergegeven op onderstaande afbeelding evenals het bovenaanzicht van de locatie. In de directe omgeving van het bedrijf liggen verschillende woonbestemmingen zoals Trentweg 19, 21, en 28. Trentweg 28 betreft een woonbestemming met zorgactiviteiten. Achter Trentweg 24 is een melkveehouderij gevestigd (Trentweg 22). De afstand van de woning Trentweg 24 tot het bouwblok van deze melkveehouderij bedraagt ongeveer 170 m. De locatie is gelegen aan een harde weg welke voornamelijk door bestemmingsverkeer gebruikt wordt.
Afbeelding 1: Ligging in de omgeving, bron: bingmaps.nl
1
Afbeelding 2: Bovenaanzicht locatie, bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plekke vigeert nu het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld op 22 oktober 2015. De enkelbestemming is ‘Agrarisch’ en er geldt een dubbelbestemming ‘Archeologie 4’. Verder is er de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en enkele gebiedsaanduidingen. Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld op 27 januari 2021. In artikel 3.7.8 van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen naar de bestemming ‘wonen’. Het college van burgemeester en wethouders heeft besloten te gaan werken met een zogenaamd ‘ontwikkelplan’ waarmee alle ruimtelijke initiatieven in één procedure worden opgenomen.
2
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De locatie aan Trentweg 24 is op dit moment in gebruik als varkensbedrijf. Hieronder is de bestaande situatie weergegeven. De oppervlakte van de te slopen stallen bedraagt circa 3.500 m². Op het bedrijf is nu een loods aanwezig met een oppervlakte van 261 m2 (14,9 x 17,5 m). Tevens is een garage aanwezig van 10 x 5 m. De wens is om beide gebouwen te slopen. De loods ligt achter tegen een varkensstal die gesloopt moet worden. De garage ligt ook tegen een te slopen stal. Bezien vanuit een goede ruimtelijke inpassing is de wens beide gebouwen te slopen.
Afbeelding 3: Foto huidige situatie
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Het perceel krijgt een woonbestemming en alle stallen en bijgebouwen worden gesloopt. Het bestemmingsvlak zal verkleind worden tot een oppervlakte van circa 3.330 m². Achter de woning wordt dan een nieuwe opslagschuur/garage met carport gerealiseerd. De gezamenlijke oppervlakte wordt maximaal 311 m2. Een nieuwe inrit zal gerealiseerd worden ten behoeve van het bijgebouw aan de westzijde. Hierdoor zullen de waarden van de bestaande eikenlaan niet aangetast worden. Aan de zijde van de inrit zijn geen eiken aanwezig. Enkel de bestaande landschappelijke inpassing en verderop een rij in de berm langs de weg. De bestaande landschappelijke inpassing zal ter plaatse van de nieuwe inrit onderbroken worden. De bestaande inritten verdwijnen en de beplanting wordt over de gehele zijde aangevuld. Het overige gedeelte van het huidige bouwvlak krijgt een agrarische bestemming en zal gebruikt gaan worden als landbouwgrond. 3
Afbeelding 4: Gewenste situatie
4
3 Beleidstoets De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.
Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en is niet in strijd met de doelen geformuleerd in de structuurvisie. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze onderbouwing worden getoetst.
Nationale omgevingsvisie
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 11 september 2020 de nationale omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische 5
kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Belangrijkste keuzes in de NOVI: een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.
Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt zal de omgevingsvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en betreft geen ontwikkeling die in strijd is met de nationale belangen waar de omgevingsvisie op van invloed is. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. De verantwoordelijkheid voor de uitwerking van het omgevingsbeleid ligt bij provincie, gemeente en waterschap.
3.1.2 Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid De inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 heeft gevolgen gehad voor de doorwerking van het nationale ruimtelijke beleid. Totdat de Wro in werking was getreden, werd het geldende rijksbeleid vastgelegd in Planologische Kern Beslissingen zoals de Nota Ruimte. Per 1 juli 2008 waren deze alleen nog bindend voor de nationale overheid zelf. Daarom heeft het Rijk in juni 2008 de Realisatie paragraaf Nationaal Ruimtelijke Beleid opgesteld. In de Realisatieparagraaf benoemt het kabinet ruim 30 nationale ruimtelijke belangen en de instrumenten om die uit te voeren. Onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met de genoemde nationale belangen.
3.1.3 AMvB Ruimte De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. De AMvB Ruimte, nader aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
6
Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk.
3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Vanaf 1 juli 2017 moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op grond van artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) worden getoetst aan de nieuwe ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Artikel 3.1.6 tweede lid van het Bro luidt als volgt:
‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.’ Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties bijvoorbeeld geldt volgens de overzichtsuitspraak van de Afdeling dat: 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.’ Onderhavige ontwikkeling betreft een bestaande locatie. De laddertoets is derhalve niet vereist.
3.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie en omgevingsvisie en omgevingsvisie en juridisch geborgd middels de Interim Omgevingsverordening.
3.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.
Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid.
7
De locatie aan Trentweg 24 is gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Tracezone Brainport-Oost’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de landen tuinbouw de dominante functie is. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. In aanvulling daarop wil de provincie optimale ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor het verbeteren van de agrarische productiestructuur. De landbouw levert met de verduurzaming van de productie en het steeds verder sluiten van kringlopen een goede kwaliteit van water, bodem, lucht en natuur en een (vernieuwd) robuust landschap. De maat en schaal van de omgeving en de draagkracht van het gebied inclusief aspecten van volksgezondheid, zijn sturend voor de groei van agrarische activiteiten. Onderhavig initiatief, wijziging van de bestemming naar ‘Wonen’ past binnen bovenstaand beleid.
Afbeelding 5: Uitsnede kaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
3.2.3 Interim omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 hebben Gedeputeerde Staten de Interim omgevingsverordening vastgesteld. Vervolgens is deze een aantal keren aangepast.
Inhoud
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn schematisch weergegeven in het Nu-Straks overzicht, dat als bijlage in de toelichting is opgenomen. Op hoofdlijnen gaat het om:
8
een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen; aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.
Afbeelding 6: Uitsnede kaarten behorende tot Interim Omgevingsverordening
Hierboven is de locatie weergegeven op de kaarten behorende tot de Interim Omgevingsverordening. De locatie is gelegen in ‘Landelijk gebied, Gemengd landelijk gebied’. Naast de regels specifiek voor deze gebieden zijn de instructieregels voor gemeenten en waterschappen van toepassing. Hieronder wordt getoetst aan de regels welke van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling.
Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie.
9
Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
10
Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Op de locatie worden alle bestaande bedrijfsgebouwen/bebouwing gesloopt. De oppervlakte aan bebouwing wordt in de beoogde situatie vele malen kleiner.
De nieuwe bebouwing zal wat betreft grootte en uitstraling betreft passend zijn in het landschap. Het bouwvlak wordt verkleind tot passend bij de bestemming en situatie. Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit wordt de locatie landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting. De Interim Omgevingsverordening stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap. Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Volgens het gemeentelijk beleid omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap en ruimtelijke plannen valt onderhavige ontwikkeling in categorie 2, Dit houdt in dat sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en als bijlage bijgevoegd.
Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 11
1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. In artikel 3.68 is bepaald dat het gebruik van een bedrijfswoning als burgerwoning niet is toegestaan. Echter is in artikel 3.69 een afwijkende regel opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een bedrijfswoning als burgerwoning onder de voorwaarde dat geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt. In onderhavige situatie wordt niet gesplitst en alle bestaande bijgebouwen/stallen worden gesloopt. Een beperkt bijgebouw wordt opgericht in de nieuwe situatie. Derhalve wordt aan de voorwaarden voldaan.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Structuurvisie Veghel 2030
In deze structuurvisie schetst de gemeente Veghel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. Zo is er in deze structuurvisie veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Daarnaast wordt ook uitgebreid stilgestaan bij de mogelijkheden om de sterke positie van Veghel als werkstad en de bijbehorende stedelijke voorzieningen te behouden. Daarbij wordt vooral ingezet op het verder ontwikkelen van de altijd al sterk vertegenwoordigde voedingsindustrie. Deze structuurvisie biedt daarom met recht een ‘menu voor de toekomst’. Goed leven in Veghel is niet alleen van betekenis voor de inwoners van de Veghelse wijken en kerkdorpen, het ondersteunt ook het economische vestigingsmilieu in de gemeente en vormt een belangrijke drager voor het verleiden van mensen om in de gemeente te komen wonen. Vandaar de navolgende ambities (conform de visie Smaakmakend Veghel 2030): - Het stimuleren van een gevarieerde bevolkingssamenstelling. - Het scheppen van voorwaarden (fysiek en sociaal) voor een goed verblijfsklimaat voor bewoners. - Alle bewoners kunnen meedoen aan de samenleving en nemen verantwoordelijkheid voor zichzelf, elkaar en de omgeving (Wmo).
- Landelijk gebied: “Samen werken aan kwaliteit”. Het Veghelse buitengebied is divers van opbouw en deze structuurvisie zet erop in die diversiteit verder uit te bouwen. De bestaande landschappelijke identiteit en de aanwezige functies vormen de leidraad voor een hoofdindeling in vijf gebiedstypen. In de meeste gebieden liggen mogelijkheden voor het mengen van functies, al dan niet geclusterd. In twee gebieden is de agrarische sector dominant. De agrarische sector blijft ook tot 2030 zonder meer de belangrijkste drager voor het Veghelse buitengebied. Daarbij zijn drie verschillende gradaties te onderscheiden. In de beekdalen is sprake van agrarisch medegebruik, ter ondersteuning van de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. In het meeste zuidelijke deel van de gemeente is de situatie juist omgekeerd. Dit gebied vormt het agrarische kerngebied binnen de gemeente, waar landbouw en veeteelt leidend zijn. Andere functies zijn inpasbaar, mits ze de landbouw niet in de weg zitten. Binnen dit agrarische kerngebied liggen drie landbouw ontwikkelingsgebieden (LOG’s). Hier krijgt de (intensieve) landbouw de ruimte om te groeien. Het gaat daarbij om bestaande bedrijven. Nieuwvestiging is niet aan de orde. In de overige delen van het buitengebied vormt de landbouw weliswaar een belangrijke drager, maar is de 12
groeiruimte veel beperkter. Daarnaast bieden deze gebieden meer ruimte voor andere functies, zoals wonen, recreatie en voorzieningen.
Afbeelding 7: Uitsnede kaart Structuurvisie Veghel 2030
Zoals te zien op bovenstaande afbeelding is de locatie gelegen in een zogenoemd LOG-gebied waar ruimte wordt geboden aan intensieve landbouw. Deze indeling wordt in recenter beleid echter niet meer gebruikt. De locatie is gelegen tegen een gebied met de functie ‘Ontwikkelen agrarisch kerngebied’. Hier is ruimte voor andere functies, mits niet beperkend voor de landbouw. Onderhavige ontwikkeling komt voort uit deelname aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. Hoewel het bedrijf in een voormalig LOG-gebied is gelegen wil de overheid de sanering stimuleren. Een woonfunctie op deze locatie is passend. Dat blijkt uit toetsing in onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Het beperkt omliggende agrarische bedrijven niet.
3.3.2 Bestemmingsplan Ter plekke vigeert nu het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld op 22 oktober 2015. De enkelbestemming is ‘Agrarisch’ en er geldt een dubbelbestemming ‘Archeologie 4’. Verder is er de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en enkele gebiedsaanduidingen.
Afbeelding 8: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied
13
In artikel 3.7.8 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen naar de bestemming ‘wonen’. Hierbij gelden de volgende voorwaarden. Na iedere voorwaarde is een globale toetsing opgenomen.
a. Er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is;
De varkenshouderij wordt beëindigd en er is geen grond aanwezig voor een akkerbouwtak.
b. Het aantal woningen bedraagt na wijziging niet meer dan het (bestaande) aantal agrarische bedrijfswoningen dat in het betreffende bouwvlak voor de wijziging aanwezig was; Het aantal woningen is en blijft één.
c. De omvang van het bestemmingsvlak wordt afgestemd op de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf, waarbij de overige gronden worden gewijzigd in de (aangrenzende) bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden; Het bestemmingsvlak wordt op maat gemaakt, grootte 3.330 m², voor de woning, tuin en op te richten schuur/garage.
d. De oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging niet meer dan 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid e; De oppervlakte wordt groter, zie hierna.
e. Voor zover de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen c.q. voormalige agrarische bedrijfsbebouwing de onder c voorgeschreven oppervlakte te boven gaat, wordt maximaal 25% van de te slopen overmaat eenmalig vervangen door een vergroting (uitgedrukt in m² per woonlaag) van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en/of een vergroting (uitgedrukt in m²) van de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met dien verstande dat: 1. de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen na vergroting niet meer bedraagt dan 900 m³; 2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen na vergroting niet meer bedraagt dan 200 m², waarbij de oppervlakte per vrijstaand bijgebouw of overkapping niet meer mag bedragen dan 100 m²; De oppervlakte aan bijgebouwen wordt in de beoogde situatie meer dan 200 m², namelijk 311 m². De gemeente heeft echter een principeakkoord gegeven voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen.
f.
In afwijking van het bepaalde onder d en e dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te allen tijde gehandhaafd te blijven; Er is geen sprake van cultuurhistorische waardevolle bebouwing.
g. De wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar;
Alle emissies vervallen, hiermee is de ontwikkeling aanvaardbaar. Verdere onderbouwing blijkt uit onderhavig document.
h. De wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;
Dit is uitvoerig getoetst en gerapporteerd in onderhavige onderbouwing. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen beperkingen oplevert voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.
i.
Er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; Dit plan is opgesteld en bijgevoegd als bijlage.
14
j.
De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van boden, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft. Alle bestaande stallen worden gesloopt waardoor een grote verbetering optreedt.
De beoogde ontwikkeling past op alle punten binnen de afwijkingsmogelijkheid, met uitzondering van de oppervlakte aan bijgebouwen. Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld op 27 januari 2021. Dit behelst een harmonisatie van de regels. De regels voor de bestemming ‘Wonen’ zijn hier onder andere in opgenomen en worden van toepassing op onderhavige locatie.
Perceelsomvang
De gemeente houdt als standaard omvang van een nieuw bestemmingsvlak wonen een oppervlakte van 1.500 m2 aan. In onderhavige situatie is de omvang groter. Dit komt voornamelijk door de huidige situering van de bestaande gebouwen en de nieuwe inrit in combinatie met een zoveel mogelijk rechthoekige vorm van het bouwvlak dat loopt tot aan de weg. De oppervlakte aan bebouwing en landschappelijke inpassing wordt vastgelegd in de regels waardoor de oppervlakte van het bestemmingsvlak minder van belang is voor de toekomstige invulling van de locatie. Daarnaast is de gewenste situatie passend in de omgeving.
Oppervlakte vrijstaande bijgebouwen
Standaard is maximaal 150 m² aan vrijstaande bijgebouwen toegestaan. De gewenste oppervlakte van 311 m² is groter. Dit is gezien de te slopen oppervlakte met veel milieuwinst en daarmee gepaard gaand e landschapsverbetering te rechtvaardigen.
Afstand vrijstaand bijgebouw tot woning
De maximaal toegestane afstand van 15 meter tussen vrijstaand bijgebouw en woning wordt niet overschreden.
Goot- en nokhoogte bijgebouwen max
De standaard goot- en nokhoogte, respectievelijk 3,3 meter en 6 meter, is voldoende voor het gewenste bijgebouw.
15
4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording 4.1 Mer-beoordeling Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Indien een activiteit de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage niet overschrijdt is een vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing betreft een wijziging van een agrarische bestemming naar de bestemming ‘Wonen’. Het betreft geen stedelijke ontwikkeling, nieuwe woningen worden niet toegevoegd. Naar alle criteria is gekeken en geoordeeld dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling.
4.2 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.
Cultuurhistorie
Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden verwerkt in het provinciaal beleid. Hieronder is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie niet is gelegen in een cultuurhistorisch of archeologisch landschap. In het kader van cultuurhistorie zijn geen belemmeringen aanwezig voor de gewenste ontwikkeling. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan het landschap.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant
16
Archeologie
Op de cultuurhistorische kaart is te zien dat conform provinciaal beleid de locatie niet gelegen is in een archeologisch landschap. Het beleid van de gemeente omtrent archeologie is verwerkt in het bestemmingsplan. Hieronder is een uitsnede van de verbeelding bij het vigerende bestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding 11: Uitsnede bestemmingsplan
De locatie heeft de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 4’. Dit betekent dat geen bouwwerken en grondwerken buiten de bestaande funderingen mogen worden uitgevoerd/gebouwd groter dan 10.000 m² of dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld. Tenzij een archeologisch onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de ingrepen archeologische waarden niet verstoren/niet aanwezig zijn. Onderhavige ontwikkeling betreft enkel sloop en nieuwbouw van een kleine oppervlakte binnen de bestaande funderingen/ op het bestaande erf. Derhalve is verder onderzoek niet noodzakelijk.
Toevallige vondsten
Indien tijdens graaf- en/of bouwwerkzaamheden toevallige vondsten gedaan worden geldt artikel 5.10 uit de Erfgoedwet 2016.
Artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst 1. Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat et een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze minister.
4.3 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Op 21 december 2020 is een intrekkingsbesluit genomen door gedeputeerde staten van Noord-Brabant op het op 7 december 2020 door ons ontvangen verzoek tot het intrekken van de op d.d. 1 december 2016 verleende Wet natuurbeschermingsvergunning (kenmerk: 2016/96582) voor de veehouderij gelegen aan de
17
Trentweg 24, 5469 PE te Erp, in de gemeente Meierijstad. De intrekking geschiedt in het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij waaraan het bedrijf deelneemt. De emissie gepaard gaande met de sloop en bouw van de bijgebouwen zal de emissies bij exploitatie van het varkensbedrijf niet te boven gaan en is zeer klein. De woning is daarnaast reeds bestaand. Negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.
Natuurnetwerk Nederland/Brabant
Het dichtstbij gelegen gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland/Brabant is gelegen op circa 285 meter ten oosten van het plangebied. Zie hiervoor onderstaande afbeelding. De nieuwe ontwikkeling zorgt niet voor verlies van oppervlakte, versnippering of andere negatieve effecten op het gebied. Het wegvallen van de emissies afkomstig van het varkensbedrijf zal de natuur ten goede komen.
Afbeelding 17: Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartbank.brabant.nl)
Flora en Fauna
In zijn algemeenheid is bij ruimtelijke ingrepen sprake van directe, indirecte, tijdelijke en permanente effecten. Onder directe effecten worden effecten verstaan waarmee planten en dieren rechtstreeks te maken krijgen als gevolg van de ontwikkeling. Verlies van habitat en kwaliteit zijn directe effecten en bovendien permanent. Indirecte effecten betreffen onder andere verstoring, waarbij de aanwezigheid van mensen, licht en geluid een rol speelt. Verstoringen tijdens bouwwerkzaamheden zijn tijdelijk, maar verstoringen kunnen ook een permanent karakter hebben. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven:
Vogels Dit betreffen alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb) en de onder de voormalige Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geld dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.
Internationaal beschermde soorten
Dit betreffen alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);
Overige beschermde soorten
Dit betreffen soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraad 3.3. van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ 18
soorten die onder de voormalige Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Te allen tijde is sprake van een zorgplicht. Deze is opgenomen in artikel 1.11 Wnb en voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten.
De zorgplicht houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de locatie is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. De quickscan bevat een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied. Tevens worden de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Het rapport is bijgevoegd. Hieronder is de conclusie uit het rapport weergegeven.
4.4 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet (vastgesteld op 22 december 2009) is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere 19
waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan. De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.
Beleid Rijk
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe waterbeleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik naar 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen, de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.
Provincie
Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.
De locatie heeft de functie ‘water voor het landelijk gebied’ (zie onderstaande afbeelding). Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De locatie is niet gelegen in een gebied met een rol voor de bescherming van het (grond) water dat is bestemd voor menselijke consumptie.
20
Afbeelding 16: Kaart Gezondheid 1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021
Waterschap
Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in Erp in handen van Waterschap Aa en Maas en de gemeente Meierijstad. In 2015 is het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol water’. Samen meer waarde geven aan water vastgesteld en vanaf 1 januari 2016 actueel. In het Waterbeheerplan zijn vier uitgangspunten geformuleerd die richting geven aan de plannen en oplossingen. 1. 2. 3. 4.
De beekdalbenadering De gebruiker centraal Samen sterker Gezonde toekomst
De werkzaamheden die voortvloeien uit de verplichtingen en gemaakte afspraken, is onder te verdelen in de volgende thema’s: • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. De Keur bevat de regels en vult daarmee de regels uit de Waterwet aan om daarmee de doelstellingen zoals opgenomen in het Waterbeheerplan te kunnen realiseren. De Keur is zowel van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap als particulieren en bedrijven. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd.
Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt 21
dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 2.000 m2 en maximaal 10.000 m2. In de beoogde situatie is sprake van afname van verhard oppervlak. Er wordt meer gesloopt dan nieuwgebouwd. Maatregelen in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is derhalve niet nodig.
Bestaande situatie waterhuishouding
In de bestaande situatie wordt het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woning afgevoerd via het riool. Het bedrijfsafvalwater gaat naar de mestkelder. Het schoon-hemelwater vloeit gedeeltelijk af naar de omliggende gronden en infiltreert daar in de bodem. Het overige wordt richting de aangrenzende sloten geleid.
Toekomstige situatie waterhuishouding
In de toekomstige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater afkomstig van de woning afgevoerd naar het gemeentelijk riool. Het schoon-hemelwater vloeit af naar de omgeving en infiltreert daar in de bodem. De erfverharding en daken van de bebouwing worden zorgvuldig schoongehouden zodat het hemelwater niet verontreinigd wordt en het zonder problemen kan infiltreren/afvloeien. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen.
4.5 Bodem Wettelijke basis
Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit.
Aanleiding en doel
Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Beoordeeld dient te worden of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Aanleiding van de bodemtoets vormt wijziging van de bestemming ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’.
Huidige situatie en toekomstige situatie
In de bestaande situatie wordt het plangebied agrarisch gebruikt, als ondergrond van het bedrijf. In de toekomstige situatie blijft op de locatie de woning behouden, de stallen gesloopt en wordt een bijgebouw opgericht. Bodemloket In het Bodemloket Brabant Noord is geen informatie over de locatie bekend. De ontgravingskaart van de bovengrond geeft de typering Landbouw-Natuur.
22
Afbeelding 18: Uitsnede Bodemloket.nl
Bodemonderzoek Op de locatie is bodemonderzoek uitgevoerd. Na de sloop van de gebouwen heeft ter plaatse nog een vervolgonderzoek plaatsgevonden. Hieronder volgen de conclusies uit de bodemonderzoeken. De bodemkwaliteit zoals vastgesteld in fase 1 en fase 2 geeft geen belemmeringen voor de toekomstige herontwikkelingen en gebruik. De complete rapporten zijn toegevoegd in de bijlage. Conclusie Fase 1:
23
Conclusie Fase 2:
4.6 Verkeer en infrastructuur De verkeersbewegingen nemen met de wijziging van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming niet toe. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van personenwagens. De verkeersbewegingen betreffen in de nieuwe situatie enkele personenauto’s per dag. De verkeersintensiteit op de Trentweg neemt daardoor af. Maatregelen met betrekking tot de infrastructuur hoeven dan ook niet genomen te worden. Vanaf zowel de Trentweg als de zijstraat komt een inrit. De inrit vanaf de zijstraat wordt gebruikt om aan de achterzijde bij het bijgebouw te komen. Hierdoor zullen de waarden van de bestaande eikenlaan niet aangetast worden. Aan de zijde van de inrit zijn geen eiken aanwezig. Enkel de bestaande landschappelijke inpassing en verderop een rij in de berm langs de weg. De bestaande landschappelijke inpassing zal ter plaatse van de nieuwe inrit onderbroken worden. De bestaande inritten verdwijnen en de beplanting wordt over de gehele zijde aangevuld. Op het eigen terrein is voldoende ruimte voor drie parkeerplaatsen.