CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3: Toe BP Boxtelseweg 10 Schijndel incl B

Raadsvergadering 25 januari 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10 te Schijndel'26.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

1 gebouw,

bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 25

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Naast de bedrijfswoning wordt in het kader van de zorgactiviteiten ook in de bedrijfsgebouwen op het perceel verbleven. Niet elke vorm van menselijk verblijf in een gebouw maakt het gebouw tot een geurgevoelig object. In jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is inmiddels al wel een bepaalde lijn aangegeven. Om interpretatie of discussie te voorkomen worden de gebouwen die in gebruik genomen worden ten behoeve van de zorgboerderij beschouwd als geurgevoelig objecten. Het meest dichtbij het agrarisch bedrijf aan Schootsehoef 2B gelegen gebouw voor verblijf betreft de te realiseren activiteitenruimte aan de achterzijde van het perceel (zie figuur 2. 3) De activiteitenruimte is op ca. 115 meter van de rand van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf gelegen. Tussen deze activiteitenruimte en het agrarisch bedrijf aan Schootsehoef 2B is nog de burgerwoning aan Schootsehoef 1 gelegen. Deze burgerwoning vormt het eerste belemmerende object voor de uitbreidingsruimte van het bedrijf in westelijke richting. Hiermee wordt het agrarisch bedrijf aan Schootsehoef 2B niet belemmerd in haar gebruiks- dan wel ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van voorliggend initiatief. .

Achtergrondbelasting Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt in ruimtelijke procedures getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarde wordt aangehouden: 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied. >

Figuur 4. 4: Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting (Bron: Omgevingsdienst Zuid Oost Brabant) .

Door de Omgevingsdiensten Zuid-Oost Brabant is onlangs een actuele geurkaart van de achtergrondbelasting in diverse Brabantse gemeenten, waaronder Meierijstad, opgesteld. In figuur 4. 5 is een uitsnede van deze geurkaart opgenomen. Zoals uit figuur 4. 5 is ter plaatse van de planlocatie sprake van een achtergrondbelasting in een range

26

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

van 7-28 ouₑ/m³. Hierbij is de beëindiging van de geitenhouderij op de planlocatie zelf nog niet meegenomen. Gelet op het geurcontour van de geitenhouderij en het feit dat in de directe omgeving van de planlocatie geen andere agrarische bedrijven gelegen zijn, is aannemelijk dat met beëindiging van het geitenbedrijf ter plaatse van de planlocatie

sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. In de directe omgeving ligt naast het plangebied, op een afstand van circa 150 meter, het melkrundveebedrijf aan de Schootsehoef 2b. De contour van dit bedrijf is ook op de uitsnede te zien. Het is aannemelijk dat de achtergrondbelasting op het plangebied zonder de geitenhouderij niet boven de 7-13 ou zal uitkomen en hiermee voldoet aan de norm van 20 ou.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

4. 3 LUCHTKWALITEIT De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen.

Figuur 4. 5: Uitkomst berekening NIBM-tool 2020 (bron: www. infomill. nl)

Het plan betreft de omzetting van een agrarisch bedrijf naar een maatschappelijk bedrijf in de vorm van een zorgboerderij. Dit betreft een plan dat niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het plan leidt tot een significante afname van het vrachtverkeer door het stopzetten van de veehouderij ter plaatse. Ten behoeve van de zorgboerderij is een beperkte toename van het aantal lichte motorvoertuigen (personenwagens en busjes) te verwachten. In hoofdstuk 4. 14 van voorliggende toelichting zijn de verkeersbewegingen in de nieuwe situatie aangegeven. Het aantal verkeersbewegingen in de nieuwe situatie bedraagt maximaal 55 bewegingen per dag. Dit betreft 50 personenauto’s (waaronder bestelbusjes) en 5 landbouwwerktuigen die per dag aan en af rijden (aankomst en vertrek) .

27

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Met behulp van de NIBM-tool is de verkeer aantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling in kaart gebracht. De uitkomst van de berekening van de NIBM-tool is in figuur 4. 5 weergegeven. Uit figuur 4. 5 volgt dat voorliggend in de nieuwe situatie sprake is van een bijdrage van niet betekenende mate op de luchtkwaliteit. Nadere toetsing van het effect van onderhavig plan op de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde. Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De bestaande geitenhouderij wordt beëindigd. Hierbij wordt de bedrijfswoning gehandhaafd en wordt de nevenactiviteit van zorgboerderij omgezet in hoofdactiviteit. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2, 5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCNkaarten van het RIVM, zoals opgenomen in figuren 4. 6, 4. 7 en 4. 8.

De achtergrondconcentraties fijnstof ter plaatse van het plangebied liggen lager dan 18 μg/m 3 (PM10) en tussen de 10 en 12 μg/m 3 (PM2, 5) de norm bedraagt 40 μg/m 3 en op basis van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 31, 2 μg/m 3 De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 10 en 15 μg/m 3 de norm bedraagt 40 μg/m 3 De conclusie is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbare luchtkwaliteit. .

,

.

Figuur 4. 6: GCN-kaart RIVM fijnstof PM10 (bron: geodata. rivm. nl) .

28

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Figuur 4. 7: GCN-kaart RIVM fijnstof PM2, 5 (bron: geodata. rivm. nl) .

Figuur 4. 8: GCN-kaart RIVM stikstofdioxide (bron: geodata. rivm. nl) .

Het planvoornemen grenst direct aan een provinciale weg (de N618) Middels het plan worden zorgactiviteiten als hoofdactiviteit mogelijk gemaakt. Het betreft hier onder meer woonzorggebouwen met (zorg) woningen en een zorgboerderij. Het planvoornemen betreft daarmee een gevoelige bestemming als bedoeld in het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) ’. Vanwege de nabijheid van de provinciale weg (N618) binnen een afstand van 50 meter van het plangebied, in combinatie met de voorgenomen zorgactiviteiten als hoofdfunctie, dient er getoetst te worden aan het .

29

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) ’. In de praktijk betekent dit dat hiervoor moet worden aangetoond dat er voor de grenswaarden van PM10 en NO2 geen overschrijding of ‘dreigende overschrijding’ is. Om inzichtelijk te maken of sprake is van een ‘dreigende overschrijding’ zijn de kaarten met daarop de verwachten achtergrondconcentraties PM10 en NO2 voor het jaar 2030 uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM opgenomen in figuur 4. 9 en 4. 10. Uit de kaarten is duidelijk af te lezen dat er geen sprake is van een te verwachten ‘dreigende overschrijding’ in de nabije toekomst.

Figuur 4. 9: GCN-kaart RIVM achtergrondwaarde fijnstof PM10 2030 (bron: geodata. rivm. nl) .

Figuur 4. 10: GCN-kaart RIVM achtergrondwaarde stikstofdioxide NO2 2030 (bron: geodata. rivm. nl) .

30

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Conclusie Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig

initiatief.

4. 4 GELUID Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijven van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijven de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit) Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en .

leefklimaat. Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden een activiteitenruimte en een drietal woonunits mogelijk gemaakt. Gebouwen die worden gebruikt voor het uitvoeren van arbeidsmatige activiteiten zijn geen geluidgevoelig objecten in de zin van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Ook gebouwen ten behoeve van dagbesteding worden niet gezien als een geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. De activiteitenruimte betreft daarmee geen geluidgevoelig object in de zin de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. De drie woonunits kunnen qua gebruik en verblijfsduur gelijk gesteld worden met een logiesgebouw. Ook een logiesgebouw wordt niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object in de zin de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, omdat er geen sprake is van een permanente woonfunctie, maar van een tijdelijke verblijfsfunctie vergelijkbaar met een hotel of pension.

De drie woonunits betreffen daarmee geen geluidgevoelige objecten in de zin de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is hiermee voor voorliggend initiatief niet aan de orde.

Industrielawaai Voor wat betreft het industrielawaai als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op de planlocatie wordt, zoals aangegeven in paragraaf 4. 1, enkel voor de aangrenzende woning aan Boxtelseweg 10A niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter tot geluidgevoelige objecten in de omgeving. Als gevolg van het plan neemt de geluidhinder naar de omgeving echter af, omdat door beëindiging van de veehouderij het aantal vrachtwagenbewegingen en het aantal laad- en losmomenten afneemt. Daarnaast komen de ventilatoren van de stallen te vervallen die in de huidige situatie een groot deel van de geluidsemissie verzorgen. Daarentegen zal het aantal lichte vervoersbewegingen (personenwagens) iets toenemen t. o. v. de huidige situatie door de realisatie van de zorgboerderij. Dit aantal vervoersbewegingen is niet in betekende mate groot dat hierdoor de geluidemissie op omliggende geluidgevoelige objecten toeneemt t. o. v. de huidige vigerende situatie. Omliggende geluidgevoelige objecten zullen daardoor in de nieuwe situatie geen extra hinder ondervinden van het aspect geluid t. o. v. de huidige vigerende situatie binnen het plangebied.

31

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Voor wat betreft het industrielawaai als gevolg van het meest dichtbij de planlocatie gelegen agrarisch bedrijf aan Schootsehoef 2B geldt dat, zoals blijkt uit figuur 4. 3, ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter tot de planlocatie. De werkelijke afstand van de rand van het bouwvlak van dit agrarisch bedrijf tot de gevels van de twee meest dichtbij het bedrijf gelegen woonunits binnen de planlocatie bedraagt 115 meter.

Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4. 5

BODEM

Op basis van artikel 3. 1. 6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3. 2 Algemene wet bestuursrecht moet in planvorming rekening gehouden worden met bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Daarnaast is in de Woningwet (Artikel 8) vastgelegd dat niet gebouwd mag worden op verontreinigde grond. Om de gezondheid en veiligheid van mensen die wonen en werken in een gebouw te garanderen, verplicht de Woningwet dat bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in bepaalde gevallen een bodemonderzoeksrapport moet worden aangeleverd. Door de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten dient een eindsituatie onderzoek uit gevoerd te worden. Met dit onderzoek worden de locaties waar mogelijke bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden milieuhygiënisch onderzocht om te bepalen of daadwerkelijk een verslechtering van de bodem heeft plaatsgevonden door de bedrijfsactiviteit. Door het exploiteren/gebruiken van een zorgboerderij wordt de functie van de boerderij gevoeliger, waardoor beoordeeld dient te worden of er potentieel bronnen van verontreiniging zijn waar bezoekers aan blootgesteld kunnen worden. Tevens dient beoordeeld te worden of er verontreinigen zijn die (financieel) dermate omvangrijk zijn dat deze de realisatie van de zorgboerderij in de weg kunnen staan Door initiatiefnemer is aan Milon B. V.

opdracht verstrekt voor het ter plaatse uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en een eindsituatie bodemonderzoek. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek luiden als volgt: Ten behoeve van het vaststellen van de nulsituatie ter plaatse van de geplande werktuigenloods zijn een viertal boringen verricht, waarvan een boring eveneens is afgewerkt als peilbuis. In de uitkomende grond ter plaatse van de peilbuis worden sporen baksteen en beton waargenomen. Hier worden in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan koper, zink en cadmium aangetoond en een matig verhoogd gehalte aan PAK. In het grondmengmonster van het overige deel van de bovengrond wordt zink in een licht verhoogd gehalte aangetoond. In het grondwater ter plaatse van de geplande werktuigloods worden licht verhoogde concentraties aangetoond met vluchtige aromaten (xylenen en naftaleen) en een matig verhoogde concentratie aan barium. Geconcludeerd wordt dat middels deze bevindingen de nulsituatie voldoende is vastgesteld. Het overige terreindeel is onderzochte ten behoeve van een bestemmingsplanwijziging. Op dit terreindeel worden resten beton of baksteen waargenomen. In de uitkomende

32

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

grond van boring 201 wordt eveneens een zwakke bijmenging met baksteen waargenomen. De grondmonsters waar antropogene bijmengingen zijn waargenomen, zijn onderzocht middels grondmengmonster MM2. Hieruit volgt dat licht verhoogde gehalten aan PAK en PCB zijn aangetoond. In grondmengmonster MM5 wordt nikkel in een licht verhoogd gehalte aangetoond. In de overige grondmengmonsters worden geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater uit de peilbuis ten behoeve van onderzoek naar het overige terreindeel isenkel een licht verhoogde concentratie aan barium aangetoond. Barium is een zwaar metaal dat als spoorelement van nature in het grondwater voorkomt. Voor de lichte verhoging ten opzichte van de streefwaarde bestaat geen eenduidige verklaring. Omdat barium in de grond niet noemenswaardig verhoogd is gemeten en geen locatie specifieke bron kan worden aangewezen, betreft het hier waarschijnlijk een verhoogde achtergrondconcentratie.

Op de locatie is geen asbestverdacht (plaat) materiaal waargenomen. De antropogene bijmengingen met betonpuin zijn formeel asbestverdacht. In samenspraak met de opdrachtgever is besloten de asbestgaten ten behoeve van de kassen te laten vervallen gezien geen (asbesthoudende) kit is toegepast. De asbestgaten worden derhalve geplaatst daar waar het betonpuin is waargenomen (bovengrond boringen 201, 210 en

214)

.

Tijdens het verkennend asbestonderzoek is het maaiveld opnieuw geïnspecteerd. Wederom zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de uitkomende grond van asbestgat A201 is een asbestverdachte plaat waargenomen. Analytisch onderzoek van het plaatmateriaal en de uitkomende grond wijst uit dat enkel op basis van het plaatmateriaal de grens voor een nader asbest in grondonderzoek wordt overschreden. In de overige asbestgaten zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen of een asbestgehalte in de fijne fractie aangetroffen.

Op basis van het aantreffen van een gehalte asbest boven de grens voor nader bodemonderzoek, geeft de bodemkwaliteit belemmeringen voor de toekomstige herontwikkelingen en gebruik. De analyseresultaten van de grondmonsters geven geen aanleiding tot het verrichten van een nader bodemonderzoek. Op basis van de resultaten van het verkennend asbest in grondonderzoek dient formeel een nader asbest in grondonderzoek conform de NEN 5707 uitgevoerd te worden. In dat geval moet de omvang worden vastgesteld en of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Nader asbestonderzoek en sanering in het kader van onderhavig bestemmingsplan is niet direct noodzakelijk omdat in de omgeving van inspectiegat 201 geen werkzaamheden in de grond worden uitgevoerd. Wanneer in de toekomst wel werkzaamheden worden uitgevoerd in de grond in de omgeving van inspectiegat A201 zal de verontreinigingssituatie eerst inzichtelijk gemaakt moeten worden.

Conclusie Voor wat betreft het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor onderhavig

initiatief.

33

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

4. 6 WATER Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie Noord-Brabant, het Waterbeheerplan 201620121 van het Waterschap Aa en Maas, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’, de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Aa en Maas van belang. In deze beleidsstukken is zijn de drietrapsstrategieën leidend: vasthouden – bergen - afvoeren (waterkwantiteit) ; > > voorkomen – scheiden - zuiveren (waterkwaliteit) .

Keur Waterschap Aa en Maas 2015 De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben nieuwe waterregels vastgesteld. De regels (Keur) zijn eenvoudiger en er is minder vaak een vergunning nodig dan voorheen. Activiteiten rondom kleine watergangen zijn in veel gevallen zelfs vrijgesteld van regels.

Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids) uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids) uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m 2 en 10. 000 m 2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m 2 ) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: > > >

>

34

Gescheiden houden van vuil (afval) water en schoon hemelwater. Voorkomen van vervuiling van water. Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3. Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen ,

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt. 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties. 4. (grond) waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie (s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied. In onderhavige situatie wordt 329 m 2 aan bedrijfsbebouwing toegevoegd en vindt sloop van overtollige bebouwing met een oppervlakte van ca. 150 m 2 plaats. De bestaande erfverharding blijft in zijn huidige vorm gehandhaafd. Het verhard oppervlakte neemt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling licht toe met ca. 180 m 2 Compensatie is op basis van de keur niet aan de orde omdat deze onder de ondergrens valt, die door het waterschap Aa en Maas per 1 maart 2015 wordt gehanteerd. Hiermee is voor onderhavig initiatief het gemeentelijk beleid van toepassing. .

Waardevol Water in Meierijstad (VGRP+ 2017-2022) De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 een water- en rioleringsplan (VGRP+ Meierijstad) vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. Uit onderstaande tabel, zoals opgenomen in het VGRP+, blijkt dat de gemeente Meierijstad ook voor ontwikkelingen onder de 500 m 2 (0 tot 10. 000 m 2 ) compenserende maatregelen benodigd acht. Hiervoor wordt de bergende eis van 60 millimeter gehanteerd.

Figuur 4. 11: Tabel uitgangspunten afvoer hemelwater door toename verhard oppervlak (bron: VGRP+ Meierijstad) . In de nieuwe situatie wordt een nieuwe activiteitenruimte met werktuigenberging met een oppervlakte 263 m 2 en een nieuwe kas met een oppervlakte van 66 m 2 gerealiseerd. Daartegenover staat de sloop van een tweetal kassen en een vijftal gebouwen voor opslag en berging. Deze zeven gebouwen hebben een gezamenlijke oppervlakte van ca. 150 m 2 . Per saldo neemt het verhard oppervlak als gevolg van

deze ontwikkeling toe met ca. 180 m 2

.

In de huidige situatie wordt het hemelwater dat valt op de daken van de bestaande gebouwen en verharding afgevoerd op de aan de Boxtelseweg aanwezige gemeentelijke persriolering. Bij de twee nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen wordt echter gekozen het hemelwater gescheiden af te voeren van het afvalwater. Wanneer de gebouwen namelijk afgekoppeld zijn, heeft dit een gunstiger effect op het bestaande persriool dat hierdoor minder belast wordt. Het afvalwater wordt afgevoerd op

35

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

genoemde aanwezige gemeentelijke persriolering, het hemelwater dat valt op de nieuw te bouwen activiteitenruimte met werktuigenberging van 263 m 2 en de kas van 66 m 2 wordt gescheiden afgevoerd naar de op het perceel aan te leggen bergingsvijver. Hier vindt infiltratie van dit hemelwater in de bodem plaatsvindt. Voor de toename van verhard oppervlak met 329 m 2 dient op basis van de bergingseis van 60 mm per m 2 toename aan verhard oppervlak, voor voorliggend initiatief in totaal: 60 mm * 329 m 2 = 19, 74 m 3 bergingscapaciteit te worden gerealiseerd. Volgens de Wateratlas is de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de planlocatie tussen 60 cm en 80 cm beneden maaiveld gelegen. Hiermee kan de bovenste 60 cm onder het huidige maaiveld worden gebruikt voor de berging van hemelwater. De bergingsvijver heeft een oppervlakte van 260 m 2 een gemiddelde diepte van 1, 0 meter en een talud van 1: 2. Hiermee biedt de vijver ruimte voor ca. 152 m 3 aan bergingscapaciteit. Dit is ruim voldoende voor de berging van de benodigde ca. 20 m 3 aan hemelwater. ,

Tot slot bevindt de planlocatie, zoals blijkt uit de toetsing aan de Interim Omgevingsverordening zoals opgenomen in hoofdstuk 3. 1 van voorliggende bevindt in de rand van de boringsvrije zone (80 meter) rond de waterwinning Schijndel (Langstraat) Het plan ziet niet op werkzaamheden waarbij de beschermende kleilaag aangetast wordt. De boringsvrije zone vormt dan ook geen belemmering voor het .

initiatief. Conclusie Het aspect water vorm geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4. 7 FLORA EN FAUNA In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er treden verschuivingen op in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora en fauna.

Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden enkele opslaggebouwtjes, bergingen en een tweetal kleine kassen gesloopt. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Bij de uitvoering van de voorgenomen ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de, op grond van de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, moet vrijstelling of ontheffing worden verkregen. Door initiatiefnemers is opdracht verleend aan Exlan B. V. voor het uitvoeren van genoemde quickscan Flora en Fauna. De conclusies van deze quickscan zijn hieronder opgenomen:

36

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Conclusie Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier-en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’. Dit gebied ligt op een afstand van ruim 9 kilometer van het plangebied.

Daarnaast maakt het plangebied ook geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. .

Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0, 00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bestemming (geitenhouderij) naar een maatschappelijke bestemming ten behoeve van een zorgboerderij. Voor wat betreft de aanlegfase is als onderdeel van het plan sprake van de oprichting van een activiteitenruimte met werktuigenberging en een kas. Op 1 juli 2021 is de Wet en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Stikstofwet) in werking getreden. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling. Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. Hiermee kan voor onderhavig plan voor wat betreft de aanlegfase een stikstofberekening achterwege blijven.

Voor wat betreft de gebruiksfase vindt een toename van het aantal verkeersbewegingen met personenauto’s (en busjes) en een afname van het aantal verkeersbewegingen met

37

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

vrachtauto’s plaats. In hoofdstuk 4. 14 van voorliggende toelichting zijn deze verkeersbewegingen nader aangegeven. Voor wat betreft de gebruiksfase dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Gebruiksfase Zoals bovenstaand reeds aangegeven zal de voorgenomen bestemmingswijziging leiden tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen met personenauto’s/bestelbusjes, waaronder het brengen en halen van cliënten, zal als gevolg van het volledig richten op de zorgfunctie, op basis van een ruime schatting toenemen met 20 bewegingen per etmaal (licht verkeer) De bewerking van de gronden rondom de zorgboerderij met bijv. een trekker (middelzwaar verkeer) blijft onderdeel uitmaken van de dagbesteding. Hierin vindt geen toename dan wel afname van het aantal verkeersbewegingen plaats. Tot slot zal door de definitieve beëindiging van de geitenhouderij het aantal verkeersbewegingen met vrachtauto’s afnemen met 3 bewegingen per dag. .

Ten behoeve van het in beeld brengen van de stikstofdepositie voor de gebruiksfase dient uitgegaan te worden van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In (de regels van) het bestemmingsplan zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de wijziging van de bestemming Maatschappelijk naar een andere bestemming. De huidige bestemming kan daarmee beschouwd worden als de maximale planologische mogelijkheden.

Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2021. 0. 2 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. Hierbij is uitgegaan van een totale toename van het aantal verkeersbewegingen met 20 personenauto’s/bestelbusjes (licht verkeer) De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0, 00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt .

beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Uit de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0, 00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door het plan de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0, 00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan (planeffect) .

Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen in het kader van flora en fauna ten aanzien van het initiatief te verwachten.

4. 8

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

Archeologie In het bestemmingsplan is aan nagenoeg het gehele plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ toegekend. De aanduiding ‘Waarde – Archeologie 4’ houdt in dat bij het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 500 m 2 er een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische ,

38

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

waarden van de gronden die blijkens de aanvraag verstoord worden voldoende zijn vastgesteld.

Conclusie Onderhavig plan voorziet in de oprichting van een activiteitenruimte met werktuigenberging en een kas, met een totale gezamenlijke oppervlakte van 329 m 2 Hiermee wordt gebleven onder de grens van 500 m 2 voor het doen van nader archeologisch onderzoek. Er zijn hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief vanuit het aspect archeologie.

.

Cultuurhistorie Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden te worden met het aanwezige culturele erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

planlocatie

Figuur 4. 12: Kaart cultuurhistorie Schijndel (bron: ‘Tussen Aa-dal en Rooise Heide, RAAP-rapport 2970) .

Het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is op deze kaart gelegen binnen de regio Meierij. In de regio Meierij liggen de volgende cultuurhistorische landschappen van provinciaal belang: Groene Woud, Beerse en Baardwijkse Overlaat, Loonse en Drunense Duinen, Landgoederenzone ten zuiden van Tilburg. Het plangebied is niet gelegen binnen één van deze genoemde landschappen en is daarnaast ook niet gelegen in een cultuurhistorisch vlak. Daarnaast is het plan getoetst aan de Cultuurhistorische waardenkaart van de voormalige gemeente Schijndel, zoals opgenomen in het RAAP-rapport 2970 ‘Tussen Aa-dal en Rooise Heide’. Onderstaand is in figuur 4. 12 een uitsnede van deze kaart opgenomen. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen in een cultuurlandschap met een middelmatige waardering. Daarnaast is op de aanwezige boerderij (bedrijfswoning) aangemerkt als een object van eveneens middelmatige bouwkunst. De voorgenomen bestemmingswijziging met lichte uitbreiding doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden. Daarnaast vinden aan de boerderij geen ingrepen plaats als gevolg van voorliggend plan.

39

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is minimaal van omvang en heeft dan ook geen negatieve invloed op slechts zeer beperkt aanwezige cultuurhistorische waarden.

4. 9

EXTERNE VEILIGHEID

Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: > Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ; > Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ; > Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt: .

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Binnen de 10-6/jaarcontour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitgrens (tenzij anders bepaald) : de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Binnen het invloedsgebied is een verantwoordingsplicht van het groepsrisico van toepassing. De specifieke eisen hieraan zijn vastgelegd in de besluiten Bevi, Bevb en Bevt.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente) Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de .

40

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3. 1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

Figuur 4. 13: Uitsnede risicokaart Provincie Noord-Brabant.

Beschouwing risicobronnen Met behulp van de risicokaart is nagegaan of er risicobronnen aanwezig zijn die van invloed zijn op het plangebied (zie figuur 4. 13) Uit de risicokaart blijkt, dat in de omgeving van het plangebied geen wegen, vaarwegen, spoorlijnen of inrichtingen zijn gelegen, waarvan een risicocontour over het plangebied is gelegen. Ten zuiden van het plangebied liggen een tweetal transportleidingen van de Gasunie Dit betreffen de leidingen Z-544-04 en Z-544-03. .

.

Plaatsgebonden risico Uit de risicokaart blijkt, dat de leidingen Z-544-04 en Z-544-03 geen plaatsgebonden risicocontour hebben. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde eisen uit het Besluit

41

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het plaatsgebonden risico van de leidingen vormt derhalve geen belemmering voor het plan. .

Groepsrisico De aardgasleiding Z-544-04 is op ruim 150 meter van het plangebied gelegen. Deze leiding heeft een werkdruk 40, 0 bar en een diameter van 6, 61 inch. De aardgasleiding Z-544-03 is op ruim 300 meter van het plangebied gelegen. Deze leiding heeft een werkdruk van 40, 0 bar en een diameter van 4, 25 inch. Bij HD-aardgasleidingen wordt het maatgevend scenario gevormd door een beschadiging van de transportleiding. Hierdoor komt gas vrij, dat na ontsteking een fakkelbrand vormt met een grote warmtestraling tot gevolg. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt onderscheid gemaakt tussen de zone 100% letaliteit en de zone 1% letaliteit. Dit is overgenomen in het planologisch toetsingskader. Het bij de diameter en druk van de leidingen behorende invloedsgebied (1% letaliteit) bedraagt respectievelijk 70 meter (Z-544-04) en 45 meter (Z-544-03) De 100% letaliteitscontour van de leidingen bedraagt respectievelijk 37 meter (Z-544-04) en 24 meter (Z-544-01) De binnen het plangebied meest dichtbij gelegen verblijfsruimte is gelegen ruim 155 meter van genoemde HD-aardgasleidingen. Hiermee is de planlocatie niet binnen het invloedsgebied (1% letaliteit) en de 100% letaliteitcontour van deze leiding gelegen. Een verantwoording van het groepsrisico kan hiermee achterwege blijven. .

.

Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. De planlocatie ligt daarnaast niet binnen het invloedsgebied van transportleidingen van de Gasunie, waarmee een verantwoording van het groepsrisico niet benodigd is. Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit het aspect externe veiligheid voor onderhavig

initiatief.

4. 10 SPUITZONES Vanuit het oogpunt van gezondheidsrisico’s dient een minimale afstand te worden aangehouden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in Nederland een afstand van 50 meter gehanteerd tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de fruitteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie zijn geen gronden gelegen die in gebruik zijn als fruitboomgaard. Het aspect spuitzones vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief.

42

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

4. 11 VOLKSGEZONDHEID I. R. T. VEEHOUDERIJEN Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2. 0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt.

1.

Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand.

Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1. 0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m 3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen.

Rondom de planlocatie zijn géén varkenshouderijen dan wel pluimveehouderijen gelegen.

2.

Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak;

De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging van een geitenhouderij en wijziging van de ter plaatse vigerende agrarische bedrijfsbestemming in een maatschappelijke bestemming ten behoeve van een zorgboerderij. Hierbij vindt geen toename maar juist een afname in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats.

3.

Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat;

a.

Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 4. 2 van voorliggende toelichting heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur.

b.

Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk wordt gesteld op respectievelijk 5, 0 OU/m3 voor de voorgrond en 10, 0 OU/m 3 voor de achtergrond. Zoals blijkt uit de toetsing uit hoofdstuk 4. 2 van voorliggende toelichting wordt in de huidige situatie in ieder geval de gezondheidskundige advieswaarde voor de achtergrondbelasting overschreden. Hierbij is echter de beëindiging van de geitenhouderij op de planlocatie niet meegenomen.

43

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

4.

Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort (en) binnen een veehouderij;

Niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. Middels het planvoornemen ontsaat geen nieuwe situatie waarin er bedrijfsmatig meerdere diersoorten worden gehouden (stap 4a) Tevens wordt middels het planvoornemen de afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en pluimveebedrijf niet gewijzigd/verkleind .

(stap 4b) 5.

.

Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; a.

Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking (gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden.

Binnen een straal van twee kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Het geitenbedrijf aan de Oetelaarsestraat 29 te Schijndel is op 2, 15 kilometer van het plangebied gelegen. Daarnaast voorziet voorliggende ontwikkeling zelf in de beëindiging van de op de planlocatie gevestigde geitenhouderij.

b.

Pluimveehouderijen: Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen.

Binnen een straal van één kilometer van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen gelegen. c.

Overige veehouderijen Ook voor overige veehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen, namelijk 250 meter ten opzichte van gevoelige functies.

Binnen een straal van 250 meter het plangebied bevindt zich één melkveehouderij aan Schootsehoef 2B.

6.

44

De aanwezigheid van mestbe- en verwerking;

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

Niet van toepassing. 7.

De ongerustheid bij omwonenden;

Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. De voorgenomen beëindiging van de geitenhouderij betreft juist geen ontwikkeling die leidt tot een toenemende onrust over de volksgezondheid. Uit de beperkte toetsing op afstanden blijkt dat stap 5c leidt tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. De gemeente moet een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is betreft een afweging van de gemeente Meierijstad.

Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Op 12 september 2018 heeft de gemeente nadere invulling gegeven aan de maatwerkaanpak voor woningbouwinitiatieven in de omgeving van geitenhouderijen. De insteek hierbij is een zorgvuldige afweging van belangen aan de hand van een maatwerkaanpak. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn immers telkens anders. Het gezondheidsbelang staat in de afweging voorop. Dit belang dient te worden afgezet tegen belangen van volkshuisvestelijke, sociale, financiële en economische aard. Samengevat betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪

Conform het collegeprogramma wordt waar mogelijk medewerking verleend aan kleinschalige woningbouwprojecten. Daaronder wordt hier verstaan de oprichting van maximaal 11 woningen op één locatie. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de oprichting van nieuwe woningen.

▪

Bij zowel kleine als grootschalige ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de afstand van de woningbouwlocatie tot de geitenhouderij. Uitgangspunt is dat in principe geen medewerking wordt verleend aan bouwplannen die de bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij verkleinen. Uitzondering hierop moet mogelijk blijven indien er sprake is van een verwaarloosbare verkleining van de bestaande afstand. Het gezondheidsrisico dat nieuwe bewoners lopen, mag niet groter zijn dan de risico’s bij personen die nu al nabij een geitenhouderij wonen. De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande

woningen worden vooralsnog aanvaard. Binnen een straal van 2 km van de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gevestigd. De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging van een bestaande geitenhouderij. Na beëindiging is de planlocatie niet meer gelegen in een gebied met geitenhouderijen. ▪

45

Er zal binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet worden meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken. een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang.

Te denken valt hierbij aan

Binnen een straal van 2 km van de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gevestigd. ▪

Sluitstuk van de maatwerkaanpak is een verplichting vanuit de gemeente om initiatiefnemers actief te informeren over de risico’s die kunnen voorvloeien uit het bouwen van woningen binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij. Op basis daarvan kunnen de initiatiefnemers hun eigen afweging maken over het al dan niet doorzetten van hun plannen. Initiatiefnemers zijn op de hoogte van de mogelijke risico’s die spelen rondom het langdurig verblijven in de buurt van geitenhouderijen. Zij hebben de hierover door de gemeente Meierijstad overhandigde informatie tot zich genomen.

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect volksgezondheid geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4. 12 HOOGSPANNINGSLIJNEN Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. De laatste jaren is hier meer aandacht voor, mede omdat er statistische aanwijzingen zijn (dus geen aangetoond oorzakelijk verband) dat de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogelijk van invloed kunnen zijn op de gezondheid van kinderen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 microTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het Rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0, 4 microTesla. In het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de magneetveldzone. Dit betekent dat, zoals hierboven reeds aangegeven is, voorkomen moet worden dat er gevoelige functies binnen een zone van een hoogspanningslijn komen te liggen. Is dit wel het geval, dan moet er een zorgvuldige afweging plaatsvinden.

Het RIVM heeft een kaart ontwikkeld waarop indicatieve zones voor magneetvelden van alle bovengrondse hoogspanningslijnen zijn opgenomen. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. Uit deze kaart blijkt dat het plangebied op ruime afstand van de hoogspanningslijn lijn is gelegen, buiten de indicatieve zone.

Conclusie Het aspect hoogspanningslijnen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig

initiatief.

46

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

4. 13 KABELS EN LEIDINGEN In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Als gevolg van het plan is echter geen sprake van nieuwe aansluitingen op deze voorzieningen.

4. 14 INFRASTRUCTUUR EN PARKEREN Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een beperkte toename van het aantal lichte motorvoertuigen (autoverkeer) te verwachten als gevolg van het feit dat de zorgboerderij voortaan als hoofdactiviteit wordt uitgeoefend. Tegelijkertijd staat hier een significante afname van het vrachtverkeer door het verdwijnen van de geitenhouderij tegenover. In de huidige situatie, waarbij de zorgboerderij als nevenfunctie wordt uitgeoefend, bedraagt het aantal verkeersbewegingen met personenauto’s en busjes (licht verkeer) maximaal 30 bewegingen per dag. Dit betreft voornamelijk het brengen en halen van cliënten en uiteraard een aantal verkeersbewegingen vanuit de bedrijfswoning. Als gevolg van het omzetten van de zorgboerderij naar de hoofdfunctie op het perceel en de voorgenomen lichte uitbreidingen, zal dit aantal verkeersbewegingen toenemen met maximaal 20 bewegingen per dag. Hiermee bedraagt het aantal verkeersbewegingen met licht verkeer in de nieuwe situatie maximaal 50 bewegingen per dag. De bewerking van de agrarische gronden, de dierenweide, de moestuin en de bloementuin rondom de zorgboerderij blijft onderdeel uitmaken van de dagbesteding.

Deze activiteiten vinden plaats met een trekker dan wel met vergelijkbaar landbouwmaterieel (middelzwaar verkeer) Het aantal verkeersbewegingen met middelzwaar verkeer bedraagt in de nieuwe situatie maximaal 5 bewegingen per dag. .

De beschikbare capaciteit van de omliggende infrastructuur is met de huidige intensiteiten ruim voldoende om de toekomstige toename van het lichte motorvoertuigenverkeer vlot en veilig te verwerken. Op eigen terrein is ruim voldoende plaats voor parkeren, zowel voor de bedrijfswoning als voor de zorgboerderij. Parkeren vindt plaats binnen het bestemmingsvlak ‘Maatschappelijk’.

4. 15

M. E. R. -BEOORDELING Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m. e. r. ) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kader stellend is voor projecten met grote milieugevolgen een plan-m. e. r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage in het Besluit m. e. r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m. e. r. per 1 april 2011, de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m. e. r. .

Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D11. 2) van de bijlage bij het Besluit m. e. r. Dit is ook van toepassing op zorgwoningen. Aangezien het bij onderhavig initiatief gaat om het

47

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

realiseren van slechts drie (zorg) woningen, wordt dit op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m. e. r. en is een nadere beschouwing hiertoe niet nodig.

48

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

5

Juridische planopzet

Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch – planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het plangebied. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de systematiek en de inhoud van de bestemmingen van het bestemmingsplan. 5. 1 PLANSYSTEMATIEK Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Boxtelseweg 10’ is conform de eisen van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) opgesteld. Naast de wettelijke eisen uit de Wro is in dit bestemmingsplan, om de consistentie met de vigerende bestemmingsplannen te waarborgen, voor de opzet en inhoud van de regels aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Herijking’ en het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen Laaghangend Fruit’ van de gemeente Meierijstad. Tevens voldoet het plan aan de eisen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. 5. 2 OPBOUW VAN DE REGELS In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.

1. Inleidende regels Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.

2. Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle belangrijkste bouwwerken (hoofdgebouwen) bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing ,

49

Toelichting bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, herziening Boxtelseweg 10’

zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Afwijken van de bouwregels: In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. Deze bevoegdheid wordt objectief begrensd en bevat duidelijke criteria.

Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik/welke activiteiten in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=c1beb1c9-97fc-45cf-876e-5830c93c24ca