CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting en regels Pastoor Smitsstraat 48

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 48-48a in Olland'25.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Hoofdstuk 4

30

4.8.2 Onderzoek Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 18 februari 2021 tussen 08.30 – 09.30 uur door een ecoloog van BRO3 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen. De conclusies zullen hier kort worden besproken. Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 7,3 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van twee woningen in de vorm van tweekappers en de herontwikkeling van de Dorpsherberg naar drie woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Er wordt in paragraaf 4.9 nader ingegaan op de stikstofdepositie. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 320 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming In tabel 4.4 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

3

BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.

Hoofdstuk 4

31

Tabel 4.4 Samenvatting soortenbescherming Soortgroep

Algemeen

Potentieel

Sprake van

aanwezig

overtreding

Ja

Te voorkomen

Broedv

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Plangebied buiten broedseizoen

Globale broedseizoen loopt van

bouwrijp maken of controle vooraf

maart tot half augustus

Vervolgonderzoek naar huismus en

Bij aanwezigheid is voor de sloop een

gierzwaluw

ontheffing nodig

Vervolgonderzoek naar gebruik van

Bij aanwezigheid is voor de sloop een

gebouw door vleermuizen

ontheffing nodig

ogels Jaarrond

Ja

Mogelijk

beschermd

VerbliVleer-

Ja

Mogelijk

jfplaatsen

muizen Foerageer-

Nee

Nee

---

-

Nee

Nee

-

-

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de

habitat Vliegroutes

Grondgebonden zoogdieren

egel

Reptielen

Nee

Nee

---

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

---

---

Ongewervelden

Nee

Nee

---

-

Vaatplanten

NeeNeeNee

NeeNeeNee

---

-

4.8.3 Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Indien er werkzaamheden aan het dak of spouwmuur van de voormalige Dorpsherberg plaats gaan vinden, zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. - Dit vervolgonderzoek is nog afhankelijk van het bouwplan. Vooralsnog wordt gedacht aan een beperkte uitbreiding aan de westzijde. Juist aan deze zijde is er geen verstoring te verwachten. Vandaar dat op dit moment geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht.  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

Hoofdstuk 4

32

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.9 Stikstofdepositie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnet-werk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ is gelegen op circa 7,3 kilometer. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van vijf woningen (twee twee-onder-een-kap woningen en drie rijwoningen) betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd door BRO. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld.

Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

33

4.10.2 Onderzoek Door Aeres Milieu is een verkennend bodemonderzoek op de locatie Pastoor Smitsstraat 48-48a uitgevoerd. De belangrijkste conclusies worden hier besproken. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk zintuiglijk bijmengingen met baksteen, puin en slakken waargenomen. Asbest In het geanalyseerde mengmonster van de fijne fractie zijn geen verhoogde concentraties aan asbest aangetoond. De locatie kan derhalve als onverdacht worden beschouwd op het voorkomen van asbest in de bodem. Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de boven- en ondergrond licht verhoogd zijn met zink. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing.

Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Algemeen en beleid hogere overheden Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen.

Hoofdstuk 4

34

Naast dit beleidskader is in het provinciaal Milieu- en waterplan Noord-Brabant 2016-2021 (PNWP) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Dit plan staat voor "samenwerken aan Brabant, waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving". Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Beleid Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Het waterschap heeft in het waterbeheerprogramma de beleidsdoelen en –uitgangspunten voor de toekomst vastgelegd. In de Keur staan regels die het waterschap hanteert bij onder andere de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken alsmede regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in het betreffende oppervlaktewater te waarborgen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant.

Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig.

Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:  Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt;  Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan;  Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen.

Hoofdstuk 4

35

Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar MiddenBrabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:  van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;  van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied;  van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.

Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheersplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water.

Deze uitgangspunten gelden als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater heeft. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in of aan het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn.

Hoofdstuk 4

36

Gemeentelijk waterbeleid De gemeente Meierijstad heeft een nieuw VGRP 2017-2022 en Waterplan ‘Waardevol water in Meierijstad’ opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water.  Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs wateropen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.  Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem.  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater.  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie.  Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor.  De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt.  De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken.

De planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. In overeenstemming met het landelijk Bestuursakkoord Water is binnen werkeenheid De Meijerij een regionaal samenwerkingsverband ingesteld van de waterschappen Aa en Maas en De Dommel, Brabant Water en de gemeenten Best, Boxtel, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Oirschot, Oisterwijk, Sint-Michielsgestel, Meierijstad en Vught. Door het verband wordt binnen het watersysteem en de waterketen samengewerkt aan doelmatig stedelijk waterbeheer. Door aan te haken bij de samenwerking (afval)waterketen De Meierij houdt de gemeente zicht op eventueel te benutten subsidiestromen. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw-, her- en verbouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Voor de kleine planontwikkeling (<500 m² nieuwe verharding buiten hydrologische gevoelig gebied) is de gemeente bevoegd/toetsend gezag. 4.11.2 Onderzoek In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg volledig verhard. In de toekomstige situatie zal hier een deel groen in de vorm van tuinen bijkomen. Het verhard oppervlak zal dus afnemen. Echter dient, op basis van de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) Meierijstad, het vervangend oppervlak ook afgekoppeld te worden en op eigen terrein opgevangen te worden. In eerste instantie geldt hier een eis voor dat 60 mm hemelwater geborgd moet kunnen worden per vierkante meter verharding. Als deze eis niet gehaald wordt kan het college ook vrijstelling geven. Met een vrijstelling hoeft men

Hoofdstuk 4

37

slechts 20 mm hemelwater per vierkante meter te bergen. Bij vergunningverlening wordt ten finale getoetst aan welke eis voldaan moet worden. Voor het plan geldt dat circa 200 m 2 vervangende verharding wordt gerealiseerd. Het betreft hier dan de bebouwing zelf alsmede de bijgebouwen. Op basis hiervan dient circa 12 m 3 hemelwater te worden geborgd (200 m2 x 0,06). Bij voorkeur wordt deze berging gerealiseerd door de parkeerkoffers halfverhard in te richten. Het is niet waarschijnlijk dat de volledige berging op basis van de 60 mm-eis gehaald kan worden. Er is echter sprake van een afname aan verharding ten opzichte van de huidige situatie en er zal worden gepoogd zoveel mogelijk hemelwater te bergen (middels infiltratiekratten, verlaging van de tuin of halverharding onder het parkeerdeel). De voorkeur voor berging gaat hierbij dus uit naar halfverharding onder de parkeerkoffer. 4.11.3 Conclusie De uiteindelijke waterbergingseis zal getoetst worden bij de vergunningverlening. In deze fase zal ook de waterbergingsoplossing vastgelegd worden.

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Sint-Michielsgestel ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een hoge archeologische verwachting voor Neolithicum tot en met Middeleeuwen. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm -mv er vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het initiatief is daarmee onderzoeksplichting.

4.12.2 Onderzoek Op de Archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode ligt het plangebied in een zone die staat aangegeven als ‘Categorie 6 – middelhoge verwachting’. Binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Olland’ geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Voor deze zones geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 0.3 meter beneden maaiveld.

Hoofdstuk 4

38

Gezien het feit dat er bebouwing is op de planlocatie en de grond reeds geroerd en verstoord is, is nader archeologisch onderzoek echter niet noodzakelijk. Er is reeds aangetoond dat het bodemarchief op deze locatie geen bescherming behoeft aangezien archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden ten behoeve van de ontwikkeling van de huidige bebouwing. Dit archeologisch onderzoek zou in voldoende mate gegarandeerd moeten hebben dat eventuele zaken van archeologische waarde zijn veiliggesteld. 4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De gemeente Sint-Michielsgestel heeft een erfgoedverordening (Erfgoedverordening Sint-Michielsgestel 2017). Deze heeft met name betrekking op gemeentelijke en archeologische monumenten. 4.13.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen in de regio ‘Meierij’.

Dit gebied aangeduid als een gebied met provinciaal cultuurhistorisch belang. Het gebied kenmerkt zich door de verschillende dekzandruggen, beekdalen en zandvlaktes. Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Met het landschappelijke inpassingsplan wordt de omgevingskwaliteit behouden en versterkt Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast liggen er ook geen monumentale bomen, natuurmonumenten, molenbiotopen, M.I.P.-panden in het plangebied. De bebouwing binnen het plangebied is echter wel een beeldbepalend pand. Uitgangspunt van het welstandsbeleid is het behouden van deze cultuurhistorisch waardevolle panden en behoud van de karakteristieke architectonische en bouwkundige kenmerken. (Ver)bouwplannen

Hoofdstuk 4

39

aan beeldbepalende panden worden voor de welstandsbeoordeling getoetst aan de criteria ‘Historische waarden’. Bij verbouwingen dienen waardevolle elementen uit de bouwgeschiedenis van het pand bewaard te worden. Er moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen bouwhistorische waarden en hedendaagse wensen en mogelijkheden. Bij nieuwe invullingen is eigentijdse architectuur mogelijk, waarbij de gebiedskenmerken als uitgangspunt worden genomen. Voor rijks- en gemeentelijke monumenten zijn de beoordelingscriteria ook van toepassing. Daarnaast vormt bij deze panden de redengevende beschrijving (waarin de monumentale en cultuurhistorische waarden van het beschermde pand omschreven staan) het uitgangspunt voor de beoordeling en advisering van wijzigingsaanvragen. De ontwikkelingen van het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle lijnen, omdat de omliggende wegen-structuren niet veranderen. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. Het pnd zelf zal minimaal worden veranderd waarbij rekening zal worden gehouden met de criteria zoals aangegeven in de Welstandsnota onder het kopje ‘Historische waarden’. Het thema cultuurhistorie zorgt daarom ook niet voor belemmeringen. 4.13.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.14 Gezondheid Met de beoogde ontwikkeling worden er woningen gerealiseerd en wonen betreft een gevoelige functie. Er dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. 4.14.1 Toetsingskader Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de toevoeging van de woningen. De uiteindelijke keuze is een afweging welke wordt gemaakt door de gemeente. 4.14.2 Doorwerking plangebied Stap 1 Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In dit toetsingskader blijkt dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van deze advieswaarde van 30 EU/m3. Dit betekent dat wanneer omwonenden in een straal van 500 meter van een pluimveehouderij wonen, zij door de huidige geur- en fijnstofnormen onvoldoende beschermd kunnen worden tegen een verhoogd risico door endotoxinen.

Hoofdstuk 4

40

De beoogde woningen liggen op voldoende afstand van varkens- en pluimveehouderijen (meer dan 500 meter verwijderd). Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. De ontwikkeling is namelijk ten behoeve van wonen. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (zowel voor wat betreft geurnormen als vaste afstanden); er is geen sprake van een overbelaste situatie voor geur. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.5. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Stap 3b:geur toetsen aan aanvaardbaar woon/leefklimaata.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voldaan; de meest nabijgelegen veehouderijen liggen op ruime afstand van de ontwikkeling. Stap 4a-b: houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij Er bevindt zich in een straal van één kilometer rondom het plangebied geen inrichting waarbij meerdere diersoorten in één veehouderij worden gehouden. Met het planvoornemen wordt ook de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf niet verkleind.

5a Geitenhouderijen Uit het VGO-2onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De planlocatie ligt binnen de straal van 2km van geitenhouderijen. Onderstaand wordt dit aspect nader beschouwd. 5b Pluimveebedrijven De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van pluimveebedrijven. 5c Overige veehouderijen In paragraaf 4.5 ‘Geur’ is een toelichting gegeven op de overige veehouderijen in de nabijheid van het plangebied. Stap 6: mestbe- en -verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid Geitenhouderijen Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten. De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie Noord-Brabant sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. De verschillende Bra-

Hoofdstuk 4

41

bantse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld (d.d. 30 april 2018). Deze handreiking omvat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. In onderhavig project worden nieuwe wooneenheden gerealiseerd. De gemeente Meierijstad moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Concreet houdt dit afwegingskader in dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: 1. Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. 2. Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk.

Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. 3. Aanvragers van plannen en nieuwe potentiele bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Deze verklaring is door de initiatiefnemers van onderhavig plan getekend. Met een memo (d.d. 12 september 2018) is getracht nadere invulling aan dit afwegingskader te geven via het formuleren van algemene uitgangspunten. Het algemene uitgangspunt betreft dat grote waarde wordt gehecht aan het bevorderen van woningbouw in alle kernen van de gemeente. Dit brengt mee dat in principe een positieve houding wordt aangenomen ten opzichte van bouwplannen. Tegelijkertijd geldt dat een gedegen motivering is vereist bij het voorbereiden van bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor afwijken bestemmingsplan die woningbouw faciliteren binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij. Die motivering zal inzichtelijk moeten maken dat de woningbouw kan plaatsvinden met behoud van een goed woon- en leefklimaat. Factoren die de aandacht verdienen, zijn het aantal woningen, de afstand tussen de woningbouwlocatie, de cumulatie van geitenhouderijen of bedrijven die naast een geitenhouderij anderszins overlast veroorzaken alsmede de aanwezigheid van kwetsbare groepen.

Aantal woningen De gemeente verleend waar mogelijk medewerking aan kleinschalige woningbouwprojecten (maximaal 12 woningen). De gemeente zal ter facilitering van kleinschalige woningbouwprojecten meewerken aan: 1) het voorkomen van een toename van het aantal geiten bij de nabijgelegen geitenhouderij(en); 2) het bevorderen van bedrijfsgerichte maatregelen om de uitstoot van de stoffen te verminderen, die de verhoogde kans op longontsteking veroorzaken, zodra althans uit het vervolgonderzoek VGO blijkt welke stof(fen) het betreft. Eventuele hieruit vloeiende kosten dienen in alle redelijkheid ten laste te komen van de initiatiefnemer. Afstand woningbouwlocatie – geitenhouderij Uitgangspunt is dat in principe geen medewerking wordt verleend aan bouwplannen die de bestaande afstand van woningen tot een geitenhouderij verkleinen.

Hoofdstuk 4

42

Cumulatie Terughoudendheid is geboden ten opzichte van bouwplannen die zijn voorzien in een zone van 2000 meter van meer geitenhouderijen of van één geitenhouderij en een ander overlast veroorzakend bedrijf. Kwetsbare groepen Er zal binnen een straal van 2000 meter rondom een geitenhouderij in principe niet worden meegewerkt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken. Te denken valt hierbij aan een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang. Kortom, op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk is er wellicht ruimte om ruimtelijke ontwikkelingen wél toe te staan binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij. Op 600 meter van het plangebied ligt een geitenhouderij aan de Schootsedijk 47. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het op die locatie toegestaan om een geitenhouderij te exploiteren. In de feitelijke situatie en conform de vergunning zijn er circa 480 geiten op de geitenhouderij. Daarnaast bevindt zich, op 332 meter van het plangebied, een geitenhouderij gelegen aan de Pastoor Smitsstraat 55. Hier mogen volgens de vergunning 1.877 geiten worden gehouden.

Op basis van het afwekingskader welke op 13 maart 2018 is vastgesteld, heeft de gemeente aangegeven mee te willen werken aan kleinschalige private initiatieven indien de initiatiefnemers expliciet verklaren het (gezondheids)risico van ontwikkelen en bouwen binnen een straal van 2 kilometer en het procesrisico te aanvaarden. Deze verklaring is door initiatiefnemer ondertekend en zal kenbaar worden gemaakt aan de eindgebruikers. De ondertekende verklaring is (geanonimiseerd) opgenomen in de bijlagen. Overigens ligt het plangebied in de bebouwde kom tussen nog veel meer andere woningen en zijn er woningen die dichterbij de geitenhouderij zijn gevestigd. Op basis van de memo met nadere invulling omtrent dit afwegingskader wordt in principe ook medewerking verleend aan onderhavig woningbouwinitiatief, aangezien het hier gaat om een kleinschalige ontwikkeling (maximaal 5 woningen). Daarbij wordt de bestaande kortste afstand van woningen tot de bovengenoemde geitenhouderijen niet verkleind en worden er geen kwetsbare doelgroepen in de woningen gehuisvest. Wel is er sprake van cumulatie, aangezien het plangebied zich binnen 2 kilometer van een tweetal geitenhouderijen bevindt. De gemeente onderkent hierbij dat voorzichtigheid is geboden, maar kijkt ook naar het belang van het zorgen voor een geschikte woningvoorraad in kleine kernen zoals Olland.

Slotafweging De gemeente moet op basis van de stappen 5a en 5c een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. In dit geval is er sprake van een plan dat voorziet in een (maatschappelijke) behoefte naar woningen. Het betreft een wenselijke ontwikkeling met het oog op de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in het bebouwingslint. In de omgeving van het plangebied (de kern Olland) wonen meerdere mensen en de woning vormt een opvulling van een leegstaande plek in het lint. Tussen de veehouderijen en het plangebied zijn reeds meerdere woningen en andere functies gelegen. De invloed van het plan op de luchtkwaliteit (fijnstofuitstoot) is zeer gering. Ook is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. De onderhavige ontwikkeling is dan ook van minimale invloed op het volksgezondheidsrisico. Voor de afweging ten aanzien van geitenhouderijen zie onder het kopje ‘geitenhouderijen’. Advies van de GGD wordt daarom niet noodzakelijk en niet doelmatig geacht.

Hoofdstuk 4

43

Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het besluitgebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op geruime afstand. Derhalve vormt deze geen belemmering voor onderhavig plan. 4.14.3 Conclusie Op basis van bovenstaande wordt het mogelijk geacht dat de gemeente Meierijstad een positieve afweging maakt ten aanzien van het planologisch toestaan van de woningen ter plaatse van het plangebied.

4.15 Bomen De ontwikkeling kan effecten hebben op de bomen binnen het plangebied of in de nabijheid van het plangebied. Deze dienen inzichtelijk te worden gemaakt. 4.15.1 Onderzoek Om effecten inzichtelijk te maken is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd door Pius Floris. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek opgenomen. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw van de vijf woningen aan de Pastoor Smitsstraat 48 te Olland. Binnen de invloedssfeer van de bouw staan 13 bomen, waarop deze Boom Effect Analyse van toepassing is. In figuur 4.6 Is het BEA advies per boom weergegeven.

Hoofdstuk 4

44

Figuur 4.6 BEA advies per boom in het projectgebied

Ruimtelijk beslag De ontwikkeling legt ruimtelijk beslag op 5 bomen (boomnummers 2, 3, 8, 9 en 11). De werkzaamheden vinden plaats tot binnen de stamvoet of binnen grote delen van de stabiliteitskluit. De bomen dienen voor aanvang van het werk te worden verwijderd. Voor behoud van boom 11 is er in het inrichtingsplan (zie figuur 4.7) voor gekozen de parkeerplaatsen nabij deze boom niet aan te leggen, zodat het sparen van de boom mogelijk wordt. Het pad zal wel worden aangelegd, maar hiervoor volstaat een lichtere fundering. Specifieke maatregelen Boom 12 staat op zeer korte afstand van, en met een klein deel van de stabiliteitskluit onder, toekomstige verharding/parkeerplaatsen. Voor behoud van de bomen moet met de aanleg van de verharding/parkeerplaatsen rekening gehouden worden met aanwezige wortels van deze bomen. Mochten de ondergrond van de parkeerplaatsen opnieuw aangelegd worden dan wordt geadviseerd om met de hand voor te steken en aanwezige zware wortels (> 5 cm diameter) op te nemen in het cunet. Beperkte maatregelen Voor de overige bomen, met uitzondering van boom 13, geldt dat deugdelijke stamommanteling overal noodzakelijk is. Daarnaast dient verharding onder de kronen van te behouden bomen handmatig verwijderd worden en van de stam af verwijderd worden. Voor boom 13 zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

45

Algemene randvoorwaarden Onderstaande randvoorwaarden dienen te allen tijde te worden opgevolgd:  Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een toezichthouder bomen te worden aangesteld die dient als vraagbaak gedurende de werkzaamheden;  Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de toezichthouder bomen het door de aannemer opgestelde werkplan te toetsen op volledigheid en ter controle van naleving;  Bomen waarbij binnen de kwetsbare zone (kroonprojectie +1,5m) met materieel of indraaiend verkeer wordt gewerkt dienen te worden beschermd met een deugdelijke stamommanteling: stamplanken met achterliggende drain;  Open grond en gazon in het gebied dient met een straal van 1,5m rondom de boomkronen vrij te blijven van betreding door zwaar materieel, materiaal en/of opslag van goederen. Dit om bodemverdichting in de groeiruimte te voorkomen. Bij situaties waar oprijden van dit soort oppervlakten onvermijdelijk is dient de verharding te worden voorzien van rijplaten om de druk te verdelen. Rijplaten vanaf 1,5 meter uit zijde stam zijn toegestaan na goedkeuring van de toezichthouder bomen.

Vooraf bepalen van de bodemverdichting met de penetrometer(0-meting), nadien controleren of verdere bodemverdichting is opgetreden en indien het geval, beluchten om de verdichting op te heffen;  Snoeiwerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd door een gecertificeerd boomverzorger (European Tree Worker);  Hinderlijke takken mogen enkel worden verwijderd met toestemming van en op aanwijzing van de toezichthouder bomen;  Bronneringswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd buiten de bladhoudende periode;  Graafwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden binnen de kroonprojecties +1,5 meter van de bomen dienen altijd te van de boom af te gebeuren;  Wortels met een diameter tot 5 centimeter dienen haaks op de groeirichting te worden doorgezaagd of afgeknipt. Wortels dikker dan 5 centimeter mogen bij uitzondering enkel op aanwijzing van een toezichthouder bomen worden afgezet. Indien wortels tegengekomen worden die niet verwijderd mogen worden, dan in overleg met boomeigenaar kiezen voor: 1. Treffen van maatregelen ter compensatie; 2. Alsnog verwijderen boom. Uitvoering De aannemer is verantwoordelijk voor het behoud van de kwaliteit van de bomen en de kwaliteit van de groeiplaats van de bomen gedurende de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. De aannemer verzorgt de boombescherming zoals aangegeven in deze BEA.

De boomtechnisch toezichthouder dient over voldoende vakkennis te beschikken (European Tree Worker of European Tree Technician). In de bouwkeet wordt een bomenposter opgehangen met algemene regels ter bescherming van bomen. Bronbemaling Het is uit de voorlopig ontwerp niet op te maken of bronbemaling noodzakelijk is. Mocht dit wel het geval dan kan bronbemaling doorgang vinden buiten de bladhoudende periode. De bladhoudende periode loopt globaal van maart tot november. Mocht bronbemaling nodig zijn dan moet een watergiftplan deel uit maken van het werkplan.

Hoofdstuk 4

46

4.15.2 Conclusie Het bovenstaande in acht genomen, is er nogmaals in het veld gekeken door de initiatiefnemers naar de mogelijkheden om de parkeerplaatsen te realiseren alsmede de bestaande bomen te behouden. Het behouden van de bomen wordt namelijk als zeer wenselijk gezien, aangezien het groene beeld binnen de dorpskern hiermee behouden blijft. Uit het veldbezoek is gebleken dat er zowel voldoende ruimte tussen de bomen als onder de bomen bestaat om in en uit te rijden. De ruimte tussen de bomen bedraagt circa 3,60 tot 3,75 meter en de ruimte onder de bomen bedraagt circa 2,30 tot 2,70 meter. Deze ruimte is voldoende voor auto’s om in en uit te rijden. Tevens bevindt boom 11 zich langs een brandgang waarvoor de mogelijkheid bestaat om deze ter plaatse in halfverharding uit te voeren. Het aanleggen van parkeerplaatsen nabij boom 11 is in het definitieve inrichtingsplan geschrapt (zie figuur 4.7). Hierdoor blijven de werkzaamheden rondom de kluit van deze boom beperkt (aangezien er minder diep gegraven hoeft te worden en het wortelstelsel hierdoor zo min mogelijk aangetast wordt) en kan deze boom ook behouden blijven.

Figuur 4.7 Schetsvariant 5 parkeerplaatsen

4.16 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.16.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen

Hoofdstuk 4

47

komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.16.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts vijf woningen, wordt dit op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een nadere beschouwing hiertoe niet nodig.

Hoofdstuk 4

48

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 5

49

Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Nadere eisen: geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning nadere eisen te stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing met het oog op een aantal limitatief opgesomde belangen.  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: hierin is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden.  Afwijken van de gebruiksregels: dit lid biedt burgemeester en wethouders de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van de gebruiksregels in het plan. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan.

De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.  Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  Algemene bouwregels: in dit artikel is een regeling opgenomen voor het ondergronds bouwen, als mede voor ondergeschikte bouwdelen van bouwwerken.

Hoofdstuk 5

50

Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid en waterberging. Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels: in dit artikel is een bevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om het plan onder voorwaarden te wijzigen ten behoeve van kleinschalige verschuivingen van bestemmingsgrenzen.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze zijn voor elk bestemmingsplan verplicht op grond van het Besluit ruimtelijke ordening.  Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.  Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

5.3 Toelichting op de bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Verkeer - Verblijfsgebied Deze bestemming is gelegd op de gronden in het openbaar gebied, die momenteel nog als ‘Horeca’ zijn bestemd. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, parkeren, groen, water, e.d. Binnen de bestemming mogen enkel nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Wonen Het grootste deel van het plangebied wordt bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor het wonen in woningen, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis onder voorwaarden. Daarnaast zijn onder meer bij de woningen behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Voor de bebouwingsmogelijkheden is onderscheid gemaakt in de volgende drie zones:  Bouwvlakken: er zijn twee bouwvlakken opgenomen: één ter plaatse van het bestaande pand van de voormalige Dorpsherberg en één ten noorden daarvan. Binnen het eerstgenoemde bouwvlak zijn maximaal 3 aaneengebouwde woningen toegestaan. Binnen het laatstgenoemde bouwvlak is

Hoofdstuk 5

51

een tweekapper toegestaan. De maximale goot- en bouwhoogten zijn op de verbeelding aangegeven. Binnen de bouwvlakken zijn hoofdgebouwen toegestaan, alsmede bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde; Zone ‘erf’: dit betreft het achtererfgebied voor zover niet binnen het bouwvlak gelegen. Hierin zijn geen hoofdgebouwen, maar wel bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels zijn de hieraan gestelde maatvoerings- en situeringseisen opgenomen. Zone ‘tuin’: dit betreft de voorerven en een deel van het zijerf, tot aan de grens met het openbaar gebied. Binnen deze zone zijn uitbouwen in de vorm van entrees toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hoofdgebouwen en overige bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan.

Ten aanzien van het in gebruik nemen van woningen, geldt als voorwaardelijke verplichting dat voldoende parkeergelegenheid in het plangebied moet zijn voorzien (in beginsel minimaal 5 parkeerplaatsen) en dat voldoende waterberging moet zijn voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=78a1d93c-5af4-490a-be18-5f1ee4aa3660