Bijlage 2: Toelichting en regels Pastoor Smitsstraat 48
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Pastoor Smitsstraat 48-48a, Olland
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Pastoor Smitsstraat 48-48a, Olland
Planstatus
vastgesteld
Projectnummer
NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01
Datum
29 juni 2023
Bestemmingsplan Pastoor Smitsstraat 48 – 48a, Olland Gemeente Meierijstad Vastgesteld
Rapportnummer:
P02762
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01
Datum:
29 juni 2023
Opdrachtgever:
Gemeente Meierijstad
Projectteam BRO:
JRi, JvdA
Concept-ontwerp:
juli 2021
Ontwerp:
augustus 2022, oktober 2022, januari 2023
Vaststelling:
29 juni 2023
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 5 7
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling 2.3 Beeldkwaliteit
8 8 9 11
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
13 13
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
13 13 13 14
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid
14 14 17
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
19 19
4.1.1 Verkeersgeneratie 4.1.2 Parkeren 4.2 Geluid
19 19 21
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
21 21 22 22
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
22 22 23 23
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur
23 24 24 25
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen
25 25 26 26
Inhoudsopgave
1
4.7 Externe veiligheid
27
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie
27 28 29 29
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Stikstofdepositie 4.10 Bodem
29 31 32 33 33
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Water
33 34 34 34
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Archeologie
34 37 38 38
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Cultuurhistorie
38 38 39 39
4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14 Gezondheid
39 39 40 40
4.14.1 Toetsingskader 4.14.2 Doorwerking plangebied 4.14.3 Conclusie 4.15 Bomen
40 40 44 44
4.15.1 Onderzoek 4.15.2 Conclusie 4.16 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
44 47 47
4.16.1 Toetsingskader 4.16.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.
47 48
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Toelichting op de bestemmingen
49 49 49 51
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 53 53
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg
Inhoudsopgave
53 54
2
6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure
54 54
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: AERIUS-berekening Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Verklaring geitenhouderij Bijlage 7: Bomen Effect Analyse Bijlage 8: Brief inventarisatie behoefte koop-huur Olland Bijlage 9: Geuronderzoek
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het perceel aan de Pastoor Smitsstraat 48 te Olland bestaat momenteel uit horeca gerelateerde bedrijvigheid. De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden binnen het plangebied en is voornemens hier maximaal 5 grondgebonden woningen te realiseren. Van deze woningen zullen er 3 in het bestaande pand de ‘Dorpsherberg’ worden gerealiseerd, en zullen 2 woningen als twee-onder-een-kap op het achterterrein worden ontwikkeld. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Olland’ (onherroepelijk 15 juli 2009), waarin het plangebied de bestemming ‘horeca’ heeft. Woningbouw is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Pastoor Smitsstraat 48 te Olland, kadastraal bekend als “gemeente Sint-Oedenrode, sectie I, nummer 4858”, met een oppervlakte van circa 945 m². Daarnaast is een klein gedeelte van perceel I nummer 6948 meegenomen omdat in verband met grondruil/-aankoop delen van dit perceel ingericht worden als inrit/parkeerplaats ten behoeve van het nieuwbouwplan. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Olland. De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woonbebouwing. Het plangebied wordt aan de noordzijde omsloten door woningen, aan de noordwestzijde door Speeltuin Olland, aan de oostzijde grenst het plangebied aan de weg ‘Het Binnenveld’ en de Sint-Martinuskerk, aan de zuidzijde aan de Pastoor Smitsstraat en aan de overzijde van de weg een grasveld. Aan de westzijde wordt het plangebied begrenst door woningen. De locatie van het plangebied bestaat momenteel uit bebouwing welke gebruikt wordt voor horeca gerelateerde doeleinden. De omliggende bebouwing bestaat uit grondgebonden woningen van twee bouwlagen met een kap. Aan de randen van het plangebied staan bomen en erfafscheidingen. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1.1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1.1 Ligging plangebied
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Olland’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 15 juli 2009. Het plangebied heeft hierin de bestemming ‘horeca’. Ter plaatse van de huidige bebouwing zijn reeds twee bouwvlakken aanwezig. Tevens rust de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ op de gronden. Hier zal nader op in worden gegaan in paragraaf 4.12 ‘Archeologie’. Tot slot rust de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 1’ op de gronden, waarbij geldt dat burgemeester en wethouder bevoegd zijn de in het plan opgenomen bestemmingen onder bepaalde voorwaarden te wijzigen ten behoeve van de overschrijding van bestemmingsgrenzen. In figuur 1.2 is een uitsnede opgenomen van het vigerend bestemmingsplan.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Olland' (plangebied blauw omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
Naast het bestemmingsplan ‘Olland’ zijn drie paraplubestemmingsplannen vigerend. De paraplubestemmingsplannen zijn specifiek opgesteld met betrekking tot het regelen van het aspect parkeren, wonen en de harmonisatie van diverse verordeningen. Eveneens is er een bestemmingsplan in ontwikkeling. Dit bestemmingsplan bevindt zich in de ontwerpfase. Binnen het plangebied is het oprichten van woningen volgens de vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan stelt het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied. Bestemmingsplannen ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ en ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ Naast bovengenoemd bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ vastgesteld op 29 januari 2015 door de voormalige gemeente Sint-Oedenrode en het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met het “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad.
Harmonisatie van diverse regelingen ‘Laaghangend Fruit’ Op 1 januari 2017 zijn de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gefuseerd tot de gemeente Meierijstad. Naar aanleiding van de fusie is er veel nieuw beleid ontwikkeld en zijn de verordeningen geharmoniseerd. De Wet algemene regels herindeling (Wet arhi) bepaalt namelijk dat gemeentelijke voorschriften gedurende twee jaren na de fusiedatum voor dat gebied hun rechtskracht behouden. Dat vraagt dus van de nieuwe gemeente om verordeningen opnieuw vast te stellen of te harmoniseren. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om álle bestaande regelingen in álle circa bestemmingsplannen met dit paraplubestemmingsplan te herzien met een integrale herziening. Op 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Deze wet verplicht de gemeente om voor 2029 alle regels over activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen of het gebruik daarvan regelen, op te nemen in één omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal er dus een ruimere heroverweging en harmonisatie plaatsvinden van de regels uit de bestemmingsplannen en de verordeningen die regels stellen voor de fysieke leefomgeving.
Omdat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet alle bestaande bestemmingsplannen samen fungeren als tijdelijk omgevingsplan, zal het niet meer mogelijk zijn om nog herzieningen op onderdelen door te voeren. Alleen de bestemmingsplannen die in procedure gebracht zijn vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet mogen nog afgerond worden en die gaan dan deel uitmaken van het tijdelijke omgevingsplan. In de Omgevingswet is bepaald dat regels niet mogen bestaan in zowel het tijdelijke deel als het permanente deel van het omgevingsplan (artikel 22.6, 1e lid, Omgevingswet). Dit is gedaan omdat -in tegenstelling tot de huidige bestemmingsplannen- bij het vaststellen van nieuwe regels in het (permanente deel van het) omgevingsplan, niet automatisch de oude regels van de voormalige bestemmingsplannen in het tijdelijke deel vervallen. Voor een aanpassing van de regels over toegelaten activiteiten
Hoofdstuk 1
6
zullen dan (mede voor de goede raadpleegbaarheid) álle gebruiksregels, die horen bij wonen overgebracht moeten worden naar het permanente deel van het omgevingsplan, anders blijven regels op twee plekken staan. Het is dus ook om technische redenen handig dat de herziening op onderdelen van bestemmingen door actualisatie en harmonisatie van bestaande regels (en het stellen van nieuwe regels) nog gedaan wordt vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarbij is gekeken welke activiteiten relatief vaak voorkomen en waarvan de regels nog verschillen of ontbreken.
1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk dient als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Olland is ontstaan als een langgerekte nederzetting op de oeverwal en de dekzandrug ten noorden van de Dommel. Na Sint-Oedenrode was dit in 1865 het tweede dorp dat een zelfstandige parochie werd op het grondgebied van de gemeente. De kern bezat al sinds 1467 een kapel. Na de stichting van de parochie ontwikkelde de kern zich in de 19e eeuw langs het lint: nu de Pastoor Smitsstraat. Dit lint is onderdeel van de oude route tussen de kernen Sint Oedenrode en Boxtel. De Pastoor Smitsstraat was en is de centrale as van de kern. De bebouwing aan de zuidzijde van de Pastoor Smitsstraat grenst direct aan het beekdal dat ten zuiden van de kern Olland ligt. Olland ligt midden in het zogenaamde Broek- en Donkengebied. Kenmerkend voor dit gebied zijn onder meer een grillig wegen- en kavelpatroon, opgaande populierenbeplantingen langs perceelsranden en wegen, afgewisseld met kleine populierenbosjes. Het is een karakteristiek kleinschalig cultuurlandschap met een in hoofdzaak agrarisch grondgebied. Het kleinschalige, afwisselende landschap is recreatief zeer aantrekkelijk. Het gehele lint Pastoor Smitsstraat heeft een structurerende functie binnen de kern Olland. Het lint is de toegang tot de kern. Rondom de Heilige Martinuskerk, centraal gelegen in de kern, is sprake van een dorpspit.
De bebouwingswanden van de Pastoor Smitsstraat bestaan voornamelijk uit vrijstaande en half-vrijstaande woningen uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing heeft een ‘dorpse’ bouwhoogte van één tot twee bouwlagen met kap. Het plangebied bestaat momenteel uit een leegstaande herberg, ‘De Dorpsherberg’, een binnenplaats en een opstal tegen de noordgrens van het plangebied. Een impressie van het plangebied is weergegeven in foto’s in figuur 2.1.
Hoofdstuk 2
8
Figuur 2.1 Sfeerimpressies huidige situatie
2.2 Voorgestane ontwikkeling Momenteel bevindt zich op de locatie van het plangebied een horecabestemming. Op deze locatie bevond zich tot voor kort café - zaal - cafetaria De Dorpsherberg. Aan de achterzijde van het pand bevindt zich een zaal waar feesten georganiseerd kunnen worden. Tevens is er een garage/overkapping aanwezig en is het plangebied volledig verhard. Een mogelijke invulling voor deze locatie is in onderstaand schetsontwerp (figuur 2.2) weergegeven.
Hoofdstuk 2
9
De huidige bebouwing op het achterterrein (zaal en de garage/overkapping) zullen volledig worden geamoveerd. Op de vrijgekomen ruimte van het achterterrein zullen twee seniorenwoningen worden gerealiseerd in de vorm van een tweekapper. Deze seniorenwoningen zullen uit één bouwlaag met kap bestaan. Primaire woonfuncties (tenminste een sanitaire ruimte en één slaapkamer) zullen zich dus op de begane grond bevinden, waardoor de woningen levensloopbestendig ingericht zijn. De huidige bebouwing van de Dorpsherberg zal blijven bestaan. Dit zal inpandig worden herontwikkeld en gesplitst tot drie woningen. Aan de westzijde van het pand zal een kleine uitbreiding plaatsvinden. Door deze uitbreiding is in het pand ruimte voor drie woningen en worden tevens de structuur en bestaande beuken van het pand behouden. De drie woningen in de Dorpsherberg worden in het koopen/of huursegment aangeboden. In totaal worden er van de vijf woningen twee woningen in het dure segment, twee woningen in het middeldure segment en één woning in het sociale segment opgeleverd. Dit laatste is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid (Doelgroepenverordening) waarin is gesteld dat 25% van de woningen binnen een nieuwbouwplan opgeleverd moeten worden in het sociale segment. Voor dit plan gaat het dan om (afgerond) 1 woning.
Uit onderzoek en navraag van initiatiefnemers (zie bijlage) is gebleken dat de doelgroepen die in beeld zijn als toekomstige bewoners van de Dorpsherberg de woning niet willen kopen, maar liever huren. Beide opties willen initiatiefnemers voor in ieder geval de 3 woningen die in de Dorpsherberg gerealiseerd worden wel kunnen houden en zijn mogelijk gemaakt binnen de planregels van onderhavig bestemmingsplan. De twee nieuwe woningen op het achterterrein van het huidige cafetaria zullen beide voorzien worden van een eigen oprit. Daarnaast worden er nog 5 extra parkeerplaatsen aangelegd op eigen terrein. Twee van deze parkeerplaatsen zullen westelijk van de Dorpsherberg worden ingepast. Oostelijk van de Dorpsherberg zal ook één parkeerplaats worden gerealiseerd. Twee parkeerplaatsen kunnen aan het Binneveld in de vorm van een oprit voor de tweekapper worden gerealiseerd. De overige (maximaal) 7 parkeerplaatsen betreffen bestaande parkeerplaatsen in de directe omgeving van het plangebied, aan de overzijde van het Binneveld en aan het Dorpsplein-Pastoor Smitsstraat ten zuiden van het plangebied. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.1 ‘Verkeer en parkeren’. De parkeerplaatsen (zowel de parkeerplaatsen in het oosten van het plangebied als in het zuiden) zijn ingepast op basis van het uitgangspunt de bestaande bomen (o.a. leilinden) zoveel mogelijk te behouden.
Er is dan ook een afweging gemaakt in het aantal parkeerplaatsen en het behoud van deze bomen. In paragraaf 4.15 ‘Bomen’ wordt hier een toelichting op gegeven. Tot slot wordt aandacht besteed aan de groenvoorzieningen in het plangebied. Zoals benoemd worden bestaande bomen zoveel mogelijk behouden. Daarnaast zullen er enkele borders worden toegevoegd binnen het plangebied om de nieuw te creëren percelen van elkaar te scheiden. In figuur 2.2 is het landschappelijk inpassingplan weergegeven. Dit landschappelijk inpassingsplan is tevens in de bijlagen opgenomen.
Hoofdstuk 2
10
Figuur 2.2 Landschappelijke inpassing
2.3 Beeldkwaliteit De gemeente verplicht een beeldkwaliteitsplan bij een ontwikkeling van meer dan twee woningen, derhalve is beeldkwaliteitsplan voor deze ontwikkeling noodzakelijk. Als toetsingskader voor welstand gelden voor deze locatie de (gebiedsgerichte) criteria uit de gemeentelijke welstandsnota van toepassing. Het welstandsbeleid richt zich in dit gebied op het handhaven en gericht verbeteren van de basiskwaliteit: de compositie van het straatbeeld. Daarbij wordt gelet op de contouren van de bouwmassa’s en op de zorgvuldige detaillering van de bebouwing. Het beleid is vooral gericht op het behoud van het architectonische karakter per gebied en de oorspronkelijke vormgeving en kwaliteit van de panden. Per architectonische eenheid is enige variatie in detaillering mogelijk, mits deze variatie per woningblok wordt doorgevoerd. Bij renovatie of nieuwbouw zijn moderne interpretaties van het architectonische karakter, mits goed gemotiveerd, mogelijk. Gestreefd wordt naar een goede vormgeving en onderlinge samenhang van tuinafscheidingen. Gezien het pand van de ‘Dorpsherberg’ zal blijven bestaan, zal beeldkwaliteit ten aanzien van de Pastoor Smitsstraat nauwelijks veranderen. Echter is het bij de omvorming van het pand noodzakelijk het karakter van de ‘Dorpsherberg’ waarborgen en de bijhorende detaillering in acht te nemen.
De nieuwe te ontwikkelen woningen op het achterterrein zullen op basis van de welstandscriteria worden ontworpen in aansluiting op nabij gelegen woningen, en toetsing zal te zijner tijd middels het voorleggen van het ontwerp aan de welstandscommissie geschieden. De volgende criteria zijn binnen het beeldkwaliteitsplan van belang:
Hoofdstuk 2
11
Situering De bebouwing richt zich in haar situering en verschijningsvorm op de maat, de schaal en de structuur van de omgeving, waarbij de bebouwing op een gelijke voorgevelrooilijn worden gesitueerd; De panden staan met de voorgevel georiënteerd naar de straat (Pastoor Smitsstraat en Het Binneveld); Hoofdgebouwen staan aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie; De ritmiek, de schaal en de hoogte van de bebouwing is afgestemd op die van de omgeving. Massa en vorm De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig, waarbij de verbijzondering qua situering uitnodigt tot een verbijzondering in massa en vorm, maar altijd passend bij de maat en schaal van de omgeving; Het hoofvolume bestaande uit één bouwlaag met kap; Gezien de beperkte breedte van de percelen de toepassing kopgevels aan de straatzijde passend wordt geacht; De verbijzondering qua situering uitnodigt tot een verbijzondering in architectuur, waarbij het wenselijk is om de woningen in dezelfde stijl/familie uit te voeren zodat een ensemble ontstaat waarbij de massa’s en vormentaal op elkaar is afgestemd; Bijgebouwen zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw; Aanbouwen blijven onder of boven de lijn van de daklijst.
Kleurgebruik Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten; De kleuren per gebouw dienen te harmoniëren met elkaar; De kleuren moeten passen bij de kleurstelling van het ensemble als geheel; De kleuren dienen aan te sluiten op het aangrenzend woongebied, felle kleuren zijn uitgesloten. Materiaalgebruik De materiaalkeuze is eigentijds, maar doet geen afbreuk aan de directe omgevingskarakteristiek; Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling.
Figuur 2.3 Impressie beoogd bouwvolume 2-kapper (Bron: Van Hooft Architecten, links voorzijde en rechts achterzijde)
Hoofdstuk 2
12
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader, dat relevant is voor het plan, toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie In de nationale omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie aan voor de toekomstige ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal gelden zoals klimaatverandering, de energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een perspectief om voort te bouwen op bestaande landschappen en historische steden. In de NOVI zijn vier prioriteiten opgesteld: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen die juridische borging vragen zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid.
Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavige ruimtelijk initiatief is daarmee in overeenstemming met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een
Hoofdstuk 3
13
‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de realisatie van vijf nieuwe woningen mogelijk gemaakt.
Gelet op de aard en kleinschaligheid van het plan, voorziet het plan niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan gelet op de jurisprudentie dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame verstedelijking is voor onderhavig initiatief niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De visie bevat ambities voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
14
Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen). De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale Omgevingsvisie. De onderwerpen die in de Verordening ruimte stonden en nu dus in de Interim omgevingsverordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. In de verordening staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening stelt daarbij de provinciale belangen veilig. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren.
Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe is opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit en is uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied en dat de ruimte binnen stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera. Doorwerking plangebied Zoals op onderstaande afbeelding te zien is, is het plangebied in de Interim omgevingsverordening opgenomen als bestaand stedelijk gebied en landelijke kern.
Hoofdstuk 3
15
Figuur 2 Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Voor deze twee aanduidingen zijn de volgende artikelen van toepassing: Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 - Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a) de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken; b) het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 - Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a) bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b) bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c) geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d) houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e) geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f) draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De Interim Omgevingsverordening verplicht dat ruimtelijke ontwikkelingen een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving bevorderen en houdt rekening met duurzaamheid en hittestress.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet de in de ruimtelijke onderbouwing van onder andere deze aspecten. Het plangebied ligt in een bestaand stedelijk gebied en wordt niet belemmerd
Hoofdstuk 3
16
door regels uit de Interim Omgevingsverordening. Er worden 5 woningen opgericht in een bestaand en tevens historische bebouwingslint in het stedelijk gebied. Met het planvoornemen is sprake van inbreiding. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met onderwerpen als duurzaamheid en de energietransitie. Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 ‘Omgevingsaspecten’. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. De gemeente streeft naar vitale wijken en kernen en een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden.
Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen. Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Doorwerking plangebied De gemeente geeft de prioriteit aan inbreidingsplannen boven uitbreidingsplannen. Onderhavig plan voorziet in het mogelijk maken van het oprichten van vijf woningen in kern Olland, binnen het bestaand stedelijk gebied. De realisatie vindt plaats op een logische plek in het stedelijk weefsel, bij het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de uitstraling van het gebied. De woningen worden
Hoofdstuk 3
17
gerealiseerd met aandacht voor kwaliteitsverbetering en behoudt van de kracht van de kern. Met het realiseren van de vijf woningen wordt bijgedragen aan de woonwensen van initiatiefnemers. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zullen de woningen zoveel mogelijk energieneutraal gebouwd worden. Daarbij draagt het wegbestemmen van de horecabestemming bij aan de vergroting van het draagvlak voor andere horeca-gerelateerde functies binnen Olland. Het Dorpshuis de Loop'r onder andere, zal beter benut kunnen worden. In die zin draagt de ontwikkeling bij aan het behoud en de versterking van de leefbaarheid van Olland. Hiermee is het plan in lijn met de Woonvisie Meierijstad.
Hoofdstuk 3
18
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Met de realisatie van de woningbouw neemt de verkeersintensiteit toe en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de norm als gesteld in de gemeentelijke parkeernormen. 4.1.1 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ met de ligging ‘rest bebouwde kom’. Er is, worst-case, uitgegaan van de maximale normen. Op basis van de normen zal het nieuwbouwplan afgerond 40 motorvoertuigen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag (zie onderstaande tabel). Tabel 4.1: Berekening verkeersgeneratie toekomstige situatie Woningtype
Aantal
Verkeersgeneratie
Verkeersgeneratie
per woning Koop, huis, twee-onder-een-kap
2
8,2
16,4
Koop, huis, tussen/hoek
3
7.8
23,4
Totaal
39,8
In de huidige situatie heeft het plangebied een horecabestemming. Het bestaande pand is momenteel in gebruik als dorpsherberg. De activiteiten die plaatsvonden in deze Dorpsherberg genereren ook een bepaalde verkeergeneratie. Deze verkeersbewegingen mogen afgetrokken worden van de toekomstige verkeersgeneratie. Het is echter moeilijk te bepalen hoeveel de verkeersgeneratie van de Dorpsherberg bedraagt omdat de exacte activiteiten en de oppervlakte waarbinnen deze activiteiten plaatsvonden onduidelijk zijn. Per saldo zal de toekomstige verkeersgeneratie daarom niet 40 motorvoertuigen per etmaal bedragen, maar lager zijn vanwege de aftrek van de huidige verkeersgeneratie. Daarnaast zorgt een dorpsherberg voor verkeersbewegingen op afwijkende tijdstippen ten opzichte van een woonbestemming. Gezien het geringe aantal motorvoertuig bewegingen is de verwachting dat het omliggende wegennetwerk dit gemakkelijk kan verwerken 4.1.2 Parkeren Op basis van de parkeernormen, zoals vervat in de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’, is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het plangebied bepaald. Het plangebied ligt in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’. Op basis van de normen zal het plan afgerond 12 parkeerplaatsen nodig hebben (zie onderstaande tabel). Dit is inclusief het aandeel parkeerplaatsen voor bezoekers. Wanneer
Hoofdstuk 4
19
het bezoekersaandeel hiervan af wordt getrokken moet er rekening worden gehouden met afgerond 10 parkeerplaatsen. Tabel 4.2: Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen Woningtype
Aantal
Parkeernorm
Parkeernorm
Parkeernorm
Benodigd aantal par-
Benodigd aantal
bewoners
bezoekers
keerplaatsen (minus be-
parkeerplaatsen
zoekersaandeel)
Koop/huur, 2 onder 1
2
2,4
2.1
0,3
4.2
4,8
3
2,2
1.9
0,3
5.7
6,6
9.9
11,4
kap Koop/huur, tussen/hoek Totaal
Parkeren in plan Er bestaat geen ruimte om 12 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Echter beschikt de huidige functie (Dorpsherberg en feestzaal) momenteel over 0 parkeerplaatsen op eigen terrein. Alle nieuw te realiseren parkeerplaatsen op het terrein zullen dus een verbetering zijn ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij geldt dat, aangezien de Dorpsherberg niet geamoveerd wordt en er sprake is van een functiewijziging, er gesaldeerd mag worden. Voor ‘Cafe/bar/cafetaria’-functies in het gebied ‘rest bebouwde kom’ van ‘overige kernen’ geldt dat per 100m 2 bvo 7,5 parkeerplaatsen nodig zijn. De Dorpsherberg heeft een oppervlakte van circa 150m 2 wat betekent dat voor deze functie afgerond ook 12 parkeerplaatsen op het terrein noodzakelijk geacht worden. Tot nu toe vond het parkeren in openbaar gebied plaats. Hier is ook voldoende ruimte voor gezien er zich een groot plein met parkeerstrook bevindt tegenover de Dorpsherberg. Zoals reeds benoemd zullen er wel 5 parkeerplaatsen op het eigen terrein worden gerealiseerd. Voor de overige benodigde parkeerplekken wordt verwacht dat deze in het openbaar gebied worden opgevangen. De parkeerplaatsen voor de tweekappers worden bijna geheel op eigen terrein gerealiseerd, en voor de Dorpsherberg zullen 3 parkeerplaatsen beschikbaar worden gesteld.
De resterende parkeerbehoefte van maximaal 7 parkeerplaatsen kan in het openbaar gebied direct nabij het plangebied worden opgevangen. Er zijn (ruimschoots) voldoende bestaande parkeerplaatsen beschikbaar langs het Binneveld ten oosten van het plangebied en aan het plein (Pastoor Smitsstraat-Dorpsplein) ten zuiden van het plangebied. Een afweging is gemaakt om niet meer dan 5 parkeerplaatsen op eigen terrein in te passen. Hierbij is een afweging gemaakt tussen het behoud van zoveel mogelijk groen (zoals het grootste deel van de leilinden) en daarmee van de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied en het optimaliseren van de parkeercapaciteit op eigen terrein. Meer parkeerplaatsen op eigen terrein zou betekenen dat de leilinden grotendeels moeten wijken en dat de paardenkastanje op de hoek van de Pastoor Smitsstraat – Het Binneveld wellicht niet behouden zou kunnen blijven. Daarbij bestaat ook het voornemen zoveel mogelijk groen in het plangebied in te passen, wat maakt dat parkeerplaatsen (verharding) idealiter niet de gehele zuidelijke en oostelijke rand van het plangebied innemen. Een nadere toelichting op het aantal parkeerplaatsen in relatie tot het behouden van de bestaande bomen is gegeven in paragraaf 4.15 ‘Bomen’.
Hoofdstuk 4
20
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden gegeven in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader zijn de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Wegverkeerslawaai Voor woningbouw binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben geen geluidszone. 4.2.2 Onderzoek Er is door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie. et akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Roest. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Pastoor Smitsstraat en Het Binnenveld opgenomen in het akoestisch onderzoek. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit het onderzoek vermeld.
Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Roest De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 22 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Pastoor Smitsstraat Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 57 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 52 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarde ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel.
Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Het Binnenveld Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen
Hoofdstuk 4
21
en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 50 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 45 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.2.3 Conclusie Het aspect geluidhinder verkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig plan wordt slechts één nieuwe woning mogelijk gemaakt en worden er verder geen functies ontwikkeld. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
22
NO2 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdaμg/m3 gen Rekenpunt 15537385 15.5 18.3 6.4 Rekenpunt 15537521 15.8 18.3 6.4 Rekenpunt 15537491 15.8 18.3 6.4 Rekenpunt 15537374 15.8 18.3 6.4 Rekenpunt 15537425 15.8 18.3 6.4 Norm 40 40 35 Tabel 4.3: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id
PM2.5 μg/m3
Jaar
11.5 11.5 11.5 11.5 11.5 25
2020 2020 2020 2020 2020
4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
23
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Het plangebied bevindt zich in de kern van Olland en naast woonfuncties bevinden zich in de nabijheid van het plangebied ook onder andere maatschappelijke voorzieningen, een speeltuin en sportvoorzieningen. De maatschappelijke functies die zijn gesitueerd nabij het plangebied, betreffen onder andere een kerk op circa 61 meter en begraafplaats op circa 27 meter afstand. De richtafstand voor deze voorzieningen betreffen respectievelijk 30 en 10 meter. Hieraan wordt dus ruimschoots voldaan. Voorts ligt er nog een maatschappelijke voorziening op circa 138 meter. Het betreft een multifunctionele accommodatie. Maatschappelijke functies worden veelal een richtafstand van 30 meter meegegeven. Hieraan wordt ook voldaan. Op circa 63 meter van het plangebied bevindt zich een sportveld. Veldsportcomplexen met verlichting hebben een milieucategorie 3.1, waarvoor in gemengd gebied een afstand van 50 meter geldt. In onderhavige situatie is geen sprake van verlichting, en slechts van één sportveld, waardoor zelfs rekening gehouden kan worden met een lagere milieucategorie. Desondanks wordt aan de richtafstand voldaan.
Tegenover de te ontwikkelen woningen is een parkeervoorziening gelegen. Voor een parkeervoorziening geldt een milieucategorie 2 met bijbehorende richtafstand van 30 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 11 meter, waarmee niet voldaan wordt aan deze richtafstand. Aangezien het hier gaat om een relatief kleine parkeervoorziening in de openbare ruimte wordt aangenomen dat eventuele hinder (zoals dichtklappende portieren) zeer beperkt is. Dit zijn geluiden die horen bij het normaal gebruiken van een weg en de omgeving. Tot slot bevindt zich direct grenzend aan het plangebied (aan de noordzijde) een speeltuintje waar enkele speeltoestellen aanwezig zijn. De functie ‘speeltuin’ is niet opgenomen in de VNG publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’. De functie die het meest in de buurt komt van de functie ‘speeltuin’ is de kinderboerderij. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt niet voldaan. Wel dient rekening gehouden te worden met het feit dat een kinderboerderij meer hinder veroorzaakt naar de omgeving (hogere bezoekersaantallen waardoor meer geluid wordt geproduceerd en dieren die geurhinder veroorzaken). Het speeltuintje zal daarbij van de woningen worden gescheiden door een geluidwering van ten minste 2 meter. Deze geluidwering is voorwaardelijk verplichtend opgenomen in de planregels.
De verwachting is dan ook dat er geen belemmeringen zijn vanuit deze functie. 4.4.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Het speeltuintje dat zich aan de noordzijde van het plangebied bevindt (en waarvoor geen richtafstanden gelden) wordt ruimtelijk van het plangebied gescheiden door een erfafscheiding. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
24
4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening. 4.5.2 Onderzoek Woningen zijn geurgevoelige objecten waardoor er gekeken dient te worden naar omliggende veehouderijen en de eventuele geurhinder die ze kunnen veroorzaken. De geurhinder wordt bepaald op basis van de afstandseisen, achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven in figuur 4.2. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt aan Roest 10 op 292 meter van het plangebied. Aan de afstandseis (100 meter tot een geurgevoelig object in de bebouwde kom) wordt voldaan.
Figuur 4.2 Veehouderijen en geuremissies
Gezien de afstand tot het plangebied en de totale geuremissies zijn de veehouderijen aan Pastoor Smitsstraat 55 en Boxtelseweg 2 maatgevend voor de voorgrondbelasting. Voor deze veehouderijen is een geurberekening volgens de ‘omgekeerde werking’ uitgevoerd. Dat houdt in dat uitgegaan is van één emissiepunt op de rand van het bouwvlak, zo dicht mogelijk bij het plangebied en standaardwaar-
Hoofdstuk 4
25
den voor de overige parameters. De berekeningen zijn opgenomen in de bijlagen. De voorgrondbelasting bedraagt op zijn hoogst 2,9 ouE/m3 op de rand van het plangebied. Met deze geurbelasting is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (‘goed’ volgens de classificatie in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij). Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Olland. Tussen het plangebied en de veehouderijen zijn er meerdere geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom die maatgevend zijn voor de belemmering. De voorgenomen ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor omliggende bedrijven. De achtergrondbelasting is beoordeeld aan de hand van de regionale geurkaart. In figuur 4.3 is een uitsnede van deze geurkaart ter plaatse van het plangebied opgenomen.
Figuur 4.3 Uitsnede geurkaart (ODZOB, maart 2022)
De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt ongeveer 5 ouE/m3, wat overeenkomt met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is wanneer deze meer dan de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Dat is hier het geval. De voorgrondbelasting is maatgevend, maar zoals eerder aangegeven aanvaardbaar. 4.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Aangezien er graafwerkzaamheden uitgevoerd zullen gaan worden is een KLIC-melding aangevraagd. Deze is in de bijlagen opgenomen.
Hoofdstuk 4
26
In figuur 4.4 zijn de kabels en leidingen in de nabijheid van het plangebied weergegeven. Kabels en leidingen van verschillende netwerkbeheerders lopen langs / door het plangebied. Met name bij de aanleg van de parkeerplaatsen zal rekening gehouden moeten worden met de bestaande kabels en leidingen.
Figuur 4.4 Overzicht kabels en leidingen in de nabijheid van het plangebied
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen
Hoofdstuk 4
27
grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek Op basis van de risicokaart is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. In figuur 4.5 is de risicokaart weergegeven met het plangebied blauw omcirkeld.
Figuur 4.5 Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Hoofdstuk 4
28
Inrichtingen De risicokaart geeft aan dat op 860 meter ten noordoosten van het plangebied is een bovengrondse propaantank van maximaal 3.000 liter is gelegen. De risicoafstand PR10-6 is gesteld op 12 meter, hier wordt ruimschoots aan voldaan. Transport Ten westen van het plangebied ligt op 4.2 kilometer afstand de Rijksweg A2, het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Op circa 1.5 kilometer westelijk van het plangebied ligt een spoorlijn, het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. Buisleidingen Op circa 250 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt de aardgasleiding Z-544-01 van de Gasunie. Hiervoor gelden een 100%- en een 1%-letaliteitsgrens van respectievelijk 90 en 170 meter. Het plangebied valt hier niet binnen. De aardgasleiding heeft geen invloed op onderhavige ontwikkeling. Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten,
Hoofdstuk 4
29
plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.