CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Toelichting en regels Pastoor Smitsstraat 48

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 48-48a in Olland'25.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hoofdstuk 5

52

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat de kosten voor het bestemmingsplan door de gemeente worden betaald. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Sint-Michielsgestel verplicht om de kosten te verhalen en voor het plangebied gelijktijdig met het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, waarop het gebied betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als het kostenverhaal verzekerd is. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Er zal dan een anterieure overeenkomst worden gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro. Hierdoor geldt geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan. In deze anterieure overeenkomst zijn de afspraken tot verhaal van kosten goed vastgelegd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Omgevingsdialoog;  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Omgevingsdialoog Het planvoornemen is aan de directe omgeving toegelicht in het kader van de omgevingsdialoog. Er is gesproken met de eigenaren van de Pastoor Smitsstraat 50, de Schoolstraat 8 en de Schoolstraat 10. Aangegeven is dat de plannen duidelijk waren en er was geen reden tot het stellen van nadere vragen of maken van opmerkingen.

Hoofdstuk 6

53

6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. Het waterschap De Dommel heeft in het kader van het vooroverleg aangegeven dat vanwege de afname in verhard oppervlak er geen andere zwaarwegende waterbelangen in het geding zijn. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is de paragraaf waarin het waterschapsbeleid is weergegeven geactualiseerd. 6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

Als onderdeel van deze procedure is het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Ook is er geen aanleiding geweest tot ambtshalve wijzigingen. Het bestemmingsplan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad op 29 juni 2023. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode staat voor belanghebbenden beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6

54

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: AERIUS-berekening Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6 Verklaring geitenhouderij Bijlage 7 Bomen Effect Analyse Bijlage 8: Brief inventarisatie behoefte koop-huur Olland Bijlage 9: Geuronderzoek

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3

Groen

13

Artikel 4

Wonen

15

Artikel 5

Waarde - Archeologie

21

Hoofdstuk 3

Algemene regels

23

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

23

Artikel 7

Algemene bouw regels

24

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

25

Artikel 9

Algemene afw ijkingsregels

26

Artikel 10

Algemene w ijzigingsregels

27

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

28

Artikel 11

Overgangsrecht

28

Artikel 12

Slotregel

29

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 3 van 29

Datum:29-06-2023

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 48-48a, Olland' met identificatienummer NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01 van de gemeente Meierijstad; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aaneengebouwde woning een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde een gestapelde woning; 1.6 ander werk een werk, geen bouwwerk zijnde; 1.7 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.8 bed & Breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.9 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan huis geboden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke; 1.10 begane grondvloer de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau; 1.11

beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 6 van 29

Datum:29-06-2023

1.12 bestaande bebouwing bebouwing die op het tijdstip van eerste terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is, danwel na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning met betrekking tot bouwen, waarbij de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend; 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, daaronder begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijbehorend bouwwerk: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm,

dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; carport: een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk ten behoeve van de stalling van (motor)voertuigen, bestaande uit een gesloten dakconstructie, ondersteund door palen of kolommen; de wanden van de bebouwing waartegen wordt aangebouwd kunnen als ondersteuningsconstructie fungeren; overkapping: een bouwwerk bestaande uit een gesloten dakconstructie, zonder eigen wanden of met maximaal 1 eigen wand, dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent.

1.16 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 7 van 29

Datum:29-06-2023

1.17 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van een dakterras, onderbouw en zolder; 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.20 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.21 bouwvlakgrens de grens van een bouwvlak; 1.22 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.23 bijzondere woonvormen a. een woonvorm waar bewoners nagenoeg zelfstandig wonen met (voorzieningen voor) verzorging en begeleiding (ook 24-uurs begeleiding); b. een groep personen die geen (duurzame) gemeenschappelijk huishouden voert, er is geen sprake van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid; c. woongroepen: een groep personen die er bewust voor kiezen om met elkaar in één woning samen te wonen, zonder dat er sprake is van een gezinsverband of samenlevingsvorm.

1.24 carport een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk ten behoeve van de stalling van (motor)voertuigen, bestaande uit een gesloten dakconstructie, ondersteund door palen of kolommen; de wanden van de bebouwing waartegen wordt aangebouwd kunnen als ondersteuningsconstructie fungeren; 1.25 dak elke bovenbeëindiging van een gebouw; 1.26 dakkapel een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten; 1.27 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 8 van 29

Datum:29-06-2023

1.28 eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 1.29 entree een bouwwerk ten behoeve van de toegang tot een gebouw; 1.30 erf al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat blijkens kadastrale gegevens behoort tot het perceel waarop dat gebouw is geplaatst; 1.31 erker een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag; 1.32 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.33 hoofdgebouw gebouw(en) dat door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.34 huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid.

Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats. Bedrijfsmatige kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'. 1.35 mindervalide een gehandicapt persoon die aantoonbaar is aangewezen op voorzieningen op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen; 1.36 ondergeschikt bouwdeel een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak (zie artikel 7.1); 1.37 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op minimaal 1,75 m¹ onder peil; 1.38 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 9 van 29

Datum:29-06-2023

1.39 parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op méér dan twee wielen; 1.40 parkeren het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; 1.41 peil voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.42 perceel kadastraal perceel; 1.43 pergola een vrijstaand of aangebouwd bouwwerk, bestaande uit een constructie van verticaal geplaatste palen of kolommen op een onderlinge afstand van minimaal 1,50 m1 h.o.h., gekoppeld op een bovenlegger met eventueel hierop onder een hoek van 90º geplaatste dwarsligger(s); de pergola mag tot maximaal 1 m¹ boven het maaiveld als een gesloten constructie worden uitgevoerd; tussen de kolommen mag gaas ter begeleiding van planten worden aangebracht; 1.44 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.45 seksinrichting de voor het

publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch / pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.46 seksuele dienstverlening een bedrijfsmatige activiteit gericht op het verrichten van seksuele handelingen en/of het (doen) plaatsvinden van erotisch / pornografische vertoningen; 1.47 tuin niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 10 van 29

Datum:29-06-2023

1.48 twee-aaneengebouwde woning een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen; 1.49 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw; 1.50 voorste bouwperceelsgrens de naar de weg gekeerde grens van een bouwvlak; 1.51 voorziening van algemeen nut voorziening ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.52 water en waterhuishoudkundige voorzieningen al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc. 1.53 werk grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk; 1.54 werken alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen met toebehoren; 1.55 wet/wettelijke regelingen indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q.

verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald; 1.56 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.57 zolder bovenste verdieping onder het dak van een gebouw voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen en die geen zelfstandige woonruimte vormt.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 11 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.2 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.4 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.5 afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.6 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 2.7 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het bouwkundig peil (afgewerkte begane grondvloer) tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.8 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de

lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren); 2.9 oppervlak van een bouwperceel de maten van het kadastrale perceel, dan wel, wanneer er geen sprake is van een gedeeld kadastraal perceel, de feitelijke oppervlakte van het perceel behorend bij het hoofdgebouw.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 12 van 29

Datum:29-06-2023

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. bermen en beplanting; c. voet- en fietspaden, erfontsluitingen; d. speelvoorzieningen, met uitzondering van een jongerenontmoetingsplaats; e. hondenuitlaatplaatsen; f. voorzieningen van algemeen nut; g. kunstwerken; h. waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen met bijbehorende werken en werkzaamheden; 3.2

Bouwregels

3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd. b. De maximale goothoogte bedraagt 3 meter. c. De maximale oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut bedraagt 20 m². 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. De maximale bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van verlichting, speelvoorzieningen, bewegwijzering alsmede kunstobjecten bedraagt 8 meter. b. De maximale bouwhoogte van informatiezuilen, huisvuilcontainers, glasbakken, geluidwerende voorzieningen, met uitzondering van reclame-objecten bedraagt 2 meter. c. De bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt maximaal 5 meter. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 13 van 29

Datum:29-06-2023

3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. Opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. Het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. Het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens; d. Het gebruik als jongeren ontmoetingsplaats; e. Prostitutie; f. Het bepaalde in sub a en b is niet van toepassing, voor zover het betreft: 1. tijdelijke opslag van materialen en werktuigen, welke nodig zijn voor de realisering en/of handhaving van de in het plan aangegeven bestemming; 2. open opslag in het kader van het normale onderhoud van de gronden.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 14 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 4

Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen conform de definitie 'woning'; b. het uitoefenen van beroepen en bedrijven aan huis; met de daarbij behorende: c. tuinen ter plaatse van de aanduiding 'tuin'; d. erven ter plaatse van de aanduiding 'erf'; e. groen- en speelvoorzieningen; f. voorzieningen van algemeen nut; g. parkeervoorzieningen; h. waterlopen en waterpartijen; i. waterhuishoudkundige voorzieningen; j. werken, geen bouwwerken zijnde zoals de aanleg van verhardingen ten behoeve van paden (waaronder brandgangen), in- en uitritten, terrassen en de aanleg van siertuin en/of gazon, alsmede parkeerplaatsen. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen a. Op of in de in 4.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd. 4.2.2 Binnen het bouwvlak a Hoofdgebouw Voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. per bouwvlak is maximaal het op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal wooneenheden toegestaan; b. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; c. als hoofdgebouw mogen uitsluitend worden gebouwd: 1. aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd'; 2. twee-aaneengebouwde woningen ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen'; d. als hoogte van het hoofdgebouw gelden de op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' opgenomen maten; e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan beide zijden ten minste 3 meter te bedragen; f. twee-aaneengebouwde woningen dienen op de begane grond over minimaal één slaapkamer en minimaal één sanitaire voorziening te beschikken; g. van het maximaal te realiseren totaal aantal woningen, zoals bedoeld onder a., binnen deze bestemming, dient: 1.

ten minste 20% van het totaal aantal woningen, als sociale huur- dan wel koopwoning, zoals bedoeld in de 'Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad' zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van het plan, te worden gebruikt en als zodanig in stand te worden gehouden; 2. ten minste 40% van het totaal aantal woningen als middeldure huur- dan wel koopwoning, zoals bedoeld in de 'Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad' zoals

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 15 van 29

Datum:29-06-2023

die geldt ten tijde van de vaststelling van het plan, te worden gebruikt en als zodanig in stand te worden gehouden. b Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a. de bijbehorende bouwwerken mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat deze uitsluitend minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd; b. de maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,3 meter; c. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij volledig platte afdekking bedraagt 3,3 meter; d. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij een kapconstructie is de maximale goothoogte vermeerderd met de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, tot een totale maximum hoogte van 6 meter; e. de dakhelling bij kapconstructie van bijbehorende bouwwerken is vrij te bepalen; f. de minimale afstand tot perceelsgrens van een niet-overdekt zwembad bedraagt 2 meter; g. de maximale oppervlakte van een niet-overdekt zwembad bedraagt 10% van het bouwperceel, met een maximum van 100 m². c Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen: a.

de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedragen en daarachter maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van: 1. pergola's, waarvan de bouwhoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen; 2. vlaggenmasten e.d., waarvan de bouwhoogte maximaal 5 meter mag bedragen; 3. bouwwerken op een dak ten behoeve van een dakterras, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter mag bedragen. 4.2.3 Aanduiding 'tuin' a Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'tuin' gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding 'tuin' mogen uitbouwen in de vorm van entrees en erkers worden gebouwd met dien verstande dat: 1. de diepte van een entree en erker maximaal 1,5 meter mag bedragen, mits de afstand tot de voorste bouwperceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt; 2. de breedte van een entree maximaal de helft van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de entree wordt gesitueerd; 3. de breedte van een erker maximaal tweederde van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw mag bedragen, waaraan/-in de erker wordt gesitueerd; 4. op één hoek van het hoofdgebouw een hoekerker is toegestaan, mits de diepte aan de zijgevel maximaal 1,5 meter en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter bedraagt; 5.

de goothoogte van een entree en erker maximaal de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw mag bedragen; 6. de bouwhoogte van een entree en erker maximaal de helft van de hoogte van de tweede

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 16 van 29

Datum:29-06-2023

bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen. b Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'tuin' gelden de volgende bepaling: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedragen en daarachter maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van pergola's, waarvan de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen. 4.2.4 Aanduiding 'erf' a Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'erf' gelden de volgende bepalingen: a. ter plaatse van de aanduiding 'erf' mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de afstand tot aan de weg waaraan het hoofdgebouw is gelegen, aan de zijde waar een oprit voor een auto is gelegen, minimaal 5 meter bedraagt; 2. daar waar géén oprit is gelegen de minimale afstand van het bijbehorend bouwwerk achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw 3 meter dient te bedragen; b.

de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per bouwperceel bedraagt binnen de aanduiding 'erf': Maximale gezamenlijke oppervlakte bijbehorende Oppervlakte binnen aanduiding 'erf' bouwwerken tot 300 m² 60 m² 300 tot 600 m² 70 m² 600 m² en groter 100 m² met dien verstande dat de oppervlakte van erkers, entrees en maximaal 1 carport met een oppervlakte van maximaal 20 m², niet bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken binnen de aanduiding 'erf' wordt meegenomen; c. in aanvulling op het bepaalde in sub b geldt dat minimaal 20 m² ter plaatse van de aanduiding 'erf' niet bebouwd mag worden; d. de maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,3 meter; e. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij volledig platte afdekking bedraagt 3,3 meter; f. de maximale bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij een kapconstructie is de maximale goothoogte vermeerderd met de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, tot een totale maximum hoogte van 6 meter. g. de minimale afstand tot perceelsgrens van een niet overdekt zwembad bedraagt 2 meter; h. de maximale oppervlakte van een niet overdekt zwembad bedraagt 10% van het bouwperceel, met een maximum van 100 m².

b Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'erf' gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedragen en daarachter maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van: 1. pergola's, waarvan de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen;

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 17 van 29

Datum:29-06-2023

2. vlaggenmasten e.d., waarvan de hoogte maximaal 5 meter mag bedragen. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de milieusituatie; e. de situering van en het aantal parkeervoorzieningen op eigen terrein; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.4

Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Oppervlakte bijbehorende bouwwerken mindervaliden Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.4 onder a sub b en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een hoofdgebouw wordt vergroot met maximaal 80 m² ten behoeve van mindervaliden. Hierbij dient artikel 4.2.4 in acht te worden genomen. Alvorens de vergunning wordt verleend wint het bevoegd gezag advies in omtrent de (medische) noodzaak bij een deskundige. 4.4.2 Voorwaarden De onder 4.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de sociale veiligheid; e. de milieusituatie; f. de parkeervoorzieningen op eigen terrein; g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.5

Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. de uitoefening van een bedrijf aan huis (in hoofdgebouw en/of bijbehorende bouwwerken); b. de uitoefening van horeca of een andere tak van dienstverlening; c. de uitoefening van dienstverlening, anders dan bedoeld in artikel 4.1 sub a in combinatie met artikel 4.5.2; d. zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte van bijbehorende bouwwerken; e. de uitoefening of vestiging van een seksinrichting; f. de uitoefening van prostitutie; g. het plaatsen, het doen of laten plaatsen van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel, kampeerwagens (waaronder caravans), kampeerauto's en kampeertenten, behoudens het plaatsen van caravans, kampeerauto's en kampeertenten op de gronden achter de voorgevellijn, indien per woning niet meer dan één caravan, kampeerauto en/of tent wordt geplaatst; h. bedrijfsmatige opslag.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 18 van 29

Datum:29-06-2023

4.5.2 Beroep of bedrijf aan huis Binnen een woning of in bijbehorende bouwwerken bij een woning is een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats in de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken; b. maximaal 40% van de brutovloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken is in gebruik ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis, met een absoluut maximum van 100 m²; c. het beroep of bedrijf aan huis ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die het beroep of bedrijf aan huis in de (bedrijfs)woning en/of bijbehorende bouwwerken uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de (bedrijfs)woning is; d. het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis bedraagt maximaal 2 personen, waaronder inbegrepen de eigenaar van de woning; e. het parkeren ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats op eigen terrein. f. vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan, voor reclame-uitingen gelden de regels van de welstandsnota; g. het beroep of bedrijf aan huis leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en); h.

het beroep of bedrijf aan huis mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. i. de belangen van derden (omwonenden) worden niet geschaad; j. het aan huis verbonden beroep of bedrijf komt voor in de milieucategorie 1 of 2 van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' of kan, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën; k. er vindt geen buitenopslag plaats ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis; l. beroepen of bedrijven aan huis in de vorm van detailhandel (uitgezonderd internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom) of horeca zijn niet toegestaan. 4.5.3 Voorwaardelijke verplichting geluidwering noordzijde Het in gebruik nemen van gronden en/of bebouwing voor het wonen en tuinen als bedoeld in lid 4.1 sub a en c is, voor wat betreft de twee-aaneengebouwde woningen, uitsluitend toegestaan op voorwaarde dat op de noordelijke bouwperceelsgrens van het betreffende bouwperceel, vanaf de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw tot aan de achterste bouwperceelsgrens, een gebouwde erfafscheiding zonder openingen, met uitzondering van poorten, met een hoogte van ten minste 2 meter is opgericht en deze na realisatie in stand wordt gehouden. 4.6

Afwijken van de gebruiksregels

4.6.1 Bed & Breakfast Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van artikel 4.1 voor het gebruiken van een deel van een woning voor logies in de vorm van een bed & breakfast, onder de volgende voorwaarden: a. het betreft maximaal 4 bedden en 2 slaapkamers; b. het uitoefenen van een bed & breakfast mag uitsluitend plaatsvinden bij grondgebonden woningen; c. de bed & breakfast dient in bestaande bebouwing gerealiseerd te worden; d. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 19 van 29

Datum:29-06-2023

e. f. g. h. i.

j. k.

bijbehorende bouwwerken mag ten behoeve van een bed & breakfast in gebruik zijn; de woonfunctie dient als hoofdfunctie behouden te blijven; bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; permanente bewoning is niet toegestaan; bedoeld gebruik mag geen belemmering voor de omliggende bedrijven opleveren; het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de woning of een bijbehorend bouwwerk uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de woning is; er mag geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan; de ontwikkeling mag niet leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 20 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 5

Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. b. Al hetgeen in deze regels omtrent de hoofdbestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Waarde - Archeologie' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het verenigbaar is met het belang van de te verwachten archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' als bedoeld in artikel 5.1 is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw niet wordt vergroot of veranderd; b. de bouw van gebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; c. bouwwerken voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. 5.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde indien en voorzover: a. met een archeologisch onderzoek is onherroepelijk dat archeologische waarden daarmee niet onevenredig worden geschaad; b.

in voldoende mate is gegarandeerd dat de middels archeologisch onderzoek onherroepelijke waarden worden veiliggesteld door technische maatregelen of een archeologische opgraving. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het graven, verbreden, verdiepen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; d. het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; e. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; f. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen; g. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h.

het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; i. het aanbrengen van verhardingen, zulks indien de oppervlakte van de aan te brengen

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 21 van 29

Datum:29-06-2023

verharding meer bedraagt dan 100 m². 5.4.2 Uitzondering verbod Het verbod als bedoeld in artikel 5.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. voor bodemingrepen tot een diepte van 50 cm onder maaiveld en/of het aanbrengen van verhardingen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; 5.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.4.1 zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover met een archeologisch onderzoek is onherroepelijk dat door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de aanwezig archeologische waarden ontstaat of kan ontstaan. 5.4.4 Voorschriften vergunning Indien het niet mogelijk is de middels archeologisch onderzoek onherroepelijke aanwezige archeologische waarden geheel of gedeeltelijk te behouden, wordt aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 het voorschrift verbonden dat voorafgaand van de werken en/of werkzaamheden een archeologische opgraving zal plaatsvinden of dat archeologische begeleiding zal plaatsvinden.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Waarde Archeologie' (geheel of gedeeltelijk) van de verbeelding wordt verwijderd, indien uit archeologisch onderzoek, blijkt dat in het aangewezen gebied geen archeologische waarden zijn aangetroffen.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 22 van 29

Datum:29-06-2023

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 23 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 7

Algemene bouwregels

7.1 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel-, goot- en kroonlijsten, luifels, stoeptreden, dorpels, dakkapellen, balkons en overstekende daken en soortgelijke bouwdelen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwhoogten, bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 7.2

Ondergronds bouwen

7.2.1 Algemene bepaling Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 7.2.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. voor delen van bouwwerken behorende bij ondergrondse bouwwerken gesitueerd boven peil gelden de bebouwingsregels als opgenomen bij de bestemmingen in hoofdstuk 2; b. de maximale ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt 3 meter onder peil; c. bij het berekenen van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen. 7.2.3 Afwijken Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.2 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 8 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 24 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

8.1 Strijdig gebruik onbebouwde gronden Onder een met het plan strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan een gebruik van de onbebouwde gronden als: a. opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, puin, grind en brandstoffen; b. uitstallings- of opslagplaats voor al dan niet voor gebruik geschikte voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; c. uitstallings- of opslagplaats dan wel staan- of ligplaats voor onderkomens. 8.2 Uitzondering Onder strijdig gebruik als bedoeld in 8.1 valt niet het opslaan van nieuwe bouwmaterialen en puin en andere bouwmaterialen op gronden waarop of waarin onderhouds-, herstel- of sloopwerkzaamheden worden uitgeoefend, mits deze zaken voor de uit te voeren werkzaamheden nodig zijn of van het bouwwerk dat hersteld of gesloopt wordt afkomstig zijn. 8.3 Voorwaardelijke verplichting parkeren a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel, dient voldoende parkeergelegenheid binnen de bestemming 'Wonen' aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. b. Van voldoende parkeergelegenheid als bedoeld in lid a is sprake bij de realisatie c.q. het aanwezig zijn van ten minste 5 parkeerplaatsen. c. Het onder b.

genoemde aantal parkeerplaatsen mag, voor zover er binnen de bestemming minder dan 5 woningen aanwezig zijn, worden gereduceerd met één parkeerplaats per woning minder. 8.4 Afwijking verplichting parkeren Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.3 indien: a. er in voldoende parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien op een andere wijze; en/of; b. het ruimtelijk gezien niet wenselijk is de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte op eigen terrein te voorzien; en/of; c. er voldoende openbare parkeerplaatsen binnen een acceptabele afstand aanwezig zijn; en/of; d. er een parkeertelling aanwezig is die aantoont dat er voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn die benut kunnen worden; en/of; e. aangetoond kan worden dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm. 8.5 Voorwaardelijke verplichting waterberging Alvorens de gronden binnen het plangebied in gebruik genomen worden voor de doeleinden als bedoeld in Artikel 4 dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a.

aangetoond dient te zijn dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater vanwege het toevoegen van verharding voorafgaand gecompenseerd wordt in een waterberging met voldoende capaciteit conform een norm van 60 mm/m² verharding, waarbij de waterberging na realisatie in stand moet worden gehouden danwel is voorzien in een gelijkwaardig alternatief; b. de compensatie dient ten minste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 25 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

9.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het volgende: a. de bestemmingsbepalingen, niet zijnde de bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; b. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden met maximaal 1 meter, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 5 meter; d. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter; e.

het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits: 1. de oppervlakte van de verhoging niet meer dan 10 m² bedraagt; 2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt; f. de bouw van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, onderhoudsgebouwtjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, alsmede fietsenstallingen met uitzondering van verkooppunten van motorbrandstoffen, voor zover deze gebouwtjes geen grotere oppervlakte hebben dan 35 m² en geen grotere hoogte hebben dan 3,5 meter.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 26 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 10

Algemene wijzigingsregels

10.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. de overschrijdingen als bedoeld in sub a en b mogen echter niet meer dan 3 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 27 van 29

Datum:29-06-2023

Hoofdstuk 4 Artikel 11

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 11.3 Hardheidsclausule Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 28 van 29

Datum:29-06-2023

Artikel 12 Slotregel Dit bestemmingsplan kan worden aangehaald onder de titel: bestemmingsplan 'Pastoor Smitsstraat 48-48a, Olland' van de gemeente Meierijstad.

NL.IMRO.1948.OLL000BP0012021P-VG01

Pagina: 29 van 29

Datum:29-06-2023

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=78a1d93c-5af4-490a-be18-5f1ee4aa3660