CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Ontwerpbestemmmingsplan Pater Vervoortstaat ong.

Raadsvergadering 27 januari 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong.'19.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.9 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen binnen een 30km/uur-zone. Een akoestisch onderzoek is in dit geval niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet echter wel worden beoordeeld of de geluidbelasting op de gevels van nieuw te bouwen woningen nabij c.q. aan een 30 km/uur weg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Bij vaststelling van de woonbestemmingen aan de overzijde van

Hoofdstuk 4

31

de weg (bestemmingsplan ‘Zijtaart, 20-12-2012’) is destijds onderzoek gedaan naar het wegverkeerslawaai4.

Figuur 4.2 Indicatie wegverkeerslawaai (januari 2012)

Voor de 30km-wegen in Zijtaart is in januari 2012 een berekening gemaakt om een indicatie te geven van de geluidsbelasting rondom deze wegen. In het geval van de Pater Vervoortstraat ligt de indicatieve geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB gevelbelasting. Er is geen reden om aan te nemen dat het verkeer in deze straat dusdanig toegenomen is sinds 2012 dat er een verandering opgetreden is in deze indicatieve geluidsbelasting. Hiermee wordt geconcludeerd dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

4

Zie: Bestemmingsplan ‘Zijtaart, herziening Pater Vervoortstraat 31’

Hoofdstuk 4

32

Toetsingskader In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Ook dient bij de realisatie van woningen gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in de huidige situatie. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Toetsing voor het aspect luchtkwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk. Er kan op voorhand worden geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedraagt de concentratie PM2,5in minder dan 12 µg/m³. De concentratie PM10 is minder dan 20 µg/m³ evenals de concentratie NO2 Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. In onderstaande tabel (tabel 4.2) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

33

Meetpunt NO2 μg/m3 15520172 15.5 15520576 15.8 15520480 18.3 15520602 18.3 Norm 40

PM10 μg/m3 19.4 19.4 20.0 20.0 40

PM10 overschrijdingsdagen 7.1 7.2 7.7 7.7 35

PM2.5 μg/m3 11.7 11.7 11.9 11.9 25

Jaar 2020 2020 2020 2020

Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit en vice versa. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Productie en bijvoorbeeld vervoer van gevaarlijke stoffen leggen beperkingen op aan de directe omgeving en dus de ruimtelijke ontwikkeling. Zo zijn tussen bijvoorbeeld LPG-tankstations en woningen veiligheidsafstanden nodig. Om de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk benutten, is het noodzakelijk het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid goed af te stemmen. In het beleid wordt onderscheid gemaakt in twee normeringen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6).

Dat betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een gevaarlijke fabriek maximaal maar ééns per 1 miljoen jaar mag overlijden door een ongeluk in die fabriek. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Het groepsrisico (GR) legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. Veranderingen boven of onder deze waarde moeten worden verantwoord. Hierbij kan aandacht worden besteed aan de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden.

Hoofdstuk 4

34

Risicobronnen Mogelijke risicobronnen waarbij in ruimtelijke besluitvorming rekening moet worden gehouden zijn:  transport van gevaarlijke stoffen (per spoor, weg, water, buisleidingen);  bedrijvigheid (inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)). Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. Doorwerking plangebied In figuur 4.3 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen. Risicovolle bedrijvigheid Op ca. 570 meter ten zuidwesten van het plangebied liggen twee propaantanks behorend tot een veehouderij met graasdieren. In de risicokaart is hiervoor geen PR-contour opgenomen. Volgens de VNGtabel met richtafstanden geldt hiervoor een grootste richtafstand van 50 meter. Voor de onderdelen gevaar en stof geldt respectievelijk een richtafstand van 0 en 30 meter. Hier wordt ruim aan voldaan. Ten oosten van het plangebied aan de Pater Vervoortstraat 22 ligt het hoveniersbedrijf. Hier wordt ook vuurwerk (tot 10 ton) opgeslagen. Deze inrichting is niet opgenomen op de risicokaart. Volgens de VNG-tabel met richtafstanden geldt hiervoor een grootste richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt voldaan.

Figuur 4.3 Risico’s in de omgeving van het plangebied (blauwe cirkel), bron: www.ruimteljkeplannen.nl

Hoofdstuk 4

35

Transport van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A50. Deze ligt op ca. 2,2 kilometer van het plangebied. Het betreft de A50: afrit 10 (Eerde) - A58 (Eindhoven), wegvak B132. Het plangebied bevindt zich niet binnen de hiervoor geldende risicocontour van 880 meter. Derhalve is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Buisleidingen Ten noorden van het plangebied ligt een buisleiding waarin risicovolle stoffen vervoerd worden. Uit de ‘Handleiding buisleidingen in bestemmingsplannen’ kan de minimumafstand van 70 meter gehaald worden tot deze buisleiding. Met een afstand van meer dan 600 meter wordt hier ruim aan voldaan. Conclusie Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Meierijstad. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico geen belemmering hoeft te zijn voor het plangebied, omdat de nieuwbouw goede bescherming biedt tegen een mogelijke ramp met toxische stoffen. De Veiligheidsregio Brabant Noord heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben t.a.v. de externe veiligheid (zie bijlage 6).

4.12 Gezondheid De beoogde ontwikkeling betreft de gevoelige functie ‘wonen’. Hierbij dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Doorwerking plangebied Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de omgeving zijn dergelijke veehouderijen niet aanwezig en deze vormen dus geen belemmering voor onderhavig plan. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er zijn geen geitenhouderijen aanwezig binnen een straal van 2 km van het plangebied. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het plangebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op ca. 2,5 kilometer. Met deze afstand vormt deze lijn geen belemmering voor onderhavig plan.

Hoofdstuk 4

36

4.13 Duurzaamheid De gemeente Meierijstad heeft het belang van duurzaam bouwen doorvertaald in haar Woonvisie. Hierin is onder andere gesteld dat er voor nieuw te bouwen woningen onderzocht wordt in hoeverre gasloos bouwen mogelijk is. In de concrete uitwering van het bouwplan komt naar voren op welke manier hier invulling aan gegeven wordt.

4.14 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van één extra woning mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van één ruimte-voor-ruimte-woning valt niet onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject).

Het kan echter zijn dat de ontwikkeling wel kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheid in dit geval is het ontwikkelen van één ruimte-voor-ruimte-woning. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu.

Hoofdstuk 4

37

De beoogde ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Hoofdstuk 4

38

5.

JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld het realiseren van een vrijstaande woning conform de uitgangspunten en randvoorwaarden, zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De basis voor het opstellen van de regels en verbeelding is het opgestelde inrichtingsplan (landschappelijk inpassingsplan), dat de randvoorwaarden voor de bouw van de woning stelt. De regels zijn daarnaast zoveel mogelijk afgestemd op het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel’ van de voormalige gemeente Veghel. Er is gekozen voor een gedetailleerd plan, met enige ruimte voor nadere uitwerking in de positionering van hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken onder de gestelde randvoorwaarden. In par. 5.3 wordt dit nader toegelicht. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 5

39

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). Een bestemming kan als volgt zijn opgebouwd volgens de SVBP2012 (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan.

In de regels wordt per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd en welke gebruiksmogelijkheden er worden toegestaan. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Ook is een regels opgenomen, die bepaalt dat ondergeschikte bouwdelen zoals erkers, entrees, plinten, overstekende daken, etc. buiten beschouwing worden gelaten bij de regels ten aanzien van het bouwen, voor zover de overschrijding van de bouw- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 2 meter bedraagt.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.

Hoofdstuk 5

40

algemene aanduidingsregels: in dit artikel zijn regels gesteld ten aanzien van de maximale bouwhoogte voor bouwwerken vanwege de ligging binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten, zoals kleine overschrijdingen van bouw- en bestemmingsgrenzen of bouwhoogten. Verder zijn mogelijkheden opgenomen om een bedrijf aan huis, mantelzorg en een bed & breakfast bij de woning toe te staan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheden in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’, ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Agrarisch met waarden Het achterste perceelsdeel behoudt de huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Er is geen bouwvlak opgenomen. Deze gronden worden ingericht als weiland met incidentele bomen conform het landschappelijke inrichtingsplan. De gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, extensief dagrecreatief medegebruik en behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden, in het bijzonder het kleinschalig cultuurlandschap, dat middels een gebiedsaanduiding is aangeduid. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. De maximum bouwhoogten zijn bepaald in de bouwregels. Voorts geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden, die de cultuurhistorische waarden van het kleinschalig cultuurlandschap zouden kunnen aantasten. Wonen De voorste zone van het plangebied is bestemd als ‘Wonen’. Deze gronden zijn bestemd voor het wonen in één woning, al dan niet met een beroep of bedrijf aan huis onder voorwaarden. Verder zijn bijbehorende voorzieningen zoals tuinen, erven, parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke toegestaan.

Een groot deel van het bestemmingsvlak is tevens het bouwvlak, echter de gronden nabij de perceelsgrenzen zijn niet als bouwvlak aangemerkt (3 meter aan westkant, 8 meter aan oostkant en 10 meter aan voor- en achterkant). Het hoofdgebouw (één woning) moet binnen het bouwvlak worden opgericht. Aan het oprichten van de woning is een voorwaardelijke verplichting gekoppeld, dat de landschappelijke inpassing volgens de opgestelde uitgangspunten in het landschappelijk inpassingsplan

Hoofdstuk 5

41

binnen één jaar na aanvang van de bouwwerkzaamheden moet zijn gerealiseerd. Na realisatie dient deze inrichting in stand te worden gehouden. Bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht, met dien verstande dat deze minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw en 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen moeten worden gebouwd. Daarnaast is aan de oostkant van het perceel een zone van 8 meter breedte ten opzichte van de perceelsgrens aangeduid met de aanduiding ‘bijbehorende bouwwerken uitgesloten’. Deze zone dient om landschappelijk-stedenbouwkundige redenen gevrijwaarde te blijven van gebouwen, zodat doorzicht naar het achterliggend kleinschalig cultuurlandschap behouden blijft. De betreffende gronden dienen dan ook niet als ‘erf’ in de zin van het Besluit omgevingsrecht te worden aangemerkt. Zowel omgevingsvergunningplichtige als vergunningsvrije gebouwen zijn hier derhalve uitgesloten. Waarde – Archeologie 2 Conform het vigerende bestemmingsplan is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ opgenomen ter bescherming en behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor de bouw van bouwwerken van meer dan 100 m² omvang en met een diepte van 0,3 meter of meer, geldt een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt ook voor andere grondwerkzaamheden van ten minste een dergelijke omvang.

Tevens geldt een omgevingsvergunningplicht in deze gevallen.

Hoofdstuk 5

42

6.

UITVOERBAARHEID

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voor het initiatief is een omgevingsdialoog gevoerd met belanghebbenden. Initiatiefnemer heeft het planvoornemen besproken met de omwonenden. Het betreft de personen woonachtig op Pater Vervoorstraat 3, 10, 12 en18/22. De plannen zijn positief ontvangen. Wel hebben de buren op nummer 12 aangegeven dat ze graag zouden willen dat de woning niet te hoog wordt in verband met het uitzicht. Met een bouwhoogte van maximaal 10 meter komt de woning qua hoogte overeen met omliggende woningen. De woning sluit dus aan op het stedenbouwkundig karakter van de omliggende woningen.

Hoofdstuk 6

43

6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De uitkomsten van het vooroverleg hebben niet geleid tot grote aanpassingen in het bestemmingsplan. 6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Gekozen is om geen inspraak toe te passen, dit omdat er al een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen.

Hoofdstuk 6

44

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Archeologisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Vooroverleg Provincie Noord-Brabant Bijlage 6: Advies Brandweer Bijlage 7: Strategie aankoop bouwtitel

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

12

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3

Agrarisch met w aarden

13

Artikel 4

Wonen

15

Artikel 5

Waarde - Archeologie 2

18

Hoofdstuk 3

Algemene regels

20

Artikel 6

Anti-dubbeltelregel

20

Artikel 7

Algemene bouw regels

21

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

22

Artikel 9

Algemene aanduidingsregels

23

Artikel 10

Algemene afw ijkingsregels

24

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

27

Artikel 11

Overgangsrecht

27

Artikel 12

Slotregel

28

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 3 van 28

Datum:03-02-2020

Regels

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan Het bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong. met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01 van de gemeente Meierijstad. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar -ingevolge de regels- regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden; 1.6 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.7 bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; 1.8 bed & breakfast een kleinschalige accommodatie gericht op het bieden van kortdurend toeristisch nachtverblijf met de verzorging van ontbijt zonder dat het een zelfstandige woning/wooneenheid betreft; 1.9 bedrijf aan huis het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.10 bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 6 van 28

Datum:03-02-2020

1.11 beroep aan huis een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.12 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel gebouwd mag worden krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, daaronder begrepen: aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding

staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt; vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie) architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; overkapping: een bouwwerk bestaande uit een gesloten dakconstructie, zonder eigen wanden of met maximaal 1 eigen wand, dat aan tenminste een deel van één zijde een gesloten wand kent;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 7 van 28

Datum:03-02-2020

1.16 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18 bouwperceelsgrens de grens van een bouwperceel; 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.20 cultuurhistorische waarden en kenmerken de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.

1.21 dagrecreatie recreatief gebruik van gronden voor een periode niet langer dan een dag; 1.22 dak elke bovenbeëindiging van een gebouw; 1.23 ecologische waarden aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde; 1.24 erf(af)scheiding De scheiding tussen twee onroerende zaken die niet aan dezelfde eigenaar behoren, niet door dezelfde gebruikers worden benut, dan wel louter kadastraal gescheiden zijn. 1.25 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.26 horeca bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie, bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten of bedrijfsmatig bieden van congres- of vergaderfaciliteiten, één en ander al dan niet in combinatie met elkaar;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 8 van 28

Datum:03-02-2020

1.27 kampeermiddel tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of enig ander onderkomen of verblijf, geen bouwwerk zijnde, dat geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf; 1.28 kampeerterrein terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht en bedrijfsmatig geëxploiteerd, en blijkens die inrichting en exploitatie bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen; 1.29 kleinschalig kamperen recreatief (nacht)verblijf op gronden met de hoofdfunctie agrarisch bedrijf of wonen, met gebruikmaking van kampeermiddelen tot een in de regels aangegeven maximum aantal kampeermiddelen; 1.30 maaiveld de hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het gebouw, bouwwerk of windturbine. 1.31 mantelzorg het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; 1.32 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen op minimaal 1,75 m¹ onder peil; 1.33 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zonder eigen wanden dat aan maximaal een deel van één zijde een gesloten wand kent, waaronder begrepen een carport.

1.34 parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op méér dan twee wielen; 1.35 parkeren het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; 1.36 peil voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 9 van 28

Datum:03-02-2020

1.37 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.38 recreatief medegebruik een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.39 tuin niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.40 verblijfsrecreatie recreatief gebruik van gronden voor een aaneengesloten periode langer dan een dag, waarbij uitsluitend recreatieve bewoning is toegestaan; 1.41 voorgevel de naar de weg en/of fiets- en voetpad gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt. 1.42 voorgevelrooilijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

1.43 voorziening van algemeen nut voorziening ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; 1.44 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit; 1.45 weg alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 1.46 werk grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk; 1.47 wet/wettelijke regelingen indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald; 1.48 woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van: één afzonderlijk huishouden;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 10 van 28

Datum:03-02-2020

een huishouden plus maximaal twee personen; maximaal 4 personen die geen huishouden vormen; 1.49 woonruimte besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; 1.50 zolder bovenste verdieping onder het dak van een gebouw voor zover de hoogte van de borstwering ter plaatse van de omtrekmuren minder dan 80 cm boven de vloer is gelegen en die geen zelfstandige woonruimte vormt.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 11 van 28

Datum:03-02-2020

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de afstand tot de bouwperceelsgrens tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.7 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.8 de afstand tussen gebouwen de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen; 2.9 de lengte,

breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren); 2.10 brutovloeroppervlak van een gebouw gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 12 van 28

Datum:03-02-2020

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik; b. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het algemeen en in het bijzonder voor het kleinschalig cultuurlandschap, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kleinschalig cultuurlandschap'; c. extensief dagrecreatief medegebruik; met de daarbij behorende: d. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. wegen, paden en verkeersvoorzieningen; g. parkeervoorzieningen; h. tuinen, erven en terreinen; i. voorzieningen van algemeen nut. 3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels: a. op of in de in 3.1 genoemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van beheer en extensief dagrecreatief medegebruik (banken, informatiepanelen, e.d.), tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en erf- en terreinafscheidingen gebouwd worden; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van beheer en extensief recreatief medegebruik mag niet meer bedragen dan 2,5 meter; c. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 1,5 meter; d. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 meter. 3.3

Afwijken van de bouwregels

3.3.1 Schuilgelegenheden (dierenverblijven) Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, sub a voor het bouwen van schuilgelegenheden (dierenverblijven), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond dat de bouw van de schuilgelegenheid binnen een bouwvlak of een ander bestemmingsvlak niet mogelijk is; b. het bouwperceel heeft een minimale oppervlakte van 2.500 m²; c. de schuilgelegenheid is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie; d. het aantal schuilgelegenheden per bouwperceel bedraagt niet meer dan 1; e. de afstand tussen twee schuilgelegenheden bedraagt niet minder dan 30 meter; f. de afstand tot de weg waaraan wordt gebouwd bedraagt niet minder dan 10 meter;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 13 van 28

Datum:03-02-2020

g. de afstand van een schuilgelegenheid tot de bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 1 meter en niet meer dan 5 meter; h. de afstand van een schuilgelegenheid tot een woning van derden bedraagt niet minder dan 30 meter; i. de oppervlakte per schuilgelegenheid bedraagt niet meer dan 15 m²; j. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 meter; k. het is een constructie die minimaal aan één zijde open is; l. de schuilgelegenheid is bedoeld voor het hobbymatig houden van dieren; m. er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; n. de noodzaak van de schuilgelegenheid vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond. 3.4

Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen. 3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Verbod Het is verboden op of in de in 3.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - kleinschalig cultuurlandschap': 1. het wijzigen van de perceelsindeling, zoals die tot uiting komt in greppels, kavelsloten, steilranden, beplanting, kavelpaden, onverharde wegen, e.d. 2. het rooien en/of vellen van diepwortelende beplantingen en/of bomen.

3.5.2 Uitzonderingen Het in lid 3.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen; b. binnen het bouwvlak plaats vinden; c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; e. worden uitgevoerd ter realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1.

3.5.3 Toelaatbaarheid De in lid 3.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien er is aangetoond dat de werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden geen belemmering vormen voor het behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de landschappelijke, ecologische en/of cultuurhistorische waarden.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 14 van 28

Datum:03-02-2020

Artikel 4

Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in woningen; b. de uitoefening van een beroep aan huis, waarbij het bepaalde in artikel 8.2 van toepassing is; met de daarbijbehorende: c. waterpartijen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. wegen, paden en verkeersvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen; g. tuinen, erven en terreinen; h. voorzieningen van algemeen nut. 4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels: a. op of in de in lid 4.1 genoemde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd; b. de afstand van bouwwerken tot de weg waaraan wordt gebouwd mag, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen, niet minder bedragen dan 10 meter, met dien verstande dat dit niet geldt voor bouwwerken die binnen het bouwvlak worden opgericht; c. de afstand van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens mag, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen en het bepaalde in lid 4.2.3 sub f, niet minder bedragen dan 5 meter, met dien verstande dat dit niet geldt voor bouwwerken die binnen het bouwvlak worden opgericht.

4.2.2 Woning Voor het bouwen van een woning gelden de volgende regels; a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan; b. het hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden opgericht; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 meter; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter; e. de inhoud van een woning inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 750 m³.

4.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de woning gelden de volgende regels: a. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag per woning niet meer bedragen dan 100 m²; b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter; d. de afstand van vrijstaande bijhorende bouwwerken tot de woning en aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet minder bedragen dan 3 meter; e. de afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen tot de woning en

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 15 van 28

Datum:03-02-2020

aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 30 meter; f. in afwijking van het bepaalde onder lid 4.2.1 sub c, mag de afstand tot de bouwperceelsgrens niet minder bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de afstand tot de achterste bouwperceelsgrens alsmede één zijdelingse bouwperceelsgrens nihil mag zijn; g. vrijstaande- en aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen dienen op een afstand van ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn van de woning te worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' geen aan- en uitbouwen en bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan.

4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 meter met dien verstande dat de bouwhoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 meter. 4.3

Afwijken van de bouwregels

4.3.1 Afstand bouwwerken tot de bouwperceelsgrens Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 sub c, voor het bouwen van bouwwerken binnen 5 meter van de bouwperceelsgrens, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de afstand tot de bouwperceelsgrens bedraagt niet minder dan 3 meter; b. de situering levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; c. de belangen van derden (omwonenden) worden niet geschaad; d. de situering is zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar; e. er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.

4.3.2 Afstand bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3, sub f, voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen 3 meter van de bouwperceelsgrens, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de situering levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; b. de belangen van derden (omwonenden) worden niet geschaad; c. de situering is zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar; d. er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken. e. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' zijn geen aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten'

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 16 van 28

Datum:03-02-2020

dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan.

4.3.3 Extra vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor hobbymatig houden van vee Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.3 sub a, voor extra vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor hobbymatig houden van vee, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het aantal extra bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 1 per woning; b. de woning heeft een bouwperceel met een minimale oppervlakte van 1 hectare; c. het betreft een dierenverblijf voor het hobbymatig houden van vee; d. de oppervlakte per bijbehorend bouwwerk (dierenverblijf) bedraagt niet meer dan 50 m²; e. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter; f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 meter; g. de totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan 150 m²; h. er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; i. qua maatvoering en situering is aangesloten op het bepaalde in lid 4.2. 4.4

Specifieke gebruiksregels

4.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming, zonder de aanleg in instandhouding van de landschapsmaatregelen overeenkomstig de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1; b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1. 4.5

Afwijken van de gebruiksregels

4.5.1 Afwijken voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4.1 indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1 andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat: a. deze landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen landschapsmaatregelen; en b. voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het landschappelijk inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; en c. de landschapsmaatregelen zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 17 van 28

Datum:03-02-2020

Artikel 5

Waarde - Archeologie 2

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. 5.2 Bouwregels Op of in de in lid 5.1 genoemde gronden mogen, in afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemming(en) van deze gronden, geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd; b. de bouw van een bouwwerk tot maximaal 100 m² of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 100 m²; c. de bouw van een bouwwerk, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. 5.3 Afwijken van bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor het bouwen krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is op basis van archeologisch onderzoek aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b.

er is op basis van archeologisch onderzoek aangetoond dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad, of; c. er is door technische maatregelen of een archeologische opgraving gegarandeerd dat de op basis van archeologisch onderzoek vastgestelde archeologische waarden worden veilliggesteld en/of beschermd. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanleggen en/of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het ophogen, verlagen, afgraven, vergraven, egaliseren of anderszins wijzigen van het maaiveldniveau; d. het rooien en/of vellen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; e. het graven, verbreden, verdiepen, dempen of anderszins wijzigen van oppervlaktewateren; f. het aanbrengen of verwijderen van transport-, energie-, telecommunicatie-, of drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 18 van 28

Datum:03-02-2020

h. het mengen, ontginnen, woelen, diepploegen of uitvoeren van andere grondbewerkingen; i. het aanbrengen van onderbemaling of het anderszins verlagen van de grondwaterstand. 5.4.2 Uitzonderingen Het in 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke a. het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen; b. een oppervlakte hebben die niet meer bedraagt dan 100 m²; c. een diepte hebben die niet meer bedraagt dan 0,3 meter; d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; e. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. 5.4.3 Toelaatbaarheid De in 5.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien: a. er op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. er op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad, of; c. er door technische maatregelen of een archeologische opgraving is gegarandeerd dat de op basis van archeologisch onderzoek vastgestelde archeologische waarden worden veilliggesteld en/of beschermd.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat: a. ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn, of; b. bescherming en veiligstelling van archeologische waarden niet meer noodzakelijk is.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 19 van 28

Datum:03-02-2020

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Pagina: 20 van 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=87547ad8-a863-478e-896b-e1be130ad4c1