CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Ontwerpbestemmmingsplan Pater Vervoortstaat ong.

Raadsvergadering 27 januari 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong.'19.948 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong.

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Betreffende

Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong.

Planstatus

ontwerp

Projectnummer

NL.IMRO.1948.BGV000BP0072019P-ON01

Datum

Mei 2020

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Pater Vervoortstraat ong. Gemeente Meierijstad Ontwerp

Rapportnummer:

P01909_3

Datum:

7 mei 2020

Projectteam BRO:

JR, NvdH, MvD

Concept:

augustus 2019

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

Mei 2020

Vastgesteld: Trefwoorden:

Ruimte-voor-ruimte, Zijtaart, Meierijstad

Bron foto kaft:

BRO, Abstract 1

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling

7 7 9

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

12 12 14 17

4. MILIEUASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Cultuurhistorie & Archeologie 4.3 Flora en fauna 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geurhinder 4.6 Bodem 4.7 Verkeer en parkeren 4.8 Water 4.9 Geluid 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Gezondheid 4.13 Duurzaamheid 4.14 M.e.r.-beoordeling

20 20 20 22 23 24 27 28 28 31 32 34 36 37 37

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

39 39 39 41

Inhoudsopgave

1

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43 43

6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure

43 44 44 44

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Archeologisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Vooroverleg Provincie Noord-Brabant Bijlage 6: Advies Brandweer Bijlage 7: Strategie aankoop bouwtitel

Inhoudsopgave

2

Toelichting

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens een woning te ontwikkelen op het ongenummerde perceel gelegen tussen Pater Vervoortstraat 12 en 18 te Zijtaart. De locatie is momenteel in gebruik als weide en in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. Op percelen met een dergelijke bestemming is de bouw van een woning niet toegestaan. Derhalve is een (partiële) herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk waarbij gebruik wordt gemaakt van de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling. De gemeente Meierijstad heeft in haar vergadering van 11 januari 2018 besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het wijziging van de bestemming en het toevoegen van een woning op deze locatie. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied ligt aan de Pater Vervoortstraat te Zijtaart tussen de nummers 12 en 18. Kadastraal staat de locatie bekend als Veghel, sectie P, nummer 71. Het plangebied ligt aan de rand van de kern Zijtaart. Ten westen van het plangebied sluit de Pater Vervoortstraat aan op de Pastoor Clercxstraat en is de straat onderdeel van de kern. Ter hoogte van het plangebied begint het buitengebied van de gemeente, hier gaat de Pater Vervoortstraat over in een bebouwingslint richting het buitengebied. In de omgeving zijn reeds woningen, een dorpshuis, een kappelletje en enkele vormen van bedrijvigheid aanwezig. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op onderstaande afbeeldingen. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

3

Veghel

Zijtaart

(Globale) Ligging plangebied, bron: www.pdok.nl/viewer

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ het geldende planologisch-juridisch kader. Op 20 december 2012 is dit plan door de voormalig gemeente Veghel vastgesteld. Het perceel heeft hierin de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ toebedeeld gekregen. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Het perceel heeft daarnaast de gebiedsaanduidingen ‘: Kleinschalig Cultuurlandschap’, ‘Landbouw’, ‘Reconstructiewetzone – Verwevingsgebied 2’ en ‘Vrijwaringszone – Radar’.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan, bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

Gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn in eerste instantie bestemd voor agrarisch grondgebruik met daarbij mogelijke ondergeschikte nevenactiviteiten. Binnen deze bestemming is de realisatie van een woning niet mogelijk. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Bij ontwikkelingen groter dan 100 m² en/of dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld dient aangetoond te

Hoofdstuk 1

5

worden dat er geen behoudenswaardige waarden aanwezig zijn of dat deze niet geschaad zullen worden. De gebiedsaanduidigingen richten zich op het behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van het kleinschalig cultuurlandschap en de bouwregels die gelden voor de ‘Vrijwaringszone – Radar’. De gebiedsaanduidingen stellen randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ maakt het niet mogelijk om de voorgestane Ruimte voor Ruimte woning te realiseren. Voorliggend bestemmingsplan stelt de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied en vormt de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk diende als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie De Pater Vervoortstraat is een bebouwingslint vanuit de dorpskern van Zijtaart naar het buitengebied. Het heeft een breed profiel en sluit in beeld aan op de karakteristiek van het dorpscentrum. De weg bestaat op de meeste plaatsen uit twee rijstroken. De bebouwing aan de linten van Zijtaart wordt gekarakteriseerd door voornamelijk vrijstaande woningen uit verschillende tijdsperioden. Het zijn voornamelijk woningen uit de jaren ’60 en ’70 en enkele oudere panden zoals verbouwde langgevelboerderijen en burgerwoningen. De linten hebben een open en groen karakter. Dit wordt hoofdzakelijk benadrukt door de forse bomen die de linten (aan weerszijde) begeleiden. Daarnaast worden veel voortuinen van de openbare ruimte gescheiden door groene hagen die bijdragen aan het groene beeld. De veelal vrijstaande woningen van één tot twee lagen met kap hebben een eenvoudige architectuur, passend bij de karakteristiek van het lint. Het toepassen van traditionele materialen in een natuurlijke kleurstelling zorgt er voor dat de bebouwing in het landschap wordt opgenomen en past in de heersende dorpskarakteristiek. Het plangebied wordt in de huidige situatie gebruikt voor agrarische doeleinden (akkerland) en er is nog geen bebouwing aanwezig. Het plangebied wordt omringd door woningen, agrarisch gebied en maatschappelijke functies in de vorm van een dorpshuis.

In de omgeving zijn ook nog enkele vormen van bedrijvigheid te vinden in de vorm van een autogaragebedrijf, een hoveniersbedrijf en vuurwerkhandel. Alhoewel het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, maakt het door de ligging aan de rand van Zijtaart ruimtelijk gezien onderdeel uit van het dorp.

Hoofdstuk 2

7

Figuur 2.1 Huidige situatie plangebied

Figuur 2.2 Impressie Pater Vervoorstraat met o.a. een kapel aan de overzijde van het plangebied

Hoofdstuk 2

8

2.2 Voorgestane ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens een vrijstaande woning in het plangebied te realiseren. De woning wordt tussen de woning op Pater Vervoortstraat 12 en 18 gepositioneerd waarbij de woning zoveel mogelijk geclusterd wordt bij de woning op nummer 12. Zo ontstaat een onbebouwde zone van 8 meter tussen de woning en de oostgrens. Hierdoor blijft de impact op de doorzichtlijnen en het open karakter van het landschap minimaal. De beoogde woning wordt uitgevoerd met één bouwlaag met kap zodat een eenduidig stedenbouwkundig beeld ontstaat aan de Pater Vervoortstraat. De inrit en parkeervoorzieningen worden voor het bijgebouw gerealiseerd. Figuur 2.3 geeft een impressie van de toekomstige situatie met de situering van de woning op het perceel. De inpassing van de woning zorgt ervoor dat het min mogelijk impact heeft op het karakter en de belevingswaarde van de straat. Het realiseren van een woning zorgt niet voor een verslechtering in de ruimtelijke kwaliteit. Een essentieel onderdeel van de woningbouwontwikkeling is daarom een goede landschappelijke inpasbaarheid. Om deze reden is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie figuur 2.3 en bijlage 1. Aan de voorzijde van de woning zal een beeldbepalende bomenrij aangeplant worden. Langs de straatzijde zal tevens een lage scheerhaag (beukenhaag) aan worden geplant.

Aan de oostgrens van het perceel komt een hoge scheerhaag (beukenhaag). Op de achterzijde van het perceel worden incidenteel verspreide bomen aangeplant langs de kavelgrens. De bebouwingsvrije zone ten oosten van de woning wordt vrijgehouden van landschapselementen om zo de doorkijk ook echt te behouden. De voorgestane ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woning gaat daarmee gepaard met een zorgvuldige inpassing van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de nabije omgeving.

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.3 Toekomstige situatie plangebied

Hoofdstuk 2

10

Figuur 2.4 Invulling perceel, nieuwe bebouwing wordt zoveel mogelijk geclusterd gebouwd met de woning op het westelijk perceel.

Figuur 2.5 Voorgevel van de beoogde nieuwbouw, deze wordt ruimtelijk ingepast met de reeds aanwezige bebouwing aan de Pater Vervoortstraat

Figuur 2.6 Bouw- en goothoogte, hiermee wordt aangesloten op de hoogte van de reeds aanwezige bebouwing aan de Pater Vervoortstraat

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Van 20 augustus 2019 tot en met 30 september 2019 heeft de ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ter inzage gelegen. De ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Belangrijk uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zodat er in gebieden betere en meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien wordt de woning landschappelijk ingepast en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden zodat er een beter en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft de ambitie aan voor Nederland in 2040. Die ambitie is vertaald in doelen voor de middellange termijn tot 2028. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland dient met de nieuwe structuurvisie gekeerd te worden. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Eén van de 13 nationale belangen is ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10).

Hoofdstuk 3

12

Doorwerking plangebied Het project behoort niet tot 1 van de 13 belangen waarvoor decentrale overheden geen beleidsvrijheid hebben. Het beleid inzake het mogelijk maken van een ruimte-voor-ruimte woning wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met een van de nationale belangen. Onderhavige ontwikkeling is dus in overeenstemming met het Barro.

Ladder voor duurzame ontwikkeling Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt de ontwikkeling van één extra woning mogelijk gemaakt. Op basis van geldende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een

Hoofdstuk 3

13

stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet met één woning dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de uitgangspunten van de ladder.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Verordening Ruimte Het ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is vertaald in de Verordening ruimte en op 1 januari 2019 als geconsolideerde versie gepubliceerd.

Gemeenten en planopstellers moeten bij het opstellen van dergelijke besluiten de regels van de Verordening ruimte toepassen, waarmee de gemeentelijke bevoegdheden worden ingeperkt. Behalve dat de verordening eisen stelt aan door de gemeenten in Noord-Brabant op te stellen bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen, vormt het een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. Daarom wordt in deze toelichting het plan nog getoetst aan de Verordening Ruimte Noord-Brabant (2019).

Hoofdstuk 3

14

Doorwerking plangebied Het plangebied wordt in de verordening ruimte aangeduid als ‘Gemengd landelijk gebied’ met de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Onderstaand zijn uitsluitend de voor het plangebied relevante passages beschreven.

Figuur 3.1 Uitsnede Verordening Ruimte

Artikel 3.1: Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit 1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid; b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.2: Kwaliteitsverbetering van het landschap 1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving; 2. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording: a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied.

Hoofdstuk 3

15

7.8 Ruimte-voor-ruimte 1. In afwijking van artikel 7.7 eerste lid (wonen) en artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. 2. Een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst als bedoeld in het eerste lid betekent dat per ruimte-voor-ruimtekavel is aangetoond dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. een of meer veehouderijen gericht op het houden van varkens of pluimvee zijn in het geheel beëindigd waarbij alle bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt; b. de onder a. bedoelde veehouderijen zijn voorafgaand aan de beëindiging gedurende een periode van drie jaar onafgebroken in bedrijf geweest; c. de onder a.

bedoelde veehouderijen zijn gevestigd binnen de aanduiding Gebied beperkingen veehouderij of op een locatie die vanwege omliggende waarden en functies niet geschikt is voor de uitoefening van een veehouderij; d. er tenminste 1000 m2 bedrijfsgebouwen ten dienste van de veehouderij, niet zijnde de bedrijfswoning, zijn gesloopt met een minimum van 200 m2 op iedere beëindigingslocatie; e. de ten behoeve van de onder a. bedoelde veehouderijen geregistreerde rechten betreffende de fosfaatproductie in een gezamenlijke omvang van tenminste 3.500 kg uit de markt zijn genomen door doorhaling van de bij de Dienst Regelingen geregistreerde rechten, waarbij per beëindigingslocatie een minimum van 700 kg aan rechten betreffende de productie van fosfaat aanwezig is; f. de rechten als bedoeld onder e. moeten vanaf het moment van beëindiging van de bedrijfsvoering tot aan het moment van uit de markt nemen geregistreerd staan op naam van de veehouderij die beëindigd; g. de omgevingsvergunning milieu op iedere beëindigingslocatie is ingetrokken; h. een passende herbestemming is gelegd op iedere beëindigingslocatie waarbij in ieder geval het houden van vee en het bouwen van nieuwe bedrijfsgebouwen is uitgesloten; i. in redelijkheid niet op andere wijze is voorzien in de beëindiging van de veehouderij. 3.

In afwijking van het tweede lid kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimte-voor-ruimtekavel indien deze wordt ontwikkeld door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken. 4. Het bepaalde onder het derde lid vervalt indien uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat er in totaal 3500 ruimte voor ruimte kavels door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte zijn ontwikkeld; 5. Artikel 3.2 (kwaliteitsverbetering van het landschap) is niet van toepassing op een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 3

16

De Verordening bepaalt dat nieuwvestiging van burgerwoningen in het buitengebied niet is toegestaan. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de Ruimte-voor-Ruimte regeling wordt een uitzondering op deze regel gemaakt en is de realisatie van een woning onder voorwaarden mogelijk. Een belangrijke voorwaarde is dat de locatie waar de woningbouw plaatsvindt in een bebouwingsconcentratie ligt. De verordening omschrijft een bebouwingsconcentratie als ‘kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster’. De Pater Vervoortstraat kan gezien worden als bebouwingslint. Tevens ligt het plangebied volgens de Structuurvisie Veghel 2030 in de ‘250 meter-zone rondom woongebieden’ (zie paragraaf 3.4), wat gezien kan worden als kernrandzone. Derhalve maakt het plangebied onderdeel uit van een bebouwingsconcentratie en voldoet het aan deze voorwaarde. Ook dient aangetoond te worden dat er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst zoals bedoeld in de voorwaarden van artikel 7.8. Initiatiefnemer schaft een bouwtitel aan bij de Ruimte voor Ruimte Maatschappij van de provincie dan wel zal zelf een titel gegenereerd en aangekocht worden (zie bijlage 7). Hierdoor wordt er elders, bij voorkeur, in de gemeente Meierijstad de benodigde milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst geboekt en is artikel 3.2 ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ niet van toepassing.

Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.8. Middels een landschappelijk inpassingsplan wordt het perceel landschappelijk ingepast in de omgeving waarbij de bestaande waardevolle landschappelijke kwaliteiten en structuren zoveel mogelijk behouden blijven, zie paragraaf 2.2. De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief in overeenstemming is met de Verordening ruimte.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 In de structuurvisie heeft de voormalige gemeente Veghel de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen weer. Het betreft een globale visie, die kaders stelt aan gewenste ontwikkelingen in zowel het stedelijk als landelijk gebied. Doorwerking plangebied In de structuurvisie zijn verschillende visiekaarten opgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de kaarten ‘Visiekaart Wonen’ en ‘Visiekaart 2030’ van belang. Visiekaart 2030 In de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling zijn bepaalde landschapswaarden/ruimtelijke kenmerken voor locaties opgenomen. Deze zijn ook in de Visiekaart 2030 van de Structuurvisie Veghel 2030 overgenomen. In deze Visiekaart 2030 is de onderzoekslocatie aangeduid als ontwikkelgebied voor een afwisselend Veghels mozaïek.

Hoofdstuk 3

17

Figuur 3.2 Uitsnede Visiekaart 2030

Het Veghels mozaïek kenmerkt zich door een combinatie van functies, waarbij sprake is van clusters in het landschap. De kwaliteit van dit gebied ligt in het evenwicht tussen het open, kleinschalige landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het is mogelijk om een van deze kernpunten verder uit te breiden. Dit dient wel integraal te gebeuren, met oog voor het kenmerkende evenwicht. Met voorgestane ontwikkeling wordt een (kleine) uitbreiding van een bestaand cluster mogelijk gemaakt. Dit is in principe mogelijk binnen de structuurvisie. Wel dient hierbij aandacht besteed te worden aan de groenblauwe structuur en het open landschap. Dit wordt gedaan door de woning zover mogelijk aan te laten sluiten bij de bestaande bebouwing aan de westzijde. Hierdoor wordt de doorkijk op het landschap gewaarborgd en blijft het open karakter bestaan. Visiekaart wonen In de Visiekaart Wonen is het plangebied aangeduid als 250-meter zone rondom woongebieden. Het ligt op de grens van een bestaand woongebied met dorpse kwaliteiten (Zijtaart). Deze zone stelt beperkingen aan ontwikkelingen van intensieve veehouderijen en legt geen beperkingen aan onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 3

18

Figuur 3.3 Uitsnede Visiekaart Wonen

Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen.

Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van één woning die door de initiatiefnemer zelf bewoond zal worden. Derhalve is sprake van behoefte naar de woning en wordt ermee ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zal de woning zoveel mogelijk energieneutraal, minimaal bijna energieneutraal (BENG), gebouwd worden. Hiermee is het plan in lijn met de Woonvisie Meierijstad.

Hoofdstuk 3

19

4.

MILIEUASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische aspecten.

4.2 Cultuurhistorie & Archeologie De kaders voor bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden wordt gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. In het Bro is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Cultuurhistorie Het plangebied bevindt zich in ‘De Meierij’, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond.

Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen.

Hoofdstuk 4

20

Zijtaart is daarnaast aangemerkt als ‘Heidenederzetting gelegen op oude oeverwal van de Aa (genoemd in 1356)’. Na de stichting van de parochie en de bouw van de Sint-Lambertuskerk (1871) heeft een dorpsverplaatsing naar de nieuwe kom rond de kerk plaatsgevonden. Daarbij is een voornamelijk noordwaarts gerichte lintvormige uitbreiding (Pastoor Clercxstraat) ontstaan. Deze is overgegaan in de voormalige heidenederzetting Doornhoek. Bepalend in de kom van Zijtaart zijn de kerk, pastorie (1875) en het klooster (1901,1907), naar noorden meer eenvoudige eenlaagse woonhuizen (circa 1890-1920), overgaand in boerderijen (circa 1850-1920) op Doornhoek. De structuur is nog gaaf aanwezig, hoewel het bebouwingsbeeld met name in Zijtaart gewijzigd is door naoorlogse nieuwbouw. Met name vanaf de Zuid-Willemsvaart een visuele relatie tussen oude ontginningsgronden en het dorpssilhouet. Met onderhavig planvoornemen wordt een nieuwe vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De woning wordt bij de bestaande woning Pater Vervoortstraat 12 geclusterd zodat de inbreuk op het bebouwingslint beperkt blijft en de doorkijk is gewaarborgd. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen invloed op de structuren van de cultuurhistorische regio’s of de Pater Vervoortstraat.

Uit paragraaf 2.2 is reeds gebleken dat de woning landschappelijk ingepast wordt, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omgevingskenmerken. Archeologie De voormalige gemeente Veghel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Buitengebied heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn mede bestemd voor de bescherming en het veiligstellen van de te verwachten archeologische waarden. In principe mag er niet gebouwd worden op deze gronden, tenzij er sprake is van ver-/nieuwbouw, waarbij niet groter of dieper gebouwd wordt dan voorheen, er maximaal 100 m2 aan oppervlakte bijkomt of niet dieper gegaan wordt dan 0,3 meter. De beoogde Ruimte voor Ruimte woning overschrijdt deze onderzoeksgrens. Derhalve is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door Salisbury Archeologie1. Het volledige rapport is toegevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten beschreven. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseert Salisbury Archeologie een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) met eventuele doorstart naar een definitieve opgraving (DO) uit te voeren binnen de twee bouwvlakken.

De algemene doelstelling van het proefsleuvenonderzoek is het achterhalen of er daadwerkelijk een archeologische vindplaats voorkomt. Als dit het geval is dienen de aard en de begrenzing ervan nader gespecificeerd te worden. Uiteindelijk dient dit te resulteren in een waardering van de vindplaats mocht deze aanwezig zijn. Gezien de geringe omvang van de te onderzoeken locatie is het raadzaam bij het aantreffen van een vindplaats in overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag direct door te starten naar een definitieve opgraving (DO).

1

Zijtaart, Pater Vervoortstraat ong. (Gemeente Meierijstad): Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, Salisbury, 23 oktober 2019 (rapport 274)

Hoofdstuk 4

21

Aangezien er buiten de twee bouwvlakken geen graafwerkzaamheden zullen gaan plaatsvinden adviseert Salisbury Archeologie om in dit deel van het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren. Eventuele archeologische resten kunnen zodoende in situ bewaard blijven. De dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2” blijft daarmee voor dit deel van het plangebied van kracht. Met betrekking tot de bevindingen en aanbevelingen uit dit onderzoek dient contact opgenomen te worden met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Meierijstad. Selectieadvies archeologische monumentenzorg Gemeente Meierijstad De gemeente Meierijstad is - als bevoegde overheid - gevraagd het rapport van Salisbury te beoordelen. Het is daartoe voorgelegd aan de afdeling SO/Erfgoed van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het selectieadvies is opgenomen in de bijlagen bij dit bestemmingsplan. Op grond van bovenstaande beoordeling kan de gemeente instemmen met de inhoud en strekking van het door Salisbury opgestelde rapport. De gemeente neemt het advies over om binnen de lopende AMZ-cyclus eerst nog een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk te achten. Hierbij is er tevens de mogelijkheid tot een doorstart naar een opgraving als er behoudenswaardige waarden en resten worden aangetroffen. Daartoe dient er eerst een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld; dit PvE moet vooraf door de bevoegde overheid worden goedgekeurd.

Verder wordt door de gemeente ook het advies tot opname/handhaving van de dubbelbestemming “Waarde - Archeologie 2 ” in onderhavig bestemmingsplan overgenomen.

4.3 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In deze paragraaf wordt een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. Doorwerking plangebied Gebiedsbescherming De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en het ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Deze liggen respectievelijk op ca. 17 en 18 kilometer van het plangebied verwijderd. Gezien de afstand zijn significant negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Het dichtstbijzijnde Natuurwetwerk Nederland-gebied bevindt zich bij de Zuid-Willemsvaart, welke gelegen

Hoofdstuk 4

22

is op ca. 600 meter. Gezien de afstand en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Soortbescherming In het plangebied zijn mogelijk ecologische waarden te vinden die aangetast zouden kunnen worden door de realisatie van een woning. Er is daarom een QuickScan flora en fauna2 uitgevoerd om te kijken of er beschermde soorten aanwezig zijn en of deze negatieve effecten ondervinden door het planvoornemen. De volledige quickscan is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soort-groepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, de zorgplicht voor (incidenteel) aanwezige individuen in acht genomen wordt.

Op basis van bovenstaande, met inachtneming van de zorgplicht voor (incidenteel) aanwezige individuen, wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Wanneer aan de afstanden worden voldaan is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten.

Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden. Deze 2 Quickscan flora en Fauna ‘Ruimte-voor- Ruimtewoning Pater Vervoortstraat’ te Zijtaart, BRO, 13 juni 2019 (nr. P01909)

Hoofdstuk 4

23

afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten behandeld in paragraaf 4.6. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn verschillende vormen van bedrijvigheid te vinden. Hieronder worden de dichtstbijzijnde en relevante vormen beschreven en geanalyseerd. Pastoor Clercxstraat 34 Op 70 meter ten westen van het plangebied is op Pastoor Clercxstraat 74 een autogaragebedrijf gevestigd. Voor dergelijke bedrijven geldt milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 30 meter. Hier wordt aan voldaan, er is geen sprake van milieuhinder. Pater Vervoortstraat 22 Op Pater Vervoortstraat 22 is een hoveniersbedrijf gevestigd. Voor dit type bedrijf geldt een maximum milieucategorie van 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter. De afstand tussen de grens van het bedrijfsperceel en de uiterste situering van de gevel van de woning in het plangebied is circa 44 meter. Hieruit blijkt dat de beoogde woning binnen de richtafstand voor geur valt (50 meter). Er bevindt zich echter al een woning tussen het hoveniersbedrijf en het plangebied.

Deze werkt beperkend voor de mogelijkheden van het hoveniersbedrijf en daarnaast mag hiermee worden aangenomen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd ter hoogte van het plangebied. Er is derhalve geen sprake van milieuhinder. Pastoor Clercxstraat 50 Aan de Pastoor Clercxstraat is een multifunctionele accommodatie gevestigd, dit valt binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’. Dergelijke maatschappelijke voorzieningen zijn gelijk te stellen aan de maximale milieucategorie 1 en 2, hiervoor geldt een richtafstand van respectievelijk 10 meter en 30 meter. De dichtstbijzijnde ‘accommodatie’ ten opzichte van het plangebied is een kapel, de afstand tussen de woning en de maatschappelijk bestemming bedraagt circa 25 meter. Het is niet voorstelbaar dat een kapel milieuhygiënische overlast geeft. De afstand tussen de woning en de andere maatschappelijke functies/voorzieningen is meer dan 30 meter. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.5 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd.

Hoofdstuk 4

24

De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conform de Wgv dient een veehouderijbedrijf te voldoen aan een geurhindercontour van maximaal 14 ouE/m³ (odeurunits). Dat betekent dat een individueel veehouderijbedrijf niet meer dan 14 ouE/m³ op geurgevoelige objecten mag uitstoten. Op 13 september 2016 heeft de voormalige gemeente Veghel de ‘Evaluatie geurbeleid 2015 Gemeente Veghel’ vastgesteld. Middels dit beleid heeft de gemeente geen afwijkende geurhindercontouren vastgesteld. Doorwerking plangebied Voorgrondbelasting Het plangebied ligt in de zone “grenzend aan woongebied; bebouwingsconcentraties buitengebied; ontwikkellocaties woongebieden; bestaande bedrijventerreinen”. Voor deze zone geldt een normstelling van 8 ouE/m3. In de kaart (2007) behorende bij het geurbeleid is de voorgrondbelasting door middel van indicatieve geurhindercontouren weergegeven. Met name de pluimveehouderij Pastoor Clercxstraat 20 is van belang.

Uit onderstaande figuur blijkt dat de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied lager is dan 3 ouE/m 3.

Pastoor Clercxstraat 20

Figuur 4.2 Weergave voorgrondbelasting 2007 met het plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 4

25

Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting. Echter, betreft dit de situatie uit 2007. Om te bepalen of de situatie ten opzichte van 2007 is verslechterd zijn de vergunningen van de veehouderij gecontroleerd, zie onderstaande tabel. Locatie Pastoor Clercxstraat 20

Relevante vergunningen 2008 en 2014

Geuremmissie (Ou/s) 5100

Invloed op voorgrondbelasting Situatie na 2008 gewijzigd door intrekken gedeeltelijke veetand. Situatie verbeterd t.o.v. 2007.

Uit bovenstaande tabel blijkt de indicatieve geurhindercontouren uit 2007 gehanteerd kunnen worden als worst-case scenario. De geurbelasting is ten opzichte van 2007 niet verslechterd omdat een gedeelte van de veestand is ingetrokken in 2008. Daarnaast liggen enkele woningen liggen dichterbij de veehouderij dan de te realiseren woning in het plangebied. Gezien vorenstaande kan gesteld worden dat de nieuwe woning niet maatgevend is voor de ontwikkelingsruimte van deze veehouderij. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in het plangebied daarmee op geen enkele wijze een belemmering vormt voor de veehouderij Pastoor Clercxstraat 20 en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied ten aanzien van de voorgrondbelasting. Achtergrondbelasting Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt middels de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken. In onderstaande figuur is een uitsnede weergegeven van de gecumuleerde geurbelasting (evaluatie van de gemeentelijke geurverordening 2015).

Hierin is te zien dat ter plaatse van het plangebied de gecumuleerde geurbelasting 5 -10 E/m³ is, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4.3 Weergave achtergrondbelasting met het plangebied rood omlijnd. Het betreft de geursituatie 2015 inclusief ontwikkelingsanalyse volgens VR 2014 en GGD-advieswaarden Hoofdstuk 4

26

De geurfactoren van combiluchtwassers zijn in 2018 echter aangepast. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat combi luchtwassers voor wat betreft de reductie van geuremissies niet goed functioneren. Bij combi wassers moet daarom worden gerekend met hogere geurfactoren, het gevolg is dat de geurhindercirkels op papier groter zijn dan aanvankelijk werd gedacht. Het gaat hierbij om combiwassers van varkenshouderijen. Dit heeft dan natuurlijk ook effect op de cumulatie en dus de achtergrondbelasting, deze kan wat slechter uitvallen dan op de gemeentelijk kaart uit 2015 is weergegeven. De veehouderij waar vanuit de meeste geurhinder komt, zie figuur 4.2, is echter een pluimveehouderij en veel andere bedrijven in de omgeving zijn er niet. Aangegeven is dat correctie qua reductie-effecten van combiwassers vooral bij varkenshouderijen speelt en dus niet zo zeer bij pluimvee. Mede hierdoor is er geen reden om aan te nemen dat de achtergrondbelastingsituatie uit 2015 zodanig slechter zou zijn dat er nu sprake is van een andere beoordelingsklasse qua woon- en leefklimaat. Daarom is het aannemelijk te veronderstellen dat de achtergrondbelasting geen belemmering vormt voor dit planvoornemen. Conclusie Omliggende veehouderijen worden niet belemmerd door de realisatie van een woning in het plangebied.

Ten aanzien van zowel de voor- als achtergrondbelasting kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar/optimaal woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De ontwikkeling kan, voor wat betreft het aspect geurhinder, doorgang vinden. Daarnaast vormt de ontwikkeling in het plangebied op geen enkele wijze een belemmering voor de omliggende veehouderijen.

4.6 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Met de beoogde bestemmingswijziging van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen’ wordt een ‘gevoeligere’ functie gerealiseerd. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek3 (NEN5740) uitgevoerd om aan te tonen dat de bodem geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Hieruit komt naar voren dat:  in de mengmonsters van de visueel schone bovengrond van de vaste bodem (BG1 en BG2) geen gehaltes zijn gemeten boven de achtergrondwaarden.  in het mengmonster van de visueel schone ondergrond van de vaste bodem (OG1) geen gehaltes zijn gemeten boven de achtergrondwaarden.

3

Verkennend bodemonderzoek Pater Vervoortstraat ong. te Zijtaart, Bodeminzicht, 16 mei 2019 (rapportnr. B2273)

Hoofdstuk 4

27

in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 gehaltes aan nikkel en barium gedetecteerd boven de streefwaarden. Echter zijn deze verhogingen aan metalen toe te schrijven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaardes, waardoor er geen nader onderzoek benodigd is.

Concluderend kan worden gesteld dat uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen verontreinigingen aangetoond zijn die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde bestemming wonen. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.

4.7 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Doorwerking plangebied Verkeersgeneratie Met de CROW-tool kan berekend worden wat de invloed van de beoogde splitsing zal zijn op de verkeersdrukte. Een vrijstaande woning heeft een verkeersaantrekkende werking van 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal (gemiddeld). In de toekomstige situatie wordt één vrijstaande woning gerealiseerd, wat betekent dat er gemiddeld 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal bijkomen. De huidige verkeerssituatie biedt voldoende mogelijkheden om deze verkeerstoename op te vangen.

Parkeren Per woning zijn volgens de Nota parkeernormen Meierijstad 2018, zoals opgenomen in het paraplubestemmingsplan parkeren, vastgesteld d.d. 31-01-2019, afgerond 3 parkeerplaatsen benodigd. In het principebesluit heeft de gemeente de voorwaarden gesteld dat deze plekken op eigen terrein ontwikkeld dienen te worden. Op eigen terrein is meer dan voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.8 Water Het is verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient

Hoofdstuk 4

28

de gemeente een wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. Het waterschap en de gemeente kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Beleidskader Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan. Het waterbeheerplan maakt inzichtelijk wat Waterschap Aa en Maas in de planperiode van zes jaar gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. Het plan betreft geen grote koerswijziging ten opzichte van het Waterbeheerplan 20102015. Voornamelijk de punten waterveiligheid en waterkwaliteit worden verder geaccentueerd. Strengere eisen worden gesteld aan de dijken langs de Maas om veiligheid van de omgeving beter te waarborgen. Daarnaast is de kwaliteit van het oppervlaktewater een punt van aandacht. Naast de grote hoeveelheid voedingsstoffen, zijn nieuwe stoffen als medicijnresten, drugs(afval) en resistente bacteriën een probleem. Met het waterbeleid streeft Waterschap Aa en Maas naar:  Veilig en bewoonbaar gebied Investeren in het verbeteren van dijken zodat de veiligheid tegen overstromingen blijft ge-waarborgd.

Hiervoor verbetert het waterschap de vijf kilometer primaire waterkering en vijf waterkerende kunstwerken die niet aan de norm voldoen. Daarnaast streeft het waterschap ernaar de grootste knelpunten van wateroverlast op te lossen.  Voldoende water en robuust watersysteem Het waterschap wil in dit kader de baggerachterstand verder wegwerken, de knelpunten in agrarisch gebied oplossen door inrichtings- en beheermaatregelen en het aanpakken van de verdroging van natuurgebieden.  Gezond en schoon water Doelstellingen op dit punt betreffen het verbeteren van (mogelijk) verontreinigde waterbodems en het afvalwater zo goed mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten te blijven zuiveren. Hiertoe zal de samenwerking met gemeenten in de waterketen verder worden verbeterd. Tot slot blijft het waterschap initiatieven, om diffuse verontreinigingen terug te dringen, stimuleren.  Natuurlijk water De doelstelling is onder ander om 30 kilometer beek herstellen en 120 kilometer ecologische verbindingszones aan te leggen samen met gemeenten en terreinbeheerders. Samen met de gemeenten wil de belangrijkste knelpunten in stedelijk gebied aanpakken, zoals blauwalgen en waterstank. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta.

De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels.

Hoofdstuk 4

29

Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2, groene daken en afkoppelplannen kleiner dan 10.000 m², geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. De gemeente Meierijstad (waartoe Veghel sinds 2017 behoort), waterschap De Dommel en waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk een Waterplan opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water;  Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren;  Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem;  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater;  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone.

Wel toegankelijk met een recreatieve functie;  Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor;  De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt;  De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. Doorwerking plangebied Bodem- en grondwater Op basis van de bodemkaart Nederland is er ter plaatse van het plangebied een zandgrond te verwachten. Deze bestaat naar verwachting uit een fijn zand, zwak siltig met op ca. 2 m-mv een leemlaag. Op basis van de verwachte bodemopbouw is een matig (voornamelijk horizontale) doorlatendheid aanwezig. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied een hogere grondwaterstand. Ter plaatse is een grondwatertrap van III aangegeven. Hiervoor geldt een Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van minder dan 40 cm en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van 80 – 120 cm. De GHG is relatief hoog. Om wateroverlast te voorkomen moet de bouwpeilhoogte derhalve voldoende hoog zijn ten opzichte van het omliggende maaiveld. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater te vinden. Aan de overzijde van de Pater Vervoortstraat ligt wel een vijver. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op deze vijver. Hemelwater De locatie is in de huidige situatie onbebouwd en dus ook onverhard.

Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van één woning met bijbehorende schuur. Hierdoor neemt het verhard oppervlakte toe. Overige verharding vindt plaats door bijvoorbeeld een oprit of terras. In de bouwplannen zal

Hoofdstuk 4

30

het totaal verhard oppervlakte opgenomen zijn. Voor nu is de tabel te zien wat er aan verharding wordt verwacht. Woning:

115 m²

Schuur:

100 m²

Overig:

100 m²

Totaal:

315 m²

In de Keur is opgenomen dat er geen compensatieplicht geldt, wanneer de verharding minder bedraagt dan 2.000 m2. Het gemeentelijk beleid verplicht echter een hemelwaterneutrale ontwikkeling en dus is hemelwaterverwerking ter plaatse verplicht. Voor een bui van 60 mm bedraagt de benodigde waterberging zonder aanvullende maatregelingen ca. 19 m³ op basis van de verwachte verharding. Ter plaatse is geen minderingsfactor van toepassing. Ter plaatse is een goede infiltratiesnelheid te verwachten. Er wordt een infiltratiegreppel van circa 1,5 meter breed en 58 meter lang aangelegd langs het voorerf, een berging van 19m 3 is in deze greppel realistisch. Afvalwater Voor de woning dient een nieuwe rioolaansluiting gerealiseerd te worden. Hiervoor wordt een aanvraag rioolaansluiting ingediend bij de gemeente Meierijstad. Hier mag alleen vuil water op aangesloten worden. Derhalve zal er ook een nieuwe, gescheiden riolering aangelegd worden. Conclusie Gezien de ligging van het plangebied en het planvoornemen met inachtneming van de adviezen is geen wateroverlast te verwachten. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor onderhavig plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=87547ad8-a863-478e-896b-e1be130ad4c1