Bijlage 2. concept beschikking
Tekst van het document
9.
BRANDVEILIGHEID
9.1. Algemeen Op 26 juni 2025 hebben wij advies ontvangen van de Veiligheidsregio BrabantNoord en 4 augustus 2025. Het advies bevat de volgende punten en onder elke punt geven wij onze reactie: 1.
In de aanvraag worden niet de meeste actuele PGS’-en gebruikt. Geadviseerd wordt de laatste PGS’-en toe te passen. Reactie 1: Bij de beoordeling zullen wij de PGS’-en toepassen die zijn aangewezen in de Omgevingsregeling. Sommige meeste actuele PGS’-en zijn nog niet opgenomen in de Omgevingsregeling, waaronder de PGS 15:2025 en de PGS 31:2024. De aanvraag gaat uit van de PGS uit de Omgevingsregeling. Wij zullen daarom het advies niet volgen.
2.
Bal en PGS-richtlijnen geven geen eisen aan de meng/procestanks. Geadviseerd wordt om specifieke voorschriften op te nemen gebaseerd op de PGS 31:2024. Reactie 2: Voor de opslagtanks gelden de algemene regels uit het Bal. Voor de meng/procestanks zullen wij een selectie opnemen uit de PGS 31. Wij kunnen niet de hele PGS 31 voorschrijven, omdat mengtanks/procestanks niet onder de scope van de PGS 31 vallen. Indien een verpakking groter dan 250 liter wordt gebruikt als opslagtank zijn de algemene regels van het Bal van toepassing, voor zover het diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vette of pekel bevat (paragraaf 3.2.8 Bal).
3.
De aanvraag geeft het volgende aan: De tankwagen staat tijdens het lossen op een vloeistofdichte vloer, in geval van breuk in de losslang zal het systeem drukverlies detecteren en de pomp stoppen en de kleppen dichtsturen. Onduidelijk is of hier sprake is van het dichtsturen van de bodemafsluiter. Geadviseerd wordt om in de beschikking te borgen dat de tankwagens beschikken over een systeem dat drukverlies detecteert, de pomp stopt en de bodemafsluiter van de tankwagen sluit of een laadlosplaats welke is voorzien van vloeistofopvang welke één tankwagen kan opvangen.
4.
Geadviseerd om in de vergunning te borgen dat er niet geparkeerd mag worden op de laad/losplaatsen/loadingdock in verband met risico’s van brandoverslag. Reactie 3+4: Hiertoe zullen wij voorschriften in de vergunning opnemen.
5.
De volgende bluswatervoorzieningen worden gewenst: •
Er dienen tenminste twee particulier geboorde putten op eigen terrein te zijn gerealiseerd.
•
Bij een geboorde put op eigen terrein dienen onderstaande uitgangspunten te worden aangehouden: - De waterlevering per bluswatervoorziening dient continu te zijn verzekerd van een waterlevering van ten minste 60 m3/h; - Een bluswatervoorziening moet altijd vrij gehouden worden en
49
met signalering herkenbaar zijn; - De bluswatervoorzieningen moeten voldoen aan huidig geldende “Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening” en de SIKB Richtlijn “Ontwerp, realisatie en oplevering, beheer en onderhoud van geboorde brandputten” (Versie 2.0 18 maart 2021); - Bluswatervoorzieningen moeten tenminste elk jaar door een deskundige worden gecontroleerd op de vereiste wateropbrengst, tenzij de toegepaste ontwerpnorm anders bepaalt. De rapportage met inzicht in de wateropbrengst moet op locatie beschikbaar zijn. •
De geboorde putten dienen op tekening aangegeven te zijn. De tekening dient binnen de inrichting beschikbaar te zijn.
•
Bij het buiten bedrijfstellen van (delen van) een bluswatervoorziening moet de vergunninghouder vervangende of gelijkwaardige maatregelen treffen met goedkeuring door het bevoegd gezag.
•
Voor ingebruikname van de geboorde put dienen de specificaties van de bluswatervoorzieningen (debietmeting, coördinaten, opleveringsrapport) opgestuurd te worden naar de Veiligheidsregio Brabant-Noord via risicobeheersing@vrbn.nl.
Reactie 5: Wij zullen bovenstaande voorzieningen voorschrijven. 6.
Bij het vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussysteem wordt het volgende geadviseerd: •
Bouwdelen 1 t/m 10 moeten beschikken over een vastopgesteld brandbeheersings- en brandblussysteem (VBB-systeem) welke voor wat betreft ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie moet voldoen aan het gestelde in het door het bevoegd gezag goedgekeurde UPD.
•
Voorafgaand aan de ingebruikname van bouwwerk, moet het UPD zijn beoordeeld door een type-A inspectie-instelling. Deze instelling is voor het uitvoeren van de beoordelingen en inspecties van brandbeveiliging systemen geaccrediteerd door de stichting Raad voor Accreditatie conform NEN-EN-ISO/IEC 17020 of door een andere accreditatieinstelling welke het multilateral Agreement van European Accreditors heeft ondertekend.
•
De vergunninghouder dient iedere vijf jaar het UPD, te laten beoordelen door een type-A inspectie-instelling. Het resultaat van deze vijfjaarlijkse herbeoordeling overlegt u aan het bevoegd gezag.
•
Het vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussysteem (VBBsysteem) uitgevoerd conform het door het bevoegd gezag goedgekeurde UPD, moet iedere 12 maanden worden geïnspecteerd door een NEN-EN-ISO/IEC 17020 geaccrediteerde Inspectie A instelling. - Minimaal de bouwdelen met PGS voorzieningen worden conform het actueel CCV Inspectieschema “Brandbeveiliging opslag gevaarlijke stoffen PGS” geïnspecteerd. - Hiervoor dient een goedkeurend inspectiecertificaat en inspectierapport met “ja” conclusie beschikbaar te zijn op locatie. Een “nee” conclusie dient direct te worden gemeld bij het bevoegd gezag met bijbehorend plan van aanpak.
•
Bij het buiten bedrijfsstellen van (delen van) het VBB-systeem, moet de vergunninghouder vervangende en gelijkwaardige maatregelen treffen met goedkeuring door het bevoegd gezag. Of de procesvoering dient aantoonbaar te zijn aangepast aan het gewijzigde veiligheidsniveau.
50
Reactie 6: Bij deze adviezen zit een overlap met de voorschriften die volgen uit de PGS15. Omdat de blusinstallatie ook is aangebracht in de expeditie en de productieruimte zullen wij de specifieke voorschriften uit de PGS15 op dit punt aanpassen. 7.
De volgende voorschriften met betrekking tot brandveiligheid worden geadviseerd: •
In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.
•
Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.
•
Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds: a. voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; b. goed bereikbaar zijn; c. als zodanig herkenbaar zijn; d. geschikt zijn voor de beheersing of de blussing van een bepaald type brand.
•
Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moet ten minste zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies; b. alle opslagen van gevaarlijke stoffen met vermelding van de aard van de stof overeenkomstig de ADR/CLP classificatie-indeling en de maximale hoeveelheden. Iedereen die binnen de inrichting aanwezig is moet bekend zijn met de algemene veiligheidsvoorschriften en de voorschriften in geval van noodsituaties.
•
Iedere medewerker (met uitzondering van werknemers met een kantoorfunctie en die geen bedrijfshulpverlener zijn) moet aantoonbaar bekend zijn met het praktisch gebruik van kleine blusmiddelen. Tevens moeten medewerkers van (onder)aannemers die brandgevaarlijke werkzaamheden bij het bedrijf uitvoeren, bekend zijn met het praktische gebruik van kleine blusmiddelen.
•
Binnen de organisatie moet het volgende zijn vastgelegd: a. de taken en verantwoordelijkheden van het personeel (eigen werknemers en van derden) dat betrokken is bij het beheersen van de risico’s, zowel tijdens de normale bedrijfsvoering als tijdens noodsituaties; b. hoe bij vaststelling van de minimale personele bezetting rekening is gehouden met noodsituaties; c. de wijze waarop de communicatie plaatsvindt bij wachtoverdracht en de wijze waarop dit is vastgelegd; d. het inventariseren van de noodzakelijke opleidingen/trainingen van eigen werknemers en van derden in relatie tot de beheersing van risico’s en de invulling en opvolging daarvan; 51
e. het beheer van de bedrijfsnoodmiddelen. Dit omvat onder meer periodieke controle van blusmateriaal. •
Binnen het bedrijf moet een persoon zijn aangesteld die belast is met: a. de periodieke controle van de brandbeveiligingsinstallaties en brandbestrijdingsmiddelen; b. de beproeving van de goede werking van de brandbeveiligingsinstallaties en brandbestrijdingsmiddelen; c. het organiseren van de benodigde oefeningen van het noodplan en de noodorganisatie; d. het treffen van maatregelen om de geoefendheid van de bedrijfsnoodorganisatie te behouden, alsmede om de contacten met de brandweer te onderhouden; e. het up-to-date houden van het interne noodplan.
•
Alle brandbeveiligingsinstallaties en brandbestrijdingsmiddelen voor blussen, koelen of anderszins, dienen bedrijfszeker te zijn, voor onmiddellijk gebruik gereed, onbelemmerd bereikbaar en tegen aanrijding zijn beschermd.
Reactie 7: De eerste vier voorschriften zijn standaard voorschriften die zullen worden opgenomen. De overige voorschriften zijn vrij specifiek en betreffen vooral arbo-maatregelen waarvoor wij niet het bevoegd gezag zijn (Arbeidsomstandighedenbesluit afdeling 2). Daarnaast volgt uit de Seveso-richtlijn dat er een noodplan aanwezig moet zijn met de genoemde onderdelen: onderdeel 5 van het veiligheidsbeheerssysteem: planning voor noodsituaties (artikel 8, lid 5 en bijlage III). Het Arbeidsomstandigheden besluit en de Seveso-richtlijn zijn rechtstreeks van toepassing. Wij kunnen daarom de voorschriften niet nogmaals opnemen. 8.
De volgende voorschriften met betrekking tot bereikbaarheid worden geadviseerd: •
Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken middels een rijpad van minimaal 3,5 meter geschikt voor voertuigen met een asdruk van 10 ton.
•
Tijdens werkuren dient er te allen tijde tenminste één bevoegd persoon beschikbaar te zijn, die ter zake kundig is om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen en de brandweer van informatie te voorzien.
•
Buiten werkuren dient er binnen 5 minuten tenminste één bevoegd persoon (telefonisch) bereikbaar te zijn, die ter zake kundig is om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen en de brandweer van informatie te voorzien. Binnen één uur na ontdekking van een brand en/of incident moet tevens een beslissingsbevoegd personeelslid van de bedrijfsleiding, met kennis van de gebezigde processen, aanwezig zijn.
•
De brandweer dient 24 uur per dag 7 dagen per week op een snelle en eenvoudige manier binnen te treden: a. De wijze van toetreding is afgestemd met Veiligheidsregio Brabant-Noord; b. Het toetredingssysteem moet ten minste 30 minuten functioneel zijn na uitval van de reguliere stroomvoorziening; c. Het beheer, onderhoud en het testen van het systeem op functionaliteit moet geborgd zijn bij u als gebouweigenaar of gebruiker en beschreven zijn in het logboek.
52
•
Op een centraal punt binnen de inrichting (bij voorkeur bij de ingang) moeten de volgende actuele gegevens beschikbaar zijn: a. een overzichtstekening van de inrichting met noordpijl, schaal, de aanwezige gebouwen, het wegennet, opslageenheden, laad- en losplaatsen, relevante leidingen en het bluswatersysteem (incl. locaties van brandkranen, afsluiters en/of aansluitpunten stationaire blusvoorzieningen en brandbeveiligings-en koelsystemen); b. een actueel bedrijfsnoodplan.
•
In geval van een noodsituatie moet de brandweer bij aankomst onmiddellijk in het bezit worden gesteld van de, voor de noodsituatie relevante, bovenstaande gegevens.
•
De vergunninghouder moet een bedrijfsnoodplan voorhanden hebben. Het bedrijfsnoodplan bevat de volgende informatie: a. reële noodscenario's; b. organogram van de noodorganisatie; c. opvang en begidsing van de hulpdiensten; d. taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden van de BHV'ers/noodfunctionaris; e. wegenkaart/plattegrond (in-, uitgang, rijroute, laad- en losperrons, opstelplaatsen hulpverleningsvoertuigen, verzamelplaats); f. rioleringstekening en tekening van het bluswaternet op het noodplan zijn informatiedocumenten; g. wijze van bluswaterafvoer; h. wijze van registratie van aanwezige personen; i. (Material) Safety Data Sheet ((M)SDS) en/of veiligheidsinformatieblad (VIB) van de opgeslagen stoffen; j. beschrijving van de aanwezige brandblusmiddelen; k. schema met telefoonnummers van partijen die onmiddellijk en later moeten worden ingelicht; l. schema met (interne) telefoonnummers van de noodorganisatie; m. organisatie van communicatie naar externen, zoals de veiligheidsregio, pers, omwonenden en buurbedrijven; n. datum van het bedrijfsnoodplan (en revisiedatum).
•
Het bedrijfsnoodplan wordt één maal per drie jaar geëvalueerd en zo nodig gewijzigd.
•
Het bedrijfsnoodplan moet ten minste jaarlijks worden geoefend. Dit wordt vastgelegd in een oefenplan. Van elke oefening moet een evaluatie worden opgemaakt en ten minste vijf jaar worden bewaard. Tenminste eens in de drie jaar wordt er met de Veiligheidsregio Brabant-Noord gezamenlijk een reëel extern noodscenario beproefd.
Reactie 8: het advies met betrekking tot de bereikbaarheid zullen wij overnemen in de voorschriften. Het advies met betrekking tot het noodplan (laatste 3 bullets) nemen wij niet over, zie ook reactie 7. 9.
Met betrekking tot de opslag van waterstofperoxide in bovengrondse tanks geeft de veiligheidsregio het volgende aan: Intracare is voornemens ter beveiliging het volgende te realiseren: “De tank is voorzien van sproeibollen t.b.v. schoonmaak van de tank, wanneer dat nodig is. Echter is deze ook ingesteld om bij detectie van 40C automatisch water toe te voegen via een DN20 dippijp in de tank. Overvullen wordt voorkomen door de aanwezigheid van de overvulpijp dat de overvloed naar het opvangbassin leidt.” Dit betekent dat de tanks intern worden gevuld met water en overloopt in de tankput. Deze beveiligingsmaatregel is volgens de ‘brancherichtlijn’ gebruikelijk maar betekent wel naar onze mening dat er in de vergunning eisen moeten worden gesteld om effecten in het kader van milieu/veiligheid te beperken. Het ontbreken van deze
53
maatregel kan leiden tot een ongecontroleerde exotherme reactie. Wij adviseren dan ook op basis van de specifieke zorgplicht het volgende onderdelen op te nemen in de vergunning: •
De waterstofperoxidetanks dienen te beschikken over een geschikt koelsysteem ter beveiliging van een exotherme reactie.
•
De waterstofperoxidetanks voldoen wat betreft ontwerp en onderhoud aan de internationale brancherichtlijn voor bulkopslag van waterstofperoxide (Bulk storage guideline Hydrogen Peroxide, 2021, Cefic Hydrogen Peroxide Technical Committee).
Reactie 9: Wij nemen de bovenstaande voorschriften over in deze vergunning. Deze voorschriften gelden naast de voorschriften uit het Bal voor deze tanks. Het advies van de Veiligheidsregio is voor het grootste gedeelte overgenomen in de voorschriften van de vergunning.
10.
EXTERNE VEILIGHEID
10.1. Algemeen Nederland ziet het als haar opgave om de veiligheid en gezondheid van de leefomgeving te optimaliseren. Voor externe veiligheid is het de opgave om de omgevingsrisico’s als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk uit te sluiten en de normen van omgevingsveiligheid te handhaven. Dit geldt ook bij veranderingen in de leefomgeving, zodat op termijn deze risico’s voor mens en milieu worden verlaagd tot een verwaarloosbaar niveau. Externe veiligheid vraagt (milieu)ruimte voor risicovolle activiteiten en bedrijven en beperkt daarmee de mogelijkheden voor stedelijke verdichting en de mogelijkheden voor de transformatie van haven- en industriegebieden. Externe veiligheid is verankerd in het omgevingsveiligheidsbeleid, opgenomen in de Omgevingswet en uitgewerkt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Afdeling 8.5 van het Bkl geeft algemene en specifieke beoordelingsregels, die het bevoegd gezag gebruikt bij het beoordelen van de omgevingsvergunningaanvraag. Bij de beoordeling wordt gebruik gemaakt van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. Met betrekking tot het groepsrisico wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten waar ongevallen met gevaarlijke stoffen kunnen plaatsvinden wordt in artikel 8.10a van het Bkl aangegeven dat het bevoegd gezag moet beoordelen of voldoende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van ongevallen en het beperken van de gevolgen.
Hierbij moet rekening gehouden worden met een standaardwaarde van het plaatsgebonden risico van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, het groepsrisico en de mogelijkheden van hulpverlening en zelfredzaamheid. 54
Voor de vergunningplichtige milieubelastende activiteiten uit bijlage VII van het Bkl onder B en E wordt in artikel 8.12 van het Bkl voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde gegeven van 1 op de 1.000.000 jaar voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Bij vergunningplichtige milieubelastende activiteiten uit bijlage VII van het Bkl onder D en E moet bij de aanvraag een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) ingediend worden waarin de door de activiteit veroorzaakte plaatsgebonden risico en groepsrisico beschreven wordt. De aangevraagde activiteit betreft een Seveso-inrichting. Deze wordt beschreven in bijlage VII, onder E6, van het Bkl. Seveso Aangezien de lage drempelwaarde wordt overschreden is er sprake van een Seveso-inrichting zoals aangewezen in artikel 3.50 van het Bal. Vóór indiening van onderhavige aanvraag was al sprake van een Seveso-inrichting. Op basis van de kennisgeving Seveso kan worden vastgesteld dat er sprake is van een aanwijzing op grond van de overschrijding van de lage drempelwaarden voor de toxische stoffen (H2), oxiderende stoffen (P8) en de milieugevaarlijke stoffen (E1)
10.2. QRA Als onderdeel van de aanvraag is een QRA ingediend (d.d. 1 mei 2025). Gebleken is dat er verschillen bestaan tussen de tekst van de QRA, de niet-technische samenvatting, bijlage 6 en de modellering. Wij beschouwen de modellering als juist vergeleken met de rest van de aanvraag. Wij hebben de volgende omissies geconstateerd in de tekst, deze omissies hebben geen invloed op de eindconclusie en de ligging van de contouren en aandachtsgebieden: Niet-technische samenvatting: Er wordt eenmaal vermeld dat PGS opslag 3 (BD06) niet voorzien is van een blussysteem. Verderop wordt vermeld dat deze opslag is voorzien van een sprinkler. Uit de modellering blijkt dat er sprake is van een sprinkler/beschermingsniveau 1. Bijlage 6: Bij de aanduiding van de brandcompartimentering wordt in tabel 2 aangegeven dat BC4 (=opslagvoorziening 3=BD06) is voorzien van een blusgasinstallatie. Uit de tekst blijkt echter dat het een sprinklerinstallatie betreft. QRA: 1.
In Tabel 1 van de QRA staat voor opslag C (BD06) een opslaghoeveelheid voor ADR 8 van 50 ton. Dit moet 500 ton zijn.
2.
In paragraaf 3.2.1 van het QRA rapport staat bij opslag C (BD06) naast de correcte brandfrequentie van 8,8 x 10-4 tevens een brandfrequentie van 1,8 x 10-4 per jaar vermeld. Laatstgenoemde passage dient verwijderd te worden.
3.
Bij de beschrijving van opslag C (BD06) dient tevens expliciet vermeld te worden dat spuitbussen in een afzonderlijke gaasconstructie van 104 m2 worden opgeslagen, waardoor afwijkende brandscenario’s zijn ingevoerd in de modellering. Overigens staat in de GAP-analyse PGS15:2021 (bijlage 10 bij de aanvraag) bij voorschrift 7.4.2 (met betrekking tot het scheiden van spuitbussen van overige opslag) dat dit voorschrift niet van toepassing is. Onduidelijk is daarom of de spuitbussen daadwerkelijk door middel van een gaasconstructie afzonderlijk worden opgeslagen. Wij voorzien hierin door gaas verplicht te stellen middels een voorschrift in de vergunning.
55
4.
In paragraaf 3.2.1 staat op pagina 11 dat voor opslag B (BD05) afwijkende brandscenario’s zijn ingevoerd in verband met de opslag van spuitbussen. Dit komt niet overeen met de aangevraagde situatie en de modellering en dient derhalve te worden aangepast.
5.
In paragraaf 3.5 staat dat weerstation Eindhoven is geselecteerd voor de weersomstandigheden. Dit is echter niet correct. Voor de aangevraagde locatie dient Volkel als weerstation te worden geselecteerd. Dit dient te worden aangepast. In de modellering is overigens wel het juiste weerstation geselecteerd.
Omdat de modellering voor de punten 4 en 5 wel juist is gebleken hebben wij niet gevraagd de tekst van de QRA aan te passen. Bepalend zijn de voorschriften in de vergunning voor zover deze afwijken van de aanvraag.
10.3. Plaatsgebonden risico Voor de activiteit geldt dat de afstand voor het plaatsgebonden risico en voor de aandachtsgebieden berekend moeten worden. Hiertoe is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld (d.d. 01-05- 2025). Deze QRA is opgesteld conform Module I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid, versie januari 2025 en met Safeti-NL 9.2. De toetsing van de QRA wordt hierna beschreven: De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar (PR 10-6) reikt gedeeltelijk buiten de inrichtingsgrens. De PR 10-6 contour reikt over gronden met de enkelbestemming ‘Verkeer’ waar geen zeer kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties zijn toegestaan. Derhalve wordt voldaan aan art. 8.10a lid 1 onder b en art. 8.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
10.4. Aandachtsgebieden In het kader van artikel 8.10a, lid 1, onder c van het Bkl dient rekening te worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de activiteit beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied. Met betrekking tot de inrichting van Intracare is alleen een gifwolkaandachtsgebied aanwezig zoals weergegeven in figuur 3 van het QRA rapport. Uit paragraaf 4.2 van het QRA rapport blijkt dat het maximaal aantal dodelijke slachtoffers lager is dan 10. Er is daarmee geen sprake van een groepsrisico. Derhalve wordt voldaan aan art. 8.10a, lid 1, onder c van het Bkl. Voor de beoordeling van de criteria onder art. 8.10a lid 1, onder a van het Bkl is de Veiligheidsregio Brabant-Noord om advies te gevraagd. Uit het advies van de Veiligheidsregio Brabant-Noord (d.d. 14-01-2025 met kenmerk D2025-000558) blijkt het volgende: Het oprichten van de PGS 15 opslag leidt tot de introductie van een gifwolkaandachtsgebied. Dit betekent dat volgens artikel 5.2 van het Bkl in de besluitvorming hier rekening mee moet worden gehouden. Zelfredzaamheid In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat op het moment mensen in gebouwen schuilen het risico op letsel beperkt is.
Moderne gebouwen bieden als gevolg van de energieprestatie eisen een goede bescherming tegen het binnen dringen van de buitenlucht. Het is van belang dat ramen, deuren en ventilatie-openingen afgesloten worden. Via NL Alert of andere social media kunnen personen in de omgeving gealarmeerd en geïnstrueerd worden. Aangenomen mag worden dat personen werkzaam in deze omgeving in voldoende mate in staat zijn om zelfstandig op de juiste manier op een dreiging te reageren.
56
Bestrijdbaarheid Het pand is voorzien van automatische blussystemen waardoor de kans op een onbeheerste brand klein is. Het pand/perceel is in voldoende mate bereikbaar. Het bluswateraanbod is reeds afgestemd op de bluswaterbehoefte.
10.5. Omgevingsplan Voor het terrein van Intracare is het (tijdelijk) geldende omgevingsplan ‘Den Dubbelen’ (vastgesteld 06-04-2017) met enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ in werking. Conform artikel 5.1, onder f van de bestemmingsplanregels zijn inrichtingen met een extern veiligheidsrisico uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘intensief gebied externe veiligheid’. De geplande uitbreidingslocatie van Intracare is niet aangeduid als ‘intensief gebied externe veiligheid’. Derhalve is als onderdeel van de aanvraag een verzoek voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) ingediend (d.d. 12-12-2024) met bijbehorende onderbouwing (d.d. 01-05-2025). De onderbouwing is beoordeeld en akkoord bevonden door het bevoegd gezag.
10.6. Domino Conform artikel 8.13, lid 2 van het Bkl dient bij het beoordelen van een aanvraag voor een Seveso-inrichting te worden vastgesteld of het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan groter kunnen zijn door de geografische ligging van de inrichting ten opzichte van andere Seveso-inrichtingen. Op circa 950 meter afstand van Intracare ligt Seveso-inrichting Friesland Campina DMV. Deze inrichting heeft echter geen effecten die tot buiten de inrichtingsgrens reiken. Evenmin is er sprake van effecten vanuit Intracare die kunnen resulteren in een ongeval met gevaarlijke stoffen bij Friesland Campina DMV. Derhalve is het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan niet groter.
10.7. Register externe veiligheidsrisico’s Zoals vermeld in de aanvraag zijn als gevolg van de milieubelastende activiteit(en) gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van deze gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving. Het Bkl geeft aan voor welke milieubelastende activiteiten informatie opgenomen moet worden in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Daarnaast moeten ook milieubelastende activiteiten die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart (Rpr) worden opgenomen in het register. De activiteit valt onder E6 van Bijlage VII van het Bkl. Volgens artikelen 11.3 en 11.8 van het Bkl moet deze activiteit worden opgenomen in het Register externe veiligheidsrisico’s. Na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het REV ingevoerd en getoond op de Atlas Leefomgeving.
10.8. Beoordeling afstand tot beschermde natuurgebieden Op grond van artikel 8.13 van het Bkl kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend als voldoende afstand tot een Natura 2000-gebied in acht wordt genomen of andere passende maatregelen worden getroffen. Daarbij moet worden vastgesteld of het risico op een zwaar ongeval of de gevolgen daarvan groter kunnen zijn door de geografische situatie of de ligging van de Seveso-inrichting ten opzichte van andere Seveso-inrichtingen. Gebaseerd op de resultaten van de QRA is geconcludeerd dat voor de aangevraagde activiteit de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen voldoende is. Dit heeft tot gevolg dat er geen gevolgen zijn te verwachten bij een zwaar ongeval.
57
10.9. Conclusie Ten aanzien van de risico’s als gevolg van de activiteiten is het bevoegd gezag van mening dat wanneer binnen de Seveso-inrichting conform de aan de vergunning verbonden voorschriften en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
11.
GEVAARLIJKE STOFFEN
11.1. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit valt onder meer onder de paragrafen 3.3.1 en 4.2 van het Bal (Seveso-inrichting). De regels hiervoor zijn gericht op het beheersen van zware ongevallen en hebben tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt aan de ene kant door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactief, preventie en voorbereiding) en aan de andere kant door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie). Op grond van de aangevraagde hoeveelheid gevaarlijke (afval)stoffen die de lage drempelwaarde uit Bijlage I van de Seveso III-richtlijn overschrijdt, is bij de milieubelastende activiteit sprake van een lagedrempelinrichting onder het Bal. De volgende hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen is aangevraagd:
(tabel 4.1 “Niet-technische samenvatting” d.d. 6 mei 2025, kenmerk 02412-1798721V3) Omdat de ADR indeling niet één op één overeenkomt met de Seveso-indeling zijn in de voorschriften zowel beperkingen opgelegd aan de ADR hoeveelheden als aan de Seveso-hoeveelheden. De lage drempelwaarde voor aquatoxische stoffen wordt overschreden, daarnaast ook de sommatie voor de fysische gevaren (lagedrempel). Op grond van artikel 4.9 van het Bal is het verplicht om de risico’s van de milieubelastende activiteiten te onderzoeken. Ook is het verplicht om de maatregelen te treffen die nodig zijn om de risico’s op zware ongevallen en de mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu te beperken. De maatregelen moeten worden opgenomen in het preventiebeleid van de Seveso-inrichting. In artikel 4.10, tweede lid van het Bal staat wat de inhoud moet zijn van dit preventiebeleid. Dit document moet altijd kunnen worden getoond aan een toezichthouder. 58
Op grond van artikel 4.9, tweede lid van het Bal zal een inspectie worden uitgevoerd om te controleren of alle hierboven genoemde maatregelen daadwerkelijk zijn getroffen. Als dit niet zo is, of als de maatregelen onvoldoende zijn uitgevoerd, geldt een exploitatieverbod. Hier kan bestuursrechtelijk op worden gehandhaafd. Op grond van artikel 4.11 van het Bal moet het preventiebeleid worden uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheersysteem. Op grond van artikel 4.12 van het Bal moeten het preventiebeleid en het veiligheidsbeheerssysteem worden bijgewerkt. In dit artikel staat in welke gevallen dit precies nodig is. Het betekent in ieder geval dat het preventiebeleid regelmatig moet worden beoordeeld, ten minste elke vijf jaar. Als ontwikkelingen in de wetenschap of techniek daarvoor aanleiding geven, is het verplicht om het preventiebeleid te actualiseren.
11.2. Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen) Voor de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS-richtlijnen zijn vermeld als informatiedocumenten over BBT in bijlage XVIII onder A van het Bkl. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag voor de milieubelastende activiteit is getoetst aan de volgende PGS-richtlijnen: • •
PGS 15: opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, 2021 versie 1.0 augustus 2021 interim PGS. PGS 31: overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, 2021 versie 1.0 augustus 2021, interim PGS.
11.3. PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen Binnen de inrichting zijn de volgende opslagen aanwezig: •
PGS 15 opslag (1, BD04): blusgasinstallatie maximale opslagcapaciteit 200 ton;
•
PGS 15 opslag (2, BD05): blusgasinstallatie maximale opslagcapaciteit 200 ton;
•
PGS 15 opslag (3, BD06): sprinklerinstallatie maximale opslagcapaciteit 600 ton;
•
2 PGS 15 opslagkasten, opslagcapaciteit elk 250 kg, laboratorium;
•
Gasflessen opslag, opslagcapaciteit 550 liter waterinhoud;
•
Blusgasruimte, gasflessenopslag t.b.v. de gasblusinstallatie.
Voor de opslagen groter dan 10 ton worden voorschriften opgenomen. De opslagkasten en de gasflessenopslag zullen moeten voldoen aan de voorschriften van het Bal (paragrafen 3.2.9 en 4.98). De voorschriften zijn niet van toepassing op de blusgasruimte. Hiervoor geldt het uitgangspuntendocument en de daarbij behorende inspecties. De aanvraag bevat enkele verschrijvingen in verband met de aanwezigheid van de blusinstallaties in de opslagen groter dan 10 ton en de aantallen opslagkasten. De voorschriften behorend bij deze vergunning zijn in deze bepalend indien er niet eenduidige gegevens in de aanvraag staan.
11.4.
PGS 31 Overige gevaarlijke vloeistoffen – Opslag in bovengrondse tankinstallaties
Binnen de Seveso-inrichting zijn opslagtanks aanwezig die binnen het toepassingsgebied van de PGS 31 vallen.
59
Het betreft de volgende tanks (uitpandig): -
Waterstofperoxide, 30 m3, RVS;
-
Waterstofperoxide 30 m3. RVS;
-
Mix ADR 8, 30 m3, kunststof.
Het betreft nieuw te bouwen tanks. De algemene regels uit het Bal zijn van toepassing (paragrafen 3.2.8 en paragraaf 4.94). De algemene regels hebben betrekking op bodembescherming, keuring en lozingen. De PGS 31 is voor deze tanks niet rechtstreeks voorgeschreven, de voorschriften uit het Bal zijn voor een gedeelte wel gebaseerd op de PGS31. Naast de voorschriften uit het Bal zullen we wel de voorschriften voor het laden en lossen uit de PGS 31 voorschrijven, omdat het Bal hierin niet voorziet.
11.5. Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 Bij de milieubelastende activiteit is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.
11.6.
Relatie met ATEX
11.6.1. Gasexplosie Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij het bedrijf bestaat in de Atex-ruimten of in de nabijheid daarvan, door de aanwezigheid van vrijgekomen brandbaar gas, de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht. De verplichtingen voor bedrijven voor gasexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor bedrijven dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gasexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Nederlandse Arbeidsinspectie is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden over gasexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
11.7. (Intern) Noodplan In de arbeidsomstandighedenwetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikelen 2.4 en 2.5b van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht onder andere hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties. In artikel 2.0, onder c, van de Arbeidsomstandighedenregeling is geregeld wat er ten minste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Gezien het voorgaande worden over een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
12.
GELUID
12.1. Algemeen Intracare B.V., gelegen aan de Voltaweg 2-6 te Veghel, is voornemens haar activiteiten uit te breiden aan de overzijde van de Voltaweg. Ten behoeve van deze
60
uitbreiding is een vergunningaanvraag in het kader van de Omgevingswet ingediend. Voor het bedrijf is op 23 mei 2017 een revisievergunning verleend. De vergunning bevat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een grenswaarde van 55, 50 en 45 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode op een afstand van 100 meter van het bedrijf. De grenswaarden voor het maximaal geluidniveau bedraagt 75 dB(A) in alle etmaalperioden op een afstand van 100 meter van het bedrijf.
Voor een complex bedrijf gaat een voorschrift bij een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit voor op het tijdelijk omgevingsplan (voorrangsbepaling). Echter, bij het vergunnen van de nieuwe aangevraagde activiteiten verliest de voorrangsbepaling zijn werking. De regels van de omgevingsvergunning gelden naast de regels uit het tijdelijk omgevingsplan, waarbij de strengste bepalend is. Intracare B.V. is gelegen op het bedrijventerrein ‘de Dubbelen’. Voor geluidgevoelige gebouwen op het bedrijventerrein zijn de grenswaarden uit artikel 22.63, lid 2 van het omgevingsplan gemeente Meierijstad van toepassing. De norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dit artikel is identiek met de vigerende vergunning, maar zijn op woningen in plaats van op een vaste afstand (100 meter) gedefinieerd. De woningen kunnen op minder dan 100 meter van het bedrijf zijn gelegen, waarmee de waarde in het omgevingsplan strenger is. De grenswaarde voor het maximaal geluidniveau in artikel 22.63, lid 2 van het omgevingsplan is significant strenger dan de vigerende geluidvoorschriften. De grenswaarden uit het tijdelijk omgevingsplan zijn strenger en daarom rechtstreeks van toepassing. Uit het akoestisch onderzoek opgesteld door Cauberg Huygen d.d.
27 juni 2024 met referentienummer 02412-17987-25 blijkt dat ruimschoots aan de normen uit artikel 22.63, lid 2 van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Meierijstad kan worden voldaan. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vergunning. De geluidsvoorschriften uit de vigerende vergunning d.d. 23 mei 2017 met kenmerk UV20160213/90.377 worden ingetrokken.
13.
LUCHT
13.1. Wettelijk kader Luchtemissies moeten zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt door het treffen van maatregelen met als doel het beschermen en verbeteren van de luchtkwaliteit. De volgende onderdelen van het Bal kunnen relevant zijn voor het aspect lucht, als het gaat om vergunningplichtige activiteiten: •
Artikel 2.11 - Specifieke zorgplicht: geldt voor alle aangevraagde mba’s. Naast de algemene doelstelling (emissies voorkomen, beperken en BBT toepassen) verplicht dit degene die de mba verricht om voorzieningen te realiseren om gekanaliseerde luchtemissies doelmatig te kunnen bemonsteren en te registreren.
•
De volgende bijlagen van het Bal zijn relevant voor het aspect lucht: Bijlage I Begrippen; Bijlage III Stoffen en stofklassen; Bijlage IV Stuifklassen; Bijlage V Stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR; Bijlage VI Groepen verontreinigende stoffen PRTR, Bijlage VIa Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen en Bijlage VII Overgangsrecht emissiegrenswaarden en ondergrenzen ZZS.
61
IPPC De activiteiten van Intracare worden genoemd in categorie 4.4 en 4.5 van bijlage l van de RIE (het is daarmee dan ook een zogenaamd RIE-4-bedrijf). De inrichting valt hiermee onder de Richtlijn Industriële Emissies en heeft IPPC-installaties. Voor deze vergunningaanvraag wordt rekening gehouden met de primair van toepassing zijnde BREF’s en BBT conclusies. In de BBT-toets die behoort tot de aanvraag staat een overzicht van de aangewezen BBT-conclusies.
Paragraaf 5.4.4. Emissies in de lucht van het Bal is niet van toepassing op emissies in de lucht vanuit een IPPC-installatie, voor zover daarvoor een document met de conclusies over beste beschikbare technieken is vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn industriële emissies, dat een conclusie bevat over die emissies.
13.2. Beoordeling Hieronder worden de luchtemissie relevante aangevraagde activiteiten opgesomd, waarna wij ingaan op de beoordeling van deze activiteiten met betrekking tot de luchtkwaliteit op leefniveau (luchtimmissie). Indien relevant dan worden de ZZS emissies aan de immissiegrenswaarden getoetst. Daarna volgt de toetsing van de aangevraagde activiteiten. Er wordt beoordeeld of de activiteit voldoet aan de beste beschikbare technieken ten behoeve van bescherming en verbetering van de luchtkwaliteit en indien relevant wordt gemotiveerd waarom er aanvullende en/of afwijkende (maatwerk)voorschriften worden gesteld voor het aspect lucht.
13.2.1.
Omschrijving aangevraagde situatie
Luchtemissie relevante processen/installaties/activiteiten In deze vergunning worden de volgende luchtemissierelevante activiteiten beschouwd: bedrijfsprocessen Puntbronnen (gefixeerde en gekanaliseerde bronnen zoals schoorsteen) De activiteiten met bijbehorende puntbronnen kunnen als volgt worden samengevat:
Tabel 2 Samenvatting gefixeerde en gekanaliseerde bronnen Procesonderdeel/installatie/MBA
Atex kluizen
Emissie
Te emitteren
beperkende
stoffen in de
maatregel
lucht
Damp afzuiging en
Stof
punt afzuiging wat
62
Puntbron
1
geleid wordt naar filter koolstofkast Hoof producten en
Afzuigsysteem
voedingssupplementen – deksel
aangesloten op een
productieketel
centrale ringleiding
Stof
2
3
dat geleid wordt naar het filter systeem Hoof producten en
Afzuigsysteem
Stof/poeder
voedingssupplementen – bordes
aangesloten op een
resten
centrale ringleiding dat geleid wordt naar het filter systeem Hoof producten en
Afzuigsysteem
Stof
4
voedingssupplementen – afvullen
aangesloten op een
eindproduct in IBC’s
centrale ringleiding
Stof
5
Afzuiging
Waterstof
6
ongefilterd
peroxide
dat geleid wordt naar het filter systeem Hoof producten en
Afzuigsysteem
voedingssupplementen – afvullen de
aangesloten op een
cans
centrale ringleiding dat geleid wordt naar het filter systeem
Afzuiging peroxiden
geëmitteerd naar de lucht Laboratorium – punt afzuigingen en
Afzuiging
zuurkasten
ongefilterd
Stof
7
Stof
8
geëmitteerd naar de lucht Technische dienst – punt afzuigingen
Afzuiging
en afzuigsystemen
ongefilterd geëmitteerd naar de lucht
Diffuse emissies (niet-gekanaliseerde bronnen) Binnen de inrichting worden vaste en vloeibare chemicaliën opgeslagen, waarbij mogelijk diffuse emissies vrij komen. Emissiegrenswaarden Vanwege de aanwezigheid van IPPC installaties houden we rekening met wat er in de BBT-conclusies staat over / in verband met emissiegrenswaarden. Het gaat om de BBT conclusies van het BREF Organische fijnchemie (OFC) en van het BREF Op- en overslag bulkgoederen. 63
Indien er voor een bepaalde stof zowel in de BREF Organische fijnchemie als in de BREF Op- en overslag bulkgoederen emissiegrenswaarden staan, zijn de laagste emissiegrenswaarden maatgevend. In BREF nummers OFC 5.2.3.6 en 4.3.5.22 is voor totaal stof een range van 0,05 mg/Nm3 tot 5 mg/Nm3 opgenomen. Dat betreft gekanaliseerde emissies. Om hieraan te voldoen wordt in de BREF aangegeven: “De BBT-gerelateerde emissiewaarden voor stof bereiken, zonodig door gebruik van technieken zoals mouwenfilters, doekenfilters, cyclonen, wassers, of natte elektrostatische precipitatie (natte ESP)”. Het bedrijf geeft aan een afzuiging met doekenfilter en actief koolfilter te hebben. Voor ZZS-stoffen zijn extra maatregelen geformuleerd. Monitoring Om zicht te krijgen en te houden op de emissies naar de lucht, is een ERP controleplan nodig, met vermelding van emissie relevante parameters (ERP’s). Dit ter uitvoering van de BBT-conclusies en artikel 5.32 van het Bal. Om alle luchtemissies op overzichtelijke wijze (blijvend) te presenteren en te laten zien welke controle hierop plaatsvindt, moet dit plan op termijn geactualiseerd worden aan de hand van de overwegingen van dit besluit en de actuele wet- en regelgeving. Hierdoor heeft de vergunninghouder en ook wij één document waarin alle geldende regelgeving en voorschriften bij elkaar staan.
Wij hebben dit opgenomen in de voorschriften verbonden aan de vergunning.
13.3. Geur Uit de aanvraag is op te maken dat bij de bedrijfsactiviteiten geen of weinig geur zal vrijkomen. Verder zijn vanuit de omgeving geen geurklachten ingediend over het bestaande bedrijf. Geurhinder is niet verwachten. Het is niet nodig om maatwerkvoorschriften voor geur te stellen.
13.4.
Luchtkwaliteit
De volgende bepalingen van het Bkl zijn relevant voor het aspect lucht: • Luchtkwaliteitstoets: Artikel 8.17 – beoordelingsregels milieubelastende activiteit: Hierin staat toetsing aan de luchtkwaliteit (toetsing aan de rijksomgevingswaarden zoals gesteld in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl). De omgevingswaarden voor de volgende stoffen moeten in acht worden genomen (resultaatsverplichting): zwaveldioxide, stikstofdioxide, fijnstof (PM10 en PM 2,5), benzeen, lood en koolmonoxide ter bescherming van de gezondheid en van het milieu op locaties die in deze paragraaf per stof specifiek zijn bepaald. Voor de in artikel 2.8 van het Bkl bepaalde stoffen gelden er omgevingswaarden met een inspanningsplicht. Deze betreffen de volgende stoffen: arseen, cadmium, nikkel benzo(a)pyreen. • De volgende bijlage van het Bkl is relevant voor het aspect lucht: Bijlage 1 Begrippen. Bij de aanvraag is het luchtkwaliteitsrapport Intracare te Veghel; luchtkwaliteitsonderzoek d.d. 6 mei 2025 met kenmerk 02412-17987-26v3 ingediend waarin voor alle relevante stoffen een immissietoets (bijdrage op leefniveau op 1,5 m hoogte) is opgenomen met in acht neming van de wettelijke bepaalde toetsingslocaties en de geldende omgevingswaarden.
Als gevolg van de aangevraagde activiteiten worden stoffen geëmitteerd waarvoor (rijks)omgevingswaarden gelden, te weten stikstofdioxide, stikstofoxide en fijnstof (PM10 en PM2,5). Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat de volgende omgevingswaarden in acht worden genomen: •
resultaatsverplichting voor de (rijks)omgevingswaarden van artikel 8.17 het Bkl.
64
De algemene regels uit het Bal zijn van toepassing. Het is niet nodig om maatwerkvoorschriften voor luchtkwaliteit te stellen. 13.5. Natura 2000 In geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning die gevolgen heeft voor het aspect natuur moest volgens het vóór 1 januari 2024 geldende recht worden beoordeeld of een natuurtoestemming vereist is. Dit was geregeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo jo. artikel 2.2aa van het Bor. De Wet natuurbescherming en het Bor, zijn echter beide op 1 januari 2024 vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Sinds de inwerkingtreding (1 januari 2024) van de Omgevingswet haakt het aspect natuur niet meer aan bij een aanvraag omgevingsvergunning milieu. In het kader van de specifieke zorgplicht, zoals vermeld in artikel 11.6 van het Bal, dient nagegaan te worden of de voorgenomen activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor natuurbescherming. Bij de aanvraag is het stikstofdepositie-onderzoek Intracare te Veghel; onderzoek stikstofdepositie d.d. 6 mei 2025, met kenmerk 02412-17987-27v3 ingediend waarin de stikstofdioxide-emissie toegelicht wordt. Ook is een berekening voor de bouwfase en een berekening voor de gebruiksfase gemaakt met AERIUSCalculator versie 2024.2.1.
Met de berekening voor de gebruiksfase is aangetoond dat stikstofdepositie als gevolg van de gevraagde activiteiten in de beoogde gebruiksfase op Natura-2000gebieden 0,00 mol stikstof per hectare per jaar is. De beoogde gebruiksfase is geen project waarvoor op grond van de Omgevingswet een vergunningplicht bestaat. Een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten is daarom voor de beoogde gebruiksfase niet nodig. Echter is mogelijk wel een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig voor de bouwfase. In onderhavige aanvraag wordt, onder de Omgevingswet, enkel een milieuvergunning aangevraagd. Dit betekent dat het aspect natuur niet aanhaakt bij deze procedure maar dat initiatiefnemer zelf, op basis van het kader voor de beoordeling van de natuurvergunningplicht, dient te bezien of hij alsnog een natuurvergunning nodig heeft.
14.
ONGEWONE VOORVALLEN
14.1. Ongewone voorvallen In de bijlage van Omgevingswet wordt een ongewoon voorval als volgt gedefinieerd: Gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan, waaronder: a.
een geval van een inbreuk op vergunningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8
van de richtlijn industriële emissies, of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de Seveso-richtlijn. Een gebeurtenis die wél afwijkt van het normale verloop van een activiteit maar waardoor géén significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaat of dreigt te ontstaan is geen ongewoon voorval. Wat precies onder “significante gevolgen” moet worden verstaan wordt in eerste instantie beoordeeld door degene die de activiteit verricht. Indien daarbij twijfel is over het wel of niet kunnen optreden van significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, en dus over de vraag of wel of niet sprake is van een ongewoon voorval, kan degene die de activiteit verricht ervoor kiezen om het alsnog als ongewoon voorval te bestempelen. Vaststaat is dat de (significante) nadelige gevolgen voor de fysieke 65
leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan buiten de grenzen van de locatie van de milieubelastende activiteit. In afdeling 2.7 ‘Ongewone voorvallen’ van het Bal staat beschreven dat een ongewoon voorval onverwijld moet worden gemeld aan het bevoegd gezag (artikel 2.21 Bal) en is vermeld welke gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag moeten worden overgelegd (artikel 2.22 Bal). Onverwijld houdt in dat zodra vastgesteld is dat sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Wat onder “onverwijld” moet worden verstaan wordt bepaald door het bedrijf waar het ongewoon voorval heeft plaatsgevonden en zal mede afhangen van de omstandigheden van het voorval. Indien omwille van het informeren handelingen zouden moeten worden nagelaten die de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval kunnen beperken moeten eerst die handelingen worden verricht, en moet het bevoegd gezag direct daarna worden geïnformeerd.
15. CONCLUSIE Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de milieubelastende activiteiten kan worden geconcludeerd dat de omgevingsvergunning kan worden verleend. In deze beschikking zijn de voor deze milieubelastende activiteiten relevante voorschriften opgenomen.
66
16.
BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT
16.1. Aanleiding Intracare B.V. (hierna Intracare) is voornemens de inrichting uit te breiden op kadastraal perceel VHL R 972, 973, 974 (Voltaweg 5 in Veghel). Na realisatie zullen een groot deel van de bestaande activiteiten van de huidige locatie (Voltaweg 2-6 in Veghel) daar worden uitgevoerd. Intracare produceert producten bestemd voor de veehouderij en aanverwante bedrijven. Intracare wordt aangemerkt als een Seveso-inrichting en vraagt vergunning aan om uit te breiden op een locatie dat niet is gelegen in het ‘intensief gebied externe veiligheid’. Het omgevingsplan (artikel 5.6.1 van het bestemmingsplan de Dubbelen) kent een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om bedrijven toe te laten die niet zijn vermeld in de lijst van bedrijfsactiviteiten. Er is geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om de nieuwvestiging van inrichtingen met een extern veiligheidsrisico toe te laten buiten de aanduiding ‘intensief gebied externe veiligheid’. Dit betekent dat het ruimtelijk inpassen enkel door middel van een omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kan plaatsvinden. Intracare heeft het afwijken van regels in het omgevingsplan aangevraagd: buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). De aanvraag voor de Bopa heeft betrekking op het aspect externe veiligheid. 16.2.
Kader Op basis van met artikel 8.0a, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is het mogelijk om af te wijken van het omgevingsplan. Voor de BOPA gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a) met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid Bkl); b) als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e Bkl. De volgende regels zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: de regels van hoofdstuk 5, op grond van artikel 2.22 van de Omgevingswet gestelde regels over omgevingsplannen en op grond van artikelen 2.33 en 2.34 van de Omgevingswet gegeven instructies over omgevingsplannen. Een opsomming van de complete aanvraag is opgenomen in het onderdeel Procedurele aspecten. Voor toetsing of er sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Eftal) is Bijlage 12 “Buitenplanse omgevingsplanactiviteit i.v.m. BEVI bedrijf”, d.d. 1 mei 2025, kenmerk 02412-17987-28v4 een onderdeel van de aanvraag. Toelichting: Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Tot die tijd was het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Bevi) en het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo) van kracht.
Het Bevi is vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Brzo is vervangen door het Besluit activiteiten leefomgeving. Het Bevi was ook van toepassing op een Brzo-inrichting. Een Brzoinrichting heet nu een Seveso-inrichting. De milieubelastende activiteit (MBA) is het exploiteren van een Seveso-inrichting. Het bestemmingsplan/omgevingsplan verwijst feitelijk naar een Bevi inrichting. Wij toetsen echter aan de nieuwe regelgeving. 16.3. Ligging projectgebied De bedrijfslocatie bevindt zich op het bedrijventerrein ‘de Dubbelen’. De locatie van Intracare is gelegen aan de Voltaweg te Veghel op kadastraal perceel VHL R VHL R 972, 973, 974 en bevindt zich aan de westzijde van Veghel, langs de A50.
67
Hier vigeert het gelijknamige bestemmingsplan ‘de Dubbelen’ welke onherroepelijk is vastgesteld op 6 april 2017. Vanaf 01-01-2024 is het omgevingsplan gemeente Meierijstad van kracht. 16.4. Huidige situatie De in figuur aangegeven locatie is in het bestemmingsplan ‘De Dubbelen’ d.d. 6 april 2017 aangegeven als bedrijventerrein. “Bedrijven die worden genoemd in de als bijlage opgenomen lijst van bedrijfsactiviteiten 3.1 t/m 5.2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, met daaraan ondergeschikt kantoren, dienstverlening en een kantine ten dienste van het met de bestemming beoogde gebruik zijn toegelaten (artikel 5 Bedrijventerrein)”. In onze omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (OPA) d.d. 5 maart 2025 is dit al toegestaan. Samen met de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (technisch) d.d. 19 februari 2025 welke reeds is verleend. In de huidige situatie betreft het een categorie 4.1 bedrijf. Voor grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen met een hoge beschermingsniveau geldt categorie 5.1. Deze categorie is ook in lijn met de categorieën waarin andere Seveso bedrijven worden ingedeeld. Het omgevingsplan staat categorieën 3.1 t/m 5.2 toe.
Onder f van artikel 5 Bedrijventerrein van het omgevingsplan staat aangegeven dat bedrijven met een extern veiligheidsrisico uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘intensief gebied externe veiligheid’ zijn toegelaten. De aangegeven locatie is niet gelegen in het ‘intensief gebied externe veiligheid’. Dit is dan ook een strijdigheid met het huidige omgevingsplan. 16.5. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Voor toetsing of er sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Eftal) is Bijlage 12 “Buitenplanse omgevingsplanactiviteit in verband met Bevibedrijf, d.d. 1 mei 2025, kenmerk 02412-17987-28v4 aan de aanvraag toegevoegd. Omgevingsplan Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten waar ongevallen met gevaarlijke stoffen kunnen plaatsvinden wordt in artikel 8.10a van het Bkl aangegeven dat het bevoegd gezag moet beoordelen of voldoende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van ongevallen en het beperken van de gevolgen. Hierbij moet rekening gehouden worden met een standaardwaarde van het plaatsgebonden risico van 1 op de 1.000.000 per jaar (PR 10-6) voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, het groepsrisico en de mogelijkheden van hulpverlening en zelfredzaamheid.
Voor de vergunningplichtige milieubelastende activiteiten uit bijlage VII van het Bkl onder B en E wordt in artikel 8.12 van het Bkl voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde gegeven van 1 op de 1.000.000 jaar (PR 10-6) voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Bij vergunningplichtige milieubelastende activiteiten uit bijlage VII van het Bkl onder D en E moet bij de aanvraag een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) ingediend worden, waarin de door de activiteit veroorzaakte plaatsgebonden risico en groepsrisico beschreven wordt. De aangevraagde activiteit betreft een Seveso-inrichting. Deze wordt beschreven in bijlage VII, onder E6, van het Bkl. Voor de activiteit geldt dat de afstand voor het plaatsgebonden risico en voor de aandachtsgebieden berekend moeten worden. Hiertoe is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld (d.d. 01-05-2025). Deze QRA is opgesteld conform Module I en II van het Rekenvoorschrift omgevingsveiligheid, versie januari 2025 en met Safeti-NL 9.2. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar (PR 10-6) reikt gedeeltelijk buiten de inrichtingsgrens. De PR 10-6 contour reikt over gronden met de enkelbestemming ‘Verkeer’ waar geen zeer kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare gebouwen
68
en locaties zijn toegestaan. Derhalve wordt voldaan aan artikel 8.10a, lid 1, onder b en artikel 8.12 van het Bkl. In het kader van art. 8.10a, lid 1, onder c van het Bkl dient rekening te worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de activiteit beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied. Met betrekking tot de inrichting van Intracare is alleen een gifwolkaandachtsgebied aanwezig zoals weergegeven in figuur 3 van het QRA rapport. Uit paragraaf 4.2 van het QRA rapport blijkt dat het maximaal aantal dodelijke slachtoffers lager is dan 10. Er is daarmee geen sprake van een groepsrisico. Derhalve wordt voldaan aan art. 8.10a, lid 1, onder c van het Bkl. Op 13 januari 2025 hebben wij advies ontvangen van de Veiligheidsregio BrabantNoord: Het oprichten van de PGS 15 opslag leidt tot de introductie van een gifwolkaandachtsgebied. Dit betekent dat volgens artikel 5.2 Bkl in de besluitvorming hier rekening mee moet worden gehouden. Zelfredzaamheid In algemeenheid kan gesteld worden dat op het moment mensen in gebouwen schuilen het risico op letsel beperkt is. Moderne gebouwen bieden als gevolg van de energieprestatie eisen een goede bescherming tegen het binnen dringen van de buitenlucht.
Het is van belang dat ramen, deuren en ventilatie openingen afgesloten worden. Via NL Alert of andere social media kunnen personen in de omgeving gealarmeerd en geïnstrueerd worden. Aangenomen mag worden dat personen werkzaam in deze omgeving in voldoende mate in staat zijn om zelfstandig op de juiste manier op een dreiging te reageren. Bestrijdbaarheid Het pand is voorzien van automatische blussystemen waardoor de kans op een onbeheerste brand klein is. Het pand/perceel is in voldoende mate bereikbaar. Het bluswateraanbod is reeds afgestemd op de bluswaterbehoefte. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de mogelijkheden tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Om deze reden zien wij geen aanleiding voor het geven van een aanvullend advies. 16.6. Conclusie Er is getoetst of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) voor de omgevingsaspecten. Uit deze toets is gebleken dat er inderdaad sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de omgevingsaspecten. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan omgevingswaarden en bij de voorgenomen ontwikkeling worden de belangen van derden niet in onevenredige mate geschaad, mits wordt voldaan aan de opgenomen voorschriften en voorwaarden in de vergunning.