Bijlage 2. concept beschikking
Tekst van het document
1.10.
Advies en instemming
In de Ow en het Ob worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 16.15, eerste lid van de Ow, alsmede afdeling 4.2 van het Ob, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: •
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad;
•
Het bestuur van de Veiligheidsregio Brabant Noord;
•
Waterschap Aa en Maas;
•
Inspectie Leefomgeving en Transport.
27
Advies Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) Op 10 juni 2025 hebben advies ontvangen van de ILT. Het advies bevat de volgende punten. Onder elk punt geven wij onze reactie. Opslag gevaarlijke stoffen: 1.
In het UPD wordt aangegeven dat er maatwerk wordt toegepast voor de tijdelijke opslag in de expeditieruimte. Aanvraag laten aanpassen, hoofdstuk 5 van de PGS 15 betrekken. Reactie 1: Uit de aanvraag blijkt dat hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 van de PGS 15 worden toegepast. In de voorschriften is voorzien in beperkingen van de hoeveelheden en aard van de opgeslagen stoffen.
2.
Er dient voor de opslag van gasflessen aan alle eisen van hoofdstuk 6 van de PGS 15 worden getoetst. Reactie 2: Dit is opgenomen in de voorschriften.
3.
In de QRA is vermeld dat er meerdere PGS 15 opslagvoorzieningen kleiner dan 10 ton aanwezig zijn. Aard en hoeveelheden van de (gevaarlijke)stoffen moeten worden vermeld en een toets aan de PGS 15 moet worden uitgevoerd. Reactie 3: Deze opslagvoorzieningen zijn aanwezig in de bestaande bouw. Deze maken geen deel uit van deze aanvraag.
4.
Er wordt mierenzuur opgeslagen, de opslag moet voldoen aan typical 3 van de PGS 31. De PGS31 toets is niet voldoende onderbouwd m.b.t voorschriften typical 3. Niet duidelijk is van welk materiaal de tank is gemaakt. Reactie 4: De opslagen stof wordt gekwalificeerd als ADR 8 (50% mierenzuur). De concentratie aan mierenzuur is lager dan 78%. Het is dan geen toxische stof. ADR 3 is ook niet van toepassing. Uit de aanvraag blijkt dat de opslag plaatsvindt in een kunststof tank. De algemene regels vanuit het Bal zijn van toepassing op deze tank.
Emissies naar de lucht inclusief ZZS 5.
De toetsing aan de Bref OFC voor de doekenfilters ontbreekt. Indien er stoffen zoals NOX of SO2 worden geëmitteerd moet per emissiepunt de emissieconcentratie en de toetsing aan de emissiegrenswaarden worden toegevoegd aan de aanvraag. Reactie 5: De aanvraag hoeft op dit punt niet te worden aangepast. In de voorschriften wordt aangesloten bij de Bref en er wordt een ERP controleplan voorgeschreven.
6.
De emissieconcentraties en toetsing aan emissie-grenswaarden van ZZS ontbreken.
7.
Er moet een vermijdings- en reductieprogramma aanwezig zijn waar wordt aangegeven welke maatregelen zijn genomen om aan de van toepassing zijn de emissie-eisen te kunnen voldoen. Reactie 6+7: Het is niet mogelijk om elke ZZS apart te meten. Wij verwachten meer van het aanwezig zijn van filters en het goede onderhoud daarvan. Het betreft hier een bestaand bedrijf. Het bedrijf moet al voldoen aan paragraaf 5.4.3 van het Bal. In artikel 5.24 van het Bal wordt een vermijdings- en reductieprogramma verplicht gesteld. Dit zal worden opgepakt bij de toezichtbezoeken.
8.
Emissies naar de lucht moeten worden toegevoegd aan bijlage 25. De maatregelen voor lozingen moeten aan bijlage 26 worden toegevoegd.
28
Reactie 8: Er wordt erkend dat de aanvraag wat rommelig aan doet, maar de aanvraag bevat voldoende gegevens. Het is niet noodzakelijk om de aanvraag op dit punt aan te passen. 9.
Er dient te worden toegelicht wat het inhoudt dat ketels, tanks afvulinstallatie en apparatuur dedicated zijn en welke invloed dat heeft op de emissies. Reactie 9: Dedicated betekent dat de onderdelen van de installatie specifiek worden gebruikt voor een specifiek proces of processen die op elkaar lijken. De emissies zullen als gevolg daarvan geen grote wisselingen vertonen in de soort stoffen. Mogelijk wel in hoeveelheden. De concentratie-eisen blijven overigens ongewijzigd.
10. Bovenstaande gelden ook voor emissies van ZZS-stoffen (zoals glycolzuur) waarvan het bedrijf aangeeft nog niet te weten of het gebruik wordt gecontinueerd. Reactie 10: Bij de toetsing van emissies wordt geen onderscheid gemaakt tussen de niet-ZZS en ZZS. Er wordt getoetst aan de emissiegrenswaarden die voor de stof of groepen van stoffen gelden. De normen voor ZZS zijn strenger. Het is aan het bedrijf om te besluiten of het gebruik van een bepaalde stof wordt gecontinueerd. Er is geen verbod op het toepassen van ZZS, wel moet er actie worden ondernomen om deze te vermijden en reduceren. Glycolzuur is overigens geen ZZS. Luchtkwaliteit 11. In bijlage 18 is vermeld dat Intracare geen processen uitvoert die invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is wel sprake van verkeersbewegingen. Mogelijk zijn er nog andere installaties aanwezig. Deze bronnen moeten bij een toets aan de luchtkwaliteitseisen worden betrokken. Reactie 11: Bij de aanvraag is een luchtkwaliteitsonderzoek toegevoegd, rapport 02412-17987-26v3 d.d. 6 mei 2025. De vervoersbewegingen zijn meegenomen. Er zijn geen andere installaties aanwezig. Indirecte lozingen afvalwater 12. In bijlage 26 (Directe en indirecte lozing van afvalwater) zijn in de tabellen 10.1 en 10.2 de waterbezwaarlijke stoffen opgenomen die in de categorieën Z en A vallen. Deze worden als ‘grondstof voor eindproduct’ omschreven.
Het eerste spoelwater bij de reiniging van de bereidingsketels wordt als gevaarlijk afval afgevoerd. Het overige met Z en A stoffen verontreinigde afvalwater wordt op het riool geloosd. 13. De lozing moet worden getoetst aan de van toepassing zijnde lozingseisen (zoals BREF OFC, BREF CWW). 14. De beschrijving van de saneringsinspanning voor deze stoffen is vrij summier: er is enkel aandacht voor het afvalwater van de eerste spoeling van de bereidingsketels. Per stof(groep) moet conform paragraaf 3 van de ABM worden aangegeven hoe de saneringsinspanning wordt ingevuld. 15. Ook moet voor alle stoffen de immissietoets worden uitgevoerd. 16. Bovenstaande geldt eveneens voor overige te lozen stoffen bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen indien deze in de categorieën Z of A vallen. Reactie 12 t/m 16: Bij de voorschriften wordt aangesloten bij de Bref OFC. Een analyse wordt voorgeschreven. Het Waterschap Aa en Maas wordt betrokken bij het opstellen van voorschriften. Met betrekking tot ZZS gelden ook het vermijdings- en reductieprogramma. Algemeen 17. De veiligheidsdatasheets van de gevaarlijke stoffen en de waterbezwaarlijke stoffen moeten aan de aanvraag worden toegevoegd.
29
Reactie 17: De veiligheidsdatasheets zijn aan ILT toegezonden voor inzage en worden niet aan de aanvraag toegevoegd. De veiligheidsdatasheets zijn daarnaast in te zien bij Intracare. De vergunning zal niet apart ingaan op alle gevaarlijke stoffen. De vergunning zou daardoor te star worden. Het toepassen van nieuwe ZZS stoffen mag alleen na goedkeuring van het bevoegd gezag. Milieubeheersysteem (MBS) 18. Intracare voldoet niet aan de eisen voor een MBS. Op basis van Brefs OFC en CWW en WGC wordt geadviseerd om de BBT conclusies 1 (en 2) aan de vergunning te verbinden. Reactie 18: Er wordt een voorschrift opgenomen m.b.t. een milieubeheersysteem, aangesloten op paragraaf 5.3 van de Bref OFC.
Advies Veiligheidsregio Brabant Noord Op 9 september 2024, 13 januari, 26 juni en 4 augustus 2025 hebben wij advies ontvangen van de Veiligheidsregio Brabant Noord. De adviezen van 9 september 2024 en 13 januari 2025 hadden vooral betrekking op het aanvullen van de aanvraag. Onze reactie op het advies van 26 juni 2025 en 4 augustus 2025 is opgenomen in het hoofdstuk Brandveiligheid. Het advies van 13 januari 2025 met betrekking tot het afwijken van het omgevingsplan is opgenomen in het onderdeel Omgevingsplanactiviteit.
Waterschap Aa en Maas Op 9 juli 2025 hebben wij advies ontvangen van het Waterschap Aa en Maas. Dit advies bestaat uit een deel overwegingen en een deel voorschriften. Het Waterschap hecht een groot belang aan het verminderen van waterbezwaarlijke stoffen en het verminderen van het EDTA gebruik. Omdat de overwegingen en de voorschriften vrijwel integraal zijn overgenomen in deze beschikking onder het kopje “afvalwater” wordt hier niet op de inhoud ingegaan, met uitzondering van enkele voorschriften. Het betreft de volgende voorschriften: X.9
Jaarlijks wordt een overzicht van stoffen (inclusief klasse aanduiding van de water-bezwaarlijkheid) gerapporteerd aan het bevoegde gezag. Dit betreft een overzicht van stoffen die zijn gebruikt voor het testen van nieuwe stoffen alsmede een overzicht van stoffen die binnen de productie worden gebruikt.
X.10
a. Vijf jaar na het in werking treden van de wijziging rapporteert vergunninghouder aan het bevoegde gezag, voor de stoffen met een waterbezwaarlijkheid, die gekoppeld is aan saneringsinspanning “Z”; 1) de gemaakte vorderingen ten aanzien van de emissiebeperking van ZZS en 2) de te treffen maatregelen, inclusief termijnen, met als doel te komen tot nullozing of minimalisatie van de emissie van ZZS. b. Vervolgens rapporteert vergunninghouder aan het bevoegde gezag, volgens een vijfjarencyclus na de eerste rapportage.
X.11
In de rapportage, zoals genoemd in voorschrift X.10, moet bij de beoordeling op de saneringsinspanning, het verwachte milieurendement en de kosten, de ontwikkeling van toe te passen nieuwere technieken, die als BBT worden gekwalificeerd, mede worden betrokken.
X.12
De rapportages zoals genoemd in voorschrift X.9 en X.10 en de te treffen maatregelen, zoals genoemd in de voorschrift X.8, behoeven de goedkeuring van het bevoegde gezag.
30
Reactie: Intracare is verplicht op grond van paragraaf 5.4.3 van het Bal met betrekking tot emissies naar lucht en water het bevoegd gezag te informeren, een vermijdings- en reductieprogramma op te stellen en inzicht te geven in de kosten en rendement van de technieken. Wij achten deze voorschriften voldoende. De door het waterschap voorgestelde voorschriften hebben een gelijksoortig doel en hoeven daarom niet opgenomen te worden in de vergunning.
Gemeente Meierijstad Op grond van artikel 16.16, eerste lid, van de Ow wijst het Ob categorieën van gevallen aan waarvoor geldt dat een omgevingsvergunning ook instemming behoeft van een daarbij aangewezen bestuursorgaan. Omdat het hier gaat om een aanvraag als vermeld in artikel 5.1, eerste lid onder a Ow, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan wanneer het College van burgemeester en wethouders Meierijstad daarmee heeft ingestemd. In dit kader hebben wij onverwijld na ontvangst van de aanvraag een exemplaar hiervan toegezonden aan de gemeente Meierijstad met het verzoek te reageren. Wij hebben op 13 september 2025 van het College van burgemeester en wethouders Meierijstad een advies ontvangen waaruit blijkt dat er, gelet op het belang van evenwichtige toedeling van functies aan locatie, kan worden ingestemd met het verlenen van de gevraagde vergunning. Dit advies bestaat uit een considerans, die wij hebben overgenomen in de vergunning onder hoofdstuk Buitenplanse omgevingsactiviteit.
1.11. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving met de ontwerpbeschikking en de aanvraagdocumenten digitaal gepubliceerd op internet: www.officielebekendmakingen.nl op 25 september 2025. Tussen 25 september en 6 november 2025 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.12. Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn geen wijzigingen aangebracht in de definitieve beschikking behoudens aanpassing van enkele tekstuele verschrijvingen bij de overwegingen.
31
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN 2.
MER-BEOORDELING
2.1.
Wettelijke grondslag
De milieueffectrapportage (hierna: MER) is wettelijk verankerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). Ingevolge artikel 16.43 van de Ow moet het bevoegd gezag bij voorgenomen activiteiten genoemd in bijlage V van het Ob besluiten of voor het project, gelet op de aanzienlijke milieueffecten die het project mogelijk heeft, een MER moet worden gemaakt. Het gaat om de gevolgen voor het milieu als bedoeld in artikel 16.43 van de Ow. Het initiatief heeft betrekking op de activiteit(en) genoemd in de bijlage behorende bij het Ob, bijlage V, categorie F3, onder e en I3.
2.2.
Toets
Bij de motivering van het m.e.r.-beoordelingsbesluit houdt het bevoegd gezag rekening met de relevante criteria uit bijlage III van de EU-richtlijn milieueffectbeoordeling. De criteria van bijlage III van de EU-richtlijn zijn: • • •
de kenmerken van het project; de locatie van het project; soort en kenmerken van het potentiële effect.
Bij de aanmeldingsnotitie is een beschrijving gevoegd om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden of te voorkomen. Hiermee hebben we bij de toetsing rekening gehouden. Hieronder volgt onze afweging. 2.2.1.
Kenmerken van het project
Bij de kenmerken van het project is in het bijzonder in overweging genomen: • • • • • •
•
de omvang en het ontwerp van het project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; de risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
2.2.2.
Omvang en ontwerp van het project
Intracare produceert en levert producten (doorhandel) bestemd voor de intensieve veehouderij en aanverwante bedrijven. Geproduceerd worden reinigingsmiddelen, desinfectiemiddelen, voedingssupplementen en farmaceutische middelen. De belangrijkste activiteiten op het bedrijfsterrein zijn daarnaast het aan- en afvoeren van grondstoffen, halffabricaten en eindproducten. Deze activiteiten zijn al vergund op de huidige situatie aan de Voltaweg 2-6 in Veghel. De uitbreiding vindt plaats aan de overzijde van de straat. Er zijn geen wijzigingen in de aard van de bedrijfsvoering, maar neemt wel toe in omvang. In de bestaande situatie is sprake van een opslag aan gevaarlijke stoffen in PGS 15 opslag in opslagplaatsen met maximaal 10 ton (totaal 166 ton). In de nieuwe situatie zijn 3 opslagen voorzien met elk meer dan 10 ton (totaal 600 ton).
32
Daarnaast zullen 3 opslagtanks worden geplaatst voor de opslag van gevaarlijke stoffen (ADR 5.1 en ADR 8).
2.2.3.
Cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten
De belangrijkste milieueffecten waarbij cumulatie kan optreden zijn geluid, luchtemissies en externe veiligheid. Aangezien er sprake is van uitbreiding van de bestaande activiteit zal er een toename zijn op deze aspecten. Aangezien de uitbreiding plaatsvindt op een bedrijventerrein zal de bijdrage op het totaal gering zijn. Met betrekking tot externe veiligheid blijkt dat de risicocontour voor het plaatsgebonden risico grotendeels op eigen terrein ligt. Er ligt een klein gedeelte over de openbare weg.
2.2.4.
Het gebruik van natuurlijk hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit.
De uitbreiding vindt plaats op een bedrijventerrein. Het land is daarmee al voorbestemd. Bij de aanvraag zit een ecologische toets. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en broedvogels.
2.2.5.
Productie van afvalstoffen
Binnen het huidige productieproces ontstaan een geringe hoeveelheid afvalstoffen. De voorgenomen wijzigingen hebben geen invloed op de afvalstoffen die binnen de inrichting ontstaan. Negatieve gevolgen zijn dan ook uitgesloten.
2.2.6.
Verontreiniging en hinder
Geluid De geluidsemissie wordt veroorzaakt door transportbewegingen en geluidsuitstraling van het gebouw. Ten gevolge van de geluidbronnen/activiteiten die deel uitmaken van de activiteiten zijn er geen overschrijdingen van de grenswaarden voor de etmaalwaarde. Lucht De voorgenomen verandering heeft geen invloed op het aspect luchtkwaliteit. Bij de aanvraag is een rapportage luchtkwaliteit toegevoegd. Geur Het proces van de te realiseren situatie is identiek aan die van de huidige situatie, hierbij neemt wel de omvang toe. Door dat er geen geuremissie aanwezig is bij de bestaande situatie zijn er geen significante geuremissie te verwachten op de nieuwe locatie. Er is derhalve geen negatief effect op de omgeving. Bodem Er treden geen negatieve effecten op de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater op ten gevolge van de inrichting. Indien en waar noodzakelijk worden bodembeschermende maatregelen getroffen. Afvalwater Het proces van de te realiseren situatie is identiek aan die van de huidige situatie, hierbij neemt wel de omvang toe. Nadelige gevolgen worden niet verwacht.
2.2.7.
Het risico van ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project 33
Bij de aanvraag is een kwantitatieve risico-analyse (QRA) bijgevoegd. Uit de QRA blijkt dat de contour voor het plaatsgebonden risico (10-6) op het eigen terrein ligt. Grote effecten worden daarom niet verwacht.
2.2.8.
De risico’s voor de menselijke gezondheid
Door Intracare worden enkel stoffen toegepast die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof (ZZS). Bij normale bedrijfsomstandigheden vindt geen emissie van die stoffen naar de lucht, water of bodem plaats. Voor de diverse aspecten die van invloed zijn op de volksgezondheid (geluidniveau en luchtkwaliteit) wordt dan ook verwacht dat voldaan wordt aan de wettelijke richt- en grenswaarden. Negatieve effecten op de volksgezondheid worden derhalve niet verwacht.
2.2.9.
Conclusie: kenmerken van het project
Gezien de kenmerken van het project bestaat er geen aanleiding om te beoordelen dat een milieueffectrapport (MER) nodig is.
2.3.
Locatie van het project
Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: • •
het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken (o.a. Nationaal Natuurnetwerk); gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
•
•
• • •
2.3.1.
De plaats van de voorgenomen activiteit
Intracare is gevestigd aan de rand van het bedrijventerrein De Dubbelen. Ten westen ligt de rijksweg A50 met daarachter landbouwgebied. Aan de noordoostzijde van het bedrijventerrein ligt de Zuid-Willemsvaart met daarachter Veghel. De dichtstbijzijnde woonkernen zijn Eerde, op ongeveer 600 meter ten westen en Veghel op ongeveer 200 meter van het bedrijventerrein. De afstand tot Intracare tot de woonkern Veghel bedraagt ongeveer 1,2 kilometer.
2.3.2.
Beschermde gebieden
Natura 2000-gebieden en/of beschermde natuurmonumenten De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn: •
Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek
•
Kampina & Oisterwijkse Vennen
Beide gebieden liggen op ongeveer 15 km afstand.
34
Gezien de afstand is het niet te verwachten dat de voorgenomen activiteit invloed uitoefent op deze gebieden. Beschermde soorten Buiten de Natura 2000-gebieden bevinden zich mogelijk dieren en plantensoorten die bescherming genieten in het kader van de Wet natuurbescherming. Uit de quickscan Natuur d.d. 9 oktober 2024 opgesteld door Blomecologie blijkt dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten die niet beschermd zijn. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart - 15 juli).
2.3.3.
Conclusie plaats van het project
De locatie van het project leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen om reden waarvan een MER moet worden opgesteld.
2.4.
Soort en kenmerken van het potentiële effect
Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect wordt in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria, het volgende in aanmerking genomen: •
• • • • • •
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); de aard van het effect; het grensoverschrijdend karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
2.4.1.
Overwegingen
De kenmerken van de belangrijkste (mogelijk) optredende nadelige gevolgen voor het milieu zijn in de voorgaande aan de orde gesteld. Daaruit kan het volgende worden afgeleid. Het belangrijkste milieueffect kan zijn de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen. Om de effecten op het milieu en gezondheid zoveel mogelijk te beperken moet voldaan worden aan de relevante voorschriften uit de vigerende vergunning. De aangeleverde gegevens bieden voldoende inzicht in het bereik, waarschijnlijkheid, orde, grootte en complexiteit van de effecten vanuit de inrichting. Daarbij zullen de effecten op het aspect geluid, lucht, bodem en water geen belangrijke nadelige gevolgen vormen.
2.4.2.
Conclusie soorten en kenmerken van het potentiële project
Van potentiële aanzienlijke effecten is als gevolg van de voorgenomen activiteit geen sprake. Gelet hierop overwegen wij dat naar aanleiding van de soort en de kenmerken van het potentiële effect kan worden uitgesloten dat de activiteit aanzienlijke milieueffecten voor het milieu kan hebben.
35
2.5.
Conclusie
De voorgenomen activiteiten van Intracare leiden niet tot aanzienlijke milieueffecten, die via een MER nader onderzocht moeten worden. De kenmerken van het project, de locatie van het project en de soort en kenmerken van het potentiële effect zijn voldoende inzichtelijk.
36
3.
MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT
3.1.
Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een milieubelastende activiteit (MBA) als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat hier om de volgende MBA(‘s): •
Exploiteren van een Seveso-inrichting (art.3.50 Bal);
•
Exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van farmaceutische producten, bedoeld in categorie 4.5 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het betreft een Seveso-inrichting, zoals omschreven in Bijlage I van het Bal. Op de locatie zijn een of meer installaties aanwezig, waar een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, tiende lid, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen.
3.2.
Toetsing aanvraag
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 8.9 van het Bkl, beoordeeld of: • •
• • • • • •
•
milieuverontreiniging door de activiteit geïntegreerd wordt voorkomen of, wanneer dit niet mogelijk is, beperkt; emissies in de lucht, het water en de bodem en het ontstaan van afval door die activiteit worden voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, beperkt om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken; alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; de voor de activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast; geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt; energie doelmatig wordt gebruikt; maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken; bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om elk risico van milieuverontreiniging door de activiteit voor het terrein waarop de activiteit werd verricht, te voorkomen of te beperken, als dat nodig om dat terrein weer geschikt te maken voor toekomstig hergebruik. het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater zo veel mogelijk wordt voorkomen of beperkt en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd.
Zo nodig hebben wij voorschriften die daartoe strekken in de vergunning opgenomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
3.3.
Besluit activiteiten leefomgeving
De MBA(‘s) waarvoor vergunning is aangevraagd, is/zijn aangemerkt als een MBA waarvoor vergunningplicht geldt. De specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 2.11 van het Bal, is voor alle MBA’s van toepassing. Daarnaast vinden binnen de locatie de volgende MBA’s plaats: •
Het opslaan van vloeistoffen in een opslagtank (paragraaf 3.2.8 van het Bal); 37
•
Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking (paragraaf 3.2.9 van het Bal).
Er moet in ieder geval worden voldaan aan de volgende paragrafen/artikelen uit het Bal, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde MBA’s: MBA
Algemene regels
Seveso
Seveso-inrichting, paragraaf 4.2 Verduurzaming van het energiegebruik, paragraaf 5.4.1
Basischemie
Eindonderzoek bodem, paragraaf 5.2.1 PRTR, paragraaf 5.3.1 Verduurzaming van het energiegebruik, paragraaf 5.4.1 Zeer zorgwekkende stoffen, paragraaf 5.4.3 Emissies in de lucht, paragraaf 5.4.4
Opslaan van vloeistoffen in
het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische
opslagtank
vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, paragraaf 4.95*
Opslaan van vloeistoffen in
het opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische
verpakking die wordt gebruikt
vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of
als opslagtank
verpakking die als opslagtank wordt gebruikt, paragraaf 4.95*
Opslaan van gevaarlijke stoffen
Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking, paragraaf
in verpakking
4.98*
*algemene regels Bal van toepassing.
3.4.
Zorgplicht
3.4.1.
Algemeen
Artikel 1.6 van de Ow bepaalt dat een ieder bij zijn activiteiten voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving. In het meer concrete artikel 1.7 van de Ow is bepaald dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs gevraagd kunnen worden om die gevolgen te voorkomen. Voor zover dat niet mogelijk is, is hij verplicht om die gevolgen zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als ook dat onvoldoende mogelijk is, is hij verplicht om de activiteiten achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
3.4.2.
Vangnetfunctie
Het is niet mogelijk, noch wenselijk, alle theoretisch mogelijke activiteiten te reguleren. De algemene zorgplicht fungeert als vangnet. Het vangnet is vooral van belang bij activiteiten of gevolgen van activiteiten die onmiskenbaar in strijd zijn met de zorgplicht, maar die niet nader zijn gereguleerd omdat de wetgever ze niet heeft voorzien. Het kan bijvoorbeeld gaan om activiteiten die in Nederland nog niet voorkomen of om nieuwe technische ontwikkelingen die niet vergunningplichtig zijn en waarvoor de geldende algemene regels niet voldoen. Een ander voorbeeld zijn activiteiten die in het algemeen geen problemen veroorzaken en daarom niet zijn 38
gereguleerd, maar die in specifieke gevallen onacceptabele gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.
3.4.3.
Specifieke zorgplicht
Voor milieubelastende activiteiten zoals omschreven in het Bal geldt naast algemene regels of een eventuele vergunningplicht een specifieke zorgplicht. Deze specifieke zorgplicht staat in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hij geldt voor de milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht ook geldt voor activiteiten, waarvoor in hoofdstuk 4 en 5 die de richtingaanwijzer bij de milieubelastende activiteit uit hoofdstuk 3 aanwijst, voorschriften zijn opgenomen. Artikel 2.11 van het Bal bestaat uit twee delen. Het eerste deel, bestaande uit het eerste lid, verplicht degene die de activiteit verricht om zorg te dragen voor bepaalde milieubelangen. Hoewel de zorgplicht een open norm is en moet blijven, wordt in het tweede deel van het artikel nader geconcretiseerd waaruit die zorgplicht bestaat. Dit geeft een handvat aan degene die de activiteit verricht om de vereiste zorg in te vullen. Het betreft geen uitputtende concretisering. In het algemeen zal de specifieke zorgplicht niet overtreden worden indien de activiteit op de gebruikelijke manier wordt uitgevoerd. De specifieke zorgplicht verbiedt handelingen waarvan duidelijk is dat deze niet toegestaan kunnen worden en iedereen zou moeten weten dat ze niet door de beugel kunnen.
Aan deze vergunning zullen geen voorschriften worden verbonden voor activiteiten of aspecten, die reeds voldoende worden gedekt door de specifieke zorgplicht. Daar waar deze volgens ons in een specifiek geval onvoldoende duidelijkheid biedt, is er maatwerk gesteld op grond van deze zorgplicht. Dit is in de volgende hoofdstukken per milieuaspect uitgewerkt.
4.
BEST BESCHIKBARE TECHNIEKEN
4.1.
Toetsingskader
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de milieubelastende activiteit voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat bij het verrichten van de milieubelastende activiteit ten minste de in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij het opstellen van de omgevingsvergunning moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Het verschil tussen artikel 13, lid 5 en lid 7 van de Rie is: • •
BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 5 heeft de Europese Commissie vastgesteld ná 6 januari 2011. Dit op basis van artikel 75 lid 2 van de Rie. BBT-conclusies overeenkomstig artikel 13 lid 7 is het hoofdstuk Best available techniques (BAT) uit de BREF's. De Europese commissie heeft deze BREF's vastgesteld vóór 6 januari 2011. Dit hoofdstuk geldt als BBT-conclusies totdat de Europese Commissie voor die activiteit nieuwe BBT-conclusies vaststelt.
39
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag de BBT zelf vaststellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: • • • • • • • • • • •
de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; de toepassing van stoffen die minder gevaarlijk zijn dan stoffen of mengsels als omschreven in artikel 3 van de CLP-verordening; de ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en opnieuw gebruiken van de uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen; vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; de verwachte datum en het verwachte tijdstip waarop met de activiteit wordt begonnen; de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie; de noodzaak om de nadelige gevolgen van de emissies op en de risico’s voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; en de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken.
De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
4.2. Concrete bepaling beste beschikbare technieken De aanvraag heeft betrekking op één of meer IPPC-installaties en wel de volgende: categorie 4.5 de fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten van de Rie. Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies. Op grond van artikel 8.10 van het Bkl moet voor het bepalen van BBT een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBTconclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de eindconcepten van herziene BBT-conclusies. Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende BBTconclusies: •
Bref organische fijnchemie (OFC)
•
BBT conclusies afgas- en afvalwaterbehandeling (CWW)
•
BREF op- en overslag bulkgoederen (EFS)
•
BREF energie-efficiëntie (ENE)
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals opgenomen in bijlage XVIII, onder A, van het Bkl: •
PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, versie 1.0, augustus 2021;
40
•
PGS 31: Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.0, augustus 2021;
•
Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen, versie 2020-01, april 2020.
4.3. Conclusies BBT De milieubelastende activiteit voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toets document waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT laten wij daarom onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning.
5.
AFVALSTOFFEN
5.1.
Afvalstoffen algemeen
5.1.1. Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. In de Kamerbrief “Stand van zaken uitwerking CMP1” van 24 juni 2022 is aangekondigd dat de opvolger van het LAP, het Circulair Materialenplan (CMP1), meer informatie zal bevatten over grondstofgebruik en het voorkomen dat een materiaal of product te snel afval wordt en dat het CMP1 meer handvatten zal bieden voor vergunningverleners om die kaders daadwerkelijk toe te passen bij vergunningverlening. Op grond van artikel 8.10 van het Bkl (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 8.29 van het Bkl kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven.
Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de milieubelastende activiteit ontstaan de volgende afvalstoffen: • • •
Gevaarlijk afval, waaronder lege ongereinigde IBC’s/emballage en laboratorium afval; Papier en karton; Restafval.
Omdat de productie wordt de verplaatst naar de nieuwe locatie zullen de afvalstromen iets toenemen. In de vigerende vergunning is opgenomen dat de volgende afvalstoffen gescheiden gehouden moeten worden: •
Verschillende categorieën gevaarlijke afstoffen, onderling en van andere afvalstoffen;
41
• • •
Papier en karton; Elektrische en elektronische apparatuur; Kunststoffolie.
De voorschriften uit hoofdstuk 2 behorende bij de vigerende vergunning d.d. 23 mei 2017, kenmerk UV20160213/90.377 zijn ook van toepassing op deze uitbreiding. Er is geen aanleiding tot het opnemen van aanvullende voorschriften, met uitzondering van een voorschrift met betrekking tot gevaarlijk afval. In paragraaf 10.6.8 van de Wet milieubeheer (Wm) staan voorschriften die rechtstreeks werken met betrekking tot de afgifte van afvalstoffen, waaronder een registratieplicht voor de ontdoener (artikel 10.38 Wm).
6.
AFVALWATER
6.1. Algemeen Binnen de inrichting worden de volgende afvalwaterstromen onderscheiden: -
Spoel- en schrobwater afkomstig van de productie;
-
Sanitair afvalwater;
-
Afvalwater afkomstig van het laboratorium;
-
Hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen;
-
Hemelwater afkomstig van niet-bodembeschermende voorzieningen (waaronder het dak).
De aanvraag is getoetst aan: • • •
toepassing van de beste beschikbare technieken; de voorkeursvolgorde voor afvalwater van artikel 10.29a van de Wm; het belang van het beschermen van de doelmatige werking van de riolering en van het zuiveringtechnisch werk waarop vanuit die riolering afvalwater wordt gebracht. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met belemmering van de verwerking van slib uit de riolering of het zuiveringtechnisch werk, alsmede de bescherming van het oppervlaktewater wat het effluent van het zuiveringstechnische werk ontvangt.
Onderdeel van deze beoordeling betreft toetsing aan de Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM), de toe te passen zuiveringstechnische maatregelen op grond van de BREF en de toetsingskaders voor de doelmatige werking zuiveringstechnische werken van het Waterschap Aa en Maas.
6.2. Algemene beoordelingsmethodiek (voor stoffen) In de aanvraag is in bijlage 26 een overzicht opgenomen van de stoffen die Intracare binnen het bedrijf gebruikt. Uit dit overzicht blijkt dat Intracare; •
9 stoffen gebruikt die zijn aangewezen als zeer zorgwekkende stoffen;
•
54 stoffen gebruikt die op basis van biologische, toxicologische en fysisch, chemische eigenschappen zijn aangeduid als a-stoffen;
•
29 stoffen gebruikt die op basis van biologische, toxicologische en fysisch, chemische eigenschappen zijn aangeduid als b-stoffen;
•
11 stoffen gebruikt die op basis van biologische, toxicologische en fysisch, chemische eigenschappen zijn aangeduid als c-stoffen.
Op basis van deze aanduidingen gelden de volgende saneringsinspanningen: •
voor zeer zorgwekkende stoffen, saneringsinspanning z: Middels een cyclische aanpak bestaande uit bronaanpak, minimalisatie en continu verbeteren streven naar een nullozing. Hiervoor dienen die technieken te
42
worden toegepast die het meest vergaand zijn binnen de verzameling technieken die als BBT geclassificeerd kunnen worden. •
Voor a-stoffen, saneringsinspanning a: middels technieken die de meest vergaande sanering bewerkstelligen binnen de verzameling technieken die als BBT geclassificeerd worden, zo dicht mogelijk bij een nullozing komen.
•
Voor b-stoffen, saneringsinspanning b: middels good-housekeeping, procesgeïntegreerde maatregelen en end-off pipe technieken de lozing van deze stoffen zoveel mogelijk voorkomen.
•
voor c-stoffen, saneringsinspanning c: middels de meest beperkte saneringsinspanning binnen de verzameling BBT-technieken de lozing beperken.
Uit de aanvraag blijkt dat Intracare de noodzakelijke sanering bereikt door organisatorische maatregelen gericht op het opvangen van spoelwaterstromen en het afvoeren ervan naar erkende afvalverwerkers. Hiermee wordt een vergaande sanering bereikt. Het valt echter niet uit te sluiten dat ondanks opvang van spoelwaterstromen toch zeer zorgwekkende stoffen in het te lozen afvalwater terecht komen. In de voorschriften is hiermee rekening gehouden en een cyclische aanpak opgenomen om de lozing van met name zeer zorgwekkende stoffen blijven te minimaliseren.
6.3. EDTA-gebruik Uit de aanvraag blijkt dat Intracare verschillende stoffen gebruikt waarin EDTA is verwerkt (Koperdinatrium EDTA, Cu Diammonium EDTA, EDTA Na4, Zinkdinatrium EDTA en Zn Diammonium EDTA). EDTA is als stof weinig schadelijk voor in water levende organismen. Doordat EDTA optreedt als complexvormer, die bij pH-schommeling metalen in oplossing houdt dan wel de metalen los laat, wordt EDTA wel beschouwd als een stof die leidt tot negatieve milieueffecten. EDTA is slecht biologisch afbreekbaar en zal nagenoeg in zijn geheel door de RWZI stromen. Het afvalwater van Intracare wordt via RWZI Dinther geloosd op de Beekgraaf, waarna het via de Aa en Dieze afstroomt naar de Maas. De lozing in het oppervlaktewater na de RWZI zal de milieukwaliteitsdoelstelling voor EDTA (te weten 2200 ug/l) niet overschrijden. Echter, bij de Biesbosch wordt Maaswater ingenomen als productiewater voor de drinkwatervoorziening van de Randstad, Zeeland en delen van België. Voor de inname van Maaswater zijn kwaliteitseisen gesteld. Naast deze kwaliteitseisen die beschreven zijn in het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water wordt getoetst aan vastgestelde streefwaarden uit het European River Memorandum (ERM). Deze streefwaarden worden vooral gebruikt om opkomende stoffen, die (nog) geen wettelijke norm in het kader van drinkwater wet- en regelgeving hebben, te toetsen.
In alle waarnemingen overschrijdt EDTA de in de ERM genoemde streefwaarde voor EDTA van 1 ug/l. Op grond hiervan is EDTA aangewezen als een drinkwaterrelevante stof. De lozing van Intracare leidt naar verwachting niet tot een overschrijding van de streefwaarde van 1 ug/l. Maar de lozing draagt wel bij aan de EDTA-concentratie in het Maaswater. Op grond van de overschrijdingen van de ERM waarde alsmede de negatieve milieueffecten vanwege het in oplossing houden dan wel loslaten van metalen is het wenselijk de lozing van EDTA te gaan beperken. In de voorschriften is hiermee rekening gehouden met voorschriften die voorzien in het beperken van nieuwe toepassingen voor EDTA, alsmede onderzoek naar vervangende producten. Hierbij wordt opgemerkt dat vervanging door Nitrilotriazijnzuur (NTA) geen aanvaardbare vervangende stof betreft. NTA en zijn
43
zouten zijn geschikt om water te ontharden en om kalkaanslag te voorkomen of te verwijderen. NTA is beter biologisch afbreekbaar dan het vergelijkbare EDTA. In dierproeven is de stof echter kankerverwekkend gebleken. Het International Agency for Research on Cancer (IARC) beschouwt NTA als mogelijk kankerverwekkend voor de mens en wordt daarmee aangemerkt als een A-stof.
6.4. BREF Organische Fijnchemie Intracare produceert reinigingsmiddelen, desinfectiemiddelen, voedingssupplementen en farmaceutische middelen voor dieren en innovaties voor duurzame tuinbouw, aquacultuur en intensieve veehouderij. Op grond van het productievolume vallen deze activiteiten onder de BREF Organische Fijnchemie. Dit betreft met name de productie en het gebruiken van vitamines, plantaardige gezondheidsproducten en diverse farmaceutisch ingrediënten (kortweg API’s). Het afvalwater bij deze producties ontstaat bij de reiniging van meng- en afvulapparatuur alsmede bij de reiniging van controle en ontwikkelapparatuur die binnen laboratoria worden gebruikt. Uit de aanvraag blijkt onder andere dat het spoelwater afkomstig van het reinigen van de ketels en leidingen uit de productieruimtes wordt opgevangen en wanneer hergebruik niet mogelijk is, het ingezamelde water wordt afgevoerd als gevaarlijk afval. Vanuit productielijnen wordt geen afvalwater op de riolering geloosd. Er ontstaat wel schoonmaakwater als gevolg van het schoonmaken van het gehele pand. Binnen het laboratorium is sprake van Good Laboratorium Practice waarbij hetzelfde principe (opvangen eerste spoeling en separate afvoer) wordt toegepast. Ondanks deze (BBT-)toepassing valt niet uit te sluiten dat het te lozen afvalwater stoffen bevat die Intracare produceert.
In de voorschriften is hiermee rekening gehouden en zijn normen opgenomen voor de som van enkele metalen (zoals koper, barium, chroom, nikkel, zink, zilver, seleen, lood en molybdeen), gechloreerde koolwaterstoffen (CKW’s) onopgeloste bestanddelen alsmede organische eutrofiërende stoffen als totaal stikstof en totaal fosfor. Het voorschrift 3.2.1 van de vigerende vergunning (afvalwater afkomstig van het laboratorium) zal wel worden aangepast. Er zijn normen opgenomen voor kwik en cadmium (allebei z-stoffen) terwijl uit de stoffenlijst blijkt dat deze stoffen niet worden toegepast. Daarbij zijn de normen uit de vigerende vergunning hoog voor stoffen die niet toegepast worden en hoog ten opzichte van de waterkwaliteitsdoestellingen voor het oppervlaktewater. Omdat kwik, cadmium en kwik- en cadmiumverbindingen niet worden toegepast is het lozen van deze stoffen niet toegestaan.
6.5. Overige afvalwaterstromen Het hemelwater afkomstig van niet-bodembeschermende voorzieningen wordt afgevoerd naar de bodem of het schoonwaterriool. Hierop zijn de voorschriften uit paragraaf 22.3.8.2 van het Omgevingsplan gemeente Meijerijstad van toepassing. De overige afvalwaterstromen worden geloosd op het gemeentelijk riool aan de Voltaweg. De voorschriften uit paragraaf 3.1 behorende bij de vigerende vergunning d.d. 23 mei 2017, kenmerk UV20160213/90.377 ter bescherming van het riool en zuiveringstechnische werken zijn ook van toepassing op deze uitbreiding. Op de tekening bij de aanvraag wordt de laad/losplaats ook aangeduid als wasplaats. Aangezien de aanvraag verder niet voorziet in maatregelen ten behoeve van de wasplaats wordt het wassen van voertuigen of goederen/materialen niet toegestaan. Het voorschrift 3.2.1 van de vigerende vergunning (afvalwater afkomstig van het laboratorium) zal wel worden aangepast. 44
Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen over het voorkomen van het ontstaan van afvalwater of, als dat niet mogelijk is, een doelmatig beheer en de monitoring van afvalwater (art. 8.29 lid 1 onder b van het Bkl). De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.
6.6. Beoordeling en conclusie De productie van farmaceutische producten valt onder de Bref organische fijnchemie (OFC). De Bref richt zich ook op andere stoffen dan farmaceutische producten en het beschreven farmaceutische onderdeel is verschillend van het bij Intracare toegepast proces. Bij de beoordeling richten wij ons daarom vooral op de algemene BBT in de Bref. Voor de stoffen Cu, Cr, Ni en Zn, niet-oplosbare stoffen en COD zijn in de Bref normen opgenomen. Wij zullen daarom voorschriften opnemen die betrekking hebben op de aard en samenstelling van het te lozen van afvalwater. De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat past binnen de range die in het BBTreferentiedocument is aangegeven. Wij achten deze situatie vergunbaar. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden over de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. Daarnaast nemen wij een meetverplichting op.
7.
BODEM
7.1. Inleiding In bijlage 23 bij de aanvraag “Rapport Toetsing Bedrijfsactiviteiten Bodembescherming (BB-CVM)” is een opsomming van de bodembedreigende activiteiten weergegeven met daarbij aangegeven welke combinatie van voorzieningen en maatregelen worden toegepast. Voor het aspect bodem zijn algemene regels opgenomen in het Bal. Deze zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Hierna wordt beoordeeld of alle activiteiten binnen de inrichting worden geregeld door de algemene regels. De aangevraagde verandering heeft betrekking op de volgende bodembedreigende activiteiten: • • • • • • • • •
Laden en lossen van bodembedreigende stoffen; Bereiden van eindproducten; Spoelplaatsen voor spoelen van arbeidsmiddelen; Transport bodembedreigende stoffen via bovengrondse leidingen; Opslag bodembedreigende stoffen in opslagtanks; Opslag bodembedreigende stoffen in verpakkingen; Werkplaatsactiviteiten; Laboratorium; Afvoer verontreinigd afvalwater via vloergoten, calamiteitenkelder en bedrijfsriolering.
Op grond van het Bal valt de milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning is aangevraagd, onder afdeling 3.3 van het Bal (complexe bedrijven), meer specifiek artikel 3.51 (Seveso) en 3.74 (basischemie). Voor het aspect bodem is hier paragraaf 5.2.1 aangewezen voor het uitvoeren van een eindonderzoek bodem. Voor de noodzakelijke bodembeschermende voorzieningen en maatregelen voor de bovengenoemde bodembedreigende activiteiten zijn vergunningvoorschriften opgenomen.
45
7.2. Bodemonderzoek Op grond van artikel 7.27, onder c, van de Omgevingsregeling is een nulsituatie bodemonderzoek voor de aangevraagde milieubelastende activiteit(en) verplicht. Een nulsituatiebodemonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten, de daar gebruikte stoffen en bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). De in het nulsituatie bodemonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Op de locatie zijn eerder de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: • • •
Verkennend bodemonderzoek Voltaweg ong. te Veghel, Milon bv (rapportnummer: 20231840, d.d. 19 september 2023); Bodemonderzoek PFAS, Milon bv (rapportnummer: 20201049, d.d. 5 februari 2020); Verkennend bodemonderzoek diverse locaties De Dubbelen te Veghel, Milon bv (rapportnummer: 20181905-2, d.d. 11 oktober 2018).
De onderzoeken zijn uitgevoerd in verband met de voorgenomen verkoop en herontwikkeling van de locatie en de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Ten behoeve van het vastleggen van de nulsituatie van de bodemkwaliteit is het volgende onderzoeksvoorstel bij de aanvraag gevoegd: • Offerte nulsituatie bodemonderzoek, Milon BV, d.d. 26-11-2024. Hierin wordt uitgegaan van één onderzoekslocatie (ongeveer 6.100 m2). Het onderzoek wordt uitgevoerd nadat alle grondwerkzaamheden (ontgraven en ophoging) zijn uitgevoerd en voordat verharding of fundering is aangebracht. De ophoging vindt plaats met grond klasse Landbouw/Natuur (aantoonbaar middels certificaten en/of AP04-onderzoek). Hierom wordt uitgegaan van één onderzoekslocatie voor de nulsituatie, omdat het ophoogzand overal gelijk is en er nog geen bedrijfsactiviteiten zijn. Verwacht wordt dat hiermee voldoende inzicht wordt verkregen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en een geschikte toetsingsgrondslag wordt verkregen. Met het voorstel kan worden ingestemd. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de nu voorgestelde onderzoeksstrategie (beschouwen gehele bedrijfsterrein als één onderzoekslocatie) niet kan worden gehanteerd voor het eindonderzoek bodem dat moet worden uitgevoerd bij de beëindiging van een milieubelastende activiteit.
Bij de beëindiging van de milieubelastende activiteit worden de resultaten van het nulsituatie bodemonderzoek vergeleken met het eindonderzoek bodem. Een voorschrift voor het uitvoeren van het nulsituatie bodemonderzoek is in de vergunning opgenomen. Het eindsituatie bodemonderzoek is voorgeschreven in paragraaf 5.2.1 van het Bal. In deze paragraaf zijn ook voorschriften opgenomen voor het herstel van de kwaliteit van de bodem.
7.3. Bodembeschermende voorziening In de ‘inleiding’ van dit hoofdstuk is aangegeven voor welke bodembedreigende activiteiten de algemene regels van het Bal wel en niet van toepassing zijn. Voor de bodembedreigende activiteiten die onder het Bal vallen, geeft het Bal per bodembedreigende activiteit aan wat de minimale bodembeschermende voorziening is die moet worden toegepast. Daarnaast geeft het Bal in paragraaf 5.4.2 Bodembeschermende voorzieningen aan waar deze voorzieningen aan moeten voldoen. Alle bodembeschermende voorzieningen in het Bal voldoen aan BBT. Hierdoor is het niet noodzakelijk om voorschriften te verbinden voor de realisatie van bodembeschermende voorzieningen en de eisen die daaraan gesteld worden. Naast de algemene regels met de minimale bodembeschermende voorzieningen bevat artikel 2.11 van het Bal de specifieke zorgplicht. Specifieke zorgplicht voor
46
milieubelastende activiteiten die de bodem kunnen verontreinigen, houdt in ieder geval in: • • • • •
het treffen van alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging; het toepassen van de beste beschikbare technieken; geen significante milieuverontreiniging veroorzaken; alle passende maatregelen treffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan; voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk houden.
Onder de specifieke zorgplicht vallen ook 'good housekeeping'-maatregelen. De specifieke zorgplicht is rechtstreeks werkend. Direct nadat deze vergunning in werking is getreden geldt de specifieke zorgplicht uit het Bal, daarom hebben wij geen voorschriften opgenomen voor vanzelfsprekende gedragsregels zoals de verplichting tot het opruimen van gemorste of gelekte stoffen. Voor de beoordeling van de bodembedreigende activiteiten waarvoor geen algemene regels gesteld zijn vallen we terug op het BBT-document “Bodembescherming: combinaties van voorzieningen en maatregelen (BB-cvm)”. De milieubelastende activiteit waarvoor een vergunning is aangevraagd, valt onder afdeling 3.3 van het Bal (complexe bedrijven), meer specifiek artikel 3.51 (Seveso) en 3.74 (basischemie). Gelet op de aangevraagde activiteiten die plaatsvinden en op grond van het informatiedocument BB-CVM zijn de volgende bodembeschermende voorzieningen nodig: • • • •
aaneengesloten bodem voorziening: productie, calamiteitenopvang; vloeistofdichte bodemvoorziening: afvullen, spoelplaats; vloeistofdichte bodemvoorziening: opslag verpakte gevaarlijke stoffen; Vloeistofdichte bodemvoorziening: losplaats tankwagen, tankput.
Daarnaast zijn er maatregelen zoals periodieke inspecties, controle van de voorzieningen, zorgplicht. De door het bedrijf voorgestelde bodembeschermende voorzieningen voldoen aan BBT, met uitzondering van de losplaats. In bijlage 23 wordt bij de losplaats aangegeven dat er sprake is van een aaneengesloten bodemvoorziening. Verder is op de riooltekening aangegeven dat er een SHWA inspectieput met open roosterdeksel wordt aangebracht. Tevens staat er op de tekening dat er sprake zou zijn van een wasplaats. Wij kunnen niet toestaan dat in een bodembeschermende voorziening een open verbinding wordt aangebracht voor lozing op het schoonwaterriool en/of oppervlaktewater bij een los- of wasplaats. Omdat het lossen van gevaarlijke stoffen betreft moet de opvangcapaciteit van de losplaats voldoende groot zijn om te voorkomen dat bij een calamiteit de gevaarlijke vloeistoffen uitstromen. Wij nemen voorschriften met betrekking tot de bodembeschermende voorzieningen op in de vergunning. Er wordt hierbij aangesloten bij paragraaf 5.4.2 van het Bal. Er worden specifieke voorschriften opgenomen met betrekking tot de losplaats.
47
8.
ENERGIE
8.1. algemeen Als een MBA is aangewezen in afdeling 3.2 t/m 3.11 van het Bal en als er in de algemene regels voor die MBA verwezen wordt naar paragraaf 5.4.1 (regels over verduurzaming van het energieverbruik) gelden de volgende eisen op energiegebied. 1.
klein gebruik energie, bij een jaarlijks energiegebruik van minder dan 50.000 kWh elektriciteit en minder dan 25.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen: er gelden geen andere verplichtingen dan de zorgplicht om het energieverbruik te verduurzamen of om informatie aan te leveren;
2.
groot gebruik energie, bij een jaarlijks gebruik tussen 50.000 kWh en 10.000.000 kWh elektriciteit of tussen 25.000 m³ en 170.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen en warmte: er moet voldaan worden aan de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik uit artikel 5.15 en de informatieplicht uit artikel 5.15a van het Bal.
3.
zeer groot gebruik energie, bij een jaarlijks gebruik van meer dan 10.000.000 kWh elektriciteit en / of meer dan 170.000 m³ aardgasequivalenten aan brandstoffen en warmte: er moet voldaan worden aan de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik uit het artikel 5.15 en het energieonderzoek uit artikel 5.15b van het Bal.
Een omgevingsvergunning mag alleen worden verleend als aan de beoordelingsregels wordt voldaan uit artikel 8.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op energiegebied betekent dit vooral dat de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast, dat energie doelmatig gebruikt wordt, maatregelen ter verduurzaming van het energieverbruik zijn genomen en het afgeven van warmte aan lucht en water zo veel mogelijk beperkt wordt. De aangevraagde activiteit is getoetst aan deze beoordelingsregels. Alle bedrijven hebben te voldoen aan de Erkende Maatregelenlijsten (EML). Van deze maatregelen is door de wetgever vastgesteld dat ze een terugverdientijd (TVT) hebben van vijf jaar of minder. Deze verplichting geldt voor de vergunninghouder op grond van het Bal. Om deze reden worden hiervoor geen voorschriften opgenomen in de vergunning. In artikel 5.15, eerste lid, van het Bal is vastgelegd dat het bedrijf de verplichting heeft alle maatregelen ter verduurzaming van het eigen energiegebruik met een TVT van vijf jaar of minder uit te voeren. Dit zijn of maatregelen op basis van de van toepassing zijnde erkende maatregelenlijsten of maatregelen uit het (voor te schrijven) onderzoek naar maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik.
Bij het vaststellen van de terugverdientijd van een maatregel moet van de methodiek in bijlage XV van de Omgevingsregeling en de daar gehanteerde energieprijzen gebruik worden gemaakt. Uit de aanvraag blijkt dat het jaarlijkse energiegebruik dat samenhangt met de activiteit binnen de grenzen voor grootgebruik ligt. Dit betekent dat de informatieplicht (artikel 5.15a Bal) van toepassing is.
8.2. Gebouw Degene die de milieubelastende activiteit uitvoert is verantwoordelijk voor het uitvoeren van de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik. Hierop is één uitzondering. In het geval van maatregelen aan het gebouw zelf (de gebouwde schil) is de eigenaar van het pand verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze maatregelen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt energie-eisen aan gebouwen (artikel 3.84 en 3.84a) die gelijksoortig zijn aan de algemene eisen uit het Bal. De eisen uit het Bbl zijn van toepassing op een of meer gebouwen die verbonden zijn
48
aan de aangevraagde activiteit. Dit ligt buiten de scope van deze vergunning, dus hier wordt niet verder op ingegaan. Dit laat onverlet dat de eigenaar van het gebouw wel aan de vereisten op basis van het Bbl heeft te voldoen. Op 19 februari 2025 is een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit verleend (technisch). Daarbij is getoetst aan het Bbl.