CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. concept beschikking

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Afgifte positief advies voor voornemen college tot instemming verlening omgevingsvergunning voor uitbreiding bedrijf aan Voltaweg in Veghel29.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

CONCEPT BESLUIT

Beschikking van Gedeputeerde Staten van NoordBrabant op de op 15 juli 2024 bij hen binnengekomen aanvraag van Intracare B.V., om omgevingsvergunning krachtens de Omgevingswet, voor het bedrijf aan de Voltaweg 4, 5466AZ Veghel, gemeente Meierijstad, kadastraal bekend VHL 972, 973 en 974, voor de uitbreiding van het bedrijf voor de opslag van gevaarlijke stoffen en de productie van hygiëneproducten en nutriënten voor veehouderijen.

Zaaknummer: Z2024-00018106

Ons kenmerk: D2025-00259494

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant Datum: 11-11-2025

Namens dezen,

Plaats: Tilburg

Ondertekening bij definitieve beschikking

Spoorlaan 181 5038 CB Tilburg Postbus 75 5000 AB Tilburg (013) 206 01 00 info@omwb.nl www.omwb.nl

1

BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING Onderwerp Op 15 juli 2024 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Intracare B.V. (verder Intracare). Het betreft het uitbreiden van de inrichting en het afwijken van de regels van het omgevingsplan. De aanvraag heeft betrekking op Voltaweg 4, 5466 AZ Veghel. De aanvraag is aangevuld op 19 juli en 12 december 2024 en 7 mei, 30 mei en 6 juni 2025. De aanvraag is geregistreerd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) onder nummer 2024071500688 en intern onder zaaknummer Z2024-00018106. Voor de opsomming van de aangevraagde activiteiten verwijzen we naar de projectomschrijving in paragraaf 1.2 van de procedurele overwegingen van dit besluit.

Besluit Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Omgevingswet, de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen aan Intracare een omgevingsvergunning te verlenen: •

op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet (een milieubelastende activiteit (MBA)) voor het wijzigen van de MBA’s “exploiteren van een Seveso-inrichting” en het “exploiteren van een IPPC-installatie voor de fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten als bedoeld in categorie 4.5 van bijlage I bij de Richtlijn Industriële Emissies”.

•

op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) voor het afwijken van regels in het omgevingsplan voor de uitbreiding van een inrichting met extern veiligheidsrisico.

Tevens besluiten wij: •

gelet op de inhoudelijke overwegingen, de bepalingen in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit dat Intracare voor de aanvraag omgevingsvergunning voor de installaties voor de opslag van chemische producten en installaties voor de fabricage van farmaceutische basisproducten met een chemisch procedé geen milieueffectrapportage (hierna: MER) hoeft op te stellen.

•

Voorschrift 3.2.1 behorende bij de revisievergunning d.d. 23 mei 2017, kenmerk UV20160213/90.377 in te trekken en te vervangen door voorschriften 3.1.1 en 3.1.2 behorende bij deze vergunning onderdeel voorschriften (afvalwater laboratorium).

•

voorschriften 7.1.1, 7.2.1 en 7.2.2 behorende bij de revisievergunning d.d. 23 mei 2017, kenmerk UV20160213/90.377 in te trekken (geluidsvoorschriften).

•

aan deze vergunning voorschriften te verbinden en dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uitmaken van deze vergunning: o

Aanvraagformulier met DSO- nummer DSO 2024071500688;

o o o o o o o o o

Bijlagen ontvangen 7 mei 2025: Bijlage 1 Tekening rioolplan Bijlage 12 Bopa ivm BEVI Bijlage 13 T00 Situatie_Terrein met panden intracare Bijlage 14 QRA.Intracare.20250501 Bijlage 22 Rapport Toets. BBT maatregelen Bref Intracare Def Bijlage 23 Rapport Toets. Bedrijfsact. Bodembescher. BB-CVM Bijlage 25 Rapport Zeer Zorgwekkende Stoffen Def. Bijlage 26 Direct en indirecte lozing van afvalwater+ABM Bijlage 29 NTS mei 2025 2

o

Bijlage 30 Mer aanmeldnotitie

o

Bijlage ontvangen 6 juni 2025: 02412-17987-26v3 (Rapport) (luchtkwaliteit)

o o

Bijlagen ontvangen 15 juli 2024: Verkennend bodemonderzoek Voltaweg ong Veghel 20231840 02412-17987-25(Rapport) (akoestische rapportage)

o o o

Bijlagen ontvangen 19 juli 2024: IN06A-01 Plattegrond-Beganegrond(Peil) IN06A-02 Plattegrond-1e en 2e Verdieping(4000_8000+P) IN06A-B01 Plattegrond kantoor-Beganegrond(Peil)

o o o

Bijlagen ontvangen 12 december 2024: OLO tank intracare Ippc tool aanvraag omgeving Emissiepunten dak

3

Rechtsbescherming Beroep Bent u het niet eens met dit besluit, dan kunt u een beroepschrift indienen bij de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 'sHertogenbosch. Verstuur uw beroepschrift binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit ter inzage is gelegd. In het beroepschrift zet u: •

uw naam en adres;

•

de datum en een omschrijving van het besluit waarmee u het niet eens bent;

•

de reden waarom u het niet eens bent met ons besluit;

•

de datum van uw beroepschrift en uw handtekening.

U kunt ook digitaal beroep instellen bij de rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. U heeft hiervoor een digitale handtekening (DigiD of eHerkenning) nodig. Voorlopige voorziening Als u een beroepschrift indient, dan heeft dit geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit geldt zolang uw beroepschrift in behandeling is. Het kan zijn dat u dit niet wilt. Bijvoorbeeld omdat het besluit onherstelbare gevolgen voor u heeft. U kunt gelijktijdig met of na het indienen van een beroepschrift een verzoek om een voorlopige voorziening vragen bij de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's‑Hertogenbosch. U kunt ook digitaal verzoeken om een voorlopige voorziening. Zie daarvoor: http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. U heeft hiervoor een digitale handtekening (DigiD of eHerkenning) nodig. Er zijn kosten verbonden aan het indienen van een beroepschrift en het vragen van een voorlopige voorziening (griffierecht).

4

INHOUDSOPGAVE

BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING

2

ONDERWERP BESLUIT RECHTSBESCHERMING

2 2 4

VOORSCHRIFTEN

1

2

3

4

5

6

7

8

9

8

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT

8

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

8

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

8 8 8 8 8 9 9

ALGEMEEN TERREIN VAN DE MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT EN TOEGANKELIJKHEID INSTRUCTIES MELDING CONTACTPERSOON EN WIJZIGING VERGUNNINGHOUDER REGISTRATIE BEDRIJFSBEËINDIGING MILIEUZORGSYSTEEM

AFVALSTOFFEN

9

2.1

9

OPSLAG VAN AFVALSTOFFEN

AFVALWATER

9

3.1 3.2 3.3 3.4

9 10 11 11

LABORATORIUM AFVALWATERSTROMEN EN DEBIET VAN SPECIFIEKE ACTIVITEITEN GOEDKEURING STOFFEN (ABM) SANERINGSONDERZOEK EDTA

BODEM

12

4.1 4.2

12 12

BODEMBESCHERMENDE VOORZIENINGEN BODEMONDERZOEK

BRANDVEILIGHEID

13

5.1 5.2 5.3 5.4

13 13 14 14

BRANDBESTRIJDING VASTOPGESTELDE BRANDBEHEERSINGS- EN BRANDBLUSSYSTEMEN BLUSWATERVOORZIENINGEN BEREIKBAARHEID

EXTERNE VEILIGHEID

15

6.1 6.2 6.3

15 17

ALGEMEEN OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN (PGS 15 OPSLAGEN) OPSLAG VAN OVERIGE GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN IN BOVENGRONDSE

TANKINSTALLATIES

18

LUCHT

19

7.1 7.2

19 20

EMISSIES VAN STOFFEN UIT PUNTBRONNEN DIFFUSE EMISSIES

PROCESINSTALLATIES

20

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6

20 20 21 21 21 21

LUCHT MEET-, REGEL- EN BEVEILIGINGSAPPARATUUR COMMUNICATIE VEILIGHEIDSTOESTELLEN PROCESINSTALLATIES ONGEWONE VOORVALLEN EN ANDERE GEBEURTENISSEN

LABORATORIUM

22

5

10

ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS)

23

10.1 10.2

23 23

ALGEMEEN NIEUWE ZZS STOFFEN

PROCEDURELE ASPECTEN

24

1.

UITGEBREIDE PROCEDURE

24

1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. 1.6. 1.7.

24 24 24 26 26 26

GEGEVENS AANVRAGER PROJECTBESCHRIJVING OMSCHRIJVING VAN DE AANVRAAG HUIDIGE VERGUNNINGSITUATIE VERGUNNINGPLICHT BEVOEGD GEZAG WET BEVORDERING INTEGRITEITSBEOORDELINGEN DOOR HET OPENBAAR BESTUUR (WET BIBOB) 1.8. BEOORDELING VAN DE AANVRAAG 1.9. UITGEBREIDE PROCEDURE 1.10. ADVIES EN INSTEMMING 1.11. ZIENSWIJZEN OP DE ONTWERPBESCHIKKING 1.12. WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN DE ONTWERPVERGUNNING

27 27 27 27 31 31

INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN

32

2.

MER-BEOORDELING

32

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.

32 32 34 35 36

3.

4.

5.

6.

7.

MILIEUBELASTENDE ACTIVITEIT

37

3.1. 3.2. 3.3. 3.4.

37 37 37 38

INLEIDING TOETSING AANVRAAG BESLUIT ACTIVITEITEN LEEFOMGEVING ZORGPLICHT

BEST BESCHIKBARE TECHNIEKEN

39

4.1. 4.2. 4.3.

39 40 41

TOETSINGSKADER CONCRETE BEPALING BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN CONCLUSIES BBT

AFVALSTOFFEN

41

5.1.

41

AFVALSTOFFEN ALGEMEEN

AFVALWATER

42

6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6.

42 42 43 44 44 45

ALGEMEEN ALGEMENE BEOORDELINGSMETHODIEK (VOOR STOFFEN) EDTA-GEBRUIK BREF ORGANISCHE FIJNCHEMIE OVERIGE AFVALWATERSTROMEN BEOORDELING EN CONCLUSIE

BODEM 7.1. 7.2. 7.3.

8.

WETTELIJKE GRONDSLAG TOETS LOCATIE VAN HET PROJECT SOORT EN KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT CONCLUSIE

45 INLEIDING BODEMONDERZOEK BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING

45 46 46

ENERGIE

48

6

8.1. 8.2. 9.

10.

11.

GEBOUW

48 48

BRANDVEILIGHEID

49

9.1.

ALGEMEEN

49

EXTERNE VEILIGHEID

54

10.1. 10.2. 10.3. 10.4. 10.5. 10.6. 10.7. 10.8. 10.9.

54 55 56 56 57 57 57 57 58

ALGEMEEN

ALGEMEEN QRA PLAATSGEBONDEN RISICO AANDACHTSGEBIEDEN OMGEVINGSPLAN DOMINO REGISTER EXTERNE VEILIGHEIDSRISICO’S BEOORDELING AFSTAND TOT BESCHERMDE NATUURGEBIEDEN CONCLUSIE

GEVAARLIJKE STOFFEN

58

11.1. 11.2. 11.3. 11.4.

SEVESO-INRICHTINGEN 58 OP- EN OVERSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN (PGS-RICHTLIJNEN) 59 PGS 15: OPSLAG VAN VERPAKTE GEVAARLIJKE STOFFEN 59 PGS 31 OVERIGE GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN – OPSLAG IN BOVENGRONDSE TANKINSTALLATIES 59 11.5. WARENWETBESLUIT DRUKAPPARATUUR 2016 60 11.6. RELATIE MET ATEX 60 11.7. (INTERN) NOODPLAN 60 12.

13.

GELUID

60

12.1.

60

LUCHT 13.1. 13.2. 13.3. 13.4. 13.5.

14.

ALGEMEEN

61 WETTELIJK KADER BEOORDELING GEUR LUCHTKWALITEIT NATURA 2000

61 62 64 64 65

ONGEWONE VOORVALLEN

65

14.1.

65

ONGEWONE VOORVALLEN

15.

CONCLUSIE

66

16.

BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT

67

16.1. 16.2. 16.3. 16.4. 16.5. 16.6.

67 67 67 68 68 69

AANLEIDING KADER LIGGING PROJECTGEBIED HUIDIGE SITUATIE BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA) CONCLUSIE

BIJLAGE 1: METINGEN

70

BEGRIPPENLIJST

71

7

VOORSCHRIFTEN Milieubelastende activiteit 1

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1 1.1.1

1.2

Algemeen De voorschriften behorende tot deze bijlage hebben uitsluitend betrekking op de aangevraagde verandering. De voorschriften behorende bij de revisievergunning d.d. 23 mei 2017, kenmerk UV20160213/90.377 zijn ook van toepassing op de aangevraagde verandering tenzij middels de voorschriften behorende tot deze bijlage anders bepalen. Terrein van de milieubelastende activiteit en toegankelijkheid

1.2.1

Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moet ten minste zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies; b. alle opslagen van gevaarlijke stoffen met vermelding van de aard van de stof overeenkomstig de ADR/CLP classificatie-indeling en de maximale hoeveelheden.

1.2.2

Iedereen die binnen de inrichting aanwezig is moet bekend zijn met de algemene veiligheidsvoorschriften en de voorschriften in geval van noodsituaties.

1.2.3

Op het terrein van het bedrijf moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot het bedrijf voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.3 1.3.1

1.4 1.4.1

1.5 1.5.1

Instructies Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende en kundig personeel aanwezig zijn om te kunnen ingrijpen. Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder Als uit de inhoud van keurings- of inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag worden geïnformeerd. Registratie Binnen het bedrijf is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn de volgende documenten aanwezig: a. alle overige geldende omgevingsvergunningen en meldingen; b. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de binnen de begrenzing van de milieubelastende activiteit aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen. De documenten, genoemd onder c moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.

1.5.2

Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.

8

1.6

Bedrijfsbeëindiging

1.6.1

Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd.

1.6.2

Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

1.7

Milieuzorgsysteem

1.7.1

De vergunninghouder dient binnen 12 maanden na het van kracht worden van deze vergunning een milieuzorgsysteem op te zetten, te implementeren en te volgen. Het milieuzorgsysteem bevat tenminste de vijf onderdelen als bedoeld in paragraaf 5.3 Environmental management van de BREF Manufacture of Organic Fine Chemicals, augustus 2006. Toelichting: De vijf onderdelen zijn aangeduid met “□” onderaan bladzijde 394 van de BREF worden 3 additionele maatregelen genoemd. Deze 3 maatregelen zijn in dit voorschrift niet inbegrepen, maar mogen wel vrijwillig worden toegepast.

2

AFVALSTOFFEN

2.1

Opslag van afvalstoffen

2.1.1

3

De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk zijn vermeld.

AFVALWATER

3.1 3.1.1

Laboratorium Bij het lozen van afvalwater afkomstig van alle laboratoria binnen de inrichting mogen de volgende emissiegrenswaarden niet worden overschreden: • Metalen, som van 7 metalen: 2 mg/l •

Chloorkoolwaterstoffen: 0,1 mg/l

De emissiewaarden gelden voor steekmonsters. Toelichting: 7 metalen: koper (Cu), chroom (Cr), nikkel (Ni), zink (Zn), zilver (Ag), seleen (Se) en aluminium (Al). Dit voorschrift vervangt het voorschrift 3.2.1 behorende bij de revisievergunning d.d. 23 mei 2017, kenmerk UN20160213/90.377 3.1.2

Het toepassen van kwik, cadmium en kwik- en cadmiumhoudende verbindingen is niet toegestaan.

9

3.2

Afvalwaterstromen en debiet van specifieke activiteiten

3.2.1

Het via lozingspunten te lozen afvalwater moet te allen tijde kunnen worden bemonsterd. Daartoe dient het bedrijfsafvalwater en mogelijk verontreinigd regenwater, voordat het vermengd wordt met huishoudelijk of sanitair afvalwater, via een controleput te worden geleid, die geschikt is voor bemonsteringsdoeleinde en die de goedkeuring heeft van het bevoegd gezag.

3.2.2

De controlevoorziening zoals bedoeld in voorschrift 3.2.1 dient zodanig te worden geplaatst, dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk is. Deze controlevoorziening dient in goede staat van onderhoud te verkeren en oordeelkundig te worden bediend.

3.2.3

Er dienen voldoende (afsluit)voorzieningen te worden aangebracht om te voorkomen dat lekkages van (gevaarlijke)vloeistoffen en verontreinigd koel- en bluswater in het openbaar riool terecht kan komen. Het afsluiten van het riool dient regelmatig te worden getest. Toelichting: Dit voorschrift heeft ook betrekking op de opstelplaatsen van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen.

3.2.4

In het bedrijfsafvalwater dat wordt geloosd op het openbaar vuilwaterriool mogen de concentratie(s), aan de in de onderstaande tabel genoemde stof(fen) niet worden overschreden. Parameter

Concentratie in steekmonster mg/l

CZV

300

Cu

1,2

Cr totaal

0,9

Ni

0,9

Zn

1,5

Totaal metalen: Cu, Cr, Ni, Zn, Ag, Se, Al

2

Onopgeloste bestanddelen

30

3.2.5

Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen voor het lozen worden uitgevoerd volgens: • NEN 6633 ten aanzien van het chemisch zuurstof verbruik; • NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 ten aanzien van arseen, barium, berylium, boor, cadmium, chroom, cobalt, ijzer, koper, molybdeen, nikkel, lood, seleen, tin, titaan, uranium, vanadium, zilver en zink, waarbij de ontsluiting van de elementen plaats vindt volgens NENEN-ISO 15587-1 • NEN-EN-ISO 13395 ten aanzien van nitrietstikstof en nitraatstikstof; • NEN-ISO 5663 of NEN 6646+C1:2015 nl ten aanzien van organisch stikstof (Kjeldahlstikstof); • NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN-ISO 15923-1:2024 ten aanzien van ammoniumstikstof; • NEN-EN-ISO 15681-1 en NEN-EN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal; • NEN-EN 872 ten aanzien van onopgeloste stoffen.

3.2.6

De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd volgens NEN 6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd volgens NENEN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.

3.2.7

Als de vergunninghouder gebruik wil maken van een andere analyse of methode dan aangegeven in voorschrift 3.2.6, moet deze geaccrediteerd 10

zijn door de Raad van Accreditatie, of moet door de vergunninghouder worden aangetoond dat verkregen analyseresultaten vergelijkbaar zijn met de analyse volgens de NEN-norm. 3.2.8

In plaats van CZV mag ook TOC (totaal organisch koolstof) worden gemeten. De concentratie aan TOC mag de waarde van 100 mg/l in een steekmonster niet overschrijden. De meetmethode zoals aangegeven in bijlage II bij artikel 1.4 van de Omgevingsregeling is van toepassing. Toelichting: De meetmethode voor CZV wordt naar verwachting na 1 januari 2026 niet meer toegepast. In de regelgeving moet dit nog worden aangepast. Na de aanpassing wordt in plaats van CZV TOC gemeten. De meetmethode moet hiervoor nog in de Omgevingsregeling worden opgenomen.

3.2.9

3.3 3.3.1

Bedrijfsafvalwater moet éénmaal per jaar door of vanwege de vergunninghouder worden bemonsterd en geanalyseerd op de in voorschrift Error! Reference source not found. genoemde parameters. Gelijktijdig met het bemonsteren moet de volumestroom worden gemeten.

Goedkeuring stoffen (ABM) Vergunninghouder moet een ABM toets uitvoeren voorafgaand aan het toepassen van nieuwe stoffen of mengsels, alsmede een groter jaarverbruik daarvan waarbij verwacht wordt dat deze stoffen en hun omzettingsproducten in het afvalwater terecht kunnen komen. De resultaten van de ABM toets worden verstrekt aan het bevoegd gezag. Indien uit de ABM toets blijkt dat de waterbezwaarlijkheid klasse Z, A of B is, mag de betreffende stof alleen na goedkeuring van het bevoegd gezag worden toegepast. De ABM toets bevat ten minste het volgende: a. b. c.

d. e.

De gegevens overeenkomstig de volledige dataset of basisset en de aanduiding waterbezwaarlijkheid; Een beschrijving van de hoeveelheid en de toepassing van de (hulp)stof of het mengsel; Een beschrijving van de getroffen maatregelen om de lozing van schadelijke componenten te beperken en het effect van de maatregelen op de lozing; De omvang van de restlozing; De noodzaak voor het in gebruik nemen van de waterbezwaarlijke stof.

3.3.2

De maatregelen, zoals bedoeld in voorschrift 3.3.1 onder c moeten voordat de lozing plaatsvindt, zijn getroffen.

3.3.3

Het op laboratoriumniveau uitproberen van een nieuwe “A”-stof is toegestaan tot een hoeveelheid van maximaal 1 kilogram per stof.

3.3.4

Het in gebruik nemen van een nieuwe stof die EDTA of NTA bevat, voor zover deze in het te lozen afvalwater kan voorkomen, is zonder schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag niet toegestaan.

3.4

Saneringsonderzoek EDTA

3.4.1

Twee jaar na het in werking treden van de vergunning rapporteert vergunninghouder aan het bevoegde gezag; a) de jaarlijks gebruikte hoeveelheden EDTA; b) de mogelijkheden tot beperking van het gebruik en/of het beperken of voorkomen van lozing van EDTA; c) de te treffen maatregelen, inclusief termijnen, met als doel te komen tot nullozing van EDTA.

3.4.2

In de rapportage, zoals genoemd in voorschrift 3.4.1 moet bij de beoordeling op de saneringsinspanning, het verwachte milieurendement en de kosten, de ontwikkeling van toe te passen nieuwere technieken, die als BBT worden gekwalificeerd, mede worden betrokken. 11

3.4.3

4

De rapportage en de treffen maatregelen, zoals genoemd in voorschrift 3.4.1, behoeven de goedkeuring van het bevoegde gezag.

BODEM

4.1

Bodembeschermende voorzieningen

4.1.1

Als bodembeschermende voorziening wordt een combinatie van maatregelen en voorzieningen getroffen zoals beschreven in de tabellen uit het BB-CVM.

4.1.2

Op de bodembeschermende voorzieningen zijn de voorschriften van paragraaf 5.4.2 Bal van overeenkomstige toepassing.

4.1.3

De losplaats als aangeduid op bijlage 1 Tekening Rioolplan bij de aanvraag moet zijn voorzien van een aaneengesloten bodemvoorziening. De opvangcapaciteit van de laadlosplaats moet voldoende groot zijn, zodanig dat de inhoud van een tankwagen niet uitstroomt. Toelichting: Dit kan worden gerealiseerd door de losplaats aflopend aan te leggen of aan te sluiten op de calamiteitenopvang.

4.1.4

Het is niet toegestaan op de losplaats een aansluiting op het schoonwaterriool en/of oppervlaktewater te realiseren.

4.1.5

De laad/losplaats mag niet worden gebruikt als wasplaats.

4.1.6

Binnen 3 maanden na het van kracht worden van deze beschikking moet worden aangetoond dat de opvangcapaciteit van de aaneengesloten bodemvoorziening bij losplaats voldoende groot is voor de opvang van een lekkende tankwagen en/of losslang.

4.2

Bodemonderzoek

4.2.1

Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet uiterlijk 4 maanden nadat de vergunning in werking is getreden een rapport met de resultaten van een nulonderzoek bodem aan het bevoegd gezag zijn overgelegd.

4.2.2

Dit nulonderzoek: • is verricht om de kwaliteit van de bodem en het grondwater vast te stellen; • gaat over het gedeelte van de locatie waarop de bodembedreigende stoffen worden gebruikt, gemaakt of uitgestoten; • voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740, waarbij het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000; • bevat de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht; • bevat een beschrijving van de wijze waarop het onderzoek is verricht; • biedt inzicht in de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan; • bevat informatie over het huidige en eerdere gebruik van de locatie; en • bevat bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, gemaakt of uitgestoten.

12

4.2.3

5

Indien op grond van enig voorschrift, verbonden aan een beschikking of rechtstreeks werkende regels, voorzieningen moeten worden getroffen welke een uit te voeren nul onderzoek bodem zouden kunnen belemmeren of onmogelijk maken, moet het onderzoek worden verricht voordat de betreffende voorzieningen zijn getroffen.

BRANDVEILIGHEID

5.1

Brandbestrijding

5.1.1

Het gebouw is voorzien van branddetectie volgens NEN 2535 met doormelding aan de regionale brandweeralarmcentrale.

5.1.2

Procesapparatuur, opslagtanks, leidingen en leidingondersteuningen met gevaarlijke stoffen die zich aan een terreingedeelte bevinden waar gemotoriseerd verkeer kan plaatsvinden, moeten voldoende zijn beschermd door een vangrail of een gelijkwaardige constructie.

5.1.3

(Tank)wagens mogen niet worden geparkeerd op de laad/losplaats of het loadingdock.

5.1.4

Een tankwagen moet beschikken over een systeem dat voorkomt dat bij slangbreuk de gehele inhoud van de tankwagen vrijkomt. In plaats van het systeem mag worden voorzien van een vloeistofopvang bij de laad/losplaats dat de inhoud van één tankwagen kan opvangen. Toelichting: Het systeem kan bestaan uit het detecteren van drukverlies, stoppen van de pomp en de bodemafsluiter van de tankwagen sluit of een gelijkwaardig systeem.

5.1.5

Uiterlijk zes maanden na het in werking treden van deze vergunning moet bij het bevoegd gezag een brandveiligheidsplan ter goedkeuring worden ingediend. De installatie(-delen) mag (mogen) pas in werking worden gesteld, als de beschreven maatregelen en voorzieningen zijn geïnstalleerd en naar behoren functioneren, wat moet blijken uit een opleveringstest.

5.1.6

In de inrichting mag, met uitzondering van in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en er mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing als werkzaamheden worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.

5.1.7

Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein waar de milieubelastende activiteit plaatsvindt zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar c.q. zichtbaar zijn.

5.1.8

Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds: a. voor onmiddellijk gebruik klaar zijn; b. goed bereikbaar zijn; c. herkenbaar zijn; d. geschikt zijn voor de beheersing of de blussing van een bepaald type brand.

5.2 5.2.1

Vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen Bouwdelen 1 t/m 10 moeten beschikken over een vastopgesteld brandbeheersings- en brandblussysteem (VBB-systeem) welke voor wat

13

betreft ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie moet voldoen aan het gestelde in het door het bevoegd gezag goedgekeurde UPD. Toelichting: De bouwdelen 4 t/m 7 zijn uitgevoerd als een PGS 15 opslag. 5.2.2

De VBB systemen moeten voldoen aan voorschriften 4.8.7 tot en met 4.8.11 van de PGS 15:2021. Toelichting: Deze voorschriften gelden voor alle installaties, niet uitsluitend de PGS 15 opslagen.

5.2.3

Minimaal de bouwdelen met PGS voorzieningen worden conform het actueel CCV Inspectieschema “Brandbeveiliging opslag gevaarlijke stoffen PGS” geïnspecteerd. Hiervoor dient een goedkeurend inspectiecertificaat en inspectierapport met “ja” conclusie beschikbaar te zijn op locatie. Een “nee” conclusie dient direct te worden gemeld bij het bevoegd gezag met bijbehorend plan van aanpak.

5.2.4

Bij het buiten bedrijfstellen van (delen van) het VBB-systeem, moet de vergunninghouder vervangende en gelijkwaardige maatregelen treffen met goedkeuring door het bevoegd gezag. Of de procesvoering dient aantoonbaar te zijn aangepast aan het gewijzigde veiligheidsniveau.

5.3

Bluswatervoorzieningen

5.3.1

Er dienen tenminste twee particulier geboorde putten op eigen terrein te zijn gerealiseerd.

5.3.2

Bij een geboorde put op eigen terrein dienen onderstaande uitgangspunten te worden aangehouden: - De waterlevering per bluswatervoorziening dient continu te zijn verzekerd van een waterlevering van ten minste 60 m3/h; - Een bluswatervoorziening moet altijd vrij gehouden worden en met signalering herkenbaar zijn; - De bluswatervoorzieningen moeten voldoen aan huidig geldende “Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening” en de SIKB Richtlijn “Ontwerp, realisatie en oplevering, beheer en onderhoud van geboorde brandputten” (Versie 2.0 18 maart 2021): - Bluswatervoorzieningen moeten tenminste elk jaar door een deskundige worden gecontroleerd op de vereiste wateropbrengst, tenzij de toegepaste ontwerpnorm anders bepaalt. De rapportage met inzicht in de wateropbrengst moet op locatie beschikbaar zijn.

5.3.3

De geboorde putten dienen op tekening aangegeven te zijn. De tekening dient binnen de inrichting beschikbaar te zijn.

5.3.4

Bij het buiten bedrijfstellen van (delen van) een bluswatervoorziening moet de vergunninghouder vervangende of gelijkwaardige maatregelen treffen met goedkeuring door het bevoegd gezag.

5.3.5

Voor ingebruikname van de geboorde put dienen de specificaties van de bluswatervoorzieningen (debietmeting, coördinaten, opleveringsrapport) opgestuurd te worden naar de Veiligheidsregio Brabant-Noord via risicobeheersing@vrbn.nl.

5.4

Bereikbaarheid

5.4.1

Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken middels een rijpad van minimaal 3,5 meter geschikt voor voertuigen met een asdruk van 10 ton.

5.4.2

Tijdens werkuren dient er te allen tijde tenminste één bevoegd persoon beschikbaar te zijn, die ter zake kundig is om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen en de brandweer van informatie te voorzien.

14

5.4.3

Buiten werkuren dient er binnen 5 minuten tenminste één bevoegd persoon (telefonisch) bereikbaar te zijn, die ter zake kundig is om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen en de brandweer van informatie te voorzien. Binnen een halfuur na ontdekking van een brand en/of incident moet tevens een beslissingsbevoegd personeelslid van de bedrijfsleiding, met kennis van de gebezigde processen, aanwezig zijn.

5.4.4

De brandweer dient 24 uur per dag 7 dagen per week op een snelle en eenvoudige manier binnen te kunnen treden: a. De wijze van toetreding is afgestemd met Veiligheidsregio BrabantNoord; b. Het toetredingssysteem moet ten minste 30 minuten functioneel zijn na uitval van de reguliere stroomvoorziening; c. Het beheer, onderhoud en het testen van het systeem op functionaliteit moet geborgd zijn en beschreven zijn in het logboek.

5.4.5

Op een centraal punt binnen de inrichting (bij voorkeur bij de ingang) moeten de volgende actuele gegevens beschikbaar zijn: a. een overzichtstekening van de inrichting met noordpijl, schaal, de aanwezige gebouwen, het wegennet, opslageenheden, laad- en losplaatsen, relevante leidingen en het bluswatersysteem (incl. locaties van brandkranen, afsluiters en/of aansluitpunten stationaire blusvoorzieningen en brandbeveiligings-en koelsystemen); b. een actueel bedrijfsnoodplan.

5.4.6

In geval van een noodsituatie moet de brandweer bij aankomst onmiddellijk in het bezit worden gesteld van de, voor de noodsituatie relevante, bovenstaande gegevens.

6

EXTERNE VEILIGHEID

6.1 6.1.1

Algemeen De opslag van gevaarlijke stoffen verpakkingsgroep I is niet toegestaan, met uitzondering van 120 kg ADR 6.1 verpakkingsgroep I, totaal in de gehele inrichting. Toelichting: In de bestaande bouw is de opslag van 100 kg ADR 6.1 verpakkinggroep I al toegestaan. Middels dit voorschrift wordt slechts 20 kg extra toegestaan. Dit voorschrift geldt voor de bestaande bouw en de nieuwbouw samen.

6.1.2

In de locatie nieuwbouw mag maximaal 701 ton aan verpakte gevaarlijke stoffen en CMR stoffen aanwezig zijn. Werkvoorraad wordt niet meegeteld. In de volgende ruimten mogen maximaal de volgende hoeveelheden aan verpakte gevaarlijke stoffen aanwezig zijn: Hal/locatie

Hoeveelheid

PGS 15 opslag BD04

Gasblussysteem

200 ton

PGS 15 opslag BD05

Gasblussysteem

200 ton

PGS 15 opslag BD06

Sprinkler

200 ton

Expeditie BD07

Sprinkler

100 ton

Gasruimte

Gasflessen

550 liter waterinhoud

Laboratorium

2 Chemicaliën kasten

250 kg per kast

Toelichting: Indien op grond van andere wet- en regelgeving minder verpakte gevaarlijke stoffen zijn toegestaan, of als er beperkingen zijn als gevolg van voorzieningen, zoals de brandblusinstallaties dan geldt die grens als maximum. Er mag echter nooit meer worden opgeslagen dan aangegeven 15

in dit voorschrift. De maxima gelden per ruimte. 6.1.3

In de locatie nieuwbouw mogen maximaal de volgende hoeveelheden verpakte gevaarlijke stoffen per ADR klasse en CMR stoffen aanwezig zijn. Werkvoorraad wordt niet meegeteld. De onderstaande hoeveelheden gelden inclusief het bijkomend gevaar. Bij gevaarlijke stoffen met bijkomend gevaar telt de zwaarste ADR klasse en beide gevaren worden meegeteld: ADR klasse

Omschrijving klasse

Maximale hoeveelheid

Hal/Locatie

2

Gassen (flessen)

550 liter waterinhoud

Gasruimte

2

Gassen (spuitbussen)

26 ton

BD06, BD07

3

Brandbare vloeistoffen

150 ton

BD04, BD05, BD07

5.1

Oxiderende stoffen

179 ton

BD06, BD07

6.1 totaal

Giftige stoffen

141 ton

6.1 VG I

Giftige stoffen

100 kg

BD04

20 kg

BD07 BD04,BD05, BD07

6.1 VG II, III

Giftige stoffen

141 ton

8 totaal

Bijtende stoffen

200 ton

8

Bijtende stoffen, brandbaar

200 ton

BD04, BD05, BD07

8 VG II, III

Bijtende stoffen, niet brandbaar

200 ton

BD04, BD05, BD06, BD07

9 VG II, III

Milieugevaarlijke stoffen, classificatiecode M6 of M7 (UN3082 of 3077)

250 ton

BD04, BD05, BD07

500 ton

BD04, BD05, BD07

250 kg per kast

Laboratorium

CMR stoffen 2 (spuitbussen), 3, 5.1, 6.1, 8, 9 en CMR stoffen

Diverse

Toelichting: Bijkomend gevaar wordt meegeteld. Bijvoorbeeld stoffen ADR 8 met bijkomend gevaar ADR 3 worden getoetst aan zowel aan ADR 8 als aan ADR 3. Stoffen met ADR 8 met bijkomend gevaar ADR 6.1 worden zowel aan ADR 8 als aan ADR 6.1 getoetst. De maxima gelden per ADR klasse. 6.1.4

In de expeditie (BD07) mag gelijktijdig maximaal 10 ton ADR klasse 2 en maximaal 21 ton ADR klasse 3 gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Tevens mag op enig moment maximaal 11 ton ADR 6.1 verpakte gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

6.1.5

De binnen de gehele inrichting (bestaande bouw samen met de nieuwbouw) opgeslagen gevaarlijke stoffen mogen de volgende hoeveelheden niet overschrijden (gevarencategorieën overeenkomstig Verordening EG nr 1272/2008):

16

Categorie H1: Acuut toxisch categorie 1, alle blootstellingsroutes H2: Acuut toxisch categorie 2, alle blootstellingsroutes en categorie 3, inademingsblootstellingsroute P3a: Ontvlambare aerosolen van categorie 1 of 2, die ontvlambare gassen van categorie 1 of 2 of ontvlambare vloeistoffen van categorie 1 bevatten. P5c: Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 die niet onder P5a en P5b vallen P8: Oxiderende vloeistoffen van categorie 1, 2 of 3 of oxiderende vaste stoffen van categorie 1, 2 of 3 E1:Gevaar voor het aquatisch milieu in de categorie Acuut 1 of Chronisch 1 E2: Gevaar voor het aquatisch milieu in de categorie Chronisch 2

Hoeveelheid 0 kilo 141 ton 26 ton

150 ton 179 ton 150 ton 100 ton

Voor de categorieën stoffen die hierboven niet zijn genoemd gelden de hoeveelheden als genoemd in de voorschriften 6.1.2 en 6.1.3 en de vigerende vergunning voor de bestaande bouw (ADR en CMR-stoffen). 6.1.6

Binnen de inrichting moet een bewakingssysteem in werking zijn waarmee wordt gewaarborgd dat de drempelwaarden van als bedoeld in voorschriften 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.5 niet kan worden overschreden. Op de inrichting dient een actuele lijst met gevaarlijke stoffen aanwezig te zijn conform voorschrift 3.15.1 van de PGS 15: 2021.

6.1.7

De opzet van het bewakingssysteem moet binnen 2 maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd.

6.1.8

Op verzoek van het bevoegd gezag dient inzage te kunnen worden gegeven in de actuele hoeveelheden van stoffen genoemd in voorschriften 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.5 op basis van het bewakingssysteem.

6.2

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen)

OPSLAGEN GROTER DAN 10.000 KG (BOUWDEEL BD04, BD05, BD06 EN BD07) 6.2.1

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen die vallen onder de ADRklassen, CMR-stoffen of gevaarlijk afval zoals genoemd in de richtlijn PGS 15:2021 moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15:2021: a. 4.1.1 tot en met 4.1.3; b. 4.2.1 en 4.2.2; c. 4.3.1; d. 4.4.1; e. 4.5.1 tot en met 4.5.4; f. 4.6.1 tot en met 4.7.1; g. 4.8.1; h. 4.9.1 en 4.9.2. Toelichting: De voorschriften 4.8.7 tot en met 4.8.11 van de PGS 15 zijn vastgelegd in de voorschriften hoofdstuk brandveiligheid bij deze vergunning.

6.2.2

De opslagvoorziening moet voldoen aan beschermingsniveau 1, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1 (tabel 3) van de PGS 15. De volgende blussystemen moeten aanwezig zijn: - PGS 15 opslag BD04: gasblussysteem

17

- PGS 15 opslag BD05: gasblussysteem - PGS 15 opslag BD06: sprinkler - Expeditie BD07: sprinkler 6.2.3

Het plaatsen van zonnepanelen op het dak van de PGS 15 opslag en expeditie is niet toegestaan.

OPSLAG VAN SPUITBUSSEN EN GASPATRONEN (BOUWDEEL BD06 EN BD07) 6.2.4

De opslag van spuitbussen en gaspatronen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften uit de richtlijn PGS 15:2021: a. 7.3.1 tot en met 7.3.5; b. 7.5.1 en 7.5.2.

6.2.5

De opslag van spuitbussen dient afzonderlijk van de overige gevaarlijke stoffen plaats te vinden in of achter een gaasconstructie welke geschikt is om branduitbreiding door middel van rocketerende spuitbussen te voorkomen.

6.3

Opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse tankinstallaties

6.3.1

De opslag van gevaarlijke vloeistoffen verpakkingsgroep I is niet toegestaan.

6.3.2

De opslag van vloeistoffen in de ADR klasse 3 in bovengrondse tanks is niet toegestaan.

6.3.3

De 20 m3 mengketels aanwezig in de productiehal moeten voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 31:2021: a. 2.2.1 tot en met 2.2.18, 2.2.21; (constructie en installatie); b. 2.2.22 en 2.2.23 (bereikbaarheid); c. 3.1.1 tot en met 3.1.2 (tankinstallatie in bedrijf); d. 3.2.1, 3.2.3 en 3.2.4 (good housekeeping); e. 5.2.1 tot en met 5.2.3 (installatiecertificaat); f. 5.3.1 (periodieke keuring); g. 5.3.6 en 5.3.7 (onderhoud); h. 5.6.1 en 5.6.2 (logboek); i. 5.6.3 (bewaartermijn) j. 5.7.1 (reinigen tank); k. 5.8.1 (buiten gebruik stellen); l. 6.2.1 (veiligheid); m. 6.8.1 tot en met 6.8.3 (incident, defect, lekkage).

6.3.4

De mengketel moet zijn voorzien van een beluchting en ontluchting met een rechtstreekse verbinding of verbindingsleiding met de buitenlucht.

6.3.5

De tanks voor de opslag van waterstofperoxide dienen te beschikken over een geschikt koelsysteem ter beveiliging van een exotherme reactie.

6.3.6

De tanks voor de opslag van waterstofperoxide moeten wat betreft ontwerp en onderhoud voldoen aan de internationale brancherichtlijn voor bulkopslag van waterstofperoxide (Bulk storage guideline Hydrogen Peroxide, 2021, van Cefic Hydrogen Peroxide Technical Committee).

LADEN EN LOSSEN 6.3.7

In aanvulling op paragraaf 3.2.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moeten de tankinstallaties voor de opslag van vloeistoffen ADR 8 of ADR 5.1 met inbegrip van alle direct daaraan gerelateerde activiteiten voldoen aan de onderstaande voorschriften uit de PGS 31: a. 3.2.1, 3.2.3 en 3.2.4; b. 3.2.5 tot en met 3.2.20 (vullen van tank vanuit tankwagen). Toelichting:

18

De voorschriften behorende bij paragraaf 3.2.8 en paragraaf 4.95 van het Bal zijn rechtstreeks van toepassing op de tanks die buiten zijn opgesteld.

7

LUCHT

7.1

Emissies van stoffen uit puntbronnen

EMISSIEGRENSWAARDEN 7.1.1

De emissies uit de volgende bronnen mogen per puntbron de emissiegrenswaarden uit onderstaande tabel niet overschrijden:

Tabel 1 gekanaliseerde emissies naar lucht bron

Procesonderdeel/installatie/MBA

Te

Massa-

emitteren

stroom

stoffen

drempel

in de lucht

g/u

Emissiegrenswaarde mg/Nm3

1

Atex kluizen

Stof

100 (a)

5

2

Hoof producten en

Stof

100 (a)

5

Stof

100 (a)

5

Stof

100 (a)

5

Stof

100 (a)

5

voedingssupplementen – deksel productieketel 3

Hoof producten en voedingssupplementen – bordes

4

Hoof producten en voedingssupplementen – afvullen eindproduct in IBC’s

5

Hoof producten en voedingssupplementen – afvullen de cans

6

Afzuiging peroxiden

H2O2

-

-

7

Laboratorium – punt afzuigingen en

Stof

100 (a)

5

Stof

100 (a)

5

zuurkasten 8

Technische dienst – punt afzuigingen en afzuigsystemen a)

OFC 5.2.3.6 en 4.3.5.22 is het reduceren van stof emissies en bereiken van emissieniveaus < 5 mg/m3 of < 0,1 kg/uur door het gebruik van mouwenfilters, doekenfilters, cyclonen, wassers, of natte elektrostatische precipitatie (natte ESP).

7.1.2

De concentratie van de componenten genoemd in het voorgaande voorschrift moet worden gemeten, met uitzondering van waterstofperoxide.

7.1.3

De emissiemetingen moeten worden uitgevoerd met genormaliseerde meetmethoden zoals vermeld in bijlage ‘Metingen’.

7.1.4

Uiterlijk drie maanden na de meting worden de resultaten van de emissiemetingen en de emissierelevante parameters van de puntbronnen inclusief toetsing aan de geldende emissiegrenswaarden aan het bevoegd gezag gestuurd.

19

ERP-CONTROLEPLAN 7.1.5

De emissies moeten in aanvulling op voorschrift 7.1.1 bewaakt worden door het toepassen van emissierelevante parameters (ERP's). Dit moet bij voorkeur gebeuren in kwantitatieve zin met een ERP categorie A. Indien dit niet mogelijk is, dan in kwalitatieve zin met een ERP categorie B.

7.1.6

ERP-bewakingen moeten per installatie en per component reproduceerbaar worden vastgelegd in een door het bevoegd gezag goedgekeurd actueel ERP-controleplan.

7.1.7

Uit het ERP-controleplan moet blijken dat met toepassing van ERP’s een betrouwbaar en continu beeld wordt gegeven van de emissie van het betreffende component en of deze voldoet aan de emissiegrenswaarde en de goede werking van een emissiebeperkende maatregel.

7.1.8

Vergunninghouder moet binnen 12 maanden nadat deze vergunning in werking is getreden een ERP-controleplan ter goedkeuring aan het bevoegd gezag voorleggen.

7.1.9

Dit ERP-controleplan moet minimaal de volgende gegevens bevatten: a. een omschrijving van de ERP(’s) toegepast voor elk geëmitteerd component; b.

de relatie tussen de emissie van het component en de ERP;

c.

onderbouwen of er sprake is van een ERP categorie A of een ERP categorie B;

d.

de bandbreedte waarbinnen de ERP(‘s) zich moeten bevinden om voor de betreffende component te voldoen aan de in voorschrift 7.1.1 gestelde emissiegrenswaarden;

e.

op welke wijze de kwaliteit van de continue registratie van de ERP's wordt gewaarborgd;

f.

de wijze waarop de controle op de ERP wordt uitgevoerd inclusief toetsingscriteria en frequentie van toetsen; en

g. 7.2

de actie bij het niet voldoen aan de toetsingscriteria van de ERP.

Diffuse emissies

7.2.1

Alle onnodige openingen dienen gesloten te zijn om te vermijden dat lucht via de procesapparatuur naar het afgas collectie systeem wordt gezogen.

7.2.2

Emissies van tank opslag en overslag die een negatief milieueffect hebben dienen geminimaliseerd te worden.

7.2.3

Er dient gebruik gemaakt te worden van bovengrondse gesloten pijpleidingen.

8

PROCESINSTALLATIES

8.1

Lucht

8.1.1

Van alle bij storingen optredende emissies moeten de van belang zijnde gegevens worden geregistreerd, zoals tijdstip, aard, (geschatte) hoeveelheid, oorzaak, plaats en tijdsduur van de emissie en de relevante procescondities.

8.1.2

De registratie van de emissies moet ten minste twee jaar worden bewaard.

8.2 8.2.1

Meet-, regel- en beveiligingsapparatuur Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies, die niet of slecht functioneert, moet direct worden gerepareerd of worden vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden 20

gerepareerd of vervangen moeten de activiteiten onverwijld worden stilgelegd, tenzij de vergunninghouder kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst. 8.2.2

8.3 8.3.1

8.4 8.4.1

8.5

De kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat ze door terzake kundig personeel worden geaccepteerd. Communicatie Tekeningen, procesbeschrijvingen en equipmentlijsten moeten op regelmatige basis worden geactualiseerd volgens een hiervoor geldende procedure. In deze procedure moet worden geregeld dat tekeningen in de controlekamer binnen zes weken nadat de wijzigingen zijn doorgevoerd worden bijgewerkt en dat wijzigingen tenminste eens per jaar in een centraal archiefsysteem worden verwerkt. Tot het aanwezig zijn van de definitieve tekeningen moeten de voorlopige tekeningen beschikbaar zijn in de controlekamer. Veiligheidstoestellen Bij veiligheidstoestellen die rechtstreeks naar de atmosfeer afblazen, moeten voorzieningen zijn aangebracht om de goede en veilige werking bij het afblazen te garanderen, zoals vlamterugslagbeveiliging, aarding, verwarming of voorzieningen om lucht bij te mengen in de uitlaat. Procesinstallaties

8.5.1

Ter voorkoming van ongewenste uitstroming moeten productafsluiters in productieleidingen die naar de lucht afvoeren en die tijdens normaal bedrijf niet worden gebruikt (maar wel ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoudswerkzaamheden) zijn voorzien van blindflenzen of afsluitdoppen.

8.5.2

Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op gevaarlijke stoffen, zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.

8.5.3

De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.

8.5.4

De capaciteit van het rioleringsysteem moet zodanig zijn dat hemelwater en/of de hoeveelheid bluswater dat vrijkomt bij het maatgevend bedrijfsbrandweerscenario, kan worden afgevoerd.

8.6

Ongewone voorvallen en andere gebeurtenissen

8.6.1

Het melden van ongewone voorvallen zoals voorgeschreven in artikel 2.21 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden gedaan bij de milieuklachtencentrale (www.milieuklachtencentrale.nl of 073-6812821).

8.6.2

Bij een ongewoon voorval waarbij een ontsnapping plaatsvindt of dreigt plaats te vinden van verstikkende, giftige of anderszins gevaarlijke, schadelijke of hinder veroorzakende stoffen, moeten de bedrijven die gevaar, schade of hinder te duchten hebben, zo spoedig mogelijk worden gewaarschuwd.

8.6.3

In een registratiesysteem moet van de ongewone voorvallen vallen onder de definitie van ongewone voorvallen als bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet en de voorvallen die niet vallen onder deze definitie, ten minste de volgende zaken worden vastgelegd: a. datum, tijdstip en duur van het (ongewoon) voorval; b. datum en tijdstip van registratie; c. de locatie van het (ongewoon) voorval; d. korte omschrijving van het (ongewoon) voorval;

21

e. f.

de ten gevolge van het (ongewoon) voorval vrijgekomen stoffen en een indicatie van de hoeveelheid ervan en; een indicatie van het (mogelijk) belaste milieucompartiment, hinder of veiligheidsaspecten.

8.6.4

Vergunninghouder meldt elke bijzondere bedrijfsomstandigheid die (mogelijk) overlast buiten de begrenzing van de locatie van de milieubelastende activiteiten of nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, vooraf schriftelijk aan de milieuklachtencentrale (www.milieuklachtencentrale.nl, bedrijfsmelding). De vergunninghouder neemt maatregelen om deze bijzondere bedrijfsomstandigheden zo snel mogelijk te beëindigen. Tevens treft de vergunninghouder voorzieningen om de extra milieubelasting zoveel als mogelijk te reduceren.

8.6.5

In de melding moeten minimaal onderstaande zaken gemotiveerd worden ten aanzien van de voorgenomen bijzondere bedrijfsomstandigheden: a. een beschrijving van de aard; b. een beschrijving waarom de bijzondere bedrijfsomstandigheid noodzakelijk is; c. de begin- en einddatum; d. de maatregelen die getroffen worden om de bijzondere bedrijfsomstandigheid zo spoedig mogelijk te beëindigen; e. een beschrijving van de (extra) milieubelasting per milieuaspect; f. een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die per milieuaspect getroffen worden om gevolgen voor het milieu te voorkomen of te beperken; g. de uitvoeringsalternatieven, per milieuaspect, die overwogen zijn om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen dan wel te beperken.

9

LABORATORIUM

9.1.1

Vergunninghouder stelt gedragsvoorschriften op en treft voorzieningen die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu van het lozen van afvalwater afkomstig uit een laboratorium en draagt er zorg voor dat de gedragsvoorschriften worden nageleefd.

9.1.2

De gedragsvoorschriften en voorzieningen, bedoeld in voorschrift 9.1.1 geven ten minste uitwerking aan: a. b.

c. d. 9.1.3

Voor het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies: a. b.

9.1.4

het verbod tot het lozen van chemicaliën die gebruikt zijn bij laboratorium proeven; de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een inzamelsysteem voor bepaalde categorieën van stoffen en preparaten die niet mogen worden geloosd vanuit het oogpunt van doelmatig kunnen inzamelen en verwerken elders; de wijze waarop invulling wordt gegeven aan voorlichting van het personeel over het inzamelsysteem, bedoeld onder b; de wijze waarop invulling wordt gegeven aan maatregelen die voortkomen uit de preventieve aanpak.

Vergunninghouder past maatregelen ten aanzien van de bedrijfsvoering toe ter voorkoming van onnodige emissie van stoffen naar de lucht; worden stof, rook en dampen die vrijkomen bij activiteiten in een laboratorium of praktijkruimte voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron afgezogen.

Voor het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, worden voor zover het afgezogen emissies betreft die vrijkomen bij activiteiten in een laboratorium, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht afgevoerd.

22

10 ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS) 10.1 Algemeen 10.1.1 Het gebruik van stoffen zoals opgenomen in bijlage 25 behorende bij de aanvraag is toegestaan. Toelichting: Voor de stoffen die zijn aangemerkt als ZZS geldt een minimalisatieverplichting overeenkomstig het Bal. 10.1.2 De stoffen die opgenomen zijn in bijlage 25 behorende bij de aanvraag en die worden aangemerkt als p-ZZS (potentieel zeer zorgwekkende stoffen) en die later worden aangemerkt als ZZS moeten dan worden behandeld als ZZS. Toelichting: Dit betekent dat voor die stoffen dan ook een minimalisatieverplichting geldt. (paragraaf 5.4.3 van het Bal) 10.1.3 De minimalisatieverplichting voor stoffen die worden aangemerkt als ZZS geldt zowel voor emissies naar de lucht, afvalwater en in afvalstoffen. 10.2 Nieuwe ZZS stoffen 10.2.1 Het gebruik van nieuwe stoffen binnen de inrichting is toegestaan voor zover ze niet zijn aangemerkt als ZZS of p-ZZS. Toelichting: Voor deze stoffen gelden de reguliere beperkingen als aangegeven in de aanvraag en de voorschriften van deze vergunning of het Bal. 10.2.2 Het in gebruik nemen van nieuwe stoffen voor zover deze worden aangemerkt als ZZS of p-ZZS is zonder schriftelijke toestemming van het bevoegd gezag niet toegestaan. 10.2.3 De volgende gegevens met betrekking tot de onder voorschrift 10.2.2 bedoelde stoffen moeten worden vastgelegd c.q. overgelegd voor goedkeuring: a.

Gegevens van de stof: naam, CAS-nummer, concentratie, actueel veiligheidsinformatieblad; b. Motivatie waarom deze stof niet kan worden vermeden; c. De te verwachten hoeveelheid van deze stof in het afvalwater, lucht en afval; d. Een schatting van de immissieconcentratie; e. Een opgave van de datum van het in gebruik nemen van het product; f. Een omschrijving van het proces waarbij de stof vrijkomt; g. Een concrete omschrijving van de maatregelen passend bij een saneringsinspanning. 10.2.4 Maatregelen zoals bedoeld onder voorschrift 10.2.3 onder g, moeten voordat de stof in gebruik wordt genomen, zijn getroffen.

23

PROCEDURELE ASPECTEN 1.

UITGEBREIDE PROCEDURE

1.1. Gegevens aanvrager Op 15 juli 2024 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet (Ow) ontvangen. Het betreft een aanvraag van:

Intracare B.V. Voltaweg 4 5466 AZ Veghel

1.2.

Projectbeschrijving

Intracare is voornemens de inrichting uit te breiden op kadastraal perceel VHL R 972, 973, 974 (Voltaweg 5 in Veghel). Na realisatie zullen een groot deel van de bestaande activiteiten van de huidige locatie (Voltaweg 2-6 in Veghel) daar worden uitgevoerd. Intracare produceert producten bestemd voor de veehouderij en aanverwante bedrijven. Een uitgebreide omschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt een vergunning gevraagd voor de volgende in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven activiteiten: •

Artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet (milieubelastende activiteit)

•

Artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit)

1.3.

Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag bestaat uit de volgende delen: •

Aanvraagformulier met DSO-nummer DSO 2024071500688;

Bijlagen ontvangen 7 mei 2025: • Bijlage 1 Afvalstoffenoverzicht Milieuservice Nederland • Bijlage 1 Invent grondst eindpr PGS 15 opslagvo • Bijlage 1 Tekening rioolplan • Bijlage 1a GAP analyse PGS 31 H2 tanks • Bijlage 1b GAP analyse PGS 31 Organ.zurentank • Bijlage 2 BENG berekening nieuwbouw • Bijlage 3 Uitgangspuntendocument brandbeveiliging • Bijlage 4 Renvooi brandveiligheid • Bijlage 6 Overzicht brandveiligheidsconcept voor de milieuvergunning • Bijlage 8 Stellingplan PGS ruimten • Bijlage 9 F13-01 Form.incidenten en Ongevallen • Bijlage 10 Rapport GAP-analyse PGS ruimten • Bijlage 11 Ongewoon voorval • Bijlage 12 Bopa ivm BEVI • Bijlage 13 T00 Situatie_Terrein met panden intracare • Bijlage 14 QRA.Intracare.20250501 • Bijlage 14a Kennisgeving_SEVESO.IC.20250501 • Bijlage 15 Rapport Afvalstromen bij Intracare Def • Bijlage 16 Rapport Brandveiligheid bij Intracare Def • Bijlage 17 Rapport Energievoorziening en Energiebesparing • Bijlage 18 Rapport evaluatie van lucht emissie en behandeling bij Intracare • Bijlage 19 Rapport GAP-analyse Tankenpark • Bijlage 20 Rapport milieubeheersysteem bij Intracare Def • Bijlage 21 Rapport opslag Gevaarlijke Gasflessen Intracare • Bijlage 22 Rapport Toets. BBT maatregelen Bref Intracare Def • Bijlage 23 Rapport Toets. Bedrijfsact. Bodembescher. BB-CVM 24

• • • • • • •

Bijlage 24 Rapport Veiligheidsbeheersys. Bedrijfsnoodorg Bijlage 25 Rapport Zeer Zorgwekkende Stoffen Def. Bijlage 26 Direct en indirecte lozing van afvalwater+ABM Bijlage 27 Rapport Opslag Gevaar.Stof. in PGS ruimten Bijlage 29 NTS mei 2025 Bijlage 30 Mer aanmeldnotitie Bijlage 31 MRA analyse

Bijlagen ontvangen 30 mei 2025: • Bijlage 32 Stikstof • AERIUS_projectberekening_20250527151053_RUEp6rSvfe3d_Bouwfas e • AERIUS_projectberekening_20250527165552_RrDiJMRf4mv1_Gebruiks fase Bijlage ontvangen 6 juni 2025: • 02412-17987-26v3 (Rapport) (luchtkwaliteit) Bijlagen ontvangen 15 juli 2024: • Notitie Ongewoon voorval • Verkennend bodemonderzoek Voltaweg ong Veghel 20231840 • 02412-17987-25(Rapport) (akoestische rapportage) Bijlagen ontvangen 19 juli 2024: • IN06A-01 Plattegrond-Beganegrond(Peil) • IN06A-02 Plattegrond-1e en 2e Verdieping(4000_8000+P) • IN06A-B01 Plattegrond kantoor-Beganegrond(Peil) Bijlage ontvangen 12 december 2024: • OLO tank intracare • Quickscan Wnb Voltaweg ong. te Veghel revisie • Ippc tool aanvraag omgeving • Emissiepunten dak • 240618_Principetekening vloeistofopvang

Naast de aanvraag DSO 2024071500688 heeft de aanvrager ook de volgende meldingen en informatieverplichtingen ingediend: • • • • • • • • • • • • •

DSO 2024071500681 Intracare 3 (melding opslaan goederen); DSO 2024071500683 Intracare 4 (melding opslaan gevaarlijke stoffen); DSO 2024071500676 Intracare 5 (melding stookinstallatie); DSO 2024071500678 Intracare 6 (melding laboratorium); DSO 2024071500679 Intracare 7 (informatie, ZZS-lijst); DSO 2024071500689 Intracare 9 (informatie, geen bijlagen); DSO 2024071500691 Intracare 10 (informatie, plattegrond 1 en 2e verdieping); DSO 2024071500694 Intracare 11 (informatie, akoestisch rapport); DSO 2024071500695 Intracare 13 (informatie, geen bijlagen); DSO 2024071500686 Intracare 14 (informatie, geen bijlagen); DSO 2024071500673 Intracare 15 (informatie, geen bijlagen); DSO 2024071500674 Intracare 16 (informatie, geen bijlagen); DSO 2024071500687 Intracare 17 (informatie, geen bijlagen).

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant zijn bevoegd gezag voor alle BRIKS taken en voor (in)directe lozingen op de bodem of in het riool. Vanwege de milieubelastende activiteit (MBA) het exploiteren van een Seveso-inrichting bestaat vergunningplicht voor de gehele inrichting. De aparte meldings- en informatieplichten zijn daarom niet van toepassing en horen onderdeel te zijn van de aanvraag om omgevingsvergunning. Er wordt niet afzonderlijk gereageerd op de overige DSO zaken die tegelijk zijn ingediend. De informatiedocumenten zijn bij de DSO zaak 2024071500688 van de vergunningaanvraag gevoegd.

25

1.4.

Huidige vergunningsituatie

Op de locatie zijn voor milieubelastende activiteiten (MBA ’s) en andere relevante activiteiten eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: Soort

Datum

Kenmerk

Onderwerp

Revisievergunning

23 mei

UV20160213/90.377

Inrichting voor

(Wabo, milieu)*

2017

de productie en handel in producten voor de intensieve veehouderij (Voltaweg 2-4)

Veranderingsvergunning

21

OV-2017-

Uitbreiding met

(Wabo, bouw, inrit

februari

0868/194859525

Voltaweg 6,

milieuneutraal)*

2021

extra PGS 15 kluizen, vergrote opslagcapaciteit gevaarlijke stoffen

Omgevingsvergunning

19

Z2024-00008606/

Realisatie nieuw

(bouwactiviteit,

februari

D2024-00032520

bedrijfspand

technisch)

2025

Omgevingsvergunning

5 maart

Z2024-00023756/

Realisatie nieuw

(omgevingsplanactiviteit)

2025

D2025-00026523

bedrijfscomplex

De hierboven genoemde vergunningen aangeduid met “*” zijn volgens de Invoeringswet Omgevingswet gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor een MBA voor onbepaalde tijd.

1.5.

Vergunningplicht

De aangevraagde activiteiten zijn op grond van onderstaande artikelen vergunningplichtig. Artikel

Omschrijving

met grondslag Bal 3.51,

Exploiteren van een Seveso-inrichting

lid 1 Bal 3.73,

Exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van farmaceutische producten,

lid 1 (3.72,

bedoeld in categorie 4.5 van bijlage I van de Richtlijn industriële emissies

lid 1 onder e)

1.6.

Bevoegd gezag

Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aangevraagde activiteiten. Dit volgt uit artikel 4.6

26

eerste lid, onder c van het Omgevingsbesluit (Ob) op grond van de MBA, genoemd in de artikelen 3.51, lid 1 en 3.73, lid 1 van het Bal.

1.7. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob) Conform onze beleidsregel hebben wij op basis van de Wet Bibob een onderzoek verricht naar de ingediende aanvraag om omgevingsvergunning. Onze conclusie op basis van dit onderzoek is dat er vanuit de Wet Bibob geen bezwaren zijn om de aangevraagde vergunning te verlenen. Wel wijzen we erop dat het Bibob-onderzoek een momentopname is. Er kan op een later moment blijken dat er (nieuwe) handhavingsinformatie, strafrechtelijke informatie of een andere indicatie is om een nieuw Bibob-onderzoek te starten. Uit dat onderzoek kan dan blijken dat er vanuit de Wet Bibob wel degelijk bezwaren zijn ten aanzien van de omgevingsvergunning.

1.8.

Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 8 oktober 2024 en 7 februari 2025 in de gelegenheid gesteld om tot 8 weken na de hiervoor genoemde data de aanvraag aan te vullen. Op 28 november 2024 en 28 maart 2025 hebben wij een verzoek ontvangen van Intracare de termijn voor het aanvullen te verlengen tot 16 december 2024, resp. 8 mei 2025. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op respectievelijk 12, 13 en 20 december 2024 en 7 en 30 mei 2025. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met de aanvullende gegevens voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.

1.9.

Uitgebreide procedure

Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 16.5.3 van de Ow. Gelet hierop hebben wij op 14 augustus 2024 overeenkomstig artikel 16.57 Ow een kennisgeving van de aanvraag digitaal gepubliceerd op internet: www.officielebekendmakingen.nl. Wij hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn van 26 weken te verlengen met 6 weken als bedoeld in artikel 16.64, tweede lid van de Ow. Van deze verlenging is op 2 september 2024 digitaal kennis gegeven op internet: https://www.officielebekendmakingen.nl.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2f93239f-daaf-45be-b61b-6659976bb693