Bijlage 1VGBP_Vlas en Graan 101 Veghel_Bijlagen toelichting
Tekst van het document
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 5361.001 versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan het bevoegd gezag beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan het bevoegd gezag besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 5361.001 versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegd gezag op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegd gezag. **** Na een verkennend booronderzoek kan het bevoegd gezag besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van het bevoegd gezag.
Rapport 5361.001 versie 2
Bijlage 4 Zaaknummer (OMnummer) 2431039100 (59986)
Archeologische onderzoeken
Situering t.o.v. plangebied 190c meter ten zuidoosten
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Veghel Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 30-1-2014 00:00:00 Resultaat: Verkennend booronderzoek Ten zuiden van Rembrandtweg vrijgeven; ten noorden vrijgeven tot 100 cm -mv.
2423230100 (59018)
2185253100 (26757)
250c meter ten zuidoosten
300c meter ten noordoosten
Ingestemd. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Veghel Uitvoerder: Archeodienst Gelderland BV Datum: 1-11-2013 00:00:00 Resultaat: Vervolg in de vorm van een verkennend booronderzoek Vervolg in de vorm van een verkennend booronderzoek voor delen van het plangebied, zodra helder is waar de ingrepen zullen plaatsvinden Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Peellandstraat Veghel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 18-2-2008 00:00:00 Resultaat: Archeologisch onderzoek BAAC, 2008: In het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied is een natuurlijke laagte met ijzertijdaardewerk aangetroffen. Deze natuurlijke laagte is niet behoudenswaardig. Voor dit deel van het onderzoeksgebied is dus geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Voor de reconstructie van het natuurlijke landschap is het wel aan te bevelen de natuurlijke laagte mee te wegen in het vervolgonderzoek. Om het verdere verloop van de natuurlijke laagte vast te leggen en zo inzicht te krijgen in het natuurlijke landschap, is het aan te bevelen een proefsleuf aan te leggen in het verlengde van werkput 4, hetgeen tevens informatie kan opleveren over de landschappelijke ontwikkeling van het gebied. Mogelijk bevinden zich ijzertijdsporen elders binnen het onderzoeksgebied.
Direct ten noorden van de natuurlijke laagte en in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied zijn paalsporen aangetroffen die op basis van het aardewerk dateren in de late middeleeuwen. De laatmiddeleeuwse bewoningssporen zijn op grond van de waardering behoudenswaardig. Daarom wordt aanbevolen dit deel van het onderzoeksgebied in zijn geheel op te graven met uitzondering van de verstoorde delen ter hoogte van werkput 2 en 3. In de middenzone van het onderzoeksgebied zijn, afgezien van enkele greppels, geen andere sporen aangetroffen die informatie kunnen geven over de ontginnings- en bewoningsgeschiedenis van dit terrein. Dit sluit de aanwezigheid van deze sporen in dit deel van het onderzoeksgebied niet uit. Daarom is het aan te bevelen, ook gezien de hoge archeologische verwachting van dit deel van het onderzoeksgebied nader te onderzoeken door middel van een opgraving. Moet nog worden ingevuld.
2300175100 (42801)
300c meter ten noordoosten
2096104100 (14020)
350c meter ten noorden
2112830100 (16370)
350c meter ten noorden
Tolboom, M.A., 2008: Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, BAAC-rapport A07.0446. Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: De Kempen 62 Veghel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 6-9-2010 00:00:00 Resultaat: BAAC-project A-10.0325. AB onder protocol opgraven. Er is een betonnen waterput 1950-1970 aangetroffen. Gezien de resultaten wordt door BAAC geen vervolgonderzoek geadviseerd. Type onderzoek: veldkartering Toponiem: Stationsstraat; Molenstraat Veghel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 7-10-2005 00:00:00 Resultaat: Er wordt een vervolgonderzoek aanbevolen. Voor het onbebouwde deel van het plangebied worden proefsleuven aanbevolen. voor het bebouwde deel van het plangebied wordt een sloopbegeleiding aanbevolen, indien er archeologische resten worden aangetroffen, dient ook hier een proefsleufonderzoek te worden uitgevoerd. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Stationsstraat Veghel Uitvoerder: Becker en Van de Graaf Datum: 15-3-2006 00:00:00 Resultaat: proefsleuven onderzoek n.v.t.
Rapport 5361.001 versie 2
In een archeologisch conceptadvies stelt de provinciaal archeoloog dat het wenselijk is om een beperkt archeologisch onderzoek uit te voeren in het gedeelte van het plangebied waar mogelijk sprake is van een begraven bodem en een esdek. Het archeologisch onderzoek dient plaats te vinden in de vorm van een proefsleuf en hoeft niet 5% van de oppervlakte van het onderzoeksgebied te omvatten.
2122712100 (17825)
2188242100 (27189)
350c meter ten noordoosten
350c meter ten noordwesten
Inventariserend Veldonderzoek, waarderende fase, Stationsstraat, gemeente Veghel Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Peellandstraat Veghel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 19-6-2006 00:00:00 Resultaat: Mogelijk is een (groot) deel van de bodem nog niet verstoord. Er wordt dan ook aanbevolen om een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uit te voeren. Zie rapportage: Soepboer, W. Veghel, Plangebied Peellandstraat. Bureauonderzoek. BAACrapport 06.148. BAAC-Deventer Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Markt, 17-18 Veghel Uitvoerder: Jacobs & Burnier Datum: 28-2-2008 00:00:00 Resultaat: Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen op de locatie Markt 17-18 te Veghel Op basis van het feit dat een ongestoord bodemprofiel is aangetroffen en een esdek, wordt een aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd.
2215871100 (31123)
350c meter ten noordoosten
2290804100 (41594)
350c meter ten westen
Op basis van het uitgevoerde booronderzoek kon worden vastgesteld dat een ongestoord bodemprofiel op de locatie aanwezig is. Op de locatie is een esdek aanwezig, bovendien wordt op de kadastrale minuut van 1811-1832 bebouwing aangeven. Daarom wordt een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd. (Burnier, C.Y,2008: Locatie 'Markt 17-18' te Veghel. Een inventariserend veldonderzoek. STAR 176. Amsterdam) Type onderzoek: opgraving Toponiem: Peellandstraat Veghel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 8-10-2008 00:00:00 Resultaat: De locatie is grotendeels opgegraven, met uitzondering van de achtertuinen aan de westzijde van de Peelandstraat nr. 8 tot en met 16 (ten zuiden van de straat De Kempen), waar nog een depressie met ijzertijdmateriaal ligt die opgegraven dient te worden. Deze locatie was niet beschikbaar ten tijde van het onderzoek in 2008, omdat er nog aanwonenden waren. BAAC-project A-08.0290 Veghel Peellandstraat. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Kolonel Johnsonstraat Veghel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 16-10-2010 00:00:00 Resultaat: BAAC-projectnr. V10.0229. Het bouwproject vindt (voorlopig) geen doorgang. Het onderzoek is niet definitief afgerond. Het westelijk deel van het plangebied was reeds bebouwd en deels in gebruik als zanddepot. Het plangebied ligt deels op een dekzandafzetting in een beekdal.
Uit het inventariserend veldonderzoek bleek dat de bovengrond in het noordelijke, hoger gelegen deel van het plangebied is vermengd met het dekzand uit de ondergrond. In de C-horizont kunnen nog sporen voorkomen uit de periodes vanaf het neolithicum. In een voormalige depressie of beekdal in het landschap kunnen bijvoorbeeld nog resten van waterputten of -kuilen met op de flank sporen van een huisplaats in de bodem aanwezig zijn. Gezien de vondsten die eerder in de nabijheid van het plangebied zijn gedaan, is het goed mogelijk dat sporen uit de Romeinse tijd en/of de late middeleeuwen binnen het plangebied voorkomen. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek adviseert BAAC bv om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
2015063100 (3788)
450c meter ten noordwesten
Het bouwproject vindt (voorlopig) geen doorgang. Het onderzoek is niet definitief afgerond. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Frisselsteinstraat Veghel Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 1-1-2002 00:00:00 Resultaat: Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1) in een plangebied ten zuiden van de Frisselsteinstraat te Veghel. Ten tijde van het onderzoek was het gebied in gebruik als parkeerterrein. In de toekomst zal er een kantoorgebouw met parkeerkelder worden gebouwd. Het archeologisch onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een karterend booronderzoek. Op (of nabij) het terrein worden de resten van het 14e eeuwse kasteel Frisselstein verwacht. Literatuur: Kempen, P.A.M.M., 2002: Plangebied Frisselsteinstraat, gemeente Beghel; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1). RAAP-briefrapport 2002-456/RT. RAAP 2002: Aanbevolen wordt om in het noordelijke deel van het plangebied, ter hoogte van het grachtrestant, een Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) uit te voeren in de vorm van een klein proefputje. Een andere mogelijkheid is om de voorgenomen werkzaamheden onder archeologisch toezicht te laten uitvoeren. Dit geldt met name voor het noordelijke deel van het plangebied en de zone rondom boring 5. In het noordelijke deel van het plangebied is een grachtrestant aangetroffen, vermoedelijk de
Rapport 5361.001 versie 2
2081573100 (15973)
450c meter ten westen
zuidelijke gracht van het kasteel. In boring 5 is mogelijk een sloot, gracht of vulling van de Aa aangetroffen. Mogelijk bevinden zich hierin nog goed geconserveerde archeologische resten. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Hoogstraat Veghel Uitvoerder: BILAN Bureau Interdisciplinaire Landschapsanalyse Datum: 9-2-2006 00:00:00 Resultaat: Literatuur: Boer, E. de, 2005, Veghel (NB), Hoogstraat 22-32. Archeologisch bureauonderzoek. BILAN-rapport 2006/26. BILAN 2006: Booronderzoek.
2147978100 (21414)
450c meter ten westen
2155842100 (22512)
500c meter ten zuiden
Rapport 5361.001 versie 2
Zie BILAN-rapport 2006/26: Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten uit de periode vanaf de ijzertijd kunnen worden aangetroffen. Het noordelijke deel van het plangebied is reeds in de eerste helft van de negentiende eeuw bebouwd geraakt, waardoor het bodemprofiel hier gedeeltelijk verstoord zal zijn. Door de aanwezigheid van een esdek zal het oorspronkelijke bodemprofiel, en daarmee mogelijk aanwezige archeologische sporen, in de achterliggende tuinen/erven grotendeels intact kunnen zijn. Een aanvullend booronderzoek is noodzakelijk om vast te stellen in hoeverre het bodemprofiel nog intact is en of er archeologische waarden in het plangebied te verwachten zijn. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen, te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Onbekend Uitvoerder: BAAC BV Datum: 23-2-2007 00:00:00 Resultaat: Bureauonderzoek is verricht door BILAN Voor het selectieadvied wordt verwezen naar BAAC-rapport 07.047 Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Masterplan Veghel Veghel Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 21-4-2007 00:00:00 Resultaat:
Bijlage 5
Archeologische vondsten
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2904785100 (36064)
Locatie t.o.v. plangebied
Omschrijving
110 meter ten noordoosten
3130230100 (36062)
110 meter ten noordoosten
3234413100 (411772)
170 meter ten noordwesten
Bronstijd : - fragment van een bronzen speerpunt IJzertijd : - metalen munt, Mesolithicum - Neolithicum : - fragment van een vuursteen boor - vuursteen kern IJzertijd - Late Middeleeuwen : - fragment van een metalen slak Late Middeleeuwen : - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk
2774691100 (14736)
190 meter ten noordwesten
Nieuwe tijd : - fragment van een glazen beker IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - fragmenten van gedraaid aardewerk Vroege Middeleeuwen : - fragmenten van keramische kogelpotten
2924346100 (39222)
250 meter ten westen
Late Middeleeuwen : - fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - fragmenten van Andenne aardewerk - fragmenten van Paffrath aardewerk - fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Paleolithicum - Neolithicum : - fragmenten van bot, dierlijk objecten, IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk - fragmenten van bot, dierlijk werktuigen
3196790100
250 meter ten noorden
3229498100 (410160)
250 meter ten zuiden
Romeinse tijd : - aardewerk - plantaardig, hout palen - fragment van een bronzen ketel - plantaardig, hout scheepsonderdeel Nieuwe tijd : - greppel/sloot - waterput Mesolithicum - Neolithicum : - 2 fragmenten van vuursteen klingen Neolithicum : - fragment van een vuursteen spits Bronstijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk
3230193100 (410639)
250 meter ten zuiden
3230541100 (410751)
250 meter ten westen
3243697100 (415025)
250 meter ten zuiden
3234405100 (411770)
300 meter ten noordwesten
IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk - kuil, IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk Late Middeleeuwen : - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk - 2 fragmenten van Elmpter aardewerk - fragment van Andenne aardewerk Romeinse tijd : - fragment van een dolium/voorraadvat Mesolithicum : - 2 fragmenten van zandsteen/kwartsiet klingen Mesolithicum - Neolithicum : - fragment van een vuursteen boor - vuursteen kern - 4 fragmenten van vuursteen klingen - vuursteen afslagen - 5 fragmenten van vuursteen schrabbers
Rapport 5361.001 versie 2
Neolithicum : - vuursteen afslag IJzertijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 2 fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk Vroege Middeleeuwen - Late Middeleeuwen : - fragment van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk
2185253100 (431800)
3243704100 (415027)
350 meter ten noordoosten
350 meter ten noordoosten
2112830100 (430964)
400 meter ten noorden
2015063100 (49313)
450 meter ten noordwesten
Nieuwe tijd : - fragment van een loden lakenlood/lakenzegel - loden onderdeel van een vuurwapen IJzertijd : - handgevormd aardewerk Late Middeleeuwen : - 5 fragmenten van gedraaid aardewerk - handgevormd aardewerk - 3 greppels/sloten - paalgaten Paleolithicum - Mesolithicum : - fragment van een vuursteen spits IJzertijd - Nieuwe tijd : - slijpsteen Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 21 fragmenten van steengoed - 3 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk Late Middeleeuwen : - fragment van Elmpter aardewerk Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - grachten
3131527100
450 meter ten noordwesten
3230858100 (410888)
450 meter ten westen
Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk Late Middeleeuwen : - stenen funderingen Romeinse tijd : - fragment van ruwwandig gedraaid aardewerk Late Middeleeuwen : - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk - fragment van steengoed - proto-steengoed - fragment van Elmpter aardewerk
Rapport 5361.001 versie 2
Bijlage 2
55/399
Quickscan flora en fauna
Advies
advies
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
project Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel datum 9 juni 2021 opdrachtgever Gemeente Meijerijstad projectnummer P02912 opgesteld door RdM Interne controle MvdS
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
1
Inleiding
Werkwijze quickscan flora en fauna
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van een nieuw zwembad nabij het Stadhuisplein te Veghel, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.
In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016.
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 inF Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 28 februari 2020 tussen 11.00 – 12.00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 4°C, licht bewolkt, zonder neerslag, met een zuidwestenwind van 4 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Planbeschrijving Het plangebied is gelegen in de kern van Veghel. Circa 1 kilometer ten westen van het plangebied ligt het Wilhelminakanaal, in het westen van het plangebied is de Aa gelegen. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven. Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een sportcomplex, met meerder sporthallen en een zwembad, inclusief een deel van de naastgelegen parkeerplaatsen.
Figuur 1: Topografische kaart ligging plangebied (1:25.000)
Figuur 2: Luchtfoto plangebied en directe omgeving
In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie De gemeente is voornemens om het bestaande en verouderde sportcomplex te slopen. In zijn plaats zal een nieuw, modern zwembad worden gerealiseerd. En in de toekomst wellicht een nieuwe stedelijke functie met parkeergelegenheden aan de oostzijde. De omringende bebouwing, groenstructuren en poel zullen hierbij zoveel mogelijk behouden blijven. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
Figuur 3: Toekomstige situatie plangebied
woensdag 9 juni 2021
2
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Figuur 5: Noordzijde sportcomplex
Figuur 6: Noordzijde sportcomplex
Figuur 4: Noordzijde sportcomplex
Figuur 7: Poel ten zuiden van het plangebied
woensdag 9 juni 2021
Figuur 8: Oostzijde sportcomplex
Figuur 9: Zuidzijde sportcomlex
3
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Toetsing gebiedsbescherming
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Wettelijke gebiedsbescherming
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina en Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 17 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuw zwembad betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten.
Gezien de geruime afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Volledige zekerheid omtrent het aspect stikstof is echter alleen verkrijgbaar middels een berekening in AERIUS Calculator.
woensdag 9 juni 2021
De Aa is aangeduid als NNB. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. De nieuwe indeling zorgt ervoor dat auto’s verder van de NNB vandaan blijven en een groenstrook tussen het plangebied en de NNB ontstaat. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Figuur 10: Ligging NNN (groen) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
4
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Toetsing beschermde houtopstanden
Toetsing soortenbescherming
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)
Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
woensdag 9 juni 2021
Tabel 1
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.
Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten
Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
-
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
-
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
5
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief
woensdag 9 juni 2021
effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 14 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Het sportcomplex biedt in huidige staat geen geschikte broedlocaties voor soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw, door het ontbreken van geschikte ruimtes in het gebouw.
In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil, welke hier gezien de stedelijke ligging ook niet te verwachten zijn. Wel kunnen mogelijk “algemene” soorten als merel en houtduif tot broeden komen in de te verwijderen bomen. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de
werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, bosvleermuis, meervleermuis en watervleermuis.
Het te slopen sportcomplex bevat meerdere geschikte rusten verblijfplaatsen voor een gebouwbewonende vleermuizensoort in de vorm van open stootvoegen, kierende dakranden en andere openingen welke leiden naar ruimtes in de spouw en dakbetimmering. Deze openingen zijn aangetroffen aan alle zijdes van het gebouw. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen.
6
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Toetsing Bij de sloop van het sportcomplex bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of zich in de te slopen bebouwing verblijfplaatsen van een vleermuissoort bevinden. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij uitvoering van het slopen gebouw sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gesloopt. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geen geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied incidenteel worden waargenomen. Doordat vrijwel het gehele terrein betegeld is, is dit niet van waarde voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten.
Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten eekhoorn, boommarter, bunzing, steenmarter, wezel, das en bever voor. Gezien de binnenstedelijke ligging, de beperkte omvang en het versteende habitat, betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende marterachtigen. Verder zijn er
woensdag 9 juni 2021
geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor marterachtigen. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das of bever. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis en hazelworm. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten.
Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.
Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. De poel ten zuiden van het plangebied biedt echter wel geschikt habitat voor amfibieën, wat kan leiden tot een incidenteel passerend individu binnen het plangebied. Hierop is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
7
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bruine eikenpage, grote vos, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, gevlekte witsnuitlibel, bosbeekjuffer en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als dreps, drijvende waterweegbree, kluwenklokje en ruw parelzaad. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten.
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
woensdag 9 juni 2021
8
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Conclusie
Vervolgtraject en advies
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:
De sloop van de bebouwing kan negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nest- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soortgroep. Een vervolgonderzoek naar vleermuizen loopt van half mei tot en met eind september.
Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
woensdag 9 juni 2021
Bij de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van een vleermuizensoort is één van de onderdelen van de noodzakelijke maatregelen het tijdig aanbieden van temporele alternatieve verblijfsmogelijkheden (bijvoorbeeld vleermuiskasten). Afhankelijk van de aanwezige verblijfsfunctie(s), dienen meerdere geschikte alternatieve verblijfsmogelijkheden te worden aangeboden die de te verstoren/verwijderen verblijfplaatsen (tijdelijk) kunnen opvangen. Daarbij geldt conform de Wet natuurbescherming voor de vervanging van verblijfplaatsen, afhankelijk van de aangetroffen verblijfsfunctie, een gewenningsperiode van minimaal 3 à 6 maanden waarin vleermuizen actief zijn, alvorens met de sloopwerkzaamheden ter plaatse van de verblijfplaats mag worden gestart. De wintermaanden mogen hierbij dus niet worden meegerekend. Bij de aanwezigheid van een kraamverblijf dienen alternatieve kraamverblijven zelfs minimaal een volledig kraamseizoen (mei – juli) aanwezig te zijn geweest tegelijkertijd met de huidige verblijfplaats. Dit kan tot gevolg hebben dat bij het aantreffen van een verblijfplaats pas in het seizoen na het verlenen van de ontheffing voor het verstoren ervan kan worden gesloopt. Voor een initiatiefnemer is dat vaak een extra jaar tijdverlies.
Indien de projectplanning van essentieel belang is, adviseert BRO om vooraf aan het vleermuizenonderzoek al alternatieve verblijfplaatsen te plaatsen, conform hetgeen is gesteld in het kennisdocument van de te verwachten
soorten en verblijffuncties. Hiermee kan eventuele vertraging van de planning worden beperkt. Daarnaast dient voor het verwijderen van de huidige verblijfplaats een ontheffing te worden aangevraagd bij de betreffende provincie of omgevingsdienst, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden ter plaatse van de aangetroffen verblijfplaats worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan en de gevoelige periodes worden ontzien. De ODBN neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan dit termijn met 7 weken worden verlengd.
9
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 3
Tabel 2
Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van aantasting
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
Ca. 17 km
Nee
-
Geen externe verstorende factoren
Natuurnetwerk Nederland
Ca. 35 m
Nee
-
Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Potentieel aanwezig
Sprake van overtreding
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Algemeen
Ja
Te voorkomen
Opgaand groen buiten broedseizoen verwijderen of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Jaarrond beschermd
Nee
Nee
-
-
Verblijfplaatsen
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar gebruik van gebouw door vleermuizen
Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig
Foerageerhabitat
Nee
Nee
-
-
Vliegroutes
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de egel
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Broedvogels
Vleermuizen
woensdag 9 juni 2021
10
Quickscan flora en fauna ´Stadshuisplein´ te Veghel
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale websites Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant Brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) Dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in NoordBrabant) Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)
Algemene websites Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) Floron.nl (soortgegevens planten) Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) Sovon.nl (soortgegevens vogels) Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
woensdag 9 juni 2021
11
Bijlage 3
67/399
Veldinventarisatie vleermuizen
Eindrapport
VLEERMUIZEN TER PLAATSE VAN EN ROND SUPERMARKT AAN HET STADHUISPLEIN TE VEGHEL
Eindrapport
VLEERMUIZEN TER PLAATSE VAN EN ROND SUPERMARKT AAN HET STADHUISPLEIN TE VEGHEL
rapportnummer 2017.2813 november 2018 In opdracht van: Rho adviseurs Postbus 150 3000 AD ROTTERDAM
Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en ecotoxicologie Bezoekadres: Dr. Willem Dreeslaan 1 te Bennekom Postadres: Postbus 367, 6700 AJ te Wageningen
T: 0317-428694 M: 06-29458456 E: info@adviesbureau-mertens.nl I: www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2018 Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
INHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED ...................................................................................................................................... 2 1.3 DE PLANNEN ............................................................................................................................................. 3 1.4 VRAAGSTELLINGEN VAN HET ONDERZOEK .................................................................................................. 3 1.5 OPBOUW VAN DIT RAPPORT ....................................................................................................................... 3
2 BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ................................................................................................ 4 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 4 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 4
3 ECOLOGIE VLEERMUIZEN ................................................................................................................................ 5
4 METHODE............................................................................................................................................................ 6 4.1 OMVANG ONDERZOEK ............................................................................................................................... 6 4.2 VELDONDERZOEK ...................................................................................................................................... 6
5 RESULTATEN ..................................................................................................................................................... 7 5.1 VOORJAAR/ VOORZOMER .......................................................................................................................... 7 5.2 VOORHERFST ........................................................................................................................................... 7
6 CONCLUSIES ...................................................................................................................................................... 9
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 10
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 11 1 BEGRIPPEN ............................................................................................................................................ 12 2 ONDERZOEK SOMSTANDIGHEDEN .................................................................................................... 14
Adviesbureau Mertens
1
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
1 INLEIDING
1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de sloop van bebouwing aan het Stadhuisplein te Veghel om een supermarkt te kunnen realiseren (zie figuur 1 voor de globale ligging). De aanwezigheid van beschermde soorten vormt een te onderzoeken aspect, omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op planten- en diersoorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is in het verleden verkennend en aanvullend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten (Adviesbureau Mertens, 2017). Uit dit onderzoek blijkt dat vleermuizen niet kunnen worden uitgesloten. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens te Wageningen gevraagd om een veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vleermuizen en om bij het eventueel voorkomen hiervan, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd.
N▲
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan het Stadhuisplein te Veghel. 1.2 Het plangebied Het plangebied in Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel is sinds het verkennend onderzoek niet wezenlijk gewijzigd. Voor een omschrijving van dit gebied wordt verwezen naar het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2017).
Adviesbureau Mertens
2
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
1.3 De plannen De plannen zijn sinds het verkennend onderzoek niet gewijzigd. Voor een omschrijving van de plannen wordt dan ook verwezen naar het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2017).
1.4 Vraagstellingen van het onderzoek Voor het in beeld brengen van de beschermde en bedreigde soorten zijn de volgende groepen onderzocht: vleermuizen (foerageergebied, verblijfplaatsen en vliegroutes). Dit betreffen de soort(groep)en die in potentie kunnen voorkomen. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding van dit hoofdstuk worden de volgende vraagstellingen onderzocht: 1. Welke beschermde en bedreigde soorten komen voor in of nabij Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel? 2. Wat is de verspreiding en het terreingebruik van de beschermde en bedreigde soorten in of nabij Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel?
1.5 Opbouw van dit rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming (hoofdstuk 2) en de ecologie van de te inventariseren soort(groep)en wordt in hoofdstuk 4 de werkwijze van het onderzoek weergegeven. In hoofdstuk 5 wordt de aanwezigheid en de verspreiding weergegeven. In hoofdstuk 6 worden conclusies gegeven en worden aanbevelingen gedaan. In bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de gehanteerde begrippen. Aangezien onderhavig rapport een voortzetting is op het verkennend onderzoek (Adviesbureau Mertens, 2017), kan onderhavig rapportage niet los worden gelezen van het verkennend onderzoek.