CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1VGBP_Vlas en Graan 101 Veghel_Bijlagen toelichting

Raadsvergadering 6 april 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan en instemming ontwerpbesluit omgevingsvergunning 'Vlas en Graan 101, Veghel23.162 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen toelichting

5/407

6/407

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Archeologisch bureauonderzoek

Bijlage 2

Quickscan flora en fauna

Bijlage 3

Veldinventarisatie vleermuizen

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 5

Ruimtelijk-economisch onderzoek

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek omgevingslawaai

Bijlage 7

Aerius memo

Bijlage 8

Stikstofberekening gebruiksfase

Bijlage 9

Parkeerbalans

Bijlage 10

Verslag informatieavond

Bijlage 11

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 12

Notitie beantwoording zienswijzen

3/399

4/399

Bijlage 1

7/399

Archeologisch bureauonderzoek

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK VLAS EN GRAAN 101 IN VEGHEL GEMEENTE MEIERIJSTAD

Rapport archeologisch bureauonderzoek Vlas en Graan 101 in Veghel, gemeente Meierijstad Opdrachtgever

Rho adviseurs voor leefruimte Torenallee 20 5647 BC Eindhoven

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

5361.001 2 23 februari 2017

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

drs. A.J. Wullink

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ir. F.F.J.M. Top

Paraaf

© Econsultancy bv, Rotterdam Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van het bevoegd gezag is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeelt door het bevoegd gezag.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

5361.001

Kader onderzoek

Bestemmingsplanwijziging i.h.k.v. herontwikkeling

Toponiem

Vlas en Graan 101

Opdrachtgever

Rho adviseurs voor leefruimte

Gemeente

Meierijstad

Plaats

Veghel

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Perceel G2593, G2885, G2871 (deels), G2872 (deels), G2903 (deels), G3187 (deels)

Omvang plangebied

Circa 8000 m2

Kaartblad

45G (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 165.925 / Y: 402.910

Bevoegde overheid

Gemeente Veghel Dhr. M. van den Broek Doornhoek 3736 5465 TA Veghel

T: 0413 386 644 E: Mark.vanden.broek@veghel.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Gemeente ’s-Hertogenbosch Drs. S. Molenaar

T: 073 6155517 E: s.molenaar@s-hertogenbosch.nl

Archis 3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-r.)

4574479100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Rotterdam/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, drs. A.J. Wullink (senior KNA-prospector)

Kwaliteitszorg Econsultancy s onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Vlas en Graan 101 in Veghel in de gemeente Meierijstad. In het plangebied zijn momenteel een sporthal en een zwembad aanwezig. Deze bouwwerken zullen worden gesloopt en plaatsmaken voor de nieuwbouw van de “Aldi”. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het vooronderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek. Het doel van het bureauonderzoek is om aan de hand van bekende gegevens een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat binnen het plangebied beekdal-gerelateerde off siteresten zijn te verwachten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd. Deze resten worden verwacht onder een 2 m dik ophoogpakket. Buiten het zwembad zijn deze waarden mogelijk nog bewaard gebleven. Het is nog niet bekend of deze waarden door de voorgenomen bouwwerkzaamheden worden aangetast.

Advies In principe is er een inventariserend veldonderzoek nodig om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Op dit moment is een groot deel van de nieuwbouwlocatie echter bebouwd, wat het uitvoeren van een representatief inventariserend veldonderzoek vrij lastig maakt. Bovendien bestaan de te verwachten resten voornamelijk uit zogenaamde punt- of toevalsvondsten, die niet effectief door prospectief onderzoek kunnen worden opgespoord. Econsultancy adviseert dan ook om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden, maar wijst met nadruk op de bestaande meldingsplicht. Mochten tijdens toekomstige graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dienen deze conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 direct bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (per de 2 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed , de provincie Noord-Brabant of de gemeente Meierijstad) te worden gemeld. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Meierijstad, om op basis van dit advies een selectiebesluit te nemen.

2

infodesk: info@cultureelerfgoed.nl of 033-4217456

Rapport 5361.001 versie 2

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING .................................................................................................................................. 4 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

DOEL VAN HET ONDERZOEK .................................................................................................. 1

3

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8

4

Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 2 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Bewoningsgeschiedenis en historisch gebruik ................................................................. 8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 10

CONCLUSIES EN ADVIES ...................................................................................................... 11 4.1 4.2

Conclusie ........................................................................................................................ 11 Advies ............................................................................................................................. 11

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 12 BRONNEN .......................................................................................................................................... 13

Rapport 5361.001 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.

Ligging van het plangebied binnen Nederland Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Kabels en leidingen Toekomstige situatie Het landschap rond Sint Willebrord in de Vroege Middeleeuwen Maaiveldhoogte Bodem Archeologische verwachting Archeologische waarden en onderzoeken in het onderzoeksgebied Het plangebied op de kaart van Hendrik Verhees uit 1791 Het plangebied op historische topografische kaarten

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Archeologische onderzoeken Archeologische vondsten

Rapport 5361.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Rho adviseurs voor leefruimte een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Vlas en Graan 101 in Veghel, in de gemeente Meierijstad. In het plangebied zijn momenteel een sporthal en een zwembad aanwezig. Deze bouwerken zullen worden gesloopt en plaatsmaken voor de nieuwbouw van een Aldi. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3). Aan de hand van het onderzoek wordt geconcludeerd of er archeologische waarden in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn en of deze waarden worden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling. Vervolgens wordt een advies gegeven ten aanzien van eventuele vervolgstappen (hoofdstuk 4). Dit advies dient te worden getoetst door de bevoegde overheid, de gemeente Meierijstad. De bevoegde overheid besluit vervolgens of er vervolgstappen moeten worden ondernomen of dat het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen werkzaamheden. Het vooronderzoek is in november 2017 uitgevoerd door drs. A.J. Wullink (senior KNA-prospector).

Het rapport is gecontroleerd door ir. F.F.J.M. Top.

2

DOEL VAN HET ONDERZOEK

Het doel van het bureauonderzoek is het verkrijgen van inzicht in bekende en te verwachten archeologische waarden in en om het plangebied. Op basis van de verkregen informatie wordt een archeologisch verwachtingsmodel voor de onderzoekslocatie opgesteld. Hierin wordt beschreven of er archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn in het plangebied, wat de potentiële aard en omvang hiervan is en of de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden.

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 1 van 13

3 3.1

BUREAUONDERZOEK Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 3 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:          3.2

de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; recente luchtfoto’s; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Meierijstad. Afbakening van het plangebied

Binnen het onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep zal plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische potentie van plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied en het omliggende gebied in een straal van circa 800 m. Het plangebied ligt in het centrum van Veghel aan Vlas en Graan 101 en beslaat percelen G2593, G2885, G2871 (deels), G2872 (deels), G2903 (deels) en G3187 (deels). De locatie ligt ten zuiden van Vlas en Graan, ten westen en noorden van het Stadhuisplein en iets ten oosten van de Aa. Het plan2 gebied heeft een oppervlakte van circa 8.000 m . De centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 165.925 en Y: 402.910. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en figuur 2.

3

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 2 van 13

3.3

Huidige situatie 2

In het plangebied staan een sporthal en een zwembad met een oppervlakte van zo’n 4200 m . Het gebied rondom de sporthal is in gebruik als parkeerplaats of openbare weg. Aan de noordoost, oost en zuidoostkant grenst het plangebied aan appartementencomplexen (Stadhuisplein 11 – 47, 55 – 119 en Vlas en Graan 107 – 145). Ten zuidwesten van het plangebied ligt een bowling centrum en ten westen een galerijflat. Aan de noordwestkant grenst het plangebied aan de openbare weg met daarlangs parkeerplaatsen. Het landgebruik binnen en in de omgeving van het plangebied is te zien op de luchtfoto (figuur 3). Vigerend beleid Volgens het vigerend bestemmingsplan Centrumgebied Veghel uit 2011 heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’. Voor gebieden met deze dubbelbestemming geldt een 2 onderzoeksplicht bij bodemverstoringen groter dan 100 m en dieper dan 30 cm –mv. Bodemloket De overheid probeert door middel van het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Verder worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven.

Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onder4 zoeken uitgevoerd . Kabels en leidingen Voor het plangebied is een KLIC-oriëntatiemelding verricht voor het plangebied. Uit deze meldign blijkt dat in het plangebied een flink aantal kabels en leidingen liggen (figuur 4), namelijk rioleringen, water-, gas-, en elektriciteitsleidingen en diverse datakabels. Met name ter plaatse van de rioleringen zal de bodem dieper vergraven zijn. 3.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestaande bebouwing in het plangebied te slopen en een nieuwe supermarkt te realiseren. De te slopen bebouwing heeft een oppervlakte van circa 4200 2 2 m en de nieuwbouw een oppervlakte van circa 1370 m . De nieuwbouw valt voor een groot deel bin2 nen de contour van de te slopen bebouwing. Slecht circa 210 m van de nieuwbouw valt hierbuiten (zie figuur 2, 4 en 5). Het overige deel van het plangebied wordt als parkeerterrein en openbare weg ingericht. In deze fase van de ontwikkeling zijn er nog geen gegevens bekend over eventuele verstoringsdieptes.

4

www.bodemloket.nl.

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 3 van 13

3.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie

Formatie van Boxtel

Geomorfologie

Beekdal

Bodemkunde

Enkeerdgrond

Grondwatertrap

-

Landschappelijke ontwikkeling en geologie Het plangebied ligt in het Brabants zandgebied. De landschappelijke ontwikkeling van dit gebied begint tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 – 10.150 jaar geleden). In deze periode ontstaan brede smeltwaterdalen, die het gebied in noordelijke richting afwateren. In de koudste fase van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (28.000 – 13.000) zijn voornamelijk nat-eolische zanden afgezet. Deze zanden zijn als een zacht golvende deken afgezet over het landschap, door wind in combinatie met sneeuwsmeltwater. De zanden worden ook wel Oude Dekzanden of ten dele verspoelde dekzanden genoemd en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend. De afzettingen bestaan overwegend uit zeer fijn tot matig fijn, siltarm tot siltig zand, waarin ook leembandjes en grindsnoertjes kunnen voorkomen. Tijdens het Laat-Glaciaal (13.000 – 10.150 jaar geleden) verbetert het klimaat. De permafrost verdwijnt, het land raakt begroeid en er komt een einde aan grootschalige sedimentatie van nat-eolische zanden. Tijdens de koude fases van het Laat-Glaciaal, de Oude Dryas (12.000 11.800 jaar geleden) en de Jonge Dryas (10.800 – 10.150 jaar geleden), is er sprake van discontinue permafrost. Het vegetatiedek breekt open en lokaal kan zand gaan verstuiven.

Dit zand, dat in ruggen en kopjes wordt afgezet, wordt ook wel Jong Dekzand genoemd en vormt binnen de Formatie van Boxtel het Laagpakket van Wierden. De afzettingen zijn beter gesorteerd dan de nat-eolische zanden 5 en bestaan uit matig fijn, zwak siltig zand. Tijdens de huidige warme periode, het Holoceen (vanaf 10.150 jaar geleden), verbetert het klimaat weer. Het land raakt begroeid en er treedt bodemvorming op. De brede pleistocene rivierdalen worden nu door relatief kleine beken bezet, zoals de Aa, die door Veghel stroomt en pal ten westen van het plangebied ligt. In de beekdalen kan ook veengroei optreden. Volgens de paleogeografische kaar6 ten van Nederland vindt in het dal van de Aa ook veengroei plaats. Beekafzettingen en veen dat in beekdalen wordt gevormd, vormen het Laagpakket van Singraven binnen de Formatie van Boxtel.

5 6

De Mulder e.a. (2003) Vos & De Vries (2015)

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 4 van 13

Geomorfologie en maaiveldhoogte De Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied in de bebouwde kom van Veghel ligt, wordt het plangebied niet afgedekt door de geomorfologische kaart. Volgens de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Veghel (figuur 6) ligt het plangebied in het dal van de Aa, dat door een gebied met dekzandruggen heen loopt. Het natuurlijke reliëf komt niet heel goed tot uiting in het actueel hoogtebestand (figuur 7). Dit komt onder andere door de aanwezige, uit het beeld gefilterde bebouwing. Verder is het beekdal mogelijk opgevuld ter plaatse van de bebouwing. Hoe het ook zei, de bodem van het beekdal ligt op circa 7,6 m NAP, terwijl de historische kern van Veghel, iets ten noorden van het plangebied rond 10,8 m NAP ligt. Binnen het plangebied ligt het maaiveld tussen 9,8 en 10,6 m NAP. Bodem en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) wordt het plangebied niet afgedekt door de ligging in de bebouwde kom van Veghel. Ten zuiden van het plangebied komen volgens de bodemkaart hoge enkeerdgronden (in het dekzandgebied ten oosten van de Aa), lage enkeerdgronden (in het dal van de Aa) en laarpodzolbodems (in het dekzandgebied ten westen van de Aa) voor (zie figuur 8).

Enkeerdgronden zijn bodems met een dikke (>50 cm) eerdlaag, die vanaf de ontginning van het ge7 bied in de Late Middeleeuwen door plaggenbemesting is ontstaan. Hoge enkeerdgronden zijn over het algemeen geleidelijk ontstaan op de hoger gelegen dekzandruggen. De lage enkeerdgronden zijn e e veelal in de 19 of 20 eeuw ontstaan doordat in één keer een eerddek is aangebracht om het lager gelegen beekdal geschikt te maken voor landbouw. In het beekdal is het oorspronkelijke bodemtype waarschijnlijk een beekeerdgrond geweest. Op de hogere dekzandruggen is het oorspronkelijke bodemprofiel eerder een podzolbodem geweest. De lage enkeerdgronden zijn gevormd in lemig zand, met in de ondiepe ondergrond grindige afzettingen. Dit zijn fluvioperiglaciale afzettingen van de Formatie van Boxtel uit het Pleniglaciaal. De hoge enkeerdgronden zijn gevormd in siltarm dekzand (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel). Laarpodzolbodems zijn veldpodzolbodems met een matig dikke (30 – 50 cm) eerdlaag, die ook door plaggenbemesting is ontstaan. Kenmerkend voor veld- en laarpodzolbodems is een humusinspoelingshorizont (Bh(s)-horizont). Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied, zullen er in het plangebied lage of hoge enkeerdgronden voorkomen. De grondwatertrap is een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan.

De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.

Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VIII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 7

Tabel II. Grondwater-

7

Grondwatertrappenindeling I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

Jongmans e.a. (2013)

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 5 van 13

trap GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap V, VI, VII) zijn het meest geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. De grondwatertrap in het plangebied is niet bekend. De hoge enkeerdgronden ten oosten van het dal van Aa hebben een grondwatertrap VII en vormen dus geschikte woonlocaties. Het plangebied zal, door de ligging in het beekdal, te maken hebben met periodieke hoge grondwaterstanden en overstromingen. De grondwaterstand heeft ook invloed op de conservering van metalen en organische resten. Boven de laagste grondwaterspiegel corroderen metalen en vergaan organische resten uiteindelijk. Bij een grondwatertrap VI of VII worden geen goed geconserveerde metalen of organische resten verwacht binnen 120 cm –mv. Vanwege de kleine schaal waarop deze grondwatertrappen zijn gekarteerd en het relatief grote reliëf binnen het onderzoeksgebied, bestaat de mogelijkheid dat de daadwerkelijke waarde voor het plangebied afwijkt van de in de tabel weergegeven waarde. 3.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf8 goed (RCE) . In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. Bekende archeologische waarden, in de vorm van AMK-terreinen en archeologische vondsten, in de omgeving (binnen een straal van circa 800 m) van het plangebied zijn weergegeven in figuur 10. In deze figuur zijn ook de in de omgeving uitgevoerde onderzoeken opgenomen.

8

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 6 van 13

Archeologische verwachtingskaart voormalige gemeente Meierijstad Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Meierijstad heeft het plangebied, door haar ligging in het dal van de Aa, een middelhoge archeologische verwachting, met een kans op beekdal-gerelateerde datasets (figuur 9). AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. In de ruime omgeving van het plangebied liggen geen AMK-terreinen. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat hierbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken en archeologische begeleidingen en opgravingen (figuur 10 en bijlage 4). Voor het plangebied zijn vooral de onderzoeken van belang die in het dal van de Aa zijn uitgevoerd. Tussen 2006 en 2010 zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd in het kader van het Masterplan Veghelse Aa. In eerste instantie is voor het beekdal een bureauonderzoek uitgevoerd (zaaknummer 2122697100) en later een verkennend booronderzoek (zaaknummers 2126471100 en 2155842100). Op grond van de resultaten van het verkennend booronderzoek zijn een aantal locaties binnen het hele onderzocht tracé (dat de loop van de Aa binnen de voormalige gemeente Veghel omvat) nader onderzocht. Ter hoogte van het plangebied zijn echter geen bijzonderheden aangetroffen die tot vervolgonderzoek hebben geleid.

Uit drie boringen ten westen van het plangebied blijkt dat de bodem bestaat uit een dikke, humeuze, al dan niet puinhoudende, opgebrachte eerdlaag op dekzand. Pal ten zuiden van het plangebied, bij het gemeentehuis en het busstation, zijn een bureauonderzoek (zaakid. 2423230100) en een verkennend booronderzoek (zaakid. 2431039100) uitgevoerd. Het onderzoeksgebied ligt op de overgang van het beekdal naar de dekzandrug. Het bureauonderzoek stelt dat de dekzandrug een hoge verwachting heeft voor resten van jachtkampjes van jagersverzamelaars (Laat-Paleolithicum – Mesolithicum) en nederzettingen van landbouwers (Neolithicum – Vroege Middeleeuwen). Het beekdal heeft een verwachting voor off site-resten (visfuiken, rituele deposities, afvallagen) uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd. Het verkennend booronderzoek heeft zich beperkt tot het deel van het plangebied op de dekzandrug. In een deel van het onderzochte gebied is de bodem nog intact, hier blijft de verwachting voor landbouwers bestaan. Binnen het overige deel is de bodem dusdanig verstoord dat geen archeologische waarden meer worden verwacht. De andere onderzoeken in het onderzoeksgebied hebben betrekking op de dekzandruggen en zullen niet verder worden besproken.

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 7 van 13

Archeologische vondsten binnen het onderzoeksgebied In de omgeving van het plangebied zijn 17 vondstmeldingen gedaan (zie figuur 10 en bijlage 5). Deze vondsmeldingen beslaan de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd, dus eigenlijk de hele periode vanaf het Laat-Glaciaal. Van deze vondstmeldingen liggen er een aantal op de overgang van het dal van de Aa naar de dekzandruggen. Vier van deze vondstmeldingen zijn gedaan tussen 90 en 250 m ten noordwesten van het plangebied (zaaknummers 277469100, 2924346100, 3234405100, 3234413100) en betreffen vuursteenvondsten uit de periode Mesolithicum – Neolithicum, aardewerkvondsten uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen, metaalslak uit de periode IJzertijd – Late Middeleeuwen, botresten en houtresten en een bronzen ketelfragment uit de Romeinse tijd. De houtresten betreffen mogelijk de restanten van een boot uit de Romeinse tijd. Zo’n 200 m ten zuiden van het plangebied zijn aardewerkfragmenten uit de periode Bronstijd - Romeinse tijd en vuursteenresten uit de periode Mesolithicum – Neolithicum aangetroffen (zaakid. 3243697100, 3229498100). 3.7

Bewoningsgeschiedenis en historisch gebruik

Bewoningsgeschiedenis Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 2. In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. De bewoningsgeschiedenis wordt geschetst aan de hand archeologische resten en historische bronnen. Veghel en het plangebied ligt op de overgang van een laaggelegen beekdal naar relatief hooggelegen dekzandruggen. Door de landschappelijke ligging en de nabijheid van water is het gebied vanaf het Laat-Glaciaal aantrekkelijk geweest voor bewoning, zowel door jagers-verzamelaars (LaatPaleolithicum – Mesolithicum) als door landbouwers (Neolithicum – Nieuwe tijd). Rondom Veghel zijn bewoningssporen uit alle periodes aangetroffen. In de Vroege Middeleeuwen neemt de bewoning in Nederland af, maar uit archeologische vondsten blijkt dat de dekzandrug ten oosten van de Aa ook in de Vroege Middeleeuwen bewoond werd. Rond 700 n. Chr. heeft er in het zuidelijker gelegen Erp mogelijk een Frankisch koningshof gelegen dit is een landgoed met een hoofdhoeve met meerder bijhoeves. Deze bijhoeves vormden veelal de oorsprong van veel van de buurtschappen en oude boerderijen rondom Erp en Veghel. De oudste kern van Veghel ontstaat op de dekzandrug tussen Veghel en Havelt. De nederzetting, met een eigen kerk maakt deel uit van een landgoed met horigen.

De horigen worden komen tussen 1175 en 1250 vrij. De bevolkingsdruk neemt toe, waardoor het landbouwareaal wordt uitgebreid en de nederzetting wordt verplaatst naar de rand van de dekzande rug. De oudste vermelding van Veghel dateert uit 1225 als Vehchele. Aan het begin van de 13 eeuw wordt ook de voorganger van de huidige Sint-Lambertuskerk gesticht. In 1340 heeft Veghel een windmolen en rond 1425 wordt het kasteel Frisselstein gebouwd. Op de dekzandruggen ontstaan 9,10,11,12 plaggendekken en het dal van de Aa wordt gebruikt als hooi- en weiland. Historisch kaartmateriaal Aan de hand van historisch kaartmateriaal kan de historische ontwikkeling in het plangebied worden beschreven. De oudste kaart van Veghel is de kaart van Hendrik Verhees uit 1791 (figuur 11). Het plangebied ligt ten zuiden van de kern, in de Beemd. Een beemd is een nat, in een beekdal gelegen grasland, dat als hooi- of weiland wordt gebruikt. 99 10 11 12

Buesink (2014) De Bont (1993) Van Berkel & Samplonius (2006) http://www.oudzijtaart.nl/

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 8 van 13

Zoals de historische kaarten in figuur 12 laten zien, ligt het plangebied tot het eind van de jaren 1960 in het relatief natte grasland ten zuiden van de historische kern van Veghel. Aan de noordwestkant grenst het plangebied aan de tuinen van de bebouwing langs de Hoofdstraat. Zoals al op de kaart van Verhees is te zien, loopt hier een pad, met daarlangs een sloot. Aan het eind van de jaren 1960 wordt het gebied bouwrijp gemaakt (figuur 12d) en in de jaren 1970 worden de sporthal en het zwembad aangelegd (figuur 12e). Ook de bowlingbaan ten zuidwesten van het plangebied wordt dan aangelegd. Volgens de BAG-viewer dateert de sporthal uit 1961. Wellicht is dit de datum dat de bouwvergunning is aangevraagd. Een interessant gegeven is dat volgens de topografische kaart uit 1962 het maaiveld in het plangebied op 8,2 m NAP ligt. Dit is ruim 1,6 m lager dan tegenwoordig. Dit betekent dat het plangebied mogelijk voor de bouw van de sporthal flink is opgehoogd. Ten oosten van het plangebied staat een bouwwerk dat in de jaren 1990 wordt gesloopt. Hierna worden de appartementen rondom de sporthal gebouwd, evenals het stadhuis ten zuiden van het plangebied en de appartementen ten westen hiervan. Aan het eind van de jaren 1990 is zo de huidige situatie ontstaan (figuur 12f).

Bouwhistorische waarden In de oude kern, onder andere rond de Hoofdstraat liggen diverse Rijksmonumenten en MIPobjecten. Binnen of grenzend aan het plangebied liggen echter geen objecten met een bouwhistorische waarde. 13

Volgens de BAG-viewer dateert de sporthal uit 1961. Dit is waarschijnlijk het moment dat de bouwvergunning is aangevraagd. Pas in de jaren 1970 verschijnt het gebouw op topografische kaarten. Er is een poging ondernomen om het bouwarchief van de voormalige gemeente Veghel te raadplegen. Bij oplevering van het definitieve rapport is echter nog geen reactie gekomen vanuit het archief. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange14,15,16,17,18,19 bied aanwezig kunnen zijn, zijn diverse bronnen geraadpleegd. Uit deze bronnen blijkt dat de Duitsers in de ochtend van 11 mei de bruggen over de Aa en de Zuid-Willemsvaart probeerden te veroveren, maar op weerstand van het Nederlandse leger stuitten. Aan het eind van de ochtend werden de bruggen alsnog veroverd, nadat de Duitser bij Erp de Zuid-Willemsvaart zijn over getrokken en het Nederlandse leger zich terug trok. Ook tijdens de bevrijding van Nederland, tijdens Operation Market Garden in september 1944 is er gevochten rondom Veghel. Ook nu was het doel, dit keer van de geallieerden, het veroveren van de bruggen over de Aa en de Zuid-Willemsvaart. De bruggen werden snel veroverd door luchtlandingstroepen, waarna de Duitsers nog twee tegenaanvallen hebben uitgevoerd, die beiden werden afgeslagen.

13

14 15 16 17 18 19

bagviewer.kadaster.nl Indicatieve Kaart Militair Erfgoed Amersfoort & Kamphuis (1990) De Jong (1969 – 1994) Klep & Schoenmaker (1995) Zwanenburg (1990) Bommenkaart BeoBOM

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 9 van 13

Resten van de gevechtshandelingen in de Tweede Wereldoorlog zijn voornamelijk te verwachten in de vorm van schuttersputjes, loopgraven, versperringen, verspreide munitie en inslagkraters. In en rondom Veghel zijn de nodige bommen geruimd, onder andere ter plaatse van de parkeerplaat ten oosten van het plangebied. 3.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (Tabel III). Het plangebied ligt in het dal van de Aa, die hier tussen relatief hooggelegen dekzandruggen doore e stroomt. In het beekdal is een dik plaggendek aanwezig, dat waarschijnlijk in de 19 of 20 eeuw is opgebracht om het land te verbeteren. Voor de bouw van de sporthal is het gebied waarschijnlijk nog eens 1,6 m opgehoogd. De dekzandruggen vormen sinds het Laat-Glaciaal geschikte vestigingslocaties en er zijn in Veghel archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd aangetroffen. Het beekdal zelf is te nat geweest voor bewoning en het plangebied is tot in de jaren 1960 waarschijnlijk nooit bebouwd geweest. In het beekdal worden wel watergerelateerde off site-resten van de op de dekzandruggen gelegen nederzettingen verwacht. Hierbij moet worden gedacht aan afvallagen, rituele deposities, resten van beschoeiingen, fuiken en schepen. Door de hoge waterstanden in het beekdal zijn niet alleen anorganische resten (vuursteen, aardewerk, houtskool) bewaard gebleven, maar ook organische resten, zoals bot en hout, en metaal. De verwachting voor deze resten is middelhoog. De resten worden onder het eerddek en het subrecente ophoogpakket verwacht, in de top van het dekzand of in Holocene beekafzettingen.

Het opgebrachte pakket, inclusief eerddek, is waarschijnlijk meer dan 2 m dik. Eventuele archeologische resten in het eerddek zijn waarschijnlijk van elders aangevoerd. Tabel III.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Verwachting en complextype

Te verwachten resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum – Mesolithicum

Middelhoog; beekdalgerelaterde vondsten

Afvallagen, fuiken, rituele deposities, vaartuigen; Vuursteen, hout, bot

In de top van het dekzand of in holocene beekafzettingen, onder het eerddek/ophooglaag

Neolithicum – Bronstijd

Middelhoog; beekdalgerelaterde vondsten

Afvallagen, fuiken, rituele deposities, vaartuigen; Vuursteen, hout, bot, aardewerk

In de top van het dekzand of in holocene beekafzettingen, onder het eerddek/ophooglaag

IJzertijd – Romeinse tijd

Middelhoog; beekdalgerelaterde vondsten

Afvallagen, fuiken, rituele deposities, vaartuigen, beschoeiingen; Hout, bot; aardewerk, metaal

In de top van het dekzand of in holocene beekafzettingen, onder het eerddek/ophooglaag

Middeleeuwen – Nieuwe tijd

Middelhoog; beekdalgerelaterde vondsten

Afvallagen, fuiken, vaartuigen, beschoeiingen; Hout, bot; aardewerk, metaal

In de top van het dekzand of in holocene beekafzettingen, onder het eerddek/ophooglaag

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 10 van 13

Bodemverstoring De archeologische verwachting wordt beïnvloed door de mate van intactheid van het bodemprofiel. De intactheid van het bodemprofiel kan door zowel natuurlijke als antropogene processen zijn aangetast. e

e

Het plangebied is in de 19 en 20 eeuw waarschijnlijk meer dan 2 m opgehoogd. Eerst door het aanbrengen van een eerddek, daarna door ophoging voor de bouw van de sporthal. Op dit moment is nog niet bekend hoe de sporthal is gefundeerd of onderkelderd. Een deel van de bebouwing betreft een zwembad, dus hier zijn waarschijnlijk geen archeologische waarden meer aanwezig. Onder het overige deel van het pand zijn mogelijk nog wel archeologische waarden onder het opgebrachte pakket bewaard gebleven.

4

CONCLUSIES EN ADVIES

4.1

Conclusie

Uit het archeologisch bureauonderzoek blijkt dat binnen het plangebied beekdal-gerelateerde off siteresten zijn te verwachten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd. Deze resten worden verwacht onder een 2 m dik ophoogpakket. Buiten het zwembad zijn deze waarden mogelijk nog bewaard gebleven. Het is nog niet bekend of deze waarden door de voorgenomen bouwwerkzaamheden worden aangetast. 4.2

Advies

Het onderzoek heeft uitgewezen dat binnen een deel van het plangebied (buiten het zwembad) nog beekdal-gerelateerde off site-resten aanwezig kunnen zijn. Het is nog niet bekend of deze resten door de voorgenomen nieuwbouw worden bedreigd. In principe is er een inventariserend veldonderzoek nodig om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Op dit moment is een groot deel van de nieuwbouwlocatie echter bebouwd, wat het uitvoeren van een representatief inventariserend veldonderzoek vrij lastig maakt. Bovendien bestaan de te verwachten resten voornamelijk uit zogenaamde punt- of toevalsvondsten, die niet effectief door prospectief onderzoek kunnen worden opgespoord. Econsultancy adviseert dan ook om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden, maar wijst met nadruk op de bestaande meldingsplicht. Mochten tijdens toekomstige graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dienen deze conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 direct bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (per de 20 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed , de provincie Noord-Brabant of de gemeente Meierijstad) te worden gemeld. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Meierijstad, om op basis van dit advies een selectiebesluit te nemen.

20

infodesk: info@cultureelerfgoed.nl of 033-4217456

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 11 van 13

LITERATUUR

Amersfoort, H., en P.H. Kamphuis. Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. 's-Gravenhage, 1990. Berendsen, H.J.A. De vorming van het land. Assen, 2005. Berkel, G. van, en K. Samplonius. Nederlandse plaatsnamen, Herkomst en historie. Utrecht, 2006. Bosch, J.H.A. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. TNO-rapport NITG 05-043-A, Utrecht: NITG-TNO, 2005. Buesink, A. Gemeente Veghel. Actualisatie van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. BAAC-rapport V-13.0274, 's-Hertogenbosch: BAAC, 2014. Groot, N.C.F., en A.W.E. Wilbers. Gemeentelijke Erfgoedkaart, een verleden te midden van verdwenen. IDDS-rapport 1132, Katwijk: IDDS Archeologie, 2011. Jong, L. de. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 's-Gravenhage, 1969 1994. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J. W.C. Peek, en R.M. van den Berg van Saparoea. Landschappen van Nederland. Wageningen, 2013. Klep, C., en B. Schoenmaker. De bevrijding van Nederland 1944 - 1945- Oorlog op de flank. 'sGravenhage, 1995. Koomen, A.J.M., en G.J. Maas. Geomorfologische Kaart Nederland (GKN); Achtergronddocument bij het landsdekkende digitale bestand. Alterra-rapport 1039, Wageningen: Alterra, 2004. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong. De ondergrond van Nederland. Houten, 2003. Stouthamer, E., K.M. Cohen, en W.Z. Hoek.

De vorming van het Land. Utrecht: Perspectief Uitgevers, 2015. Vries, F. de, W.J.M. de Groot, T. Hoogland, en J Denneboom. De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie. Alterra-rapport 811, Wageningen: Alterra, 2003. Zwanenburg, G.J. En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen: Koninklijke Luchtmacht/Bureau Drukwerk en Formulierenbeheer, 1990.

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 12 van 13

BRONNEN AHN; internetsite, februari 2018. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, februari 2018. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, februari 2018. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, februari 2018 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, februari 2018. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, februari 2018. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, februari 2018. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, februari 2018. http://www.topotijdreis.nl/ SIKB; internetsite, februari 2018. http://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, februari 2018. http://geoloket.provincieantwerpen.be/HTML5_251_NL/?viewer=extern&LayerTheme=12&extent=371 183.1034793,6619826.820527,643298.9241744,6793491.748791,102100

Rapport 5361.001 versie 2

Pagina 13 van 13

Figuur 1.

Ligging van het plangebied binnen Nederland

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 2.

Het plangebied op de kadastrale kaart

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 3.

Het plangebied op een luchtfoto

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 4.

Kabels en leidingen

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 5.

Toekomstige situatie

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 6.

Archeolandschappelijke eenheden

Rapport 5361.001 versie 2

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 7.

Maaiveldhoogte

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 8.

Bodem

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 9.

Archeologische verwachting

Rapport 5361.001 versie 2

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 10. Archeologische waarden en onderzoeken in het onderzoeksgebied

Rapport 5361.001 versie 2

Figuur 11. Het plangebied op de kaart van Hendrik Verhees uit 1791

21

www.oudzijtaart.nl

Rapport 5361.001 versie 2

21

Figuur 12. Het plangebied op historische topografische kaarten

Rapport 5361.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 5361.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 2650

815

IVb Subboreaal koeler droger

2000

IVa

5000

3755 4900

5300

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

7020

8240

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 5361.001 versie 2

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 5361.001 versie 2

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 5361.001 versie 2

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.

Rapport 5361.001 versie 2

Bijlage 3

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=495c8a20-6590-4699-ae27-ffa74bdb54c7