Bijlage 1VGBP_Vlas en Graan 101 Veghel_Bijlagen toelichting
Tekst van het document
Adviesbureau Mertens
3
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
2 BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet integreert de Flora- en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998 tot één wet. Deze wet implementeert tevens de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. De nieuwe Wet natuurbescherming sluit aan bij de internationale kaders zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.3) beschermd via de Nieuwe Wet natuurbescherming. Tevens geldt voor alle soorten de algemene zorgplicht, zoals deze ook al gold onder de Flora- en faunawet. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die van de Flora- en faunawet omdat de ontheffingsgronden van de Vogel- en Habitatrichtlijn gelijk zijn gebleven. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten.
Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
4
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
3 ECOLOGIE VLEERMUIZEN
Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die zich voeden met insecten. Per nacht wordt een grote hoeveelheid voedsel gegeten. Vleermuizen zijn aangewezen op een grote diversiteit aan ecotypen, die een groot en constant voedselaanbod opleveren. Daarnaast zijn vleermuizen afhankelijk van landschapselementen. Aan de hand van landschapselementen (bomenlanen, huizenrijen, houtwallen e.d.) kunnen vleermuizen zich oriënteren door middel van het uitzenden van geluiden. Open landbouwgebieden zijn daarom bijvoorbeeld onaantrekkelijk voor vleermuizen. Vleermuizen verblijven overdag, gedurende het zomerseizoen, in kleine ruimten als spouwmuren of gaten in bomen. Afhankelijk van de soort, bewonen vleermuizen bomen of gebouwen. Alleen de grootoorvleermuis maakt gebruik van zowel bomen als gebouwen. Vooral vrouwtjes zitten veel bij elkaar, in een kolonie. Hier worden de jongen in groot gebracht. Als de schemering valt vliegen de vleermuizen uit en gaan via vaste routen, de vliegrouten, naar de foerageerplaatsen. Soms liggen foerageerplaatsen en kolonies wel meer dan 10 km uit elkaar. Op de foerageerplaatsen wordt gedurende gehele nacht gefoerageerd. Bij het aanbreken van de dag vliegen de vleermuizen via de vliegrouten weer terug naar de kolonie. Tegen de herfst breekt het paarseizoen aan. De jongen worden in het daarop volgende voorjaar geboren.
De vleermuizen leven in de herfst nagenoeg niet meer in kolonies, maar solitair. Voor de paring worden paarplaatsen gebruikt die vaak afwijken van de kolonieplaatsen. Vaak worden in de herfst ook andere soorten en aantallen vleermuizen aangetroffen. Een voorbeeld hiervan is de ruige dwergvleermuis. Daarnaast worden in de herfst vaak andere foerageerplaatsen gebruikt, de vleermuizen zijn immers niet meer gebonden aan de kolonieplaats. Kort na het paarseizoen tot enkele maanden later, als de winter aanbreekt, trekken de vleermuizen naar ruimten met een stabiel microklimaat als (ijs)kelders, grotten, bunkers of dikke bomen om daar door middel van de winterslaap de winter door te brengen. Vleermuizen gebruiken in de winter dus eveneens verblijfplaatsen, wanneer zij hun winterslaap houden. Slechts zeer sporadisch komen de winterverblijfplaatsen overeen met de zomerverblijfplaatsen. Doordat vleermuizen voor hun oriëntatie gebruik maken van echolocatie zijn vleermuizen gevoelig voor ingrepen in het landschap. Oriëntatie vindt plaats aan de hand van opgaande elementen als bijvoorbeeld bomenlanen en houtwallen. Verlies daarvan resulteert in verminderde oriëntatiemogelijkheden. Oriëntatie is noodzakelijk om van kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en om voedsel te vinden.
Bij de afweging van de effecten van ruimtelijke ingrepen in natuur en landschap spelen derhalve opgaande elementen een belangrijke rol. Vleermuizen worden meer en meer betrokken bij de besluitvorming rond ingrepen in het landelijk en stedelijk gebied. Dit is ook verplicht: alle soorten zijn nationaal en internationaal wettelijk beschermd via de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn.
Adviesbureau Mertens
5
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
4 METHODE
4.1 Omvang onderzoek De inventarisatie heeft plaatsgevonden in 2018. Ten behoeve van de inventarisatie hebben 5 veldbezoeken plaatsgevonden op 19 mei, 12 juni, 9 juli, 16 augustus en 12 september 2018 met een totale onderzoeksomvang van ongeveer 10 uur. In onderstaande paragrafen wordt per soortgroep de inventarisatiemethode weergegeven. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de methode per soortgroep, de inventarisatieduur en de bezoekdata. In bijlage 2 worden de omstandigheden weergegeven. Tabel 1. Overzicht inventarisatieronden naar de aanwezigheid van vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Datum Voorjaar - 19 mei 2018 - 12 juni 2018 - 9 juli 2018 Voorherfst - 16 augustus 2018 - 12 september 2018
Vleermuizen Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Balts-, paar- en foerageerplaatsen Balts-, paar- en foerageerplaatsen
4.2 Veldonderzoek Vleermuizen zijn geïnventariseerd door middel van batdetector-onderzoek (Petterson D-240). Met de batdetector worden de, voor mensen onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen omgezet naar de voor het menselijk oor hoorbare geluiden. Soorten kunnen door de geluiden (frequentie, ritme en klank) en zichtbeelden worden onderscheiden. Door interpretatie hiervan kan tevens het gedrag afgeleid worden en kunnen onder andere foerageerplaatsen, vliegroutes en verblijfplaatsen worden opgespoord. Op 19 mei, 12 juni en 9 juli 2018 werd geïnventariseerd naar de aanwezigheid van kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen. De onderzoeksronden op 16 augustus en 12 september 2018 waren gericht op de inventarisatie van balts-, paar- en foerageerplaatsen. De methode voor het inventariseren van vleermuizen voldoet aan het Inventarisatie Protocol van het Netwerk Groene Bureaus (Netwerk Groene Bureaus, 2017) en de kennisdocumenten van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (Bij 12, 2017a,b,c). De onderzoeken vonden ’s avonds plaats bij geschikte omstandigheden. Omdat het onderzoek is uitgevoerd bij geschikte omstandigheden in een geschikte periode is het onderzoek in de voorherfst goed uitgevoerd en geeft een goed beeld.
Adviesbureau Mertens
6
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
5 RESULTATEN 5.1 Voorjaar/ voorzomer In de voorzomer is één soort vleermuis waargenomen (gewone dwergvleermuis). Gewone dwergvleermuis is in lage dichtheid foeragerend aangetroffen ter plaatse van en rond het onderzoeksgebied aan de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Er zijn geen kolonies of vliegroutes aangetroffen. In figuur 2 zijn de waarnemingen weergegeven.
N▲
Legenda Foerageerplaats = Gewone dwergvleermuis Figuur 2. Waarnemingen van vleermuizen in het voorjaar / de voorzomer in en direct rond het onderzoeksgebied aan de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel.
5.2 Voorherfst In de voorherfst is één soort vleermuis waargenomen (gewone dwergvleermuis). Deze soort is (in lage dichtheid) foeragerend aangetroffen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Er zijn geen balts- of paarplaatsen vastgesteld. In figuur 3 zijn de waarnemingen weergegeven.
Adviesbureau Mertens
7
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
N▲
Legenda Foerageerplaats = Gewone dwergvleermuis Figuur 3. Waarnemingen van vleermuizen in de voorherfst in en direct rond het onderzoeksgebied aan de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Gelet op de aantallen en dichtheid van de foeragerende vleermuizen dient het plangebied van de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel niet gezien te worden als belangrijk (primair) foerageergebied.
Adviesbureau Mertens
8
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
6 CONCLUSIES
Er is het voornemen voor de sloop van bebouwing aan het Stadhuisplein te Veghel om een supermarkt te kunnen realiseren. Op grond hiervan is een gericht veldonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde vleermuizen. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen vliegroutes of verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan het Stadhuisplein te Veghel zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
Adviesbureau Mertens
9
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
GERAADPLEEGDE LITERATUUR Adviesbureau Mertens, 2017. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Wageningen, 1-11. Bij 12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument Laatvlieger, Utrecht. Diepenbeek, A., van, 1999. Veldgids diersporen. Drukkerij Thieme, Nijmegen. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie Economische zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 2016, 1-34. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Vleermuisinventarisatie-protocol; Introductie, toelichting en tabel. Odijk.
Adviesbureau Mertens
10
Wageningen
BIJLAGEN
1 BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en
temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
2 ONDERZOEK SOMSTANDIGHEDEN
Duur (uur) Temperatuur (OC)
Neerslag (mm)
Wind (bft)
Datum (2017)
Tijd (uur)
- 19 mei 2018 - 12 juni 2018 - 9 juli 2018 - 16 augustus 2018
20.00-22.00 03.00-05.00 20.30-23.30 21.30-23.30
4 4 4 2
12 14 21 20
Geen Geen Geen Geen
2 2 2 2
- 12 september 2018 22.00-24.00 * Overdag korte tijd (mot)regen
2
12
Geen*
2
86/399
Bijlage 4
87/399
Verkennend bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek Stadhuisplein te Veghel
Verkennend bodemonderzoek Stadhuisplein te Veghel Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum
: AM20106 : Definitief (versie 3) : 30-06-2021 (vervangt versie 2, 10 december 2020)
Opdrachtgever
: BRO Bosschedijk 107 5282 WV Boxtel
Opgesteld door Paraaf
: ing. T.K.P.G. Thijssen :
Gecontroleerd door Paraaf
: ing. J.M.G. Reuver :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
2001 + 2002 + 2018
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN 5740 en NEN 5707 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2
AM20106
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................4 2.
VOORONDERZOEK .............................................................................................................................................................................................5 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5
2.2
Topografische beschrijving ........................................................................................................................................................................5
2.3
Historisch overzicht en omgeving .........................................................................................................................................................6
2.4
Dossieronderzoek ..........................................................................................................................................................................................7
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie .......................................................................................................................................................9
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie .................................................................................................................................................9
2.7
Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer gemeente Meierijstad .................................................................................... 10
2.8
Onderzoekshypothese .............................................................................................................................................................................. 10
3.
ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................................................................................................................. 11 3.1
Inleiding ......................................................................................................................................................................................................... 11
3.2
Onderzoeksstrategie NEN 5740 ............................................................................................................................................................ 11
3.3
Onderzoeksstrategie NEN 5707 ............................................................................................................................................................ 12
4.
VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................................................................... 13 4.1
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 13
4.2
Grondbemonstering ................................................................................................................................................................................... 13
4.3
Grondwatermonstername ........................................................................................................................................................................ 14
5.
LABORATORIUMONDERZOEK..................................................................................................................................................................... 16 5.1
Algemeen ...................................................................................................................................................................................................... 16
5.2
Grondmengmonsters asbest (fijne fractie) ........................................................................................................................................ 16
5.3
Grond(meng)monsters NEN 5740 pakket .......................................................................................................................................... 17
5.4
Grondwatermonsters ................................................................................................................................................................................. 18
5.5
Bepaling veiligheidsklasse CROW400 ................................................................................................................................................ 19
5.6
Toetsing van de gestelde hypothese .................................................................................................................................................. 19
6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................................................................................................................... 20
Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening met boorpunten en asbestinspectiegaten Boorprofielen en foto’s asbestinspectiegaten Verklaring veldmedewerker Analyserapport grondmengmonsters asbest (fijne fractie) Toetsingstabellen en analyserapport grond(meng)monster(s) Toetsingstabellen en analyserapport grondwatermonster(s) Omgevingsrapportage Omgevingsdienst Brabant Noord
Pagina | 3
AM20106
1. INLEIDING In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Stadhuisplein te Veghel
Gemeente
: Meierijstad
Kadastrale registratie
: Veghel sectie G nummers 2871 (ged.), 2885 en 3473 (ged.)
Oppervlakte
: circa 9.000 m2
Huidig gebruik van de locatie
: sporthal, zwembad en openbaar gebied
Toekomstig gebruik
: nieuwbouw van een zwembad en stedelijke functie
Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740 en NEN 5707. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel.
Aanleiding Dit bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van het gebied. Ter plaatse is de nieuwbouw van een zwembad en stedelijke functie voorzien. Het omliggende terrein wordt ingericht als parkeervoorziening.
Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven.
Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond-
en
grondwateronderzoek)
beschreven.
Hoofdstuk
5
beschrijft
de
laboratoriumwerkzaamheden
en
de
onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in oktober-november 2020. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de protocollen van de BRL SIKB 2000. De chemische analyses zijn uitgevoerd door Synlab BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000).
Pagina | 4
AM20106
2. VOORONDERZOEK 2.1
Inleiding
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit:
de opdrachtgever;
het kadaster;
topotijdreis.nl;
het dinoloket;
gemeente Meierijstad;
omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN);
provincie Noord Brabant;
terreininspectie.
In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken.
2.2
Topografische beschrijving
De onderzoekslocatie ligt in het centrum van Veghel. Kadastraal is de locatie bekend als Veghel sectie G nummers 2871 (ged.), 2885 en 3473 (ged.). De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 165.900/ Y = 402.910. Zie bijlage 1 voor een kadastrale kaart. Op onderstaande topografische en luchtfoto is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie weergegeven.
Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (bron luchtfoto: pdokviewer) Pagina | 5
AM20106
2.3
Historisch overzicht en omgeving
In het kader van het vooronderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. De ontwikkeling van de planlocatie en directe omgeving is weergegeven op onderstaande topografische kaarten. Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat de onderzoekslocatie tot het eind van de jaren 1960 in gebruik was als grasland ten zuiden van de historische kern van Veghel. Aan de noordwestkant grenst het plangebied aan de tuinen van de bebouwing langs de Hoofdstraat. Aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw wordt het gebied bouwrijp gemaakt. Waarna vervolgens in de jaren zeventig de sporthal en het zwembad worden gebouwd. Ook de bowlingbaan ten zuidwesten van het plangebied wordt dan gebouwd. Volgens de topografische kaart uit 1960 bedraagt de maaiveldhoogte ter plaatse van het 8,2 meter+ NAP ligt. Dit is ruim 1,6 m lager dan tegenwoordig. Dit betekent dat het plangebied mogelijk voor de bouw van de sporthal is opgehoogd. Ten oosten van het plangebied staat een bouwwerk dat in de jaren negentig wordt gesloopt. Hierna worden appartementen rondom de sporthal gebouwd, evenals het stadhuis ten zuiden van het plangebied en de appartementen ten westen hiervan. Aan het eind van de jaren negentig is huidige situatie ontstaan.
Eind 2018 is theater De Blauwe Kei en het bowlingcentrum zuidwestelijk op het perceel gesloopt en is het terrein groen ingericht met een vijver.
jaartal 1930
jaartal 1960
jaartal 1980 jaartal 1990 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (bron kaarten: topotijdreis.nl)
jaartal 1970
jaartal 2005
Pagina | 6
AM20106
2.4
Dossieronderzoek
Voor het verkrijgen van historische informatie van de onderzoekslocatie is een informatieverzoek ingediend bij de gemeente Meierijstad. Gevraagd is naar uitgevoerde bodemonderzoeken en/of bodemsaneringen, verleende hinderwet- of milieuvergunningen, bouw- en/of sloopvergunningen, de aanwezigheid van onder- en/of bovengrondse brandstoftanks en gegevens over calamiteiten. Door een medewerker van de gemeente Meierijstad zijn digitaal bouwdossiers van de onderzoekslocatie beschikbaar gesteld. In tabel 2.1 zijn de (relevante) bouwvergunningen beschreven. Datum
Vergunning
Opmerkingen
Sporthal en zwembad 22-02-1972
Oprichten sporthal aan Vogelbeemdlaan
Aanvrager: Gemeentebestuur gemeente Veghel In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt melding gemaakt
van
de
toepassing
van
Eternit
(asbest)
ventilatiekanalen. 09-10-1973
Oprichten overdekt zwembad aan Vogelbeemdlaan
Aanvrager: Gemeentebestuur gemeente Veghel In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt geen melding
gemaakt
van
toegepaste
asbesthoudende
materialen. 05-01-1982
Bouwen van een CO2 ruimte De Bimd 1
Aanvrager: Gemeentebestuur gemeente Veghel In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt geen melding
gemaakt
van
toegepaste
asbesthoudende
materialen. 04-01-1992
Uitbreiding van de sporthal Vlas en Graan 101 t/m 105
Aanvrager: Veghel Recreatie BV In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt geen melding
gemaakt
van
toegepaste
asbesthoudende
materialen. 19-09-1990
Vergroten en veranderen zwembad en sporthal De
Aanvrager: Veghel Recreatie BV
Bimd 3-6
In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt geen melding
gemaakt
van
toegepaste
asbesthoudende
materialen. 22-06-1994
Veranderen van sportcomplex Vlas en Graan 101
Aanvrager: Veghel Recreatie BV In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt geen melding
gemaakt
van
toegepaste
asbesthoudende
materialen. 03-03-2004
Uitbreiding fitnessruimte Vlas en Graan 101
Aanvrager: Veghel Recreatie BV In de beschikbaar gestelde vergunningstukken wordt geen melding
gemaakt
van
toegepaste
asbesthoudende
materialen. Tabel 2.1.: Overzicht beschikbaar gestelde bouwvergunningen
In 2018 hebben in het zuidelijk deel van het plangebied sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Ter plaatse was theater de Blauwe Kei gevestigd (Stadhuisplein 7-9). Sindsdien ligt het terrein braak. Pagina | 7
AM20106
Door een medewerker van de Omgevingsdienst Brabant Noord is digitaal een milieuvergunningdossier beschikbaar gesteld voor het adres Graan en Vlas 101. In tabel 2.2 is de milieuvergunning beschreven. Adres
Datum
Vergunning
Opmerkingen
Vlas en Graan 101
14-02-1992
Hinderwetvergunning voor het uitbreiden van
Binnen de inrichting vindt opslag plaats van
het bestaande multifunctioneel sportcentrum
chloor (1.500 ltr.) en zwavelzuur (1.100 ltr.) in
en horeca
een vloeistofdichte ruimte. De inrichting is
De Beemd
gasgestookt. Tabel 2.2: Overzicht beschikbaar gestelde milieuvergunningen
Via de website van de omgevingsdienst Brabant Noord is bodeminformatie gedownload van de locatie en directe omgeving. De bodemrapportage is opgenomen in bijlage 9. Uit de rapportage blijkt dat ter plaatse en in de directe omgeving in het verleden reeds enkele bodemonderzoeken uitgevoerd zijn. Een samenvatting van de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken is weergegeven in tabel 2.3. Locatie en onderzoek
Samenvatting resultaten
Vlas en Graan
Het bodemonderzoek is uitgevoerd in opdracht van de heer Van den Heuvel. Aanleiding voor het
Bodemonderzoek, Bijlevelds,
uitvoeren van het onderzoek was de voorgenomen nieuwbouw van appartementen. Tijdens de
kenmerk 0201033 d.d. 23-04-
veldwerkzaamheden werden zintuiglijk in de boven- en ondergrond plaatselijk bijmengingen met puin
2001
aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek dat de bovengrond licht verhoogd is met zware metalen, PAK en minerale olie. In de ondergrond werden licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK aangetoond. Het grondwater bleek licht verhoogd met chroom en koper.
Vlas en Graan
Het bodemonderzoek is uitgevoerd in opdracht van Van Lee Projectontwikkeling BV. Aanleiding voor
verkennend bodemonderzoek,
het uitvoeren van het onderzoek was de voorgenomen aanleg van een parkeerplaats. Tijdens de
Inpijn-Blokpoel, kenmerk MB-
veldwerkzaamheden werden zintuiglijk in de boven- en ondergrond plaatselijk bijmengingen met puin
1820 d.d. 29-05-1997
aangetroffen. Uit de analyseresultaten bleek dat de boven- en ondergrond licht verhoogd is PAK.
Stadhuisplein 7
Het bodemonderzoek is uitgevoerd in opdracht van Van Rossum Ingenieursgroep. Aanleiding voor het
verkennend bodemonderzoek
uitvoeren van het onderzoek was de voorgenomen aanvraag van een bouwvergunning. Tijdens de
Tjaden BV, kenmerk
veldwerkzaamheden
M97.091/SG d.d. 29-04-1997
analyseresutaten bleek dat in de bovengrond en ondergrond geen verhoogde gehalten werden
zintuiglijk
geen
bijzonderheden/afwijkingen
waargenomen.
Uit
de
aangetoond. Het grondwater bleek licht verhoogd met zink. Bergbezinkbassin Vlas en Graan
Het bodemonderzoek is uitgevoerd in opdracht van gemeente Veghel. Aanleiding voor het uitvoeren
verkennend bodemonderzoek,
van het onderzoek was de voorgenomen bouw van een bergbezinkbassin. Tijdens de
Grontmij, kenmerk 36339-20
veldwerkzaamheden werden tot een diepte van 1 m-mv zintuiglijk puinbijmengingen waargenomen.
d.d. 03-11-1994
Uit de analyseresultaten bleek dat de bovengrond licht verhoogd is met zware metalen en PAK. In de ondergrond werden geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater bleek licht verhoogd met EOX.
Bergbezinkbassin Vlas en Graan
Het bodemonderzoek is uitgevoerd in opdracht van gemeente Veghel. Aanleiding voor het uitvoeren
verkennend bodemonderzoek
van het onderzoek was de voorgenomen bouw van een bergbezinkbassin. Tijdens de
Grontmij, kenmerk 36339-20
veldwerkzaamheden werden tot een diepte van 1 m-mv zintuiglijk puinbijmengingen waargenomen.
d.d. mei 1994
Uit de analyseresultaten bleek dat de bovengrond sterk verhoogd is met koper en cadmium, matig verhoogd is met lood en zink en licht verhoogd is met kwik. In de ondergrond werden geen verhoogde gehalten aangetoond.
Tabel 2.3: Overzicht uitgevoerde bodemonderzoeken
Pagina | 8
AM20106
Op de locatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Op de locatie zijn niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden. Er is geen informatie bekend dat op de locatie of directe omgeving (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die een potentiële bron zijn voor PFAS en/of GenX. Uit informatie van de provincie Noord Brabant (stortplaatsenkaart) blijkt dat binnen of direct nabij het onderzoeksgebied geen (voormalige) stortplaatsen bekend zijn.
2.5
Bodemopbouw en geo(hydro)logie
De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.4. Diepte [m-mv]
Hydrogeologische eenheid
Lithologie
0 – 16,8
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
16,8 - 39
Formatie van Beegden
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
Tabel 2.4: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket identificatienummer B45G0157)
Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 10 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal oostelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 7,9 meter +NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
2.6
Beschrijving van de onderzoekslocatie
Op 6 oktober 2020 is een veldinspectie uitgevoerd. Hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. De onderzoekslocatie is bebouwd met een sporthal en een zwembad (ca. 4200 m2 groot). Het gebied rondom de bebouwing is in gebruik als parkeerplaats, openbare weg en groen. Ten westen van het plangebied ligt een appartementen complex met daarachter de Aa. In het noorden grenst het plangebied aan de openbare weg Vlas en Graan en in het zuiden aan het Stadhuisplein. Het oostelijke gedeelte van het plan gebied wordt omringd door appartementencomplexen en enkele winkelgelegenheden. Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of
bronnen van
verontreinigingen. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. Pagina | 9
AM20106
2.7
Bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer gemeente Meierijstad
Uit de bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Brabant Noord blijkt dat de onderzoekslocatie voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) is ingedeeld in de bodemkwaliteitszone ‘uitbreidingsgebieden bebouwde kom en buitengebied’ en voor de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) in de bodemkwaliteitszone ‘overig gebied’. Voor de bovengrond en ondergrond geldt de ontgravingsklasse ‘landbouw/natuur’. Op de bodemfunctieklassenkaart heeft de locatie de functieklasse ‘Wonen’.
2.8
Onderzoekshypothese
Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Op basis van de voorgaande onderzoeksresultaten in de directe omgeving dient wel rekening gehouden te worden met het aantreffen van licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de grond en licht verhoogde gehalten met zware metalen in het grondwater. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet worden uitgesloten (verdacht).
Pagina | 10
AM20106
3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1
Inleiding
Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (BodemLandbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) en NEN 5707 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.
3.2
Onderzoeksstrategie NEN 5740
Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de strategie ‘ONV’ uit de NEN 5740. In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'ONV' Aantal boringen
Aantal te onderzoeken (meng)monsters
oppervlakte (m²)
tot 0,5 m
èn tot 2 m
èn met peilbuis
bovengrond
ondergrond
grondwater
9.000
13
4
2
3
2
2
NEN-grond incl. lutos
NEN-grond incl. lutos
NEN-grondwater
Analysepakket
Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 ‘ONV’ Uit elke boring worden monsters genomen in trajecten van ten hoogste 0,5 m.
Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: drogestof-bepaling 9 zware metalen 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen 7 polychloorbifenylen (PCB) minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: 9 zware metalen 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen minerale olie
Pagina | 11
AM20106
3.3
Onderzoeksstrategie NEN 5707
Voor het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest in bodem is uitgegaan van de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. De veldwerkzaamheden bestaan uit het uitvoeren van een maaiveldinspectie en het graven van inspectiegaten. In principe worden de asbestgaten willekeurig verspreid over het asbestverdachte gedeelte van de onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van een eventuele verontreiniging met asbest in de bodem zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. Indien noodzakelijk blijkt bij de uitvoering, worden aanvullende (meng)monsters genomen. oppervlakte (m²)
9.000
Minimaal aantal te
Gaten in de verdachte laag
Gaten tot onderzijde
Aantal te analyseren
inspecteren punten van
tot maximaal 0,5 m in de
verdachte laag met een
(meng)monsters
het maaiveld
verdachte laag
maximum van 2 m
14
14
3
3
Tabel 3.2: Onderzoeksopzet verkennend onderzoek asbest
Pagina | 12
AM20106
4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1
Algemeen
Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001, 2002 en 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.
4.2
Grondbemonstering
Op 6 oktober 2020 zijn de boringen geplaatst en asbestinspectiegaten gegraven conform protocol 2001 en 2018. Een deel van de asbestinspectiegaten en boringen zijn gecombineerd. Zie bijlage 3 voor de situering van de geplaatste asbestinspectiegaten en boringen. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door de heer H. van den Tillaar en de heer L. Koomen, beiden zijn erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is het maaiveld geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Tijdens de inspectie was het bewolkt met lichte neerslag. De onderzoekslocatie is grotendeels bebouwd en verhard. De inspectie efficiëntie van het terrein is ingeschat op 30-40%. Tijdens de inspectie zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Verdeeld over de (deel)locatie zijn in totaal 14 asbestinspectiegaten gegraven van minimaal 30 x 30 cm tot 0,5 m-mv. (inspectiegaten 1 t/m 14). In asbestinspectiegat 1, 7 en 10 is met behulp van de Edelmanboor (ø 12 cm) een boring verricht tot 2,0 m-mv. Het uitkomende materiaal is voorbehandeld (gezeefd) en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdachte materialen. In het uitgegraven materiaal van alle asbestinspectiegaten zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen.
Op basis van de visuele waarnemingen zijn in het veld 4 mengmonsters samengesteld. De boringen voor het verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) zijn verricht met behulp van de Edelmanboor (ø 7 of 10 cm). Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater zijn twee boringen afgewerkt met een peilbuis. Deze is boven- en benedenstrooms op de onderzoekslocatie geplaatst, ter plaatse van boorpunten 4 en 14. De bovenkant van elk peilbuisfilter is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Tijdens de installatie van de peilbuizen is geen werkwater gebruikt.
Pagina | 13
AM20106
Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging.
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen. Zie bijlage 4 voor de boorprofielen en foto’s van de asbestinspectiegaten. In tabel 4.1 zijn de boringen beschreven waarin zintuiglijk afwijkingen zijn geconstateerd. Boring
Traject (m -mv) 0,15 – 0,5
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
1
Diepte boring (m -mv) 2,0
zand
sporen baksteen- en puinresten
2
1,0
0,08 – 0,5
zand
sporen baksteen- en puinresten
3
0,9
0,08 – 0,9
zand
sporen puinresten
4
4,6
0,8 – 1,0
zand
sporen baksteenresten
1,0 – 1,8
zand
zwak baksteenhoudend
5
0,9
0,08 – 0,42
zand
sporen baksteen- en puinresten
6
1,0
0,08 – 0,35
zand
sporen baksteen- en asfaltresten
0,35 – 0,5
zand
sporen asfaltresten
0 – 0,7
zand
sporen baksteenresten
7
2,0
Tabel 4.1: Overzicht zintuiglijke afwijkingen
4.3
Grondwatermonstername
De peilbuizen zijn op 16 oktober 2020 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer H. van den Tillaar. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrischegeleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in tabel 4.2 samengevat. Peilbuis 4
Filterdiepte (m-mv.) 3,6 – 4,6
Grondwaterstand (m-mv.) 2,1
pH (-)
Ec (µS/cm)
6,3
1122
Troebelheid (NTU) 178
14
2,7 – 3,7
2,3
6,2
477
27,1
Tabel 4.2: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername
De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden. Pagina | 14
AM20106
In het grondwater uit beide peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid (>10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de gehalten aan organische parameters in het grondwater. Bij het voorliggende onderzoek is de index van geen enkele organische parameter groter dan 0,5. De eventuele overschatting van de gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd. De overige waarden geven geen aanleiding tot opmerkingen.
Pagina | 15
AM20106