CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1a P06456_BP Korstenhof Zuid Boerdonk, Meierijstad_20240906

Raadsvergadering 7 november 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Korstenhof Zuid Boerdonk'32.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

28

Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Voor voorliggend planvoornemen is de lagenbenadering toegepast. Hierbij is allereerst gekeken naar de sturende lagen vanuit bodem en water. Het plangebied bestaat uit dekzandvlakten en –ruggen. Dekzandruggen hebben een langgerekte vorm met een zuidwest-noordoost oriëntatie. Dekzandruggen waren vroeger als eerste bewoonbaar door de relatief hoge ligging, waardoor men droge voeten kon houden. Het plangebied behoort tot de oude ontginningen. Bepalend voor dit type landschap was de intrede van de landbouw en de veeteelt. De hooggelegen gronden waren het meest geschikt voor de agrarische bedrijfsvoering. Om op de akkers permanent gewassen te kunnen telen werd het potstalsysteem toegepast, waarbij mest met heideplaggen en graskluiten werden verspreid over het land. Op deze manier ontstond er een dikke vruchtbare grond (enkeerdgronden). Deze karakteristieke akkers worden ook wel essen genoemd. Het landschap van de oude ontginningen is halfopen en kleinschalig. De wegen liggen onregelmatig en organisch in het landschap. De verkavelingsstructuur sluit hierop aan en is eveneens onregelmatig.

De grote diversiteit aan landschapselementen, zoals lanen, houtwallen, bomenrijen, solitaire bomen, hakhoutbosjes en droge en natte boscomplexen typeren het landschap. Door de aanwezigheid van deze elementen zijn de aanwezige ruimtes gevarieerd. Het contrast tussen meer besloten delen en de open ruimten maken dit landschap waardevol. Grote begrenzingen en structuren in dit landschap ontbreken. De overgangen in dit gebied zijn dan ook subtiel van aard. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op ca. 80-100 cm onder maaiveld. Bij GLG geldt een maximale diepte van 180-200 cm onder maaiveld. Dit is gunstig, aangezien de grond hier door een zandige ondergrond relatief droog is en een goede infiltratie bevat. Er kan gesteld worden dat op basis van de wateren bodem sturende lagen geen negatieve invloeden worden verwacht. De impact van de planontwikkeling voor de ondergrond/basislaag zijn duidelijk. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect bodem, in paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect water, in paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie. De infrastructuur van het plangebied wordt aangesloten op de reeds bestaande structuren. Het plangebied zal worden ontsloten via een wijkontsluitingsweg op de Pastoor van Schijndelstraat. Vanuit die straat kan het verkeer richting het westen ontsluiten op de Boerdonksedijk, dit is een 60 km/u weg.

Afgezien van de ontsluiting van de woningen brengt het bouwplan geen nieuwe grootschalige infrastructuur met zich mee. De gevolgen van de netwerklaag zijn hiermee beperkt. De derde laag is de occupatielaag. Het plangebied heeft nu een agrarische en sport bestemming en is in gebruik als grasland en trainingsveld. In de nieuwe situatie zal het gebruik bestaan uit wonen. Ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied bestaat de functie nu al uit wonen. Het agrarische en sport gebruik zal in de nieuwe situatie komen te vervallen. Bij de onderhavige planontwikkeling aan de rand van Steensel heeft een afweging plaatsgevonden naar behoefte, locatie in relatie met de omgeving. De locatie is in het beleid van de gemeente Meierijstad aangemerkt als ontwikkellocatie.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

29

Laarpodzolgronden Dekzandvlakte

Dekzandrug

Enkeerdgronden

Geomorfolgische kaart, bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant

Bodemkaart, bron: Atlas van de leefomgeving

60 – 80 cm

+13 NAP 80-100 cm

Hoogtekaart, bron: AHN

Grondwater GHG, bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant

Agrarisch gras

CHW, bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant

Landgebruik bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant

Figuur 3.3 Kaarten lagenbenadering

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

30

Zoals hierboven reeds aangegeven is de locatie in het beleid van de gemeente Meierijstad aangewezen als ontwikkellocatie. Bij de onderhavige planontwikkeling aan de rand van Boerdonk heeft een afweging plaatsgevonden naar behoefte, locatie in relatie met de omgeving. Het plan draagt bij aan de leefbaarheid van Boerdonk. Door te zorgen voor nieuwe woningen wordt het mogelijk gemaakt om te blijven wonen in de eigen kern. Daarnaast wordt een woonmilieu gerealiseerd dat door prijszetting, landelijk dorps en groen karakter ook een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale en regionale bevolking. Uit de toepassing van de lagenbenadering blijkt dat er voldoende aanknopingspunten zijn waarmee het planvoornemen op een goede manier kan worden ontwikkeld. Met het planvoornemen worden er geen grootschalige (historische) structuren verwijdert en zijn er geen onomkeerbare effecten te verwachten op de lagen. Er kan ruimtelijk juist een meerwaarde worden behaald. Met oog op een toekomstbestendige invulling is de herontwikkeling van de locatie noodzakelijk. Eigentijdse woningbouw met een goede aansluiting op en verbetering van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige context is hiervoor een logische en duurzame invulling.

De ontwikkeling past qua schaal, omvang en functie binnen het plangebied. De planmatige aanpak zorgt voor een concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. Dit heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in artikel 3.7 van de Interim omgevingsverordening. Op basis van bovenstaande en mede gezien de gemeente het plangebied heeft aangewezen als uitbreidingslocatie kan geconcludeerd worden dat vanuit de lagenbenadering de beoogde woningbouw een passende nieuwe en toekomstbestendige functie is voor de locatie. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Lid 1 a) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie bestaat uit een goede benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat én de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Binnen de kaders van het bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd doordat gebruik wordt gemaakt van een agrarische perceel waar door middel van zorgvuldig ruimtegebruik een woonmilieu wordt gecreëerd voor toekomstige generaties van Boerdonk. De voorliggende ontwikkeling voorziet in een versterking van de leefbaarheid in de kern Boerdonk. Deze ontwikkeling zal worden gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. Het zorgvuldige ruimtegebruik, de landschappelijke inpassing en de versterking van de leefbaarheid zorgen voor een combinatie van opgave en ontwikkelingen, waarmee het plan past binnen de kaders van artikel 3.8 uit de Interim Omgevingsverordening.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

31

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a) dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b) de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a) de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b) het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c) het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d) het wegnemen van verharding; e) het slopen van bebouwing; f)

de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;

g) het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Ter uitwerking van het vereiste tot kwaliteitsverbetering van het landschap ex artikel 3.9 IOV zijn in regionaal verband afspraken gemaakt. Ten aanzien van planmatige stedelijke ontwikkelingen in het zoekgebied voor verstedelijking is vastgelegd dat de kwaliteitsverbetering, een vaste afdracht per m², 1% van de uitgifteprijs betreft. Voor de beoogde woningbouwontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie figuur 3.4). In tabel 3.3 is de berekening weergegeven van de kwaliteitsverbetering die door middel van het landschappelijke inpassing wordt bereikt. De landschappelijke inpassing is uitgewerkt en opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de planregels.

Onderdeel van de landschappelijke inpassing is de aanplant van solitaire bomen wat bijdraagt aan de versterking van de parkachtige setting. Tevens worden er en houtsingels en hagen aangeplant. Een groot deel van het terrein voorzien van kruiden- en faunarijk grasland De landschappelijke inpassing is afgestemd met de provincie Noord-Brabant en in lijn met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

32

Figuur 3.4 Landschappelijke inpassing (bron: gemeente Meierijstad)

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

33

Korstenhof Zuid Landschappelijke Inpassing Aanleg Soort

Aantal

Bomen Houtsingel Kruidenrijk grasland Ontgraven en verwerken grond tbv waterbergingsvoorziening

39 6888 0,1694 200,25

Per stuk € 90,22 € 2,30 € 1.533,07 € 6,66

Kosten € 3.518,58 € 15.842,40 € 259,70 € 1.333,67 € 20.954,35

Totaal:

Beheer Soort

Aantal

Per stuk

Aantal jaren Kosten

39 € 84,63 0,0861 € 638,03 0,0861 € 31.012,42 0,1694 € 1.318,86 0,0267 € 1.586,15

Bomen Houtsingel (houthaksingel) jaarlijks beheer Houtsingel (houthaksingel) cyclisch beheer Kruidenrijk grasland (botanische weiderand G1) Beheer wadi (L15a)

6 6 6

€ 3.300,57 € 329,61 € 2.670,17 € 1.340,49 € 254,10 € 7.894,94

Totaal:

€ 28.849,28

Totaal

Tabel 3.3 Berekening kwaliteitsverbetering landschappelijke inpassing (bron: gemeente Meierijstad)

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030

In de structuurvisie heeft de voormalige gemeente Veghel de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen weergegeven. Het betreft een globale visie, die kaders stelt aan gewenste ontwikkelingen in zowel het stedelijk als landelijk gebied. Deze structuurvisie is op 19 december 2013 vastgesteld door de voormalige gemeente Veghel. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. Boerdonk In zijn algemeenheid is de ontwikkelingsagenda voor Boerdonk gericht op het bevorderen van een zo gevarieerd mogelijke bevolkingsopbouw. Belangrijk daarvoor is het toevoegen van een mix van woningtypen met een zwaar accent op levensloopbestendige woningen. De toevoeging van maximaal 4 woningen per jaar wordt daarbij voldoende geacht. Ruimtelijke ontwikkelingen in Boerdonk moeten bijdragen aan het versterken van de hoofdstructuur en de dorpse sfeer van de kern. Beperkte inbreiding langs de beide historische bebouwingslinten heeft daarbij prioriteit. Dorpsuitleg zal voort moeten bouwen op het ingezette stramien van de dwarswegen tussen de historische bebouwingslinten. In eerste instantie door aan te breiden aan de Geluckweg en zo nodig op de langere termijn door een nieuwe dwarsweg aan te leggen.

Voor de dorpse sfeer van Boerdonk is het erg belangrijk dat tussen de woningen voldoende ruimte behouden blijft, om zicht te houden op het omringende landschap. Nokrichtingen evenwijdig aan de straten zijn kenmerkend voor Boerdonk, net zoals het gebruik van donkere bouwmaterialen, rechte beklinkerde straatwegen, laanbeplantingen en parkeren op eigen erf. De structuurvisie geeft voor de periode tot 2030 prioriteit aan de ontwikkeling van de volgende locaties: 

inbreiding in het dorpscentrum tussen Kapelstraat en Tolentijnstraat;

aanbreiding aan de Geluckweg met een eerste rand dorpsuitleg aan een nieuwe dwarsweg.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

34

Doorwerking plangebied In de Visiekaart 2030 is het plangebied aangeduid als ‘Woningbouwlocaties kerkdorpen (voldoende speelruimte tot 2030)’; ‘Reservelocaties kerkdorpen (eventueel aanvullend tot 2030)’ en ‘Sportvoorzieningen’ (zie figuur 3.5).

Figuur 3.5: uitsnede Visiekaart 2030

De twee ontwikkellocaties die in de Structuurvisie zijn aangewezen, Kapelstraat en Tolentijnstraat en Aanbreiding Geluckweg zijn inmiddels reeds ontwikkeld. Nieuwe prognoses tonen aan dat er nog steeds sprake is van een woningbehoefte in Boerdonk. Met onderhavige ontwikkeling wordt er ingespeeld op die behoefte. Bovendien vindt de ontwikkeling grotendeels plaats binnen de aanduidingen ‘Woningbouwlocaties kerkdorpen (voldoende speelruimte tot 2030)’ en ‘Reservelocaties kerkdorpen (eventueel aanvullend tot 2030)’ waarmee de ontwikkeling in lijn is met de structuurvisie. 3.3.2

Woonvisie Meierijstad

De gemeenteraad van de gemeente Meierijstad heeft op 5 juli 2018 de ‘Woonvisie Meierijstad 2018’ vastgesteld. Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

35

Zorg en welzijn De samenhang tussen demografische ontwikkelingen (de vergrijzing en toename van eenpersoonshuishoudens), de transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen. Leefbaarheid Het creëren van een juiste balans tussen enerzijds de specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Daarnaast zijn er kwantitatieve woningbehoefteprognose per kern gegeven voor de periode tot het jaar 2028 (zie bijlage 2 van de woonvisie). Voor Boerdonk staat hierin een (kwantitatieve) woningbehoefte van 28 woningen opgenomen. Voor Meierijstad komt het totale woningbouwprogramma op 3.040. In de gemeentelijke woonvisie is tevens de kwalitatieve woningbehoefte verwoord. De gemeente geeft hierin aan dat op korte termijn behoefte is aan allerlei typen woningen uit verschillende prijsklassen.

Naast een algemeen tekort aan woningen is er volgens de gemeente in het bijzonder sprake van een tekort aan betaalbare woningen. Met onderhavig initiatief wordt in ieder geval gezorgd voor een meer betaalbare woning dan ongesplitst het geval zou zijn. In die zin past het plan dan ook binnen het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid en woningbouwprogramma. Actieplan woningbouw 2021 In 2021 is het Actieplan woningbouw vastgesteld. Dit vormt een addendum op de Woonvisie 2018. De noodzaak voor de veranderingen vloeit voort uit de gewijzigde provinciale woningbouwprognoses, die aantonen dat de opgave die we hebben aanzienlijk is. Die opgave blijkt ook duidelijk uit de huidige urgentie op de woningmarkt, die wordt veroorzaakt door almaar stijgende prijzen en de krapte in het beschikbare woningaanbod. De gemeenteraad is unaniem in haar vraag naar oplossingen voor woningbouw in onze gemeente. Voor veel woningzoekenden is het moeilijk om een geschikte woning te vinden. Of het nu gaat om starters op de woningmarkt, om mensen die graag in aanmerking willen komen voor een sociale huurwoning, om burgers met een middeninkomen of om oudere inwoners die een (zorg)geschikte woning zoeken; allemaal worden ze geconfronteerd met dezelfde problemen. We zien overal lange wachtlijsten en we horen over mensen die al jaren tevergeefs op zoek zijn naar een woning.

Het Actieplan woningbouw 2021 geeft aan hoe de gemeente om wil gaan met de hogere woningbouwprognoses die door de provincie zijn afgegeven voor de gemeente en hoe ze dit willen combineren met het versnellen van de woningbouwproductie. Het uitgangspunt dat in alle kernen gebouwd kan worden blijft gehandhaafd. De woningbouwplannen blijven verdeeld worden over de grotere kernen Veghel, Schijndel en Sint-Oedenrode enerzijds, maar zeker ook over de kleinere kernen Boerdonk, Boskant, Eerde, Erp, Keldonk, Mariaheide, Nijnsel, Olland, Wijbosch en Zijtaart.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

36

Het aantal te bouwen woningen in iedere kern is minimaal gelijk aan het aantal woningen dat genoemd is in de Woonvisie 2018 (voor Boerdonk 28). Boven deze aantallen gaat de gemeente flexibeler om met de evenredige verdeling van woningen over de kernen en wordt er meer op gemeentelijk niveau gestuurd. Daarbij let de gemeente op lokale mogelijkheden en kansen. In feite formaliseert de gemeente daarmee het uitgangspunt, dat ook al in de woonvisie was opgenomen, dat er een verevening tussen kernen kan plaatsvinden als blijkt dat er extra bouwmogelijkheden in een kern zijn. Zo wordt een remmende werking voorkomen als in een bepaalde kern het aantal bouwplannen achterblijft bij het evenredige gemiddelde. Het plan Korstenhof is in het Actieplan aangeduid als een versnellingslocatie. In het Actieplan wordt het huidige beleid uit de woonvisie (2018) en het Plan van Aanpak Woningbouwregie (2020) gecontinueerd, met betrekking tot de woningbouwcategorieën. In de woonvisie wordt uitgegaan van een verdeling in de woningbouwprogrammering voor Meierijstad in zijn totaliteit, zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Dit is dus, met uitzondering van de 25% sociale huur, geen eis per individueel bouwplan, maar een verdeling voor Meierijstad in zijn totaliteit. In het Plan van Aanpak Woningbouwregie uit is bovendien al geregeld dat er flexibel met deze percentages wordt omgegaan.

Ze dienen dus als richtlijn waarbij zoveel mogelijk naar de lokale behoefte wordt gekeken voor de specifieke invulling. Tabel 3.4 Verdeling woningbouwprogrammering Meierijstad totaal

Doorwerking plangebied In 2021 is het Actieplan woningbouw vastgesteld. In het actieplan wordt uitgegaan van de provinciale prognoses die voor de periode 2020-2040 uitgaan van 5.750 benodigde extra woningen voor de gemeente Meierijstad. Prognoses gaan er daarnaast vanuit dat er na 2040 nog meer woningen in gemeente Meierijstad nodig zijn. In het actieplan is ingezet op een toevoeging van circa 67 woningen in de kern Boerdonk in de komende 15 jaar. Er zijn inmiddels 17 woningen gerealiseerd. Daarnaast is reeds een harde plancapaciteit van 4 woningen en is er één plan in voorbereiding van 19 woningen (Pastoor van Schijndelstraat). Daarmee blijft er voor de kern Boerdonk een plancapaciteit van circa 27 woningen over. Korstenhof fase 1 kent 43 woningen. En kan daarmee goed voorzien in de vastgestelde behoefte. De 2e fase van Korstenhof kent nogmaals ca. 30 woningen en is er op gericht om ook op langere termijn in de behoefte te kunnen voorzien. Naar gelang de behoefte van het dorp zich ontwikkelt, kan worden besloten fase 2 op te starten. In het Actieplan Woningbouw is afgesproken om daar waar zich kansen voordoen om de woningbouw te versnellen, deze te grijpen. Voor Boerdonk is Korstenhof aangeduid als versnellingslocatie omdat dit een eigen grondpositie betreft en daarnaast ook ruimtelijk gezien de juiste kansen biedt. Met dit plan wordt de kern op

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

37

een kwalitatieve wijze ‘afgerond’, met een hoogwaardig stedenbouwkundig milieu. Dat verklaart mede waarom een geringe overschrijding van 16 woningen met de behoefte voor het dorp acceptabel wordt geacht. Dit zal naar verwachting een aantrekkende werking op het dorp hebben, maar dat is mede nodig omdat in andere kernen minder versneld kan worden. In de totale programmering (Meierijstad breed) is nog voldoende ruimte en is de opgave om zachte plannen zo spoedig mogelijk naar hard te brengen en gereed te maken. Wanneer fase twee ook gereed wordt gemaakt (op termijn en gefaseerd over een termijn van circa 10 jaar) kan Korstenhof voor de lange termijn voorzien in de behoefte voor Boerdonk. Omdat de locatie in eigendom van de gemeente is kan er optimaal gestuurd worden op fasering en kunnen de marktontwikkelingen worden gevolgd. Per 1 april 2023 heeft gemeente Meierijstad een harde plancapaciteit van 1.469 woningen en nog een resterende behoefte van 4.195 (op basis van de provinciale behoefte). De woningbouwontwikkeling Korstenhof in Boerdonk past hier dus nog ruimschoots binnen. In de twee fasen worden er in totaal maximaal 80 woningen gerealiseerd. Volgens het richtprogramma, waar er uit wordt gegaan van 74 woningen worden er 22 sociale huurwoningen gerealiseerd.

Het percentage sociale huurwoningen bedraagt hiermee 30%, er wordt dus voldaan aan de eis om minstens 25% sociale huurwoningen te realiseren in een bouwplan. Verder wordt er een mix van goedkope, middeldure en dure koopwoningen gerealiseerd waarbij de volgende onderverdeling is vastgelegd: 

Sociale huur: minimaal 30%;

Middeldure huur: minimaal 10%;

Goedkope koop: minimaal 15%;

Middeldure koop: minimaal 20%.

Er is sprake van behoefte naar de woningen en wordt ermee ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zullen de woningen energieneutraal gebouwd en zal er worden voldaan aan de t.z.t. geldende wettelijke eisen voor duurzaamheid. Het plan is in lijn met de Woonvisie Meierijstad. 3.3.3

Verordening doelgroepen woningbouw Meierijstad

Op 17 februari 2022 is de door de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad de Verordening doelgroepen woningbouw Meierijstad vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt gemeenten de mogelijkheid om per deelgebied in bestemmingsplannen te eisen dat een bepaald percentage van categorieën woningen wordt gerealiseerd in nieuwbouwplannen. Dit kan voor de categorieën sociale huur, middeldure huur, sociale koop en particulier opdrachtgeverschap. De Doelgroepenverordening van de gemeente Meierijstad vormt de wettelijke basis voor het doorvoeren van gemeentelijk woonbeleid in bestemmingsplannen. De Woonvisie Meierijstad 2018, het addendum op de woonvisie 2021 en het Actieplan woningbouwversnelling 2021, vormen de uitgangspunten voor de Doelgroepenverordening. In deze Doelgroepenverordening zijn de categorieën sociale huurwoning, middeldure huurwoning, sociale koopwoning en sociale middeldure koopwoning opgenomen. De maximale aanvangshuurprijs voor middeldure huurwoningen wordt hiermee vastgelegd evenals de maximale verkoopgrens van sociale koopwoningen en sociale middeldure koopwoningen. Deze grens moet de gemeente bepalen. De Doelgroepenverordening regelt tevens voor welke doelgroep de te bouwen sociale huurwoningen en sociale koopwoningen

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

38

bedoeld zijn. De doelgroep wordt bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. De verordening regelt ook dat de sociale, middeldure huur-, sociale koop en sociale middeldure koopwoningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moeten blijven. Hiervoor zijn de minimale instandhoudingstermijnen opgenomen. Met de doelgroepenverordening worden de prijsgrenzen en instandhoudingstermijnen voor de segmenten sociale huur, middeldure huur, sociale koop en middeldure koop geborgd. Daarnaast wordt een doelgroep verbonden aan de segmenten sociale huur en sociale koop op basis van maximale inkomsten. De doelgroepenverordening geldt voor nieuwbouwwoningen en wordt gekoppeld aan het bestemmingplan. Doordat de verordening is gekoppeld aan het bestemmingsplan zijn nieuwe plannen gehouden aan deze bepalingen en geldt er een meldingsplicht. Regels voor sociale huurwoningen:  Sociale huurwoningen moeten gedurende ten minste 25 jaar onder de sociale huurgrens blijven.  Sociale huurwoningen worden alleen verhuurd aan mensen met een inkomen tot aan de zogenaamde DAEB-norm3.  Er geldt een jaarlijkse meldingsplicht van de nieuwe huurprijzen.  Er geldt een meldingsplicht bij een nieuwe verhuring. Regels voor middeldure huurwoningen:  Middeldure huurwoningen moeten gedurende 15 jaar onder de huurgrens blijven.  Er geldt een jaarlijkse meldingsplicht van de nieuwe huurprijzen.

 Er geldt een meldingsplicht bij een nieuwe verhuring. Regels voor sociale en middeldure koopwoningen:  Sociale en middeldure koopwoningen moeten gedurende 10 jaar onder de sociale koopprijs blijven. De sociale koopprijs wordt jaarlijks door het college vastgesteld.  Sociale koopwoningen mogen alleen verkocht worden aan mensen met een inkomen tot maximaal 1,5 maal de DAEB-norm.  Er geldt een meldingsplicht wanneer de woning wordt verkocht. Doorwerking plangebied Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende bestemmingsplan vastgelegd worden. Alleen dan kan de Doelgroepenverordening worden toegepast. In de regels behorende bij het bestemmingsplan is geregeld dat welke percentages sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen, sociale en middeldure koopwoningen, zoals bedoeld in de 'Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad' zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van het plan (of diens rechtsopvolger), dient te worden gerealiseerd en conform de bepalingen in de bedoelde verordening in stand te worden gehouden.

3

DAEB-norm: de inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

39

4

Milieuaspecten

4.1

M.e.r.-beoordeling

4.1.1

Toetsingskader

Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.1.2

Conclusie

De woningbouwontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. De aanmeldingsnotitie is opgenomen als bijlage. Hierin wordt de aanbeveling gedaan dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan geen milieueffectrapportage is vereist. Het bevoegd gezag heeft hierover een besluit genomen. Dit besluit is als bijlage 15 opgenomen.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1

Toetsingskader

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objec-

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

40

ten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Erfgoedverordening Meierijstad 2018 Vanwege de fusie van de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel tot de gemeente Meierijstad en de invoering van de Erfgoedwet, per 1 juli 2016 is op 20 september 2018 de Erfgoedverordening Meierijstad vastgesteld. Hiermee zijn de volgende verordeningen worden ingetrokken: 1. De Monumentenverordening Veghel, vastgesteld bij besluit van 16 december 2004; 2. De Erfgoedverordening Schijndel 2010, vastgesteld bij besluit van 27 juli 2010; 3. De Erfgoedverordening Sint-Oedenrode 2012, vastgesteld bij besluit van 29 maart 2012. Met de Erfgoedverordening wordt het gebouwde en archeologische erfgoed beschermd. Erfgoedvisie Meierijstad Meierijstad is rijk aan cultureel erfgoed. Er is breed maatschappelijk draagvlak in Meierijstad om met dit erfgoed zorgvuldig om te gaan, nu en in de toekomst.

Het erfgoed van Meierijstad vormt de basis van de identiteit van Meierijstad. Het doel is om de bestaande identiteit te versterken en voorwaarden te creëren om die identiteit uit te bouwen. In de uitstraling en presentatie van Meierijstad speelt het erfgoed een essentiële rol. Door de nieuwe kansen die het gebruiken van erfgoed in de ruimtelijke ontwikkeling biedt, geven we de historie van de dorpen een nieuw leven, waarin moderne ontwikkelingen worden ingebed in oude, waardevolle, structuren 4.2.2

Onderzoek

Archeologie Er is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden op de locatie Korstenhof Zuid te Boerdonk. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen woningbouw in het plangebied. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage 3 bij deze plantoelichting. Onderstaand staan de belangrijkste conclusies vermeld. Op basis van het bureauonderzoek is vervolgens voor de zone die nog niet is onderzocht een booronderzoek (ca.10.260 m²) uitgevoerd. Op basis van deze resultaten blijkt dat in het westelijk deel van het plangebied de top van het dekzand niet meer intact en is de bodem verstoord tot in de C-horizont. In deze zone worden geen archeologische waarden meer verwacht. In het overige deel van het plangebied is een plaggendek aanwezig bovenop het dekzand (AC profiel). In een enkele zones is de top van het dekzand opgenomen in het plaggendek. De archeologische verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum – Mesolithicum kan worden bijgesteld naar laag. Vindplaatsen uit deze periode bestaan vondstverspreidingen en niet diep ingegraven sporen. Vanwege de aanwezige verstoring zullen mogelijke archeologische resten niet meer in situ bewaard zijn. Voor de perioden Neolithicum – Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting.

Het kan niet worden uitgesloten dat er nog dieper ingegraven sporen aanwezig zijn in het plangebied.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

41

De resultaten van het huidige onderzoek sluiten aan op eerder uitgevoerd onderzoek uit 2004. Het aangetroffen AC profiel en het verstoorde bodempakket, is ook waargenomen in het huidige verkennend booronderzoek. De aanwezigheid van laarpodzolen is niet vastgesteld in het huidige plangebied. Destijds is op basis van de aanwezigheid van een AC profiel het plangebied vrijgegeven. Maar archeologische onderzoeken die in de afgelopen jaren zijn uitgevoerd hebben aangetoond dat in een AC profiel nog wel degelijk archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Het kan niet worden uitgesloten dat onder het plaggendek nog archeologische resten aanwezig zijn. Geadviseerd wordt daarom in de zones waar het plaggendek aanwezig is (zie figuur 4.1), een dubbelbestemming op te nemen en een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Dit geldt dus voor de rode zones in het plangebied (Boringen 1 t/m 4, 10 en 11). Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten.

Figuur 4.1 Advieskaart Archeologie (bron: ADC Archeoprojecten)

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

42

De bevoegde overheid heeft naar aanleiding van het laatste booronderzoek besloten om de gebieden met een intact AC profiel niet vrij te geven voor archeologisch onderzoek. Er is immers hier nog steeds een kans op het aantreffen van archeologische resten. Het centrale gedeelte van het plangebied (grijs in figuur 4.1), dat na het booronderzoek in 2004 was vrijgegeven, komt hiermee weer binnen het adviesgebied voor vervolgonderzoek te liggen (zie figuur 4.2). De bevoegde overheid heeft besloten een proefsleuvenonderzoek voor te schrijven, dat 10% van de oppervlakte van het adviesgebied omvat. Het onderzoek zal in twee fases worden ingestoken, waarbij aanvankelijk 5% van de oppervlakte zal worden onderzocht. Bij het aantreffen van archeologische sporen, zal overgegaan worden tot de uitbreiding met nog eens 5% van de oppervlakte. Het proefsleuvenonderzoek moet uitwijzen of er behoudenswaardige vindplaats(en) in het plangebied aanwezig zijn. Van vindplaatsen wordt de aard, omvang en kwaliteit bepaald. Op basis van de waardestelling van de aanwezige vindplaats(en) wordt advies gegeven hoe met de archeologische resten kan/moet worden omgegaan. Op basis van de waardestelling van de vindplaats(en) en het opgestelde advies wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen over de verdere omgang met het bodemarchief.

De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Ten behoeve van het uit te voeren proefsleuvenonderzoek is er een Programma van Eisen opgesteld. Het Programma van Eisen is opgenomen als bijlage 16 van deze plantoelichting. In het bestemmingsplan is voor de zones waar nader onderzoek nodig wordt geacht een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming beschermt het archeologisch bodem archief tegen ongewenste ingrepen.

Figuur 4.2 Adviesgebied vervolgonderzoek (bron: ADC Archeoprojecten)

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

43

Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De provincie heeft haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het plangebied bevindt zich in ‘De Meierij’, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden.

De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. De Pastoor van Schijndelstraat en de Veerstraat zijn aangeduid als historisch geografische lijnen van redelijk hoge waarden, zie figuur 4.3). De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van deze wegen. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen invloed op de structuren van de cultuurhistorische regio’s. Ten oosten van het plangebied zijn in de kern Boerdonk enkele beeldbepalende panden en monumentale bomen gelegen. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze panden en bomen. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ niet zorgt voor belemmeringen bij uitvoering van onderhavig initiatief. 4.2.3

Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Ter bescherming van de eventuele archeologische waarden is voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

44

Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant (bron: provincie Noord-Brabant)

4.3

Flora en fauna

4.3.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 4.3.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, ‘’Strabrechtse Heide & Beuven’’ en ‘’Deurnsche Peel & Mariapeel’’ op respectievelijk circa 22 km, 15,1 km en 16,2 km afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

45

als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Stikstofonderzoek Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van maximaal 80 woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Daarom is er een stikstofdepositie berekening uitgevoerd voor de gebruiks- en de bouwfase van de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek staat beschreven in de notitie stikstof en is terug te vinden in de bijlage van deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij zowel de bouwfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB.

Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 700 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

46

Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Binnen het plangebied zijn tevens geen groeneenheden aanwezig die op de groene kaart van de Gemeente Meierijstad staan. Soortenbescherming Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlage bij deze plantoelichting. Onderstaand staan de belangrijkste conclusies vermeld. De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming);  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming);  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). In tabel 4.1 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: 

Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort.

Te verwijderen groenstructuren binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen en essentieel leefgebied bieden aan wezel, bunzing en steenmarter. Uit vervolgonderzoek moet blijken of de soorten binnen het plangebied aanwezig zijn, en of voor de werkzaamheden een ontheffing noodzakelijk is.

Het plangebied biedt leefgebied voor de teunisbloempijlstaart. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of deze soort binnen het plangebied aanwezig is.

Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

47

Tabel 4.1: Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Broedvo-

Algemeen

Potentieel

Sprake van

aanwezig

overtreding

Ja

Te voorkomen

gels Jaarrond be-

Ja

Mogelijk

schermd

Vervolgtraject / maatregelen

Bijzonderheden / opmerkingen

Plangebied buiten broedseizoen

Globale broedseizoen loopt

bouwrijp maken of controle vooraf

van maart tot half augustus

Vervolgonderzoek naar de aanwezig-

-

heid van steenuil

Vleer-

Verblijfplaat-

muizen

sen Foerageerha-

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Nee

Nee

-

-

Ja

Mogelijk

Vervolgonderzoek naar wezel, bun-

Zorgplicht heeft betrekking

zing en steenmarter met detectiemate-

op een soort als de egel

bitat Vliegroutes Grondgebonden zoogdieren

rialen Reptielen

Nee

Nee

-

-

Amfibieën

Ja

Te voorkomen

Zorgplicht afdoende

Heeft betrekking op een soort als de gewone pad

Vissen

Nee

Nee

-

-

Ongewervelden

Ja

Mogelijk

Vervolgonderzoek naar de aanwezig-

-

heid van teunisbloempijlstaart Vaatplanten

4.3.3

Nee

Nee

-

-

Conclusie

Op basis van bovenstaande worden er in het juiste onderzoekseizoenen vervolgonderzoeken naar steenuil, wezel, bunzing, steenmarter en teunisbloempijlstaart uitgevoerd. Indien nodig wordt hiervoor een ontheffing aangevraagd en worden mitigerende maatregelen getroffen. Omdat deze vervolgonderzoeken naar verwachting niet voor vaststelling van het bestemmingsplan afgerond zijn, is er ter borging een voorwaardelijke verplichting ecologie opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

4.4

Waterparagraaf

4.4.1

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Eu-

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

48

ropese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Waterschap Aa en Maas. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2.

Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:  schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt;  de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;  de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is;  de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij:  Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;  de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;  de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

49

De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.

Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. 

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:  De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;  De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;

Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026 Het beleid van de gemeente Meierijstad omtrent water en riolering is beschreven in het ‘Programma Water en Riolering Meierijstad 2022 – 2026’. Hierin zijn de speerpunten en ambities beschreven waarop de gemeente zich zal richten. De gemeente kiest voor nieuw te ontwikkelen gebieden binnen de bebouwde kom in principe voor een gescheiden rioolsysteem. Bij kleinschalige in- of uitbreidingen, waar in de bestaande situatie geen gescheiden systeem aanwezig is, mag de nieuwe verharding niet worden aangesloten op het gemengde stelsel. De perceeleigenaar moet het hemelwater op eigen perceel verwerken. Dit is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving In juli 2021 is de Verordening fysieke leefomgeving vastgesteld. Doel van de regels in deze verordening is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Daartoe zijn regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waardevol Water in Meierijstad VGRP+ 2017-2022’. Hierin zijn enkele speerpunten beschreven waarop de gemeente zich binnen deze planperiode zal richten:  Klimaatbestendig inrichten openbaar en particulier gebied.  Verhogen waterbewustzijn en stimuleren waterbewust handelen.  Verduurzamen afvalwaterketen.  Behalen KRW-doelen.  Doelmatig verwerken afvalwater in het buitengebied.  Verhogen belevingswaarde en benutten water voor natuur en recreatie.  Verder professionaliseren van het stedelijk waterbeheer.  Samenwerken.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

50

Uitbreidings- en reconstructieplannen van woningbouw en/of (reconstructies van) infrastructuur kunnen tot een toename van afstromend verhard oppervlak leiden. Planontwikkelingen mogen niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater en/of het rioleringssysteem ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als voorkeursvolgorde wordt de trits infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering gehanteerd. Nieuwe ontwikkelingen moeten hydrologisch neutraal of positief worden uitgevoerd. 4.4.2

Onderzoek

Watertoets Er is een watertoets uitgevoerd door De Roever om te onderzoeken of er met onderhavig planvoornemen wordt voldaan aan de relevante waterhuiskundige aspecten. Door een watertoets worden deze aspecten vroegtijdig betrokken bij de planvorming. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies weergegeven, het volledige onderzoek is terug te vinden in de bijlagen bij deze toelichting. Globale hoogteligging De planlocatie heeft een globale hoogteligging van 13,3 m +NAP. Met name de zuidelijke punt van het plangebied is hoger gelegen dan het overige terrein. Regionale bodemopbouw De gegevens van de bodemopbouw zijn verkregen van DINOloket (uitgifte portaal van TNO, Geologische Dienst Nederland). Vanaf maaiveld is er een matig doorlatende deklaag aanwezig, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind (formatie van Boxtel). Onder de deklaag is tot ongeveer 38 m-mv bevindt zich een goed doorlatende zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken (formatie van Beegden). Geohydrologie Naar opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of boringsvrije zone.

Op de onderzoekslocatie wordt voor zover bekend geen grondwater onttrokken. Kwel/infiltratie In de Digitale Wateratlas van de provincie Noord-Brabant is te herleiden dat de locatie is gelegen in een gebied waar zowel kwel als infiltratie voorkomt. Oppervlaktewater in de omgeving Uit de vastgestelde legger van waterschap Aa en Maas is te zien dat er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen primaire of secundaire watergangen zijn gelegen die beheerd worden door het waterschap. Regenwater en overige neerslag Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van Boerdonk. Hemelwater dat op de onderzoekslocatie valt infiltreert via de grond aangezien het perceel momenteel volledig onverhard is.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

51

Gemiddelde grondwaterstand Op de BRO Grondwaterspiegeldieptekaarten, aanwezig op dinoloket.nl, wordt in de omgeving van de onderzoekslocatie een GHG aangegeven van circa 0,6 m – 1,0 m-mv. Van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt aangegeven op 1,6-2,0 m-mv. Op dinoloket.nl is een grondwatermonitoringsonderzoek gevonden uitgevoerd nabij de onderzoekslocatie dat is uitgevoerd tussen 2004 en 2018. De grondwaterstand bevond zich in deze periode op het hoogste moment op 12,9 m +NAP bij een maaiveldniveau van 13,9 m +NAP. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater zal toenemen en zal worden afgevoerd middels de gemeentelijke riolering. Voor de nieuwbouwwoningen zal ter plaatse nieuwe riolering aangelegd moeten worden. Watervergunning Gezien het beoogde plan zorgt voor een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² zal er een watervergunning aangevraagd moeten worden. De vergunningsaanvraag zal voorzien moeten worden van een waterhuishoudkundig plan. Ophoging plangebied Initiatiefnemer heeft aangegeven dat het plangebied gemiddeld circa 0,25 m wordt opgehoogd. Ter plaatse van het terreindeel waar de GHG het hoogst is wordt een ontwatering van circa 0,85 m gehaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=30562ca7-588c-4ce9-8ea6-53850f5c22e8