CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1a P06456_BP Korstenhof Zuid Boerdonk, Meierijstad_20240906

Raadsvergadering 7 november 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Korstenhof Zuid Boerdonk'32.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hemelwater: dimensionering infiltratie- of bergingsvoorziening De ontwikkeling heeft tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 16.543 m2 Hierdoor dient er op een hydrologisch neutrale manier ontwikkeld te worden en daarnaast eveneens compenserende maatregelen dienen te worden gerealiseerd. De benodigde compensatie bedraagt 448 m³ (7.467 m² x 0,06 x 1). Initiatiefnemer heeft aangegeven aan de bergingseis te willen voldoen door diverse wadi’s aan te leggen in het plangebied. Om een maximaal bergingsvolume te behalen worden de wadi’s gegraven tot circa 0,85 tot 1 m-mv, afhankelijk van de lokale ontwatering. De wadi’s zullen in de praktijk ruimer aangelegd worden zodat voldaan wordt aan de bergingseis. Hemelwater zal deels bovengronds onder vrij verval en deels via ITriolering op de wadi’s geloosd worden. Afhankelijk van de hoogte van de GHG en de lokale K-waarde kan gekozen voor IT-riolering of gesloten riolering. Een overstort vanaf de wadi’s naar de watergangen van het waterschap is een lastige exercitie. De watergangen bevinden zich aan de andere kant van Pastoor van Schijndelstraat. De afstand tussen de wadi’s en de watergangen is circa 180 meter. Indien er in de omgeving van het plangebied een HWA-riolering is gelegen kan dat eventueel dienen als noodvoorziening.

Op basis van De Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad worden perceeleigenaren verplicht 60 mm per m2 aan hemelwaterberging te realiseren op eigen terrein. Voor dit plan betekent dit 9.076 m 2 = 545 m3 dat geborgd dient te worden op eigen grond. Perceeleigenaren kunnen voldoen aan deze eis door een verlaagde tuin aan teleggen of infiltratiekratten te plaatsen bijvoorbeeld onder de inrit.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

52

Memo oplossingsrichting hwa Aanvullend op de waterparagraaf is er in september 2024 een memo opgesteld waarin wordt ingegaan op de beschouwde varianten voor de toekomstige hemelwaterstructuur afgewogen ten opzichte van de omgeving en reeds bestaande voornemens en recente planontwikkeling. De memo is opgenomen als bijlage 18 bij deze plantoelichting. Toekomstige hemelwaterafvoer (hwa) Voor het bouwplan wordt waterberging gerealiseerd door middel van het graven van wadi’s. De aan te brengen verhardingen stromen waar mogelijk oppervlakkig af naar de wadi’s. De bebouwing loost via een hwa leiding, of oppervlakkig, via de straat, hemelwater op de wadi’s. Een hwa leiding wordt gerealiseerd ten behoeve van het aansluiten van parkeerkoffers, gebieden/ woningen waar geen oppervlakkige afstroming toegepast kan worden. Afstromend hemelwater wordt geborgen in de wadi’s. Vanuit de wadi’s wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de ondergrond. In het op te stellen waterhuishoudkundig plan worden deze principes nader uitgewerkt. Om een robuust systeem te realiseren dienen de wadi’s te worden voorzien van een noodoverloop. Voor het realiseren van deze noodoverloop zijn meerdere principevarianten op hoofdlijnen beschouwd en afgewogen.

Figuur 4.4 Varianten toekomstige noodoverloop/lediging Korstenhof

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

53

A) Via te realiseren HWA riool in de Geluckweg naar A-watergang tegenover de Geluckweg (noordzijde) Onbekend is op welke termijn dit HWA riool gerealiseerd wordt. Als deze variant gekozen wordt zal een investering hiervoor moeten worden vrijgemaakt om, tenminste al een gedeelte van de in de Geluckweg beoogde hemelwaterstructuur te realiseren. B) Via beoogde HWA structuur (HWA riool + wadi) in noordelijk gelegen plan Kanters (zie rood weergegeven in figuur 4.4) naar A-watergang Door middel van het koppelen van de waterstructuur van plan Kanters aan de waterstructuur van plan Korstenhof Zuid kan een robuuster systeem worden gerealiseerd (minder verknipt). Hierbij wordt één gecombineerde noodoverloop gerealiseerd op de A-watergang ten noorden van de Pastoor van Schijndelstraat/ Geluckweg. In deze variant moeten kosten worden gemaakt om een verbinding te realiseren naar plan Kanters. Een gedeelte van de Pastoor van Schijndelstraat zal moeten worden opgebroken. C) Via bestaande greppels Pastoor van Schijndelstraat naar de B-watergang langs de Boerdonksedijk. Voordeel van deze variant is het meer vertragen/bufferen van regenwater in het lokale watersysteem. Daarnaast kunnen kosten worden bespaard omdat aan de zuidzijde van de Pastoor van Schijndelstraat direct overgestort kan worden op aanwezige greppels.

Nadeel van deze variant is dat het systeem minder robuust is, de verwachting is dat de greppels (tertiair/secundair) maar een beperkte capaciteit hebben. Na inventarisatie is gebleken dat greppels en duikerverbindingen langs de Pastoor van Schijndelstraat niet aanwezig/niet verbonden zijn waardoor deze variant niet mogelijk is. Op basis van de voorgaande en de wens van gemeente Meierijstad om een robuust systeem te realiseren heeft de uitwerking van variant B de voorkeur. Op die wijze wordt één centrale noodoverlaat gerealiseerd op het oppervlaktewater. 4.4.3

Conclusie

Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen. Ter borging is in de regels een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen. Voor de ontwikkeling zal er een watervergunning aangevraagd worden. Een en ander, waaronder een definitieve uitwerking van het regenwatersysteem, wordt nader uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan ten behoeve van de vergunningsaanvraag.

4.5

Bodem

4.5.1

Toetsingskader

Bij de verkenning van mogelijkheden om functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieu-hygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. 4.5.2

Onderzoek

In verband met de voorgenomen woningbouwontwikkeling is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Milon. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Normen NEN 5725 en NEN 5740. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 7a bij deze toelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

54

Vooronderzoek en onderzoeksstrategie Op basis van het vooronderzoek is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Hierom wordt, conform de NEN 5740, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. Er is geen informatie bekend over het gebruik van bestrijdingsmiddelen maar om dit uit te sluiten wordt de bovengrond aanvullend onderzocht op organochloorbestrijdingsmiddelen. Zintuiglijke waarnemingen De onderzoekslocatie is in gebruik als voetbalveld, grasland en is deels braakliggend. Sporadisch is in de bovengrond bijmenging van sporen baksteen waargenomen. Op basis van het soort bijmenging en het sporadisch voorkomen is de bodem beoordeeld als niet verdacht op het voorkomen van asbestverontreiniging als gevolg van de bodemvreemde bijmengingen. Analyseresultaten In zowel de mengmonsters van de bovengrond als de ondergrond is geen van de geanalyseerde parameters in een gehalte boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zware metalen aangetroffen welke beschouwd worden als verhoogde achtergrondwaarden. De aangetroffen concentraties zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Conclusies en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.

Ter plaatse zijn in de grond geen verhoogde gehalten en in het grondwater ten hoogste licht verhoogde concentraties aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygienische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie ten behoeve van wonen. Bij werkzaamheden in de grond dienen de maatregelen conform de CROW-publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ te worden aangehouden. Op basis van de resultaten van dit bodemonderzoek is geen voorlopige veiligheidsklasse toepassing, wel dient de basishygiëne in acht worden genomen. De definitieve klasse kan worden vastgesteld door een middel of hoger veiligheidskundige. Algemeen wordt opgemerkt dat dit verkennend bodemonderzoek geen bewijsmiddel is zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) of PFAS-onderzoek noodzakelijk zijn. Aanleiding en doel Naast het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is er naar aanleiding van een aantal opmerkingen van de Omgevingsdienst Brabant-Noord ook nog een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd naar de verontreiniging van de bodem met organochloorbestrijdingsmiddelen (zie bijlage 7b). Dit is nodig aangezien op een gedeelte van het terrein in het verleden een boomgaard aanwezig was.

Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of er sprake is van mogelijke verontreiniging van organochloor bestrijdingsmiddelen ter plaatse van de voormalige boomgaarden. Onderzoeksstrategie Het aanvullend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN5740. De bovengrond ter plaatse van de voormalige boomgaarden wordt onderzocht volgens de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, dif-

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

55

fuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van de monstermening. De bovengrond wordt per locatie onderzocht middels drie mengmonsters te analyseren op organochloor bestrijdingsmiddelen. Zintuigelijke waarnemingen De bovengrond bestaat overwegend uit zwak siltig, matig humeus, matig fijn zand. In de grond zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Specifiek wordt vermeld dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Analyseresultaten Ter plaatse van de voormalige boomgaarden zijn in de geanalyseerde grind geen gehalten aan organochloor bestrijdingsmiddelen aangetroffen welke de maximale waarde voor landbouw/Natuur overschrijden. Conclusies Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie met betrekking tot organochloor bestrijdingsmiddelen. Er is geen sprake van een verhoogd gehalte aan organochloor bestrijdingsmiddelen in de bovengrond als gevolg van de voormalige boomgaarden. Naar aanleiding van onderhavige onderzoeksresultaten gelden geen beperkingen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 4.5.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

4.6.1

Toetsingskader

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied.

Volgens de VNG-brochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien

4

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

56

van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied. In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. 4.6.2

Onderzoek

Er is een quickscan bedrijven en milieuzonering opgesteld door De Roever. Hierbij is gebruik gemaakt van de publicatie Bedrijven en milieuzonering. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 8 bij de plantoelichting. De belangrijkste conclusies staan onderstaand vermeld. Het plangebied wordt aangemerkt als gelegen in een rustig buitengebied/ woongebied. Dit vanwege de ligging van het plangebied; het plangebied is omringd door andere woningen met aan de westzijde een sportveld grenzend aan het plangebied. Invloed planvoornemen op omgeving De huisvesting vormt geen milieubelastende functie. Ten aanzien van de huisvesting is geen beoordeling van uitwaartse zonering noodzakelijk. In dit geval is er dus geen sprake van uitwaartse milieuzonering. Invloed omgeving op planvoornemen De beoogde huisvesting is een milieugevoelige functie voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Volgens het vigerende bestemmingsplan Buitengebied zijn de verschillende milieubelastende functies in de omgeving bepaald. De richtafstanden zijn toegelicht in onderstaande tabel. Het gaat dan om de richtafstanden tot een rustig buitengebied. De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn op kaart weergegeven in onderstaande figuur. Tabel 3.2 Richtafstanden in de omgeving van het plangebied toegestane milieubelastende functies

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

57

Figuur 4.5 Richtafstanden in de omgeving van het plangebied toegestane milieubelastende functies

In de quickscan Bedrijven en milieuzonering en in bovenstaande tabel met richtafstanden staat het tankstation aan de Boerdonksedijk 60 nog aangemerkt als tankstation met LPG. Voorheen betrof dit een LPG-tankstation. De gemeente heeft op 24 januari 2023 de omgevingsvergunning milieu (gedeeltelijk) ingetrokken. De intrekking heeft betrekking op de opslag van LPG en het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer. Het tankstation valt daarom onder ‘Benzineservicestation zonder LPG’. Deze bedrijven vallen onder milieucategorie 2 en er geldt een richtafstand van 30 meter (rustig buitengebied) ten opzichte van gevoelige objecten. Deze richtafstand overlapt het plangebied niet. Zoals in bovenstaande figuur zichtbaar is, overlapt de richtafstand betreffende geluid van het sportcomplex aan de Veerstraat met het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling worden er woningen mogelijk gemaakt binnen de richtafstand van het sportcomplex, daarom is er aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De richtafstand van het agrarisch bedrijf aan de Veerstraat 4 overlapt voor een klein gedeelte een zuidelijk gedeelte van het plangebied. Hier worden geen woningen mogelijk gemaakt maar een groenvoorziening met wandel/fietspad, dit is ook juridisch-planologisch zo geborgd. Het agrarisch bedrijf vormt daarmee geen belemmering.

Andere omliggende bedrijven of woningen worden niet in hun belangen geschaad met de bouw van deze nieuwe woonwijk. Akoestisch onderzoek industrielawaai sportpark De richtafstand van het sportpark aan de Veerstraat 7/7a overlapt een gedeelte van het plangebied. Daarom is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 9 bij deze plantoelichting. De belangrijkste conclusies staan onderstaand vermeld.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

58

Activiteitenbesluit De beoogde woningbouw zal geen belemmering vormen voor de voetbalvereniging wanneer een afstand van minimaal 10 meter, gemeten vanaf de grens van de sportbestemming / beoogde woonbestemming wordt gewaarborgd. Deze afstand geldt dan voor geluidgevoelige objecten, bijvoorbeeld een verkeersbestemming is gewoon mogelijk binnen deze afstand. Wanneer een kortere afstand gewenst is, dan zullen maatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de grenswaarde(n) uit het Activiteitenbesluit. Wanneer nodig zullen in een later stadium (wanneer een bouwplan bekend is) nader worden onderzocht. Er is geen woningbouw binnen 10 meter van het sportpark geprojecteerd. Er is voorzien in een robuuste groenzone van circa 10 meter en er is een aan te houden afstand van tenminste 8 meter tussen de achterste bouwperceelsgrens en een hoofdgebouw voorgeschreven. Met deze maatregelen wordt voorkomen dat op een afstand korter dan 10 meter tot het sportpark geluidgevoelige functies kunnen worden opgericht. Ruimtelijke ordening (VNG) - Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveaus De verwachting is dat het nodig is om voor de beoogde woningbouw uit te wijken naar stap 3 óf stap 4 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Welke afwijkingen daadwerkelijk nodig zullen zijn is afhankelijk van de positie van de geluidgevoelige objecten binnen het beoogde bouwplan.

Bij uitwijken naar stap 3 of 4 zal de gemeente uitgebreid moeten motiveren waarom deze verhoogde geluidbelastingen als aanvaardbaar worden aangemerkt.

Figuur 4.6 Contouren geluidszonering La_max (Bron: De Roever, december 2023)

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

59

De verwachting is dat voor een deel van de woningen een aanvullende gevelwering nodig zal zijn. Voor de benodigde gevelwering zijn de maximale geluidniveaus verreweg maatgevend, de benodigde gevelwering in het kader van de maximale geluidniveaus is in alle gevallen eveneens voldoende voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. De te verwachten gevelwering (gevels in de richting van de sportvelden) bedraagt het volgende: 

Binnen de paarse zone, aangegeven in figuur 4.6, zal een gevelwering van 25 tot 35 dB nodig zijn;

Binnen de rode zone, aangegeven in figuur 4.6, zal een gevelwering van 20 tot 25 dB nodig zijn;

Binnen de oranje, gele en groene zone, aangegeven in figuur 4.6 is de standaard gevelwering van 20 dB uit het Bouwbesluit 2012 voldoende.

Er zijn genoeg redelijkerwijs te treffen maatregelen voorhanden die genomen kunnen worden om het geluid te reduceren op de woningen. Bij maatregelen kan gedacht worden aan een afschermende voorziening tussen de sportbestemming en de beoogde woningbouw (met name voor de begane grond) óf maatregelen bij de ontvanger (voorzetschermen, dove gevels of het realiseren van niet geluidgevoelige ruimten richting de sportbestemming). Maatregelen kunnen pas in detail worden onderzocht wanneer een concreet bouwplan beschikbaar is. Op de verbeelding zijn zones opgenomen waarbinnen deze extra eisen van toepassing zijn en in de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voldoende gevelwering voor de betreffende gevels gerealiseerd dient te worden om een aanvaardbaar binnenniveau te kunnen garanderen. Indirecte hinder Ter plaatse van alle mogelijke geluidgevoelige objecten binnen het gehele plangebied zal voldaan worden aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. De indirecte hinder vormt geen belemmering voor het plan. Lichthinderonderzoek Er is een lichthinderonderzoek uitgevoerd naar de effecten van de lichtinstallaties van naastgelegen voetbalvereniging op de beoogde woningbouwontwikkeling. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 10 bij deze plantoelichting. Onderstaand staan de belangrijkste conclusies vermeld.

Het lichthinderonderzoek bestaat uit twee onderdelen, het lichtplan en de lichthinderberekening. In het lichtplan wordt o.a. de positionering van de masten en armaturen bepaald op basis van de benodigde verlichtingssterkte. In het lichthinderonderzoek wordt gekeken wat de betreffende lichtinstallaties voor effect heeft (hinder) voor de sporter en de omliggende omgeving. De resultaten worden getoetst aan de hand van de geldende normen. De reeds geplaatste lichtinstallatie voldoet na plaatsing van de nieuwe woningen niet meer aan de aanbevelingen van de NSVV met betrekking tot lichthinder naar de omgeving. Om alsnog te voldoen aan de aanbevelingen en tevens te voldoen aan de aanbevelingen van de KNVB is een nieuw lichtontwerp opgesteld voor beide velden met nieuwe led armaturen. Onderstaand is een samenvatting gemaakt van het lichtplan. In de bijlage bij het lichtplan is het gedetailleerde lichtplan weergegeven. Daarnaast zijn de nieuwe lichtmastpositie weergegeven in de bijlage bij het lichtplan. Op basis van de rapportage (bijlage 10) kan geconcludeerd worden dat met de rekenresultaten voor zowel de verticale verlichtingssterkte Ev als de lichtsterkte I ter plaatse van de (geprojecteerde) woningen wordt voldaan aan de grenswaarde uit de NSVV richtlijn Lichthinder. Lichthinder vanwege de sportveldverlichting van RKSV Boerdonk is daarom niet te verwachten.

Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Over de verplaatsing van de lichtmasten vindt overleg plaats met RKSV Boerdonk.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

60

4.6.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van bedrijven of andere activiteiten die kunnen leiden tot onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van de beoogde woningen. Bedrijven in en rond het plangebied worden door de uitvoering van het plan niet in de bedrijfsvoering beperkt. Ten aanzien van geluid vanuit het sportpark zijn de noodzakelijke maatregelen die borgen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voorwaardelijk verplichtend geregeld. Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.

4.7

Geur agrarisch

4.7.1

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.7.2

Onderzoek

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. In de omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen gelegen. Er is door De Roever een onderzoek uitgevoerd naar de ligging en geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten voor de voorgenomen ontwikkeling. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 11 bij deze plantoelichting. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies vermeld. De veehouderijen in de omgeving van het plangebied en de totale geuremissies zijn weergegeven in onderstaande figuur 4.7.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

61

Figuur 4.7 Veehouderijen omgeving plangebied Korstenhof-Zuid

Voor dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld geldt een afstand van 100 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom in acht moet worden genomen. Daarnaast geldt een gevelgevelafstand van 50 meter tussen de gevel van enig dierenverblijf (ongeacht of voor de betreffende dieren in de Rgv een geuremissiefactor is vastgesteld of niet) en de gevel van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. In onderstaande figuur is de afstandscontour van 100 meter rondom het plangebied weergegeven. Er liggen geen bouwvlakken van veehouderijen binnen de afstandscontour van 100 meter. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de belangen van de veehouderijen worden niet geschaad.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

62

Figuur 4.8 Afstandscontour 100 meter rondom plangebied Korstenhof-Zuid

Voorgrondbelasting De hoogst berekende voorgrondbelasting bedraagt 3,9 ouE/m3 op de rand van het plangebied. Deze waarde komt overeen met een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. In paragraaf 3.3.1 van de rapportage is toegelicht dat de geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied 3,0 ouE/m3 bedraagt. Het woon- en leefklimaat is minder dan het ‘goed’ woon- en leefklimaat dat op grond van de geurnorm voor de voorgrondbelasting aanvaardbaar wordt geacht. Dat niet wordt voldaan aan de geurnorm wil niet per definitie zeggen dat geen sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat. Uit jurisprudentie (uitspraak ABRvS 200900801/1/R3 van 7 oktober 2009) blijkt dat als de individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit latere jurisprudentie blijkt wel dat hierbij ook de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) moet worden betrokken. Achtergrondbelasting De hoogst berekende achtergrondbelasting bedraagt 9,2 ouE/m3 op de rand van het plangebied. Deze waarde komt overeen met een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. In paragraaf 3.3.1 van de rapportage is toegelicht dat de geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied 3,0 ouE/m3 bedraagt.

Het woon- en leefklimaat minder dan het ‘goed’ woon- en leefklimaat dat op grond van de geurnorm voor de voorgrondbelasting aanvaardbaar wordt geacht. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier het geval, de achtergrondbelasting is maatgevend. Het bevoegd gezag acht het ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat in dit geval als een aanvaardbare situatie om de volgende redenen:

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

63

Het plangebied vormt een overgangsgebied van de dorpskern van Boerdonk naar het omliggende agrarische gebied.

Ten aanzien van de afstandseisen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ten aanzien van de voorgrondbelasting is sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat.

Omdat sprake is van een overbelaste situatie kan het woon- en leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting niet verslechteren.

De toekomstige bewoners kunnen de geursituatie meewegen in hun overweging zich ter plaatse te vestigen.

4.7.3

Conclusie

Het aspect geur van veehouderijen ten aanzien van het plan Korstenhof is onderzocht. De belangen van omliggende veehouderijen worden niet geschaad. Het bevoegd gezag acht het ‘redelijk goede’ woon- en leefklimaat aanvaardbaar op basis van bovenvermelde argumenten.

4.8

Akoestiek wegverkeerslawaai

4.8.1

Toetsingskader

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: 

wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;

wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

4.8.2 Onderzoek In het plangebied worden nieuwe woningen gerealiseerd. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidsgevoelige objecten. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door De Roever. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 12 bij deze plantoelichting. Onderstaand staan de belangrijkste conclusies vermeld. Hogere waarden Een hogere waarde is niet nodig omdat alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen in de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De geluidbelasting bedraagt op zijn hoogst 50 dB ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van het plangebied. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan ten hoogste 50-33 ≤ 20 dB (standaardeis uit het bouwbesluit). Een onderzoek gevelwering zal voor geen enkele woning in het plangebied noodzakelijk zijn. De toenemende verkeersintensiteit zal een maximale toename brengen van afgerond 1 dB, met een gemiddelde toename van 0,7 dB over alle toetspunten op een hoogte van 4,5 meter. Deze toename kan als niet significant worden beschouwd. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij het gebouw wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Goed’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gebouw wordt als acceptabel aangemerkt.

De cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

64

Indirecte hinder Tenslotte is in het onderzoek het effect beschouwd van de verkeersgeneratie op de geluidbelasting op de woningen in de omgeving. Vanwege de mogelijke toename in de verkeersintensiteit voor woningen in de omgeving van het plangebied is een berekening gemaakt tussen de huidige situatie en het planmodel, beide voor 2040 op basis van de cumulatieve geluidsbelasting. Uit deze berekening komt naar voren dat de toenemende verkeersintensiteit een maximale toename van geluid op de gevels van omliggende woningen aan de Pastoor van Schijndelstraat zal brengen van 1,5dB, met een gemiddelde toename van 0,7dB over alle toetspunten op een hoogte van 4,5 meter. Er is geen officieel toetsingskader voor dit aspect, daarom wordt hier vastgehouden aan het toetsingskader dat wordt aangehouden bij de reconstructie van een weg. Dit kader bepaalt dat bij het wijzigen van de situatie er sprake is van een reconstructie wanneer de geluidbelasting met 2 dB of meer toe neemt. In dit geval bedraagt de maximale toename afgerond 1 dB. Deze 1 dB kan als verwaarloosbaar worden beschouwd. 4.8.3 Conclusie De geluidbelasting voldoet ter plaatse van de toekomstige woningen aan de voorkeurgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder. Het aspect akoestiek wegverkeerslawaai vormt geen belemmering.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aannemelijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. 4.9.2

Onderzoek

Met onderhavig bestemmingsplan worden maximaal 80 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee valt de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Toetsing voor het aspect luchtkwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk. Om te bepalen of de ontwikkeling invloed heeft op de omgeving is echter toch de NIBM-tool ingevuld, zie onderstaande tabel. In paragraaf 4.13 is de verkeersgeneratie berekend op basis van het maximum aantal woningen wat planologisch mogelijk wordt gemaakt. In totaal bedraagt de extra verkeersgeneratie voor 80 woningen afgerond 564 motorvoertuigen per etmaal. Er is in de NIBM-tool een verkeersgeneratie ingevoerd van 564 motorvoertuigen per etmaal, planrealisatie in 2025 en een aandeel vrachtverkeer van 10% (bijvoorbeeld pakketbezorgers en afvalophaaldiensten), zie onderstaande tabel. Uit de NIBM-tool volgt dat de bijdrage van

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

65

het extra verkeer niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk. Tabel 4.3 NIBM-Tool

Het is in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om te bekijken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die kunnen bepaald worden aan de hand van de CIMLK-tool. In onderstaande tabel zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Tabel 4.4 Achtergrondwaarden (bron: CIMLK)1

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Monitoringsjaar

15519910

14,81

18,35

6,47

10,33

2021

15520422

15,14

18,38

6,48

10,34

2021

15520630

15,16

18,38

6,48

10,34

2021

15520604

15,71

17,53

6,15

10,23

2021

15520490

15,77

17,53

6,15

10,23

2021

Norm

40

40

35

25

Meetpunt

4.9.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:  Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

66

 

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Bron

Wanneer groepsrisicoverantwoording?

Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording dient een toelichting te worden gegeven op artikel 12 lid 1 onder a, b, f en g van het Bevb. Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Weg, spoorweg of binnenwater (Bevt)

Figuur 4.9: Wanneer groepsrisico verantwoorden?

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

67

Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Barro, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’, enz. 4.10.2

Onderzoek

Voor een goede ruimtelijke onderbouwing dienen de risico’s betreffende externe veiligheid in kaart te worden gebracht. Er is door Aviv een quickscan externe veiligheid opgesteld waarin de risicobronnen worden geïnventariseerd en visueel inzichtelijk worden gemaakt. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 13 bij deze plantoelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies vermeld. In figuur 4.10 op de volgende pagina is een uitsnede van de Signaleringskaart opgenomen met de (mogelijke) risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Het gaat om een aantal buisleidingen, een LPGtankstation en een bevoorradingsroute via de Boerdonksedijk. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich drie buisleidingen, te weten hogedruk aardgasleiding Z542-24 van Gasunie en twee K1-leidingen van Rotterdam-Rijn Pijpleidingmaatschappij (RRP). Conform de Signaleringskaart EV heeft hogedruk aardgasleiding Z-542-24, met een diameter van 7 inch en een druk van 40 bar, een invloedsgebied van 75 meter. Het plangebied ligt op ca. 220 meter en daarmee buiten het invloedsgebied. Deze buisleiding kan daarom verder buiten beschouwing blijven. Buisleidingen rrp-I6 (diameter 24 inch, druk 62 bar) en rrp-I9 (diameter 36 inch, druk 43 bar) hebben een invloedsgebied van 55 meter. Het plangebied ligt op ca. 225 meter van deze leidingen en daarmee buiten het invloedsgebied.

Deze buisleidingen kunnen daarom verder buiten beschouwing blijven. LPG-tankstation en bevoorradingsroute Op ca. 125 meter van het plangebied ligt een tankstation. Voorheen betrof dit een LPG-tankstation. De gemeente heeft op 24 januari 2023 de omgevingsvergunning milieu (gedeeltelijk) ingetrokken. De intrekking heeft betrekking op de opslag van LPG en het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer. Het invloedsgebied en de effectafstand van LPG zijn daardoor komen te vervallen. Deze inrichting kan verder buiten beschouwing gelaten worden in het kader van externe veiligheid. Doordat het tankstation geen LPG meer levert, vindt er over de Boerdonksedijk ook geen transport plaats meer van LPG. Daarmee vervalt de Boerdonksedijk als bevoorradingsroute en kan deze verder buiten beschouwing gelaten worden. Transport Er zijn geen relevante (spoor-, water-) wegen gelegen in de omgeving van het plangebied. 4.10.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

68

Figuur 4.10: Uitsnede signaleringskaart met plangebied (rood vlak)

4.11

(Ondergrondse) infrastructuur

In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. Vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt er nieuwe ondergrondse infrastructuur aangelegd, het is niet nodig om hiervoor zones op te nemen in het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

69

4.12

Gezondheid

4.12.1

Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen

Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Er is een toets aan het stappenplan uitgevoerd. Toetsing aan het stappenplan wijst uit dat de planlocatie buiten de endotoxine richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen (stap 1). De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen (stap 5a). De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf (stap 5b). De ontwikkeling leidt niet tot een toename in emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De planlocatie is gelegen in een gebied met een acceptabele geurbelasting aan de hand van het wettelijk kader. Er wordt niet geheel voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde uit het onderzoek van Geelen et al. (2015) (stap 3b). De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt meer dan 100 meter (stap 4).

Er is geen sprake van een mestbewerking of mestverwerking als nevenactiviteit of zelfstandige activiteit (stap 6) en er is bij toekomstige bewoners of omwonenden geen ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is doorlopen. Omdat er niet wordt voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde uit stap 3b dient volgens het stappenplan er advies te worden opgevraagd bij de GGD. Het is aan het bevoegd gezag om een afweging te maken en al dan niet een GGD-advies in te winnen. In paragraaf 4.7 is met een geuronderzoek aangegeven dat het bevoegd gezag kan overwegen het ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat aanvaardbaar te achten. In dit geval wordt als zodanig afgewogen en geoordeeld dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is. Zie verder ook paragraaf 4.7 Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen.

Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 4.12.2

Hoogspanningslijnen

De meest dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op minstens 4 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. 4.12.3

Spuitzones

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

70

4.13

Verkeer en parkeren

4.13.1

Toetsingskader

Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. 4.13.2

Onderzoek

Verkeersgeneratie Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de gemiddelde verkeersgeneratie in de publicatie “Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” uitgegeven door het CROW (381). De verkeersgeneratie die gepaard gaat met het realiseren van maximaal 80 woningen kan worden berekend aan de hand van de CROW-kencijfers. Bij het hanteren van deze kencijfers is het van belang om de mate van stedelijkheid te bepalen aan de hand van de omgevings-adressendichtheid. Het CBS biedt een overzicht van de omgevings-adressendichtheid voor alle gemeenten in Nederland. Voor de gemeente Meierijstad gold op 1 januari 2022 een omgevingsadressendichtheid van 1.006. Daarmee behoort de gemeente tot de categorie ‘matig stedelijk’. Tevens is uitgegaan van de locatiecategorie ‘rest bebouwde kom’. Het indicatieve richtprogramma met 74 woningen (zoals ook weergegeven in figuur 2.1) ziet er als volgt uit:  22 sociale huurwoningen;  8 middeldure huurwoningen;  12 goedkope koopwoningen;  14 middeldure koopwoningen;  18 dure koop / vrije sector woningen.

Uitgaande van maximaal 80 woningen en de vastgelegde verdeling van het te realiseren kwalitatieve woningbouwprogramma ontstaat de volgende verdeling:  24 sociale huurwoningen;  8 middeldure huurwoningen;  12 goedkope koopwoningen;  16 middeldure koopwoningen;  20 dure koop / vrije sector woningen.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

71

In onderstaande tabel is de toekomstige verkeersgeneratie berekend voor het maximale programma dat planologisch mogelijk wordt gemaakt. Er wordt gerekend met de gemiddelde verkeersgeneratie van woningen in de rest bebouwde kom – weinig stedelijk, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381. En overeenkomstig de stedelijkheidsgraad in het parkeerbeleid 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' van de gemeente Meierijstad. Tabel 4.5 Toekomstige verkeersgeneratie

Woningtype

Aantal

Verkeersgeneratie

Totaal

Sociale huurwoningen

24

5,6

134,4

Middeldure huurwoningen

8

7,4

59,2

12

7,4

88,8

16

7,8

124,8

Dure koopwoningen

20

8,2

156

Totaal

80

(huurhuis vrije sector) Goedkope koopwoningen (tussen/hoek) Middeldure koopwoningen (twee-onder-een-kap) 564

De verkeersgeneratie conform rekenmethode van CROW van het toekomstige programma bedraagt: 564 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Het plangebied wordt ontsloten via een wijkontsluitingsweg op de Pastoor van Schijndelstraat. Vanuit die straat kan het verkeer richting het westen ontsluiten op de Boerdonksedijk, dit is een 60 km/u weg. Circa 820 meter richting het zuiden komt de Boerdonksedijk via de Middelweg uit op de Provincialeweg N279. Deze wegen kunnen de extra verkeersgeneratie prima opvangen en verwerken. De toevoeging van het maximaal aantal te realiseren woningen leidt niet tot andere (negatieve) verkeerseffecten. Parkeren Ten behoeve van het voorzien van voldoende parkeergelegenheid is de parkeerbehoefte berekend met de parkeernormen overige kernen - rest bebouwde kom uit de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018'. Gerekend is met een richtprogramma van 74 woningen, gebaseerd op het concept stedenbouwkundige plan. Onderstaande tabel toont de parkeerbehoefte conform de parkeernormen uit de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018'. Voor de ontwikkeling van het richtprogramma (74 woningen) zijn er afgerond 167 parkeerplaatsen benodigd. Tabel 4.6 Berekeningen parkeerbehoefte Aantal

Parkeernorm

Parkeerbehoefte

Parkeernorm

Parkeerbehoefte

bewoners

bewoners

bezoekers

bezoekers

Totaal

Sociale huur

22

1,9

41,8

0,3

6,6

48,4

Middeldure huur

8

1,9

15,2

0,3

2,4

17,6

Goedkope koop

12

1,9

22,8

0,3

3,6

26,4

Middeldure koop

14

1,9

26,6

0,3

4,2

30,8

Dure koop

18

2,1

37,8

0,3

5,4

43,2

Totaal

74

22,2

166,4

144,2

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

72

De bruto parkeerbehoefte voor de woningen (bewoners en bezoekers) komt op 166,4 parkeerplaatsen, waarvan 144,2 voor bewoners en 22,2 voor bezoekers (zie tabel). Er zullen parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Hierdoor zal de parkeerbehoefte in de openbare ruimte afnemen. De parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers die in de openbare ruimte dienen te worden gerealiseerd kunnen aanspraak maken op de dubbelgebruik regel. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er moet worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. In het stedenbouwkundige plan is aangetoond dat er met onderhavige ontwikkeling ruimte is om te kunnen voorzien in parkeerplaatsen. Er zijn parkeerplaatsen gepland op openbaar gebied, daarnaast worden er parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein bij de woningen, deels op (binnen)hoven en een deel op de erven behorende bij de woningen. De finale benodigde parkeerplaatsen worden bepaald in het kader van de vergunningverlening. In de planregels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar moet zijn. Een omgevingsvergunning wordt pas verleend wanneer er sprake is van voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de geldende parkeernormen. Vanuit het aspect parkeren worden daarom geen belemmeringen verwacht. 4.13.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren zorgt niet voor belemmeringen.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

73

5

Juridische planopzet

5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2

Plansystematiek

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Er is gekozen voor een flexibel bestemmingsplan, waarbij het beoogde gebruik rechtstreeks mogelijk is binnen de opgenomen bestemmingen. Voor wat betreft de systematiek en inhoud van de bestemmingen en overige regels is aangesloten bij de systematiek voor nieuwe woongebieden binnen de gemeente Meierijstad. De regels van het plan bestaan conform de SVBP2012 uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder worden de regels in de onderscheiden hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen (Artikel 1): In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

74

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. In de volgende paragraaf worden de bestemmingen inhoudelijk toegelicht. De bestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen (leden) bestaan, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming opgenomen behoeven te zijn. Bestemmingsomschrijving: Een omschrijving van de doeleinden van de bestemming. Het gaat hierbij om de functies die zijn toegestaan binnen de bestemming. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Afwijken van de bouwregels: Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om onder voorwaarden af te wijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is een regeling opgenomen specifieke gebruiksregels voor bijvoorbeeld beroep of bedrijf aan huis. Ook zijn bijvoorbeeld regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik. Afwijken van de gebruiksregels: In dit onderdeel zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen om onder voorwaarden af te wijken van de toegestane gebruiksmogelijkheden van de bestemmingen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn algemene bepalingen opgenomen met betrekking tot de overschrijding van bouwgrenzen, het uitvoeren van ondergrondse werken en het bouwen van ondergrondse bouwwerken, evenals bepalingen ten behoeve bestaande afstanden en andere maten en parkeren. Algemene gebruiksregels In dit artikel is opgenomen welke gebruiksvormen in ieder geval als strijdig gebruik met het bestemmingsplan worden beschouwd. Hier zijn ook parkeernormen opgenomen.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

75

Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een wijzigingsplan kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels In dit artikel is een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van beschermde soorten. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3

Bestemmingen

Groen De gronden aan de westelijke van het plangebied, de steegjes en de bermen langs de hoofdontsluiting hebben de bestemming ‘Groen’ gekregen. Binnen deze bestemmingen zijn de gronden bedoeld voor onder meer groenvoorzieningen, voet- en fietspaden en water. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd, passend binnen de gestelde maatvoering. Daarnaast zijn ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan zoals verlichting, speelvoorzieningen e.d. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – parkeren’ is de aanleg van parkeerplaatsen mogelijk. Verkeer – Verblijf De hoofdontsluiting richting de Pastoor van Schijndelstraat heeft de bestemming ‘Verkeer-Verblijf’ gekregen voor een duurzame borging van de ontsluiting van het plangebied. Gebouwen ten behoeve van de verkeersbestemming zijn toegestaan, mits passend binnen de gestelde maatvoering. Daarnaast zijn ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan zoals voorzieningen ten behoeve van verkeersregulering. Voor de verharding is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat er voldoende waterberging dient te worden gerealiseerd. Woongebied Merendeel van het plan heeft de bestemming ‘Woongebied’.

In deze bestemming is het mogelijk om maximaal 80 woningen te realiseren in de volgende typologieën: vrijstaand, twee-aaneen, rug-aan-rug en aaneen gebouwde woningen. Conform de Doelgroepenverordening is ook de onderverdeling tussen de categorie woningen opgenomen, voor sociaal huur, goedkope woning, middeldure huurwoning en middeldure koopwoning.

Bestemmingsplan Korstenhof Zuid, Boerdonk

76

Voor de bouwregeling voor de inrichting van het woongebied en de woningen is gezocht naar een flexibele regeling. De maximum bouw- en goothoogte voor de woningen is vastgelegd op respectievelijk 11 en 3,5 meter, waarbij onder voorwaarden hiervan kan worden afgeweken tot maximaal 11 en 6,5 meter. De diepte van de hoofdgebouwen is toegespitst op de type woningen, alsmede de afstand tot de perceelsgrenzen. Voor bijbehorende bouwwerken is opgenomen dat achter de voorgevel van het hoofdgebouw de gronden maximaal 50% bebouwd moeten worden. Hiervoor zijn ook specifieke maatvoeringen opgenomen, zo mogen bijbehorende bouwwerken een goothoogte hebben van 3,30 meter. Dit geldt eveneens als er sprake is van een platte dak. Voor een bijbehorend wat wordt afgewerkt met dakconstructie geldt een maximum bouwhoogte 6 meter. Afhankelijk van het bouwperceel mag de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken inclusief carport niet meer bedragen dan 200-250 m2, rekening houdende met de maximum bebouwd oppervlakte van 50% voor de gronden gelegen achter de voorgevellijn. Voor erf- en terreinafscheidingen geldt dat deze standaard 2 meter bedraagt, met uitzonderingen voor- en zijerven. Hiervoor is een specifieke regeling opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=30562ca7-588c-4ce9-8ea6-53850f5c22e8