CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 Toelichting Donte 9 (inclusief bijlagen)

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan sanering varkenshouderij'24.706 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

09-02-2022

24 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

De gemeente SintOedenrode (opgegaan Figuur 4-2 Uitsnede CHW kaart provincie Noord-Brabant O=plangebied

in de gemeente Meierijstad) heeft een cultuurhistorische Waarde (CHW) kaart opgesteld. Figuur 43 betreft een uitsnede van deze CHW kaart. De Donte is aangeduid als een oude weg met solitaire bomen .

Figuur 4-3 Uitsnede CHW kaart Sint-Oedenrode O=plangebied

De herinrichting van het plangebied aan de Donte 9 heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden in de omgeving.

09-02-2022

 25

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

4.2.5

Monumenten

Uit de CHW kaart van Sint-Oedenrode (figuur 4-3) blijkt dat er in het plangebied geen rijks- en gemeente beschermde objecten aanwezig zijn. NATUUR 4.3.1

Algemene beschrijving omgeving

Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. De omgeving heeft een overwegend agrarisch karakter met hier en daar een burgerwoning in het buitengebied. Binnen 50 meter van het plangebied zijn geen boomkwekerijen of fruitteeltbedrijven gelegen. Op ca. 164 meter ten noordoosten van het plangebied is een perceel met fruitteelt gelegen. Dit betekent dat het risico op ammoniakschade verwaarloosbaar is. 4.3.2

Nationale Landschappen

Nederland kent twintig Nationale Landschappen. Deze gebieden hebben een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen. Daarmee vertellen ze het verhaal van het Nederlandse landschap. De Nationale Landschappen worden gekenmerkt door een bijzondere samenhang tussen landschapselementen als natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing. Door het aanwijzen van Nationale Landschappen wil de overheid het typische Nederlandse landschap behouden. Nationale Landschappen worden beschermd op grond van hun archeologisch of cultuurhistorisch waardevolle eigenschappen. Het bedrijf is niet gelegen in een Nationaal Landschap. Het dichtstbijzijnde Nationale Landschap is Het Groene Woud op ca. 18 km. Gezien de grote afstand zal het bedrijf geen invloed hebben op dit landschap. 4.3.3

Natuurparken, kustgebieden en bosgebieden

Nationale Parken (natuurparken) zijn de meest waardevolle natuurgebieden van Nederland. In Nederland is een nationaal park een natuurgebied van ten minste duizend hectare, met een karakteristiek landschap en bijzondere planten en dieren. Het beheer van een nationaal park is gericht op natuurbehoud en -ontwikkeling, natuurgerichte recreatie, educatie en voorlichting en op onderzoek. Naast natuurparken vormen ook kustgebieden en bosgebieden een belangrijk onderdeel van de Nederlandse natuur. De genoemde gebieden worden alleen beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving. Eventuele natuurparken, kustgebieden en/of bosgebieden in de omgeving van het bedrijf die tevens zijn aangewezen onder andere natuurbeschermende regelgeving worden in desbetreffende paragraaf genoemd. Onderhavig initiatief is niet in een dergelijk gebied gelegen. 4.3.4

Natuur Netwerk Nederland

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geïntroduceerd. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuur netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur. De NNN bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de NNN is de

09-02-2022

26 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

instandhouding, verbinding en ontwikkeling van deze natuurgebieden, om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. In figuur 4-4 is zichtbaar dat het bedrijf aan de Donte 9 niet in het Nationaal Natuur Netwerk gelegen is, het NNNgebied ligt op ca. 422 meter afstand. Op 135 meter ten westen van de locatie loopt de ecologische verbindingszone. Bij beoogd initiatief neemt de ammoniakemissie af met meer dan 85%. Dit komt ten geode aan de kwaliteit van de NNN-gebieden.

Figuur 4-4 Ligging Donte 9 ten opzichte van NNN-gebeid en ecologische hoofdstructuur (Bron: provincie Noord-Brabant)

4.3.5

Zeer kwetsbare gebieden

Zeer kwetsbare gebieden zijn gebieden welke in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij zijn aangewezen als voor verzuring gevoelig. Op grond van een wijziging van deze wet zijn voor dit initiatief alleen de gebieden van belang die tevens binnen de NNN-gebieden zijn gelegen. Zeer kwetsbare gebieden zijn voor een activiteit van belang wanneer zij binnen 250 meter van de locatie zijn gelegen. De dierverblijven zijn op 432 meter van het zeer kwetsbare gebied en 180 meter van de beschermingszone gelegen, zie figuur 4-5. Ook voor deze gebieden geldt dat de afname van

09-02-2022

 27

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

ammoniakemissie van meer dan 85% voor de locatie Donte 9 resulteert in een verbetering van de zeer kwetsbare gebieden.

Figuur 4-5 Ligging locatie Donte 9 ten opzichte van Wav-gebied en beschermingszone (Bron: provincie Noord-Brabant)

4.3.6

Natura 2000-gebieden

Nederland kreeg in 1967 voor het eerst een Natuurbeschermingswet. Deze wet maakte het mogelijk om natuurgebieden en soorten te beschermen. Op den duur voldeed de wet niet meer aan de eisen die internationale verdragen en Europese verordeningen stellen aan natuurbescherming. Daarom is in 1998 een nieuwe Natuurbeschermingswet gemaakt die gericht is op gebiedsbescherming. Inmiddels is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. In deze nieuwe Wet moet daarom niet alleen het effect vanuit de inrichting op de beschermde Natura 2000-gebieden worden getoetst, maar ook de beschermde natuur/soorten in en om de inrichting. Vrijwel elke veehouderij dient te beschikken over een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Het bevoegd gezag hiervoor is de provincie waarin het bedrijf is gelegen. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied in Nederland is ‘Stabrechtse Heide & Beuven ‘ op een afstand van circa 15 kilometer, zie figuur 4-6.

09-02-2022

28 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

15 kilometer

Figuur 4-6 Ligging Natura 2000-gebieden (Bron provincie Noord-Brabant)

Gebruiksfase Om de stikstofdepositie te kunnen bepalen is sinds 1 juli 2015 het rekenprogramma Aerius calculator beschikbaar. Op basis van de gegevens van de dierverblijven, zoals het huisvestingssysteem, de emissiepunthoogte en het aantal dieren, wordt de stikstofdepositie bepaald. Om te bepalen of geen significant negatieve effecten optreden naar aanleiding van het initiatief is met het rekenprogramma Aerius calculator een berekening gemaakt om te bepalen of de ammoniak depositie op geen enkel natuurgebied stijgt ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie voor de locatie Donte 9 is de laatst verleende milieuvergunning uit 2016. In bijlage 6 is de Aerius-berekening, inclusief toelichting, opgenomen. Hieruit blijkt dat er op geen enkel natuurgebied een toename van ammoniakdepositie plaats vindt. Er is zelfs overal sprake van een afname van ammoniakdepositie op de natuurgebieden. Significant negatieve effecten zijn hierdoor uitgesloten. Er is voor onderhavig initiatief op 11 januari 2021 een vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant.

09-02-2022

 29

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

Aanlegfase Voordat de nieuwe gebouwen kunnen worden gerealiseerd, dienen eerst de bestaande varkensstallen te worden gesloopt. De aanlegfase duurt 4 maanden. Gedurende de eerste maand wordt gesloopt en in de laatste 3 maanden vindt de bouw plaats. Tijdens de sloop en bouw worden er materialen aan- en afgevoerd, en zijn er aan- en afvoerbewegingen van materieel en personen. Deze verkeersbewegingen zorgen voor emissie van stikstofoxiden (NOx). De werkzaamheden voor de sloop en de bouw worden hieronder separaat beschreven. Om te bepalen of geen significant negatieve effecten optreden naar aanleiding van de aanlegfase van het initiatief is met het rekenprogramma Aerius calculator een berekening gemaakt om te bepalen er sprake is van ammoniak depositie ten opzichte van de natuurgebieden. Uit de Aerius berekening blijkt dat er geen sprake is van depositie tijdens de aanlegfase (zie bijlage 7, inclusief toelichting). Overigens is sinds de invoering van de Wet Stikstofreductie op 1 juli 2021 een vrijstelling voor de bouwactiviteiten in werking getreden. Voorgaande tekst en berekeningen zijn voor die tijd opgesteld en geven de zekerheid dat ook zonder deze vrijstelling het project in de aanlegfase niet zal leiden tot enige meetbare stikstofdepositie op omliggende Natura-2000 gebieden.

Flora en fauna De gemeente Meierijstad heeft voor het slopen van stallen in het kader van de regeling Warme Sanering Varkenshouderijen een ecologische Quick Scan laten uitvoeren bij de deelnemers aan deze saneringsregeling. De rapportage betreffende de Quick Scan is opgenomen in bijlage 8a. In deze paragraaf bepreken we ons tot de conclusies. De aanwezigheid van nesten van huismus kan niet worden uitgesloten in gebouw 1. De ingreep kan leiden tot negatieve effecten op deze soort en functie. Er wordt geadviseerd een nader onderzoek uit te voeren naar de huismus. Negen nesten van boerenzwaluw zijn waargenomen in gebouw 2. Deze verdwijnen bij de sloop. Door vervangende nestplaatsen te realiseren in de naburige stallen of woning wordt voorkomen dat nestgelegenheden voor deze soort verdwijnen of afnemen. Er moeten tenminste negen vervangende nestplaatsen worden gerealiseerd in de naburige stal of woning. De sloop moet worden uitgevoerd buiten de periode dat de nesten in gebruik zijn. Dit is tussen 31 augustus en 1 april. De ingreep kan leden tot het vernielen van eieren of nesten van algemene broedvogels, verstoren van deze nesten en et doden van jongen, en daarmee tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Door de sloop van de varkensstal uit te voeren inde periode september-februari wordt een overtreding va de wet natuurbescherming ten aanzien van broedende vogels voorkomen.

Als sloop buiten die periode niet mogelijk is dienen in overleg met een ter zake deskundige vooraf maatregelen te treffen te waarmee voorkomen wordt dat vogels in het gebouw gaan broeden. Naar aanleiding van de uitgevoerde quick scan en conform het advies van de ecoloog is door het ecologisch bureau Tritium een aanvullend huismussenonderzoek uitgevoerd in het voorjaar van

09-02-2022

30 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

2021. Hieruit blijkt dat er geen huismussen zijn aangetroffen in de te slopen gebouwen, hiervoor zijn meerdere aanvullende veldbezoeken afgelegd. Zie voor de bevindingen het rapport in bijlage 8b. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in een nationaal landschap, een nationaal park, een zeer kwetsbaar gebeid en/of een natura 2000-gebied. Daarnaast blijkt uit de Aerius verschilberekening van de gebruiksfase dat er sprake is van een afname van ammoniakdepositie op de natuurgebieden. Tevens blijkt uit de Aerius berekening van de aanlegfase dat er geen sprake is van ammoniakdepositie. Hieruit valt af te leiden dat het voorgenomen initiatief een positief effect zal hebben op het aspect natuur. Bij de sloop van de stallen worden de aanbevelingen uit de ecologische QuickScan en het aanvullende huismussenonderzoek opgevolgd. WATERPARAGRAAF 4.4.1

Beleid

DELTAPROGRAMMA RIJK De overheid wil Nederland nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en zorgen voor voldoende zoetwater. Ook wil de overheid ons land zo inrichten dat het klimaatbestendig en waterrobuust wordt. Het doel van het deltaprogramma is dat de waterveiligheid, de zoetwatervoorziening en de ruimtelijke inrichting in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn, zodat ons land de grotere extremen van het klimaat veerkrachtig kan blijven opvangen. Het kabinet heeft besloten alle maatregelen en projecten van het Deltaprogramma te bundelen in deltaplannen: het Deltaplan Waterveiligheid, het Deltaplan Zoetwater en (sinds Deltaprogramma 2018) het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. De maatregelen kunnen aanpassingen van het fysieke systeem betreffen, zoals dijkversterkingen of pompen, maar ook ruimtelijke reserveringen voor toekomstige maatregelen of instrumenten om gewenst gedrag te stimuleren. Ook regionale maatregelen kunnen een plaats krijgen in de deltaplannen. Deltaplan ruimtelijke adaptatie Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie omvat de maatregelen om Nederland klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. In het plan staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Daarvoor zijn 7 ambities in dit deltaplan opgenomen.

Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het Deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen. KEUR WATERSCHAP Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de “Keur Waterschap De Dommel 2015” van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.

09-02-2022

 31

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

Figuur 4-7 geeft een beeld van de ligging van het plangebied op de keurkaart beschermingsgebieden van de ‘Keur 2015’. Hieruit blijkt dat de locatie niet is gelegen in een beschermd gebied. Ten westen van het plangebied liggen beschermde gebieden en een attentiegebied voor de waterhuishouding.

Figuur 4-7Uitsnede beschermde gebieden Keur 2015, O=bedrijfslocatie (Bron: waterschap De Dommel)

WATERBEHEERPLAN DE DOMMEL 2016-2021 Het waterschap heeft in 2015 het “Waterbeheerplan De Dommel 2016-2021” vastgesteld en dit plan is sinds 1 januari 2016 van kracht. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheer Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal waterplan. Het nieuwe waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016-2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt: ► De beekdalbenadering: Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen. ► De gebruiker centraal: De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in. ► Samen sterker: Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven.

Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht. ► Gezonde toekomst: Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen bieden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water

09-02-2022

32 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn. 4.4.2

Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)

Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Hierbij mag de natuurlijke GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) niet verlaagd worden en mag bijvoorbeeld bij transformatie van landelijk naar bebouwd gebied de oorspronkelijke landelijke afvoer in de normale situatie niet overschreden worden. Het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden en in poldergebieden worden seizoen fluctuaties toegestaan. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruik functies in het plangebied en het beïnvloedingsgebied.

Concreet betekent dit dat:  de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie;  de omvang van grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;  de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;  de (grond)waterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;  het plangebied zo moet worden ingericht, dat de gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, die van invloed zijn op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in het plangebied. De gewenste realisatie van de nieuwbouw op het bedrijf leidt niet tot een toename van verharding. Ter plaatste van de nieuwe gebouwen stal zijn nu twee stallen aanwezig en tussen de twee stallen ligt deels erfverharding. Aangezien er een afname is van verhard oppervlak, is er sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen. 4.4.3

Voorkomen van vervuiling

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer van gebieden wordt het milieu belast. Vanuit zijn wettelijke taak ten aanzien van het waterkwaliteitsbeheer streeft het waterschap ernaar om nieuwe bronnen van verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bronaanpak is ook verwoord in het Emissiebeheersplan. Het waterschap besteedt hier reeds aandacht aan in de fase van de watertoets, zodat dit aspect als randvoorwaarde kan worden meegenomen in het verdere ontwerpproces. Vermeden wordt dat hemelwater in contact komt met materialen die milieubelastende stoffen uitlogen. Deze materialen kunnen hiermee bodem en water(bodem) belasten. Zware metalen (bv. koper, zink, lood), teer, bitumen of uitlogende verduurzamings-middelen kunnen hieronder worden verstaan. Voor veel van deze verontreinigende materialen zijn tegenwoordig goede alternatieven. Uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater moet eveneens worden voorkomen. Er zijn bodem beschermende voorzieningen getroffen door alle nieuwe vloeren in de stal te realiseren van beton met een betonkwaliteit conform de bouwtechnische richtlijnen mestbassins.

09-02-2022

 33

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

4.4.4

Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater

Het streefbeeld is het afvoeren van het vuile water via de riolering en het binnen het plangebied verwerken van het schone hemelwater. Op de locatie is sprake van een IBA tank waar geen regenwater op geloosd mag worden, enkel het afvalwater van de bedrijfswoning wordt hierop geloosd. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt. Het hemelwater wordt niet afgevoerd via het riool. Dit wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het hemelwater van de nieuwe bebouwing wordt infiltratie toegepast door het opvangen van het hemelwater in een sloot. Het regenwater van de nieuwe stal wordt aangesloten op de bestaande afvoer van stal A naar de sloot. Dat heeft als voordelen dat er minder wateroverlast ontstaat. Doordat het schone hemelwater niet in contact komt met bedrijfsprocessen, raakt het niet vervuild en kan het rechtstreeks afgevoerd worden naar de sloten. Het erf wordt bovendien regelmatig droog gereinigd om te voorkomen dat hemelwater in contact komt met vervuilende stoffen als mest, voeders, etc. BODEM In de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) is een lijst opgenomen met activiteiten die als bodembedreigend worden beschouwd.

Zo worden bijvoorbeeld de opslag van dieselolie in een bovengrondse tank, de opslag van oliën in emballage, de opslag van ruwvoer en bijproducten (CCM) en de opslag van dierlijke meststoffen in een put/bassin op grond van de NRB als bodembedreigende activiteiten aangemerkt. In het activiteitenbesluit zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Het nieuwe multifunctionele gebouw (gebouw C) wordt opgericht voor de huisvesting van de verschillende activiteiten op het gebied van zorg. Na het slopen van de varkensstallen en het verwijderen van het mestbassin zal er ter plaatse een bodemonderzoek worden uitgevoerd ONDERGRONDSE INFRASTUCTUUR Er bevinden zich in het plangebied geen planologisch relevante kabels of leidingen waarvoor een bepaalde beschermingszone geldt en waarmee bij bouw- of aanlegwerkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Het plangebied is niet gelegen in een radar verstoringsgebied. BEDRIJVEN EN MILLIEUZONERING Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid.

Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende

09-02-2022

34 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de lijst gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” dan wel “gemengd gebied”. In dit geval is sprake van een rustige ligging in het buitengebied met weinig verstoring. Uitgegaan kan worden van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Volgens de VNG-lijst valt de ontwikkeling onder de omschrijving ‘Fokken en houden van pluimvee’, waarvoor de volgende richtafstanden gelden:  voor het aspect ‘geurhinder’ =>200 meter,  voor het aspect ‘stofhinder’ => 30 meter,  voor het aspect ‘geluidhinder’ => 50 meter,  voor het aspect ‘gevaar’ => 0 meter. Binnen een straal van 200 meter zijn geen burgerwoningen of andere geurgevoelige objecten aanwezig. De dichtstbijzijnde burgerwoning van derden is gelegen op een afstand van 290 meter (Donte 8). Deze afstand is ruim voldoende zodat voldaan wordt aan de richtafstand betreft gevaar, geluid- en stofhinder. De omgeving vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Dit wijzigingsplan stelt geen nieuwe gevoelige functies voor.

Vanuit de milieuzonering bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkelingen. GEURHINDER Het Activiteitenbesluit vormt per 1 januari 2013 het toetsingskader voor geurhinder bij agrarische bedrijven, die volledig onder de werking van dit besluit vallen. Bij agrarische bedrijven, waarvoor een

09-02-2022

 35

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

omgevingsvergunning nodig is (agrarische bedrijven die maar gedeeltelijk onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen), is de Wet geurhinder en veehouderij het toetsingskader voor geurhinder. Voor het bedrijf aan de Donte 9 is op 18 januari 2021 een Melding Activiteitenbesluit ingediend, het valt volledig onder de werking van het Activiteitenbesluit. Ingevolge artikel 3.116, eerste lid, onder b, vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met geuremissiefactor niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De afstand dient gemeten te worden tussen de gevel van het geurgevoelige object en het dichtstbij zijnde emissiepunt. De afstand tussen het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, Donte 8, en het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt 290 meter. Hiermee wordt ruim aan de afstandseis uit het Activiteitenbesluit voldaan.

Op basis van artikelen 3.115 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren met een geuremissiefactor verboden indien de geurbelasting die de inrichting vanwege dierenverblijven waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden veroorzaakt op geurgevoelige objecten die zijn gelegen in gebieden, bedoeld in tabel 3.115 van het Activiteitenbesluit na de oprichting, uitbreiding of wijziging meer bedraagt dan de in die tabel aangegeven waarde. Het bedrijf aan de Donte 9 is gelegen in een concentratiegebied. In deze gebieden bedraagt de toegestane geurbelasting 3,0 ouE/m3 ( odour units per kubieke meter) binnen de bebouwde kom en 14,0 ouE/m3 buiten de bebouwde kom. Met het rekenprogramma V-Stacks Vergunningen kan de verspreiding van geur vanuit een veehouderijbedrijf worden berekend. Het rekenresultaat is de geurbelasting op in de omgeving gelegen geurgevoelige objecten. Vervolgens toetst het programma of de berekende geurbelasting voldoet aan de norm die van toepassing is. Deze norm moet vooraf worden ingevoerd. Om de geurbelasting te berekenen worden gegevens ingevoerd over het bedrijf (bronnen) en de omliggende geurgevoelige objecten (receptoren). Het programma houdt rekening met de meteorologische gegevens van een heel jaar en met de ruwheid van de omgeving.

Bijlage 3 bevat de resultaten van de V-stacks berekeningen. De geuremissie van onderhavig initiatief neemt ten opzichte van de vergunde situatie af met 99%. In figuur 4-8 worden de resultaten van de geurberekening weergegeven.

09-02-2022

36 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

Figuur 4-8 Resultaten geurberekening V-Stacks

Met de beoogde ontwikkeling wordt ruimschoots aan de wettelijke geurnormen voldaan. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. AKOESTIEK Bij nieuwbouwplannen worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen. Indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het planvoornemen voorziet niet in het mogelijk maken van een nieuwe geluidsbron. De zorgboerderij is ook geen geluidgevoelig object, aangezien de functie ondergeschikt is aan het ter plaatse gevestigde akkerbouwbedrijf en niet langdurig gebruik wordt gemaakt van een verblijfsruimte in het gebouw. De activiteiten en werkzaamheden vinden op het bedrijfsperceel plaats. Daarnaast vormt de Donte geen doorgaande route die intensief gebruikt wordt. De verkeersintensiteit is beperkt waardoor ook de geluidsbelasting beperkt zal zijn. Een goed leefklimaat kan ter plaatse gegarandeerd worden. Het is dan ook niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek uit te voeren.

Conclusie Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.

09-02-2022

 37

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

LUCHTKWALITEIT 4.10.1

Fijnstof

In de Wet Luchtkwaliteit worden eisen gesteld aan de kwaliteit van de lucht. Eén van de eisen is een maximumwaarde voor de hoeveelheid stof die zich in de lucht bevindt. Bij wijzigingen aan veehouderijbedrijven dient de luchtkwaliteit te worden beoordeeld. Hierbij wordt de concentratie van fijn stof (PM10) beoordeeld. Sinds 1 januari 2015 dient tevens de concentratie voor PM2,5 te worden beoordeeld. Volgens de wettelijke normen mag de concentratie PM10 veroorzaakt door de inrichting op omliggende woningen van derden maximaal 40 μg/m3 bedragen en mag er maximaal 35 dagen sprake zijn van een overschrijding van de grenswaarde van 50 μg/m3 voor 24-uurgemiddelden over 5 jaar. De grenswaarde voor PM2,5 bedraag 25 μg/m3. In de diertabel in bijlage 2 is de fijn stofemissie van de vergunde situatie als ook van de gewenste situatie weergegeven. De fijnstofemissie van de voorgenomen bedrijfsaanpassing aan de Donte 9 daalt van 313.337 gr. PM10 (vergunde situatie) naar 29.616 gr. PM10 (gewenste situatie). Dit is een afname van 283.821gr. (circa 91%) PM10. Middels het programma ISL3a is een fijn stofverspreidingsmodel (PM10 en PM2,5) van de voorgenomen activiteit opgesteld. Dit verspreidingsmodel is in bijlage 9 weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen activiteit met maximaal 18,18 µg/m3 aan de grenswaarde van 40 µg/m3 (jaargemiddelde) voldoet.

Het aantal overschrijdingsdagen van 6,4 is lager dan de 35 dagen die zijn toegestaan. De berekende PM2,5 concentratie bedraagt maximaal 11,180 µg/m³, waardoor ook ruimschoots aan de norm voor PM2,5 wordt voldaan. Dat betekent dat de voorgenomen activiteit aan de regelgeving voor fijn stof voldoet. Conclusie Het aspect fijnstof vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘(art. 3.1 Wro) wordt daarnaast getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

09-02-2022

38 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

 transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten, alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn:  Bedrijven;  Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);  Hoogspanningslijnen;  Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).

Op de risicokaart (figuur 4-10) is te zien dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd. In het plangebied wordt een risicocontour aangegeven. Dit betreft de bovengrondse propaantank, deze wordt echter verplaatst. Op ca. 410 meter ten noorden van het plangebied is een inrichting (Donte 3) aangegeven zonder risicocontour. Op circa 390 meter ten zuiden en 780 meter ten oosten van het plangebied loopt een ondergrondse gasleiding.

09-02-2022

 39

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

Figuur 4-10 Uitsnede risicokaart O= bedrijfslocatie (Bron: risicokaart van Nederland)

Ten westen van het plangebied ligt, op een afstand van circa 3,2 kilometer, een weg (A 50) voor het transport van gevaarlijke stoffen. Tijdens het transport kunnen dingen mislopen waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle transporten kan gedacht worden aan transport van aardgas, maar ook aan olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Aangezien de weg op voldoende afstand van de bedrijfslocatie ligt, hoeft met dit risico geen rekening gehouden te worden. Het op te richten zorggebouw is een zogenaamd kwetsbaar object. Kwetsbare objecten zijn gebouwen waarin zich veel mensen kunnen bevinden of gebouwen waar niet-zelfredzame mensen aanwezig zijn (zieken, bejaarden, kinderen). Deze objecten staan op de risicokaart omdat ze extra aandacht verdienen wanneer het misgaat. Daarom worden kwetsbare objecten liever niet in de buurt van risicobronnen gebouwd. Op het bedrijf is een risicobron, een propaantank met een inhoud van 4.850 liter, aanwezig. De propaantank wordt verplaatst naar de locatie, zichtbaar in figuur 4-11. De veiligheidsafstand tussen een propaantank een kwetsbaar object moet minimaal 25 meter bedragen. De afstand van de propaantank tot het zorggebouw bedraagt 59 meter.

09-02-2022

40 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

59 meter

Figuur 4-11 Uitsnede milieutekening, afstand propaantank tot kwetsbaar object gebouw C

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. VERKEER EN PARKEREN Het beperken van de nadelige milieugevolgen van het verkeer van personen of goederen naar een inrichting is een te beschermen milieubelang. In deze paragraaf beschouwen wij wat het effect is van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect. De te behandelen onderwerpen zijn: parkeerbehoefte, verkeersaantrekkende werking van de inrichting en ontsluiting. 4.12.1

Verkeer

De verbrede nevenactiviteiten zijn klein van opzet en zullen niet tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking leiden. Zeker als hierbij de vergelijking wordt gemaakt met het verkeer dat nu naar de locatie komt voor de intensieve veehouderij. Het zware verkeer valt grotendeels weg en wordt deels vervangen door licht verkeer. Daarnaast zal het lichte verkeer toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Tabel 4-1 Verkeersbewegingen huidige en beoogde situatie

Zwaar verkeer Licht verkeer

09-02-2022

Huidige situatie 5 voertuigen per week 42 voertuigen per week

Beoogde situatie 1 voertuigen per week 75 voertuigen per week

 41

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

4.12.2

Parkeren

Het parkeren van alle voertuigen geschiedt op eigen terrein. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling zijn geen nieuwe parkeerplaatsen noodzakelijk. Er is op het terrein plaats voor ca. 10 personenauto’s. 4.12.3

Ontsluiting

De bestaande ontsluiting van het bedrijf aan de Donte 9 blijft gehandhaafd en vindt plaats via de Donte. Deze sluit na circa 780 meter aan op de Lieshoutseweg. De bedrijfslocatie is te bereiken zonder door dorpskernen te rijden.

09-02-2022

42 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

JURIDISCHE PLANOPZET Deze ruimtelijke onderbouwing initiatief maakt deel uit van het ‘Ontwikkelplan sanering varkenshouderij’. Het ontwikkelplan is een bestemmingsplan waarin meerde locaties die gebruik maken van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij in één plan worden gebundeld. De gemeente wil medewerking verlenen aan de multifunctionele landbouwactiviteiten door een gebruiksgerichte paardenhouderij (pensionstalling) toe te staan voor maximaal 50 paarden en 10 pony’s. Ten aanzien van de zorgboerderij zal de omvang worden begrenst op een nieuw gebouw van 350 m2 en worden maximaal 20 cliënten toegestaan. Hiermee wordt bedoeld dat er maximaal 20 cliënten gelijktijdig op de locatie aanwezig mogen zijn. Het doel van deze begrenzing is om het onderscheid tussen de hoofd- en nevenactiviteiten goed te borgen, de begrenzing zal in de regels en/of verbeelding worden opgenomen.

09-02-2022

 43

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing te worden ingesteld naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met het verlenen van de vergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. De raad kan bevoegdheden omtrent een exploitatieplan delegeren. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij een projectafwijkingbesluit. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een projectafwijkingsbesluit geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De grond waarop de ontwikkeling plaatsvindt, is eigendom van de initiatiefnemer. De realisatie vindt plaats voor rekening en risico van initiatiefnemer en kent derhalve geen financiële risico’s voor de gemeente. De kosten die verbonden zijn aan het doorlopen van de procedure worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Mogelijke planschadekosten zijn eveneens voor rekening van de initiatiefnemer, hiertoe is een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer gesloten.

Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en kan het college op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

09-02-2022

44 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat bij deze omgevingsvergunning het maatschappelijk belang voldoende is meegenomen in de afweging. Artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht schrijft in samenhang met 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een omgevingsvergunning met projectafwijkingsbesluit overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Door initiatiefnemer is een omgevingsdialoog gevoerd met de gehele omgeving. In bijlage 10 is een handtekeningenlijst opgenomen waaruit blijkt dat alle omwonenden zijn geïnformeerd over het voornemen om het houden van varkens op deze locatie te beëindigen. De omgeving is enthousiast over het voornemen de intensieve veehouderij te beëindigen, dit draagt bij aan de vermindering van geurhinder en is positief ontvangen. De ontwikkeling als grondgebonden bedrijf met als neventak een zorgboerderij is tevens positief ontvangen. De gemeente is voor onderhavig initiatief het bevoegd gezag.

De gemeente Meierijstad doorloopt voor de gewenste ontwikkeling (vergunning voor het handelen in strijd met regels RO) de uitgebreide procedure van de Wabo. Het staat een ieder vrij om gedurende de ontwerp ter inzage legging een zienswijze in te dienen op de ontwerpvergunning. Het ontwerpbesluit wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd.

09-02-2022

 45

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

CONCLUSIE Initiatiefnemer heeft een varkenshouderij aan de Donte 9 te Sint-Oedenrode. De grondslag van de voorgenomen activiteit is het stoppen met het varkensbedrijf in het kader van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen en de omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf met verbrede landbouw. Specifiek te weten een akkerbouwbedrijf en grondgebonden veehouderij met als nevenactiviteit een zorgboerderij en een paardenhouderij. Voor deze omschakeling worden de bestaande varkensstallen gesloopt en worden er voor de nieuwe gebouwen gerealiseerd voor de zorgboerderij en de grondgebonden veehouderij. Naast de sloop van de varkensstallen wordt de aanduiding intensieve veehouderij van het bedrijf verwijderd. De gewenste ontwikkeling leidt tot een afname in 2.900 m2 bebouwing. Het voorgenomen initiatief past binnen de provinciale visie en beleidsregels. Ook past het initiatief binnen de gemeentelijke visie. In het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4, zijn een wijzigingsbevoegdheid en een binnenplanse mogelijkheid opgenomen om de bestemming intensieve veehouderij te verwijderen en de nevenactiviteit zorgboerderij mogelijk te maken (zie paragraaf 2.2.2). De gebruiksgerichte paardenhouderij als nevenactiviteit is niet te realiseren met de bestaande binnenplanse mogelijkheden en daarom dient een maatwerktraject voor de locatie te worden doorlopen.

De gemeente Meierijstad heeft besloten om een veegherziening op te stellen voor de deelnemers aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Deze herbestemming aan de Donte 9 neemt deel aan deze veegherziening. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de verschillende relevante omgevings- en milieuaspecten uitgebreid onderzocht. De conclusie die hieruit voortkomt is dat de gewenste ontwikkeling met het oog op een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

09-02-2022

46 

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

BIJLAGE 1

09-02-2022

SITUATIETEKENING

 47

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

BIJLAGE 2

09-02-2022

DIERTABEL

48 

Diertabel Datum :

21-9-2021

Naam aanvrager

F. van Zutphen

Adres

Donte 9

Tel.

: 0318-675400

Postcode en plaats

5491 RK Sint-Oedenrode

Fax

: 0318-675409

E-mail

: info@agra-matic.nl

Adres bedrijf

Donte 9

Adviseur

: Dirk van Nuland

Postcode en plaats

5491 RK Sint-Oedenrode

Specialist

: Thea de Boer

VERGUND 09-06-2016

Ammoniakemissie RAV

Diercategorie

Stal

code

Vleesvarkens

A

D 3.2.1

-

A

-

Vleesvarkens

C

-

C

Vleesvarkens

G

Huisvestingssysteem

Geuremissie

Fijn stofemissie PM2,5 *

Versie

Aantal

Kg NH3

kg NH3

Kolomindeling

Kg NH3

Kg NH3

nummer

dieren

p.pl.p.j.

totaal

keuze A/B/C

Besl Hv

Besl Hv

factor/dier

totaal in OU/s

BWL/GL-nummer

Geuremissie- Geuremissie Fijnstof PM2,5

Fijn stofemissie PM10

Toetsing Beh fijn stof PM10

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

totaal in gr/s

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr 132.345

ged.roostervloer, gehele dierplaats onderkelderd zonder stankafsluiter

BWL 2001.23.

865

4,5

3892,50

A

1,6

1384,00

23

19895,00

7,2

6.228

0,00020

153

132.345

153

10% eiwitreductie voer

-

865

-0,45

-389,25

A

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

768

1,5

1152,00

A

1,6

1228,80

17,9

13747,20

7,2

5.530

0,00018

153

117.504

153

117.504

-

768

-0,15

-115,20

A

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

BWL 2007.01.

2048

0,45

921,60

A

1,6

3276,80

16,1

32972,80

2,2

4.506

0,00014

31

63.488

153

313.344

D 3.2.7.2.1 ged. roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand met roosters anders dan metaal, e.o. max. 0,18 m² BWL 2004.05. -

Toetsing Beh ammoniak

10% eiwitreductie voer

D 3.2.15.3 Combiwasser 85% NH3-, 30% geur- en 80% fijn stofred.

-

G

-

10% eiwitreductie voer

-

2048

-0,045

-92,16

A

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Volwassen pony's (3 jaar en ouder)

F

K 3.100

overige huisvesting

n.v.t.

2

3,1

6,20

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Volwassen paarden (3 jaar en ouder)

F

K 1.100

overige huisvesting

n.v.t.

1

5

5,00

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

16.263

0

TOTAAL

5380,69

5889,60

* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting OBM 2021 (reeds ingediend vanwege eisen deelname warme saneringsregeling varkenshouderij)

voldoet aan Beh PM10

Toetsing Beh ammoniak

Geuremissie

Fijn stofemissie PM2,5 *

Versie

Aantal

Kg NH3

kg NH3

Kolomindeling

Kg NH3

Kg NH3

nummer

dieren

p.pl.p.j.

totaal

keuze A/B/C

Besl Hv

Besl Hv

factor/dier

totaal in OU/s

Geuremissie- Geuremissie Fijnstof PM2,5

Fijn stofemissie PM10

Toetsing Beh fijn stof PM10

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

totaal in gr/s

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

Stal

code

Schapen

A

B 1.100

Overige huisvesting

traditioneel

50

0,7

35,00

-

0

0,00

7,8

390,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Zoogkoeien

B

A 2.100

Overige huisvesting

n.v.t.

100

4,1

410,00

-

0

0,00

0

0,00

23,7

2.370

0,00008

86

8.600

0

0

Volwassen pony's (3 jaar en ouder)

B

K 3.100

overige huisvesting

n.v.t.

10

3,1

31,00

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Volwassen paarden (3 jaar en ouder)

B

K 1.100

overige huisvesting

n.v.t.

50

5

250,00

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Leghennen

D

E 2.100

overige huisvesting, niet-batterijhuisvesting

traditioneel

249

0,315

78,44

-

0

0,00

0,34

84,66

3,9

971

0,00003

84

20.916

0

0

-

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

3.341

0

-

BWL/GL-nummer

563.193

Diercategorie

-

Huisvestingssysteem

0

313.337

voldoet aan Beh NH3

Ammoniakemissie

RAV

66615,00

0

TOTAAL

0,00 804,44

0,00

* Op basis van het Wur Rapport 496: Emissiefactoren methaan, lachgas en PM2,5 voor stalsystemen, inclusief toelichting AIM 2021 (Conform uitgangspunten ruimtelijke onderbouwing d.d. 20-9-2021, zal een nieuwe AIM melding worden gedaan) RAV

0 0

Beh niet van toepassing

Ammoniakemissie

Toetsing Beh ammoniak

Geuremissie

Fijn stofemissie PM2,5 *

Versie

Aantal

Kg NH3

kg NH3

Kolomindeling

Kg NH3

Kg NH3

Geuremissie- Geuremissie Fijnstof PM2,5

nummer

dieren

p.pl.p.j.

totaal

keuze A/B/C

Besl Hv

Besl Hv

factor/dier

totaal in OU/s

Fijn stofemissie PM10

Toetsing Beh fijn stof PM10

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM2,5

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

Fijnstof PM10

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

totaal in gr/s

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

in gr/dier/jr

totaal in gr/jr

Stal

code

Schapen

A

B 1.100

Overige huisvesting

traditioneel

50

0,7

35,00

-

0

0,00

7,8

390,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Zoogkoeien

B

A 2.100

Overige huisvesting

n.v.t.

38

4,1

155,80

-

0

0,00

0

0,00

23,7

901

0,00003

86

3.268

0

0

Volwassen pony's (3 jaar en ouder)

B

K 3.100

overige huisvesting

n.v.t.

10

3,1

31,00

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Volwassen paarden (3 jaar en ouder)

B

K 1.100

overige huisvesting

n.v.t.

50

5

250,00

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

0

Leghennen

D

E 2.100

overige huisvesting, niet-batterijhuisvesting

traditioneel

249

0,315

78,44

-

0

0,00

0,34

84,66

3,9

971

0,00003

84

20.916

0

0

-

-

0

0,00

0

0,00

0,0

0

0,00000

0

0

0

1.872

0

TOTAAL

-

BWL/GL-nummer

29.516

Diercategorie

-

Huisvestingssysteem

474,66

0

0,00 550,24

0,00

474,66

24.184

0 0

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

BIJLAGE 3

09-02-2022

GEURBEREKENING

 49

Gegenereerd op: 17-01-2021

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 1

Naam van de berekening: 20210117_GVM_aanvraag_2021 Gemaakt op: 2021-01-17 14:44:36 Rekentijd: 0:00:26 Naam van het bedrijf: Zutphen van F. Donte 9 Sint Oedenrode Berekende ruwheid: 0,288 m

Brongegevens: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh. E-Aanvraag

Geb. Hoogte

1

Stal A

164 896

395 446

6,6

0,5

0,40

390

5,1

2

Stal D

164 806

395 446

1,5

0,5

0,40

85

3,5

Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID

X-coord.

Y-coord.

Geurnorm

Geurbelasting

3

Weverspad 2

165 167

395 608

14,0

0,1

4

Donte 8

164 561

395 420

14,0

0,0

5

Donte 8a

164 570

395 412

14,0

0,1

6

Vogelsven 3

164 493

396 021

14,0

0,0

7

Vogelsven 3a

164 509

396 018

14,0

0,0

8

Vogelsven 7

164 354

395 703

14,0

0,0

9

Rooijseweg 16

165 736

395 745

14,0

0,0

10

Rooijseweg 16a

165 727

395 753

14,0

0,0

11

Rooijseweg 18

165 651

395 755

14,0

0,0

12

Rooijseweg 18a

165 635

395 762

14,0

0,0

13

Lieshoutseweg 63

164 689

396 216

14,0

0,0

14

Lieshoutseweg 65

164 697

396 224

14,0

0,0

15

Lieshoutseweg 78b

164 452

396 270

14,0

0,0

16

Leishoutseweg 80

164 549

396 233

14,0

0,0

17

Lieshoutseweg 80a

164 506

396 150

14,0

0,0

Gegenereerd op: 17-01-2021

berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020

(c) DNV GL

Page 2

Ruimtelijke onderbouwing Donte 9 Sint-Oedenrode

BIJLAGE 4

09-02-2022

LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

50 

Landschappelijk inpassingsplan Donte 9 18-1-2022 aangevuld Beleidstudie

In het kader van de voorbereiding van het landschappelijk inpassingsplan voor de herinrichting van de locatie Donte 9 is gekeken naar het rapport ‘Landschapsanalyse Meierijstad’ van juni 2019. In dit rapport wordt een landschapstypering weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie Donte 9 is gelegen in een jonge heide ontginning ten oosten van de natuurgebieden Hazeputten en Vresselsbos, zie onderstaande figuur.

Figuur 1 Uitsnede kaart landschapstypen rapport ‘Landschapsanalyse Meierijstad’ (O=plangebied

De jonge heideontginningen zijn gebieden die lang onontgonnen en onbebouwd zijn gebleven. Het waren niet-gecultiveerde terreinen, die werden gebruikt voor het weiden van schapen en het steken van heideplaggen. Pas aan het eind van 19de eeuw en in de 20ste zijn deze heidegronden ontgonnen. De jonge heideontginningen worden gekenmerkt door een rationele verkavelingsstructuur. Rechthoekige percelen evenwijdig of dwars op de ontsluitingswegen met laanbeplantingen en verspreid liggende erven. Het is een open agrarisch productielandschap. Slechts plaatselijk komen verdichtingen voor in de vorm van houtsingels, bosstroken en bebouwing. De jonge heideontginningen zijn vooral van belang als weidevogelgebied. Weidevogels houden van een open landschap. Kenmerkend voor de jonge heideontginningen zijn landbouwgronden met weinig landschapselementen, zoals houtwallen en bosschages. Deze landschapselementen zijn o.a. door de ruilverkaveling voor een groot deel verdwenen. Langs de wegen zijn op sommige plekken nog wel bomenrijen toegevoegd. Abiotisch bestaande de omstandigheden in het plangebied uit Podzolgronden met een grondwatertrap van V tot VI blijkt uit de bijlagen van het rapport ‘Landschapsanalyse Meierijstad’. Hierdoor is dus sprake van een kalkarme en voedselarme gronden met een relatief hoge grondwatertrap, oftewel voor

droogte gevoelige gebieden. De voor te stellen inheemse erfbeplanting zal toegesneden moeten zijn op deze abiotische omstandigheden. Historische ontwikkeling

In onderstaande uitsneden van de website topotijdreis is de historische ontwikkeling van het plangebied in beeld gebracht vanaf 1925. In 1925 was er nog geen bebouwing ter plaatse van het plangebied en was sprake van heideterrein aangeduid als de ‘Vresselsche heide’. Rond 1930 is het gebied ontgonnen en is grootschalig bos aangeplant. In 1950 is het plangebied ingericht als akkerbouwland en zijn de eerste boerderijen gevestigd in de omgeving. Aan de oostzijde van het plangebied is in 1950 een hoeve te zien die later is gesloopt. In 1975 is de boerderij Donte 9 herkenbaar en bestaande uit de langgevelboerderij en enkele stallen. Er is nog relatief weinig grootschalige veehouderij in de omgeving en de omliggende kavels zijn nog relatief kleinschalig, wel is er sprake van een open kamer met als achtergrond aan de west en zuidzijde het Vresselsche Bosch. Dit bos van 250 hectare is gelegen op een stuizandheuvel die gemiddeld 3 meter hoger ligt dan het bouwland. In 2020 is de ontwikkeling in het plangebied en daarbuiten van de intensieve veehouderij goed te zien. Enkele bedrijven, waaronder dit bedrijf, hebben forse schaalsprongen gemaakt, wat blijkt uit meer bebouwing in de omgeving van het plangebied. Daarnaast is in 1983 de testbaan van de DAF aan de oostzijde van het plangebied gerealiseerd. Afsluitend zie je in 2022 meerdere percelen boomteelt ontstaan rondom het plangebied.

Figuur 2 Uitsneden plangebied omgeving Donte 9 (bron: topotijdreis.nl, d.d. 18-1-2022)

Gebiedsanalyse

In de Groene kaart van de gemeente Meierijstad zijn de waardevolle landschappelijke elementen opgenomen. In onderstaande figuur 3 is een uitsnede opgenomen van deze digitale kaart. Hieruit blijkt dat er in de bestaande situatie in het plangebied geen waardevolle landschappelijke (erf)beplanting aanwezig is. De laanbomen langs de Donte worden wel gezien als waardevol. De laanbomen zijn onderdeel van het oorspronkelijk landschappelijk raamwerk, hebben hoge cultuurhistorische-, natuuren recreatieve waarden. De houtsingel aan de oostzijde van het plangebied langs het testterrein van de DAF wordt gezien als ‘monumentaal’. Tussen beide elementen is sprake van een weids open ruimte, in agrarisch gebruik.

Figuur 3 Uitsnede Groene Kaart met belangrijkste groenstructuren in de omgeving

In onderstaand foto is de beplanting in de laan langs de Donte in beeld gebracht. Het sortiment bestaat uit zomereik (Querqus Robur) en ruwe berk (Betula Pendula). Het sortiment in het bos bestaat veelal uit sparren en Amerikaanse eik.

Figuur 4 Aanzicht bomenrijen Donte 9 (Bron: GoogleEarth)

Beleving plangebied

In onderstaande figuur 5 is het aanzicht op het bedrijf van de openbare weg (Donte) te zien. Het bedrijf heeft een lange oprit met aan de zuidzijde een bomenrij in de vorm van rode beuken. Rondom de woning staan enkele solitaire bomen. Het kader van het bedrijf wordt gevormd door een bossingel rondom het DAF-terrein achter het bedrijf. Er liggen relatief weinig sloten en over het algemeen is het een open gebied. De bedrijfsgebouwen liggen kaal in het open landschap.

Figuur 5 Vooraanzicht bedrijf vanaf de Donte (kijkrichting oostelijk)

De woning is relatief goed ingepast maar de stallen tonen zich prominent in het landschap vanaf de Donte. Vanaf de doorgaande Lieshoutseweg (500 meter afstand) zijn de gebouwen praktisch niet waarneembaar.

Opzet groen-blauwe structuur

In onderstaande figuur zijn de belangrijkste groen-, blauwe dragers van het gebied weergegeven. Het belangrijkste zijn de laanbeplanting en de houtwal ten westen en oosten van het plangebied. Belangrijke oost-west verbindingen zijn de sloten ten zuiden en noorden van het plangebied en aan de overzijde van de Donte. De sloten vormen tevens kavelgrenzen die het oost-west kavelpatroon ten zuiden van de Donte 9 borgen. De sloten vormen natuurlijke grenzen en zijn gelegen op de kavelgrens van de in zwart aangeduide kadastrale grenzen, de rode beukenlaan is gebiedsvreemd element (qua sortiment) maar sluit qua richting goed aan bij de ontginningsrichting. Het plangebied is aangegeven met de gele stippellijn.

Figuur 6 Overzicht belangrijkste groen-blauwe elementen rondom het plangebied (gele lijn is plangebied).

Beplantingsplan

In bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing is een situatieschets opgenomen van de beoogde herinrichting van het bedrijf inclusief de landschappelijke inpassing van het erf na sanering van de intensieve veehouderij. Omdat het in deze om een landschappelijk open kamer gaat binnen een groene omkadering (Bossen en DAF terrein) wordt er niet voor gekozen om rondom het erf ‘houtwallen/houtsingels aan te planten. Dit zou het landschap verder verdichten en voor het agrarische gebruik significant negatieve effecten opleveren. In plaats daarvan wordt aangesloten bij de bestaande erfbeplanting en wordt deze waar mogelijk versterkt. Er wordt aangesloten bij de groen-blauwe kaders van het bestaande erf. De sloten ten noorden en zuiden van het bedrijf (haaks op de weg Donte) vormen logische bestaande kaders van het erf en hebben ook een functie voor de waterberging. Binnen deze blauwe kaders worden aanvullende landschappelijke elementen toegevoegd. Qua sortiment wordt zoveel mogelijk gebiedseigen sortiment gebruikt, met name zomereiken, zoals ook aanwezig in de laanbeplanting aan de Donte. In het voorerf wordt qua sortiment aangesloten bij het beoogd gebruik als zorgboerderij door vruchtdragende bomen toe te voegen. Het onderhoud en de oogst van deze vrucht(bomen) sluit aan bij het beoogde gebruik van het plangebied.

Zie onderstaande uitsnede van bijlage 1 voor de voorgestelde aan te planten elementen.

Handhaven bomenrij rode beuken

Toevoegen twee fruitbomen ‘Brabant Bellefleur’

Toevoegen bomenrij eiken ‘Quercus Robur’

Toevoegen twee solitaire notenbomen ‘Juglans Regia’ Toevoegen twee solitaire kersenbomen ‘Early Rivers’

Toevoegen kikkerpoel en bloemrijkgrasland

Toevoegen vijf solitaire eiken ‘Quercus Robur’ Figuur 7 Landschappelijk inpassingsplan, aanduiding elementen erfbeplanting Donte 9

Er wordt in het bovenstaande voorstel onderscheid gemaakt tussen aan te planten elementen op het voorerf en op het achtererf. Op het voorerf wordt de bestaande bomenrij langs het toegangspad gehandhaafd. Het toevoegen van een bomenrij aan de noordzijde van het erf zou een toegangslaan creëren, hetgeen een beetje een gebiedsvreemd element zou worden. Omdat het een bestaand element is met bijzondere sierwaarde passend bij het voorerf, en in goede conditie verkeerd, wordt voorgesteld het element te handhaven. De toe te voegen elementen op het voorerf zijn twee solitaire notenbomen die de ruimte krijgen om tot volle wasdom te komen. Daarnaast wordt aan de zuidzijde van de mantelzorgwoning twee kersenbomen aangeplant. Naast dat de bomen vruchten dragen, kunnen ze ook voorzien in schaduw rondom de woning en garage. De kersenbomen hebben ook een belangrijke sierwaarde in het voorjaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=ace4eee3-e2c3-4abe-9b80-3b01204a1cce